Qur'an (nl)

1
Al-Fatihah De Opening
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
2
Lof zij God, de Heer der werelden,
3
de Albarmhartige, de Meest Barmhartige,
4
Heerser over de Dag des Oordeels.
5
U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp.
6
Leid ons op het Rechte Pad,
7
het Pad dergenen die Gij begunstigd hebt, niet dergenen die Uw toorn over zich brachten, noch dergenen die dwalen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 1 — Al-Fatihah (De Opening)

Algemene opmerkingen

Het meest voorgedragen gedeelte ter wereld — elke moslim draagt het minstens 17 maal per dag voor in de vijf gebeden. Zeven verzen die de gehele Voordracht in kiemvorm bevatten: Gods wezen (vv.1–3), Gods gezag (v.4), de verhouding van de mens tot God (v.5), de smeekbede om leiding (vv.6–7).

De Basmala (v.1) telt als eerste vers, anders dan bij andere soera’s. Deze soera begint met de Naam.

Stamanalyse

v.1: بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَنِ الرَّحِيمِ

  • بِسْمِ — stam س-م-و (s-m-w): naam, maar ook verheven zijn. Noemen is tot bewustzijn verheffen.
  • الرحمن — stam ر-ح-م (r-h-m): baarmoeder, barmhartigheid. De intensieve vorm = de Albarmhartige. Dezelfde stam als de opening van Soera 55. Barmhartigheid als Gods eerste zelfidentificatie — gestamd in de baarmoeder.
  • الرحيم — dezelfde stam, maar فَعِيل-vorm = de Meest Barmhartige. Rahmaan = barmhartigheid als wezen; Rahiem = barmhartigheid als daad.

v.2: الْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ

  • الحمد — stam ح-م-د (h-m-d): lofprijzing. Dezelfde stam als محمد (Muhammad, de geloofde) en أحمد (Ahmad, meest geloofd — de naam in 61:6). Lof is de stam van de naam des Profeets.
  • رب (Rabb) — stam ر-ب-ب: heer, voeder, opvoeder. Niet slechts “meester” maar degene die voedt en tot rijpheid brengt.
  • العالمين — stam ع-ل-م: kennen, wereld. De “werelden” zijn letterlijk “de kenbare rijken.”

v.4: مَالِكِ يَوْمِ الدِّينِ

  • الدين — stam د-ي-ن: godsdienst, oordeel, vergelding, schuld. De “Dag des Oordeels” is letterlijk de “Dag der Vergelding.” Dezelfde stam geeft دَيْن (schuld) — oordeel en schuld zijn één begrip.

v.5: إِيَّاكَ نَعْبُدُ وَإِيَّاكَ نَسْتَعِينُ

  • نعبد — stam ع-ب-د: dienen, aanbidden. Aanbidding IS dienst.
  • نستعين — stam ع-و-ن: helpen. Vorm X = hulp zoeken.
  • De structuur إياك… وإياك — het benadrukte voornaamwoord VÓÓR het werkwoord: “U aanbidden wij en U smeken wij.” De nadruk ligt op de uitsluitendheid.

vv.6–7: Het Rechte Pad en de drie groepen

  • الصراط المستقيم — مستقيم van ق-و-م (q-w-m, rechtop staan). Dezelfde stam als قَوَّامُون in 4:34 en قيامة (opstanding). Het Rechte Pad is het pad dat staat.
  • v.7 verdeelt de mensheid in drie groepen:
    1. Zij over wie God Zijn gunst heeft uitgestort
    2. Zij die Gods toorn over zich afriepen (de toorn is zelfveroorzaakt)
    3. Zij die afdwalen — stam ض-ل-ل: dwalen, verdwalen

Deze driedeling weerspiegelt de opening van Al-Baqara: gelovigen (2:2–5), zij die verhullen (2:6–7), huichelaars (2:8–20). De smeekbede van Al-Fatihah wordt beantwoord door Al-Baqara’s onderricht.

Integratieve verbanden

  • v.1 الرحمن ↔ 55:1: de Albarmhartige opent zowel de Fatihah als Soera 55
  • v.2 الحمد/h-m-d ↔ 61:6 Ahmad: lofprijzing en de naam des Profeets delen één stam
  • v.4 الدين/d-y-n ↔ 2:256 لا إكراه في الدين: godsdienst en schuld/vergelding — hetzelfde woord
  • v.6 الصراط المستقيم / q-w-m ↔ 4:34 قوامون / 33:35 قوامين: oprechtheid als draad van gebed tot maatschappelijke ethiek
2
Al-Baqarah De Koe
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Lam, Mim.
2
Dit Boek, waarin geen twijfel is, leidt de godvrezenden,
3
die in het verborgene geloven, standvastig zijn in het gebed, en besteden van hetgeen Wij hun gegeven hebben,
4
en die geloven in hetgeen tot u nedergezonden is en hetgeen voor u nedergezonden werd, en vast geloven in het Hiernamaals.
5
Dezen zijn geleid door hun Heer, en zij zijn het die welvaren.
6
Voorwaar, zij die verhuld hebben — het is hun gelijk of gij hen waarschuwt of niet waarschuwt — zij geloven niet.
7
God heeft hun harten en hun gehoor verzegeld, en over hun gezicht ligt een sluier, en voor hen is een grote kastijding.
8
En onder de mensen zijn er die zeggen: "Wij geloven in God en in de Laatste Dag," doch zij zijn geen gelovigen.
9
Zij zouden God en degenen die geloven bedriegen, maar zij bedriegen slechts zichzelven, en zij beseffen het niet.
10
In hun harten is een ziekte, en God vermeerdert hun ziekte, en voor hen is een pijnlijke kastijding omdat zij plachten te liegen.
11
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Sticht geen verderf op de Aarde," zeggen zij: "Wij zijn slechts hervormers."
12
Welneen! Voorwaar, zij zijn de verdervers, maar zij beseffen het niet.
13
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Gelooft gelijk de mensen geloven," zeggen zij: "Zullen wij geloven gelijk de dwazen geloven?" Welneen! Voorwaar, zij zijn de dwazen, maar zij weten het niet.
14
En wanneer zij degenen die geloven ontmoeten, zeggen zij: "Wij geloven." Maar wanneer zij zich terugtrekken tot hun duivelen, zeggen zij: "Voorwaar, wij zijn met u; wij dreven slechts de spot."
15
God zal hen bespotten en hen verlengen in hun overtreding, blindelings dwalend.
16
Dezen zijn zij die dwaling hebben gekocht met leiding, en hun handel heeft hun geen baat gebracht, noch zijn zij geleid.
17
Hun gelijkenis is als de gelijkenis van hem die een vuur ontsteekt, en wanneer het alles rondom hem verlicht, neemt God hun licht weg en laat hen in duisternis — zij zien niet.
18
Doof, stom, blind — zo keren zij niet terug.
19
Of als een regenstorm uit de hemel, waarin duisternissen zijn en donder en bliksem — zij steken hun vingers in hun oren tegen de donderslagen uit vrees voor de dood. En God omvat degenen die verhullen.
20
De bliksem rukt hun gezicht bijna weg; telkens wanneer het voor hen flitst, wandelen zij daarin, en wanneer het over hen donker wordt, staan zij stil. En indien God wilde, zou Hij hun gehoor en hun gezicht wegnemen. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen.
21
O mensen! Aanbidt uw Heer, die u schiep en hen die voor u waren, opdat gij godvrezend moogt zijn.
22
Die de Aarde voor u tot een rustplaats heeft gemaakt en de hemel tot een bouwwerk, en water nederzond uit de hemel, en daarmee vruchten voortbracht als voorziening voor u. Stelt dan geen gelijken naast God terwijl gij weet.
23
En indien gij in twijfel zijt over hetgeen Wij nedergezonden hebben op Onze dienaar, brengt dan een soerah voort desgelijks, en roept uw getuigen naast God, indien gij waarachtig zijt.
24
En indien gij het niet doet — en gij zult het nimmer doen — vreest dan het Vuur welks brandstof mensen en stenen zijn, bereid voor degenen die verhullen.
25
En geeft blijde tijding aan degenen die geloven en goede werken verrichten, dat voor hen tuinen zijn waaronder rivieren stromen. Telkens wanneer hun daaruit vruchten worden geschonken als voorziening, zeggen zij: "Dit is hetgeen ons eerder geschonken werd." En het wordt hun in gelijkenis gegeven. En voor hen zijn daarin gelouterde metgezellen, en daarin zullen zij eeuwig verblijven.
26
Voorwaar, God schaamt zich niet een gelijkenis te stellen, al ware het van een mug of wat daarboven is. Degenen die geloven weten dat het de Waarheid is van hun Heer, maar degenen die verhullen zeggen: "Wat bedoelt God met deze gelijkenis?" Hij leidt er velen mee af, en leidt er velen mee recht, en Hij leidt er slechts de verdorvenen mee af —
27
degenen die het verbond van God breken nadat het gesloten was, en afsnijden hetgeen God bevolen heeft te verbinden, en verderf stichten op de Aarde — dezen zijn de verliezers.
28
Hoe kunt gij God verhullen, terwijl gij dood waart en Hij u het leven schonk, dan zal Hij u doen sterven, dan zal Hij u het leven schenken, dan tot Hem zult gij worden teruggebracht?
29
Hij is het die voor u alles schiep wat op de Aarde is, dan wendde Hij zich tot de hemel en vormde ze tot zeven hemelen. En Hij is van alle dingen Wetend.
30
En toen uw Heer tot de engelen zeide: "Voorwaar, Ik zal op de Aarde een stedehouder plaatsen," zeiden zij: "Zult Gij daarop iemand plaatsen die er verderf zal stichten en bloed vergieten, terwijl wij Uw lof prijzen en U heiligen?" Hij zeide: "Voorwaar, Ik weet wat gij niet weet."
31
En Hij onderwees Adam de namen, alle, en stelde ze vervolgens voor de engelen en zeide: "Deelt Mij de namen van dezen mede, indien gij waarachtig zijt."
32
Zij zeiden: "Glorie zij U! Wij hebben geen kennis dan hetgeen Gij ons geleerd hebt. Voorwaar, Gij zijt de Alwetende, de Alwijze."
33
Hij zeide: "O Adam, deel hun de namen mede." En toen hij hun de namen had medegedeeld, zeide Hij: "Heb Ik u niet gezegd dat Ik het verborgene der hemelen en der Aarde ken, en Ik weet wat gij openbaart en wat gij placht te verbergen?"
34
En toen Wij tot de engelen zeiden: "Werpt u neder voor Adam," wierpen zij zich neder, behalve Iblis — hij weigerde en was hoogmoedig, en was van degenen die verhullen.
35
En Wij zeiden: "O Adam, verblijf gij en uw gade in de Tuin, en eet daarvan vrijelijk waarheen gij wilt, maar nadert deze Boom niet, opdat gij niet tot de onrechtvaardigen behoort."
36
Toen deed Satan hen daarvan uitglijden, en bracht hen uit hetgeen zij in waren. En Wij zeiden: "Gaat af, sommigen uwer vijanden van anderen, en voor u is op de Aarde een verblijfplaats en voorziening voor een tijd."
37
Toen ontving Adam van zijn Heer woorden, en Hij wendde zich tot hem. Voorwaar, Hij is de Telkenskerende, de Meest Barmhartige.
38
Wij zeiden: "Gaat af van haar, allen. En indien leiding tot u komt van Mij, dan wie Mijn leiding volgt — geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren."
39
En degenen die verhullen en Onze tekenen loochenen, dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
40
O Kinderen Israels, gedenkt Mijn zegening waarmee Ik u zegende, en vervult Mijn verbond en Ik zal uw verbond vervullen, en Mij alleen zult gij vrezen.
41
En gelooft in hetgeen Ik nedergezonden heb, bevestigend hetgeen bij u is, en weest niet de eersten die het bedekken, en verkoopt Mijn tekenen niet voor een geringe prijs, en Mij alleen zult gij godvrezend zijn.
42
En vermengt de waarheid niet met de valsheid, en verbergt de waarheid niet terwijl gij weet.
43
En weest standvastig in het gebed, en geeft de aalmoes, en buigt met degenen die buigen.
44
Beveelt gij de mensen rechtvaardigheid en vergeet gij uzelf, terwijl gij het Boek voordraagt? Begrijpt gij dan niet?
45
En zoekt hulp in geduld en gebed. Voorwaar, het is iets groots, behalve voor de nederigen —
46
degenen die rekenen dat zij hun Heer zullen ontmoeten, en dat zij tot Hem zullen terugkeren.
47
O Kinderen Israels, gedenkt Mijn zegening waarmee Ik u zegende, en dat Ik u boven de werelden bevoorrechtte.
48
En vreest een dag waarop geen ziel een andere ziel iets baten zal, en geen voorspraak van haar aanvaard zal worden, en geen losgeld van haar genomen zal worden, en zij niet geholpen zullen worden.
49
En toen Wij u verlosten van het huis van Farao, die u kwelde met zware kastijding, uw zonen slachtend en uw vrouwen sparend. En daarin was een grote beproeving van uw Heer.
50
En toen Wij de zee voor u splitsten, en u verlosten, en het huis van Farao verdronken terwijl gij toekeekt.
51
En toen Wij Mozes veertig nachten aanstelden, toen naamt gij het kalf na hem, en gij waart onrechtvaardigen.
52
Toen vergaven Wij u daarna, opdat gij wellicht dankbaar mocht zijn.
53
En toen Wij Mozes het Boek gaven en het Onderscheid, opdat gij wellicht geleid mocht worden.
54
En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O mijn volk, voorwaar gij hebt uzelf onrecht aangedaan door het nemen van het kalf. Keert dan berouwvol terug tot uw Maker en doodt uzelf. Dat is beter voor u in het oog van uw Maker." Toen wendde Hij zich tot u. Voorwaar, Hij is de Telkenskerende, de Meest Barmhartige.
55
En toen gij zeidet: "O Mozes, wij zullen u niet geloven totdat wij God openlijk zien." Toen greep u de bliksem terwijl gij toekeekt.
56
Toen verwekten Wij u na uw dood, opdat gij wellicht dankbaar mocht zijn.
57
En Wij beschaduwden u met wolken, en zonden op u neder het manna en de kwartels: "Eet van de goede dingen waarmee Wij u hebben voorzien." En zij deden Ons geen onrecht aan, maar zichzelven plachten zij onrecht te doen.
58
En toen Wij zeiden: "Gaat deze stad binnen, en eet daarvan vrijelijk waarheen gij wilt, en gaat de poort binnen in onderwerping, en zegt: 'Ontlasting!' — Wij zullen u uw overtredingen vergeven. En Wij zullen de weldoeners vermeerderen."
59
Toen vervingen degenen die onrecht deden een woord door een ander dan hetgeen tot hen gezegd was, en Wij zonden neder op degenen die onrecht deden een plaag uit de hemel, omdat zij plachten te overtreden.
60
En toen Mozes water zocht voor zijn volk, en Wij zeiden: "Sla met uw staf de rots." Toen ontsprongen er twaalf bronnen uit; ieder volk kende zijn drinkplaats. "Eet en drinkt van de voorziening Gods, en sticht geen onheil op de Aarde als verdervers."
61
En toen gij zeidet: "O Mozes, wij zullen niet één soort voedsel verdragen, roep dan uw Heer voor ons aan dat Hij voor ons voortbrenge van hetgeen de Aarde doet groeien — van haar kruiden, en haar komkommers, en haar knoflook, en haar linzen, en haar uien." Hij zeide: "Wilt gij het mindere inruilen voor het betere? Gaat af naar een bewoond land, en voorwaar voor u is hetgeen gij gevraagd hebt." En vernedering en armoede werden hun opgelegd, en zij brachten de toorn Gods over zich. Dat was omdat zij plachten de tekenen Gods te loochenen en de profeten te doden zonder recht. Dat was omdat zij ongehoorzaam waren en plachten te overtreden.
62
Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die Joden zijn, en de Christenen, en de Sabiers — wie in God gelooft en in de Laatste Dag en goede werken verricht — voor hen is hun beloning bij hun Heer, en geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
63
En toen Wij uw verbond namen en de Berg boven u verhieven: "Houdt vast aan hetgeen Wij u gegeven hebben met kracht, en gedenkt hetgeen daarin is, opdat gij wellicht godvrezend moogt zijn."
64
Toen wendet gij u af daarna, en ware het niet om de genade Gods over u en Zijn barmhartigheid, gij zoudt tot de verliezers behoord hebben.
65
En voorwaar gij kendet degenen onder u die in de Sabbat overtraden, en Wij zeiden tot hen: "Weest apen, veracht."
66
En Wij maakten het tot een voorbeeldige straf voor hetgeen eraan voorafging en hetgeen erna kwam, en een vermaning voor de godvrezenden.
67
En toen Mozes tot zijn volk zeide: "Voorwaar, God beveelt u dat gij een koe slacht." Zij zeiden: "Drijft gij de spot met ons?" Hij zeide: "Ik neem mijn toevlucht tot God om niet tot de onwetenden te behoren."
68
Zij zeiden: "Roep uw Heer voor ons aan dat Hij ons duidelijk make wat zij is." Hij zeide: "Voorwaar, Hij zegt: Zij is een koe noch oud noch jong, van middelbare leeftijd daartussen. Doet dan hetgeen u bevolen wordt."
69
Zij zeiden: "Roep uw Heer voor ons aan dat Hij ons duidelijk make wat haar kleur is." Hij zeide: "Voorwaar, Hij zegt: Zij is een gele koe, helder van kleur, een genot voor de aanschouwers."
70
Zij zeiden: "Roep uw Heer voor ons aan dat Hij ons duidelijk make wat zij is. Voorwaar, de koeien zijn ons gelijk, en voorwaar, indien God het wil, zullen wij geleid worden."
71
Hij zeide: "Voorwaar, Hij zegt: Zij is een koe niet gebroken om de Aarde te ploegen noch om de akker te drenken, onbevlekt, geen merk op haar." Zij zeiden: "Nu zijt gij met de waarheid gekomen." Toen slachtten zij haar, ofschoon zij het bijna niet deden.
72
En toen gij een ziel dooddet, toen twistet gij daarover, en God zou voortbrengen hetgeen gij placht te verbergen.
73
Toen zeiden Wij: "Slaat hem met een deel van haar." Aldus geeft God de doden het leven, en toont u Zijn tekenen, opdat gij wellicht moogt begrijpen.
74
Toen verhardden uw harten daarna, en zij zijn als stenen of harder nog. En voorwaar, van stenen zijn er waaruit rivieren ontspringen, en voorwaar, van hen zijn er die splijten en water eruit voortkomt, en voorwaar, van hen zijn er die neervallen uit ontzag voor God. En God is niet achteloos jegens hetgeen gij doet.
75
Hoopt gij dan dat zij voor u zullen geloven, terwijl een groep van hen het Woord Gods placht te horen en het vervolgens verdraaide nadat zij het begrepen hadden, en zij wisten?
76
En wanneer zij degenen die geloven ontmoeten, zeggen zij: "Wij geloven." Maar wanneer sommigen van hen zich tot anderen terugtrekken, zeggen zij: "Spreekt gij tot hen over hetgeen God u geopenbaard heeft, opdat zij daarmee tegen u mogen redetwisten voor uw Heer? Begrijpt gij dan niet?"
77
Weten zij niet dat God weet wat zij verbergen en wat zij verkondigen?
78
En onder hen zijn ongeletterde die het Boek niet kennen behalve wensdromen, en zij doen slechts gissen.
79
Wee dan degenen die het Boek schrijven met hun eigen handen en dan zeggen: "Dit is van God," opdat zij er een geringe prijs voor mogen kopen. Wee hun dan voor hetgeen hun handen geschreven hebben, en wee hun voor hetgeen zij verdienen.
80
En zij zeggen: "Het Vuur zal ons niet aanraken behalve voor getelde dagen." Zeg: "Hebt gij een verbond met God genomen — want God zal Zijn verbond niet breken — of zegt gij over God hetgeen gij niet weet?"
81
Welneen! Wie kwaad verdient en wiens overtreding hem omvat — dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
82
En degenen die geloven en goede werken verrichten, dezen zijn de bewoners der Tuin; daarin zullen zij verblijven.
83
En toen Wij het verbond der Kinderen Israels namen: "Gij zult niet aanbidden dan God, en goedheid jegens ouders, en jegens verwanten, en wezen, en behoeftigen, en spreekt tot de mensen met goedheid, en weest standvastig in het gebed, en geeft de aalmoes." Toen wendet gij u af, op enkelen na, en gij zijt degenen die zich afwenden.
84
En toen Wij uw verbond namen: "Gij zult uw bloed niet vergieten, noch uzelf uit uw woonsteden verdrijven." Toen stemdet gij in, en gij zijt getuigen.
85
Doch gij zijt het die uzelf doodt en een deel van u uit hun woonsteden verdrijft, samenzwerend tegen hen in zonde en vijandschap. En indien zij als gevangenen tot u komen, koopt gij hen vrij — doch hun verdrijving was u verboden. Gelooft gij dan in een deel van het Boek en verhult gij een deel? Wat is dan de vergelding voor hem onder u die dat doet, anders dan schande in het leven dezer wereld? En op de Dag der Opstanding zullen zij teruggebracht worden tot de zwaarste kastijding. En God is niet achteloos jegens hetgeen gij doet.
86
Dezen zijn zij die het leven dezer wereld gekocht hebben met het Hiernamaals, dus hun kastijding zal niet verlicht worden, noch zullen zij geholpen worden.
87
En voorwaar Wij gaven Mozes het Boek, en Wij zonden na hem boodschappers achtereenvolgens, en Wij gaven Jezus, de zoon van Maria, de duidelijke bewijzen, en versterkten hem met de Heilige Geest. Is het zo dat telkens wanneer een boodschapper tot u komt met hetgeen uw zielen niet begeren, gij hoogmoedig zijt — en sommigen loochent gij en sommigen doodt gij?
88
En zij zeggen: "Onze harten zijn gewikkeld." Welneen, God heeft hen vervloekt om hun verhulling, dus weinig geloven zij.
89
En wanneer tot hen een Boek komt van God, bevestigend hetgeen bij hen is — en voordien plachten zij om overwinning te bidden over degenen die verhullen — doch wanneer tot hen komt hetgeen zij herkenden, bedekten zij het. Zo is de vloek Gods over degenen die verhullen.
90
Ellendig is datgene waarvoor zij zichzelven verkocht hebben — dat zij verhullen hetgeen God nedergezonden heeft, uit afgunst dat God Zijn goedgunstigheid nederzende op wie Hij wil van Zijn dienaren. Zo hebben zij toorn op toorn over zich gebracht, en voor degenen die verhullen is een vernederende kastijding.
91
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Gelooft in hetgeen God nedergezonden heeft," zeggen zij: "Wij geloven in hetgeen tot ons nedergezonden werd." En zij verhullen hetgeen daarbuiten is, ofschoon het de waarheid is, bevestigend hetgeen bij hen is. Zeg: "Waarom dooddet gij dan de profeten Gods voordien, indien gij gelovigen waart?"
92
En voorwaar Mozes kwam tot u met de duidelijke bewijzen, toen naamt gij het kalf na hem, en gij waart onrechtvaardigen.
93
En toen Wij uw verbond namen en de Berg boven u verhieven: "Houdt vast aan hetgeen Wij u gegeven hebben met kracht, en hoort." Zij zeiden: "Wij horen en wij gehoorzamen niet." En hun werd het kalf in hun harten doen drinken door hun verhulling. Zeg: "Ellendig is hetgeen uw geloof u beveelt, indien gij gelovigen zijt."
94
Zeg: "Indien de woning des Hiernamaals voor u alleen is bij God, met uitsluiting van de mensen, wenst dan de dood, indien gij waarachtig zijt."
95
En zij zullen het nimmer wensen, ooit, om hetgeen hun handen vooruitgezonden hebben. En God is Wetend van de onrechtvaardigen.
96
En gij zult hen het meest begerig vinden naar het leven — zelfs meer dan degenen die deelgenoten toekennen. Eenieder van hen wenst dat hem een leven van duizend jaar geschonken moge worden, doch het zou hem niet van de kastijding verwijderen dat hem het leven geschonken wordt. En God is Ziende van hetgeen zij doen.
97
Zeg: "Wie een vijand is van Gabriël — want voorwaar hij heeft het op uw hart nedergezonden met verlof van God, bevestigend hetgeen ervoor is, en als een leiding en een blijde tijding voor de gelovigen."
98
Wie een vijand is van God en Zijn engelen en Zijn boodschappers en Gabriël en Michaël — dan voorwaar God is een vijand van degenen die verhullen.
99
En voorwaar Wij hebben tot u duidelijke tekenen nedergezonden, en niemand bedekt ze behalve de verdorvenen.
100
Is het zo dat telkens wanneer zij een verbond sluiten, een groep van hen het terzijde werpt? Welneen, de meesten hunner geloven niet.
101
En toen tot hen een boodschapper van God kwam, bevestigend hetgeen bij hen was, wierp een groep van hen die het Boek gekregen hadden het Boek Gods achter hun rug, alsof zij niet wisten.
102
En zij volgden hetgeen de duivelen voordroegen over het koningschap van Salomo. En Salomo verhulde niet, maar de duivelen verhulden, de mensen toverij onderwijzend, en hetgeen nedergezonden was op de twee engelen in Babylon, Haroet en Maroet. En zij onderwezen niemand totdat zij gezegd hadden: "Wij zijn slechts een beproeving, verhult dan niet." Toen leerden zij van hen datgene waarmee zij een man en zijn gade scheiden. En zij schaden niemand daarmee behalve met verlof van God. En zij leren hetgeen hen schaadt en hun niet baat. En voorwaar zij wisten dat wie het koopt geen deel heeft in het Hiernamaals. En ellendig inderdaad is datgene waarvoor zij zichzelven verkocht hebben — indien zij het maar wisten.
103
En hadden zij geloofd en godvrezend geweest, een beloning van God zou beter zijn geweest — indien zij het maar wisten.
104
O gij die gelooft! Zegt niet "Ra'ina" maar zegt "Unzurna" en luistert. En voor degenen die verhullen is een pijnlijke kastijding.
105
Noch degenen die verhullen onder de Lieden van het Boek, noch degenen die deelgenoten toekennen, wensen dat enig goed tot u nedergezonden worde van uw Heer. En God onderscheidt met Zijn barmhartigheid wie Hij wil. En God is de Bezitter van grote goedgunstigheid.
106
Welk teken Wij ook opheffen of doen vergeten, Wij brengen een beter dan het of het gelijke ervan. Weet gij niet dat God macht heeft over alle dingen?
107
Weet gij niet dat aan God het koningschap der hemelen en der Aarde behoort? En gij hebt naast God geen beschermer noch helper.
108
Of wilt gij uw boodschapper ondervragen gelijk Mozes voordien ondervraagd werd? En wie verhulling inruilt voor geloof is voorwaar afgedwaald van het rechte pad.
109
Velen der Lieden van het Boek wensen dat zij u na uw geloof zouden kunnen terugbrengen tot verhullers, uit afgunst van henzelf, nadat de waarheid hun duidelijk is geworden. Vergeeft dan en scheldt kwijt, totdat God Zijn bevel brengt. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen.
110
En weest standvastig in het gebed en geeft de aalmoes. En al het goede dat gij voor uzelf vooruit zendt, zult gij het bij God vinden. Voorwaar, God is Ziende van hetgeen gij doet.
111
En zij zeggen: "Niemand zal de Tuin binnengaan behalve wie Jood is of Christen." Dat zijn hun wensdromen. Zeg: "Brengt uw bewijs, indien gij waarachtig zijt."
112
Welneen, maar wie zijn aangezicht toewijdt aan God, en hij is een weldoener — voor hem is zijn beloning bij zijn Heer, en geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
113
En de Joden zeggen: "De Christenen steunen op niets," en de Christenen zeggen: "De Joden steunen op niets," terwijl zij het Boek voordragen. Evenzo spreken degenen die niet weten, de gelijke van hun zegging. God zal op de Dag der Opstanding tussen hen oordelen over datgene waarin zij plachten te verschillen.
114
En wie is onrechtvaardiger dan hij die de gebedshuizen Gods verbiedt, dat Zijn naam daarin herdacht worde, en streeft naar hun verwoesting? Dezen — het is niet aan hen om ze te betreden dan in vrees. Voor hen is in deze wereld schande, en voor hen is in het Hiernamaals een grote kastijding.
115
En aan God behoort het Oosten en het Westen; waarheen gij u ook wendt, daar is het Aangezicht Gods. Voorwaar, God is Alomvattend, Alwetend.
116
En zij zeggen: "God heeft een zoon genomen." Glorie zij Hem! Welneen, Hem behoort al hetgeen in de hemelen en op de Aarde is; allen zijn Hem devoot gehoorzaam.
117
De Voortbrenger der hemelen en der Aarde — en wanneer Hij een zaak besluit, zegt Hij er slechts toe: "Wees!" en het is.
118
En degenen die niet weten zeggen: "Waarom spreekt God niet tot ons, of komt er geen teken tot ons?" Evenzo spraken degenen voor hen, het gelijke van hun zegging. Hun harten gelijken elkander. Voorwaar Wij hebben de tekenen duidelijk gemaakt voor een volk dat zeker is.
119
Voorwaar, Wij hebben u gezonden met de waarheid, als brenger van blijde tijdingen en als waarschuwer. En gij zult niet ondervraagd worden over de bewoners der Vlam.
120
En nimmer zullen de Joden met u tevreden zijn, noch de Christenen, totdat gij hun leer volgt. Zeg: "Voorwaar, de leiding Gods — dat is de leiding." En indien gij hun begeerten volgt na de kennis die tot u gekomen is, zult gij van God geen beschermer noch helper hebben.
121
Degenen aan wie Wij het Boek gegeven hebben, die het voordragen met zijn ware voordracht — dezen geloven erin. En wie het bedekt — dezen zijn de verliezers.
122
O Kinderen Israels, gedenkt Mijn zegening waarmee Ik u zegende, en dat Ik u boven de werelden bevoorrechtte.
123
En vreest een dag waarop geen ziel een andere ziel iets baten zal, en geen losgeld van haar aanvaard zal worden, en geen voorspraak haar baten zal, en zij niet geholpen zullen worden.
124
En toen zijn Heer Abraham beproefde met woorden, en hij ze vervulde, zeide Hij: "Voorwaar, Ik zal u een leider maken voor de mensen." Hij zeide: "En van mijn nageslacht?" Hij zeide: "Mijn verbond omvat de onrechtvaardigen niet."
125
En toen Wij het Huis maakten tot een plaats van terugkeer voor de mensen en een heiligdom — en neemt de standplaats van Abraham als gebedsplaats — en Wij verbonden met Abraham en Ismaël: "Reinigt Mijn Huis voor degenen die eromheen gaan, en degenen die zich eraan hechten, en degenen die buigen en zich nederwerpen."
126
En toen Abraham zeide: "Mijn Heer, maak dit een veilig land, en voorzie zijn bewoners van vruchten — diegenen hunner die geloven in God en de Laatste Dag." Hij zeide: "En wie verhuld heeft, zal Ik een korte tijd laten genieten, dan zal Ik hem dwingen tot de kastijding des Vuurs — en ellendig is de bestemming."
127
En toen Abraham de grondvesten van het Huis optrok, en Ismaël: "Onze Heer, aanvaard het van ons. Voorwaar, Gij zijt de Alhorende, de Alwetende."
128
"Onze Heer, en maak ons beiden Toegewijden aan U, en van ons nageslacht een gemeenschap Toegewijd aan U, en toon ons onze riten, en wend U tot ons. Voorwaar, Gij zijt de Telkenskerende, de Meest Barmhartige."
129
"Onze Heer, en verwek in hun midden een boodschapper uit hen, die hun Uw tekenen zal voordragen en hun het Boek en de Wijsheid zal onderwijzen en hen zal louteren. Voorwaar, Gij zijt de Machtige, de Wijze."
130
En wie wendt zich af van de leer van Abraham behalve hij die zichzelf verdwaast? En voorwaar Wij kozen hem in deze wereld, en voorwaar in het Hiernamaals behoort hij tot de rechtvaardigen.
131
Toen zijn Heer tot hem zeide: "Onderwerp u!" zeide hij: "Ik heb mijzelve toegewijd aan de Heer der werelden."
132
En Abraham droeg het op aan zijn zonen, en Jacob: "O mijn zonen, voorwaar God heeft voor u de godsdienst gekozen, sterft dan niet dan dat gij Toegewijden zijt."
133
Of waart gij getuigen toen de dood Jacob overkwam, toen hij tot zijn zonen zeide: "Wat zult gij aanbidden na mij?" Zij zeiden: "Wij zullen uw God aanbidden en de God uwer vaderen — Abraham en Ismaël en Isaak — één God, en aan Hem zijn wij Toegewijd."
134
Dat is een gemeenschap die heengegaan is; voor haar is hetgeen zij verdiend heeft, en voor u is hetgeen gij verdiend hebt. En gij zult niet ondervraagd worden over hetgeen zij plachten te doen.
135
En zij zeggen: "Weest Joden of Christenen, en gij zult geleid worden." Zeg: "Welneen, de leer van Abraham, de oprechte, en hij behoorde niet tot degenen die deelgenoten toekennen."
136
Zeg: "Wij geloven in God, en in hetgeen tot ons nedergezonden is, en hetgeen nedergezonden werd tot Abraham en Ismaël en Isaak en Jacob en de Stammen, en hetgeen gegeven werd aan Mozes en Jezus, en hetgeen gegeven werd aan de profeten van hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen enigen van hen, en aan Hem zijn wij Toegewijd."
137
Indien zij dan geloven in het gelijke van hetgeen gij gelooft, dan zijn zij geleid. En indien zij zich afwenden, dan zijn zij slechts in een scheuring. En God zal u tegen hen volstaan. En Hij is de Alhorende, de Alwetende.
138
De verving Gods! En wie is beter dan God in verving? En wij zijn Zijn aanbidders.
139
Zeg: "Twist gij met ons over God, terwijl Hij onze Heer is en uw Heer? En voor ons onze daden en voor u uw daden, en wij zijn Hem toegewijd."
140
Of zegt gij dat Abraham en Ismaël en Isaak en Jacob en de Stammen Joden of Christenen waren? Zeg: "Zijt gij meer wetend, of is God?" En wie is onrechtvaardiger dan hij die een getuigenis verbergt die hij van God heeft? En God is niet achteloos jegens hetgeen gij doet.
141
Dat is een gemeenschap die heengegaan is; voor haar is hetgeen zij verdiend heeft, en voor u is hetgeen gij verdiend hebt. En gij zult niet ondervraagd worden over hetgeen zij plachten te doen.
142
De dwazen onder de mensen zullen zeggen: "Wat heeft hen afgewend van hun gebedsrichting waarnaar zij plachten te keren?" Zeg: "Aan God behoort het Oosten en het Westen. Hij leidt wie Hij wil tot een recht pad."
143
En aldus hebben Wij u tot een middelmatige gemeenschap gemaakt, opdat gij getuigen moogt zijn over de mensen, en opdat de Boodschapper een getuige moge zijn over u. En Wij stelden de gebedsrichting waarnaar gij gewend waart niet in dan opdat Wij hem mochten kennen die de Boodschapper volgt van hem die zich op zijn hielen keert. En voorwaar het was een groot ding, behalve voor degenen die God geleid heeft. En God zou uw geloof niet vruchteloos maken. Voorwaar, God is jegens de mensen vol Mededogen, Meest Barmhartig.
144
Voorwaar, Wij zien het wenden van uw aangezicht naar de hemel; dus Wij zullen u stellig wenden tot een gebedsrichting die u behagen zal. Wend dan uw aangezicht naar de Gewijde Gebedsplaats. En waar gij ook moogt zijn, wendt uw aangezichten daarheen. En voorwaar, degenen aan wie het Boek gegeven werd weten dat het de waarheid is van hun Heer. En God is niet achteloos jegens hetgeen zij doen.
145
En al brocht gij degenen aan wie het Boek gegeven werd elk teken, zij zouden uw gebedsrichting niet volgen. En gij zijt geen volgeling van hun gebedsrichting, noch zijn sommigen hunner volgelingen van de gebedsrichting van anderen. En indien gij hun begeerten volgt na de kennis die tot u gekomen is, dan voorwaar zoudt gij tot de onrechtvaardigen behoren.
146
Degenen aan wie Wij het Boek gegeven hebben, herkennen hem gelijk zij hun eigen zonen herkennen. En voorwaar een groep hunner verbergt de waarheid, en zij weten.
147
De waarheid is van uw Heer, weest gij dan niet van de twijfelaars.
148
En voor eenieder is een richting waarheen hij zich wendt; wedijvert dan met elkander in goede werken. Waar gij ook moogt zijn, God zal u allen tezamenbrengen. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen.
149
En vanwaar gij ook vertrekt, wendt uw aangezicht naar de Gewijde Gebedsplaats. En voorwaar het is de waarheid van uw Heer. En God is niet achteloos jegens hetgeen gij doet.
150
En vanwaar gij ook vertrekt, wendt uw aangezicht naar de Gewijde Gebedsplaats. En waar gij ook moogt zijn, wendt uw aangezichten daarheen, opdat de mensen geen bewijsgrond tegen u hebben — behalve degenen onder hen die onrecht doen — vreest hen dan niet, maar vreest Mij, en opdat Ik Mijn zegening over u moge voltooien, en opdat gij wellicht geleid moogt worden.
151
Zoals Wij onder u een boodschapper uit u gezonden hebben, die u Onze tekenen voordraagt, en u loutert, en u het Boek en de Wijsheid onderwijst, en u onderwijst hetgeen gij niet wist.
152
Gedenkt Mij dan, en Ik zal u gedenken; en weest Mij dankbaar, en bedekt Mij niet.
153
O gij die gelooft! Zoekt hulp in geduld en gebed. Voorwaar, God is met de geduldigen.
154
En zegt niet van degenen die gedood worden op de weg Gods: "Zij zijn dood." Welneen, zij leven, maar gij beseft het niet.
155
En stellig zullen Wij u beproeven met iets van vrees en honger, en verlies van bezit en zielen en vruchten. En geeft blijde tijding aan de geduldigen —
156
degenen die, wanneer een rampspoed hen treft, zeggen: "Voorwaar, wij behoren God toe, en voorwaar, tot Hem keren wij terug."
157
Over hen zijn zegeningen van hun Heer en barmhartigheid, en dezen zijn de rechtgeleiden.
158
Voorwaar, Safa en Marwah behoren tot de riten Gods. Wie dan de bedevaart naar het Huis volbrengt, of het bezoekt, het is geen zonde voor hem dat hij ze omgaat. En wie vrijwillig goed doet — voorwaar, God is Dankbaar, Alwetend.
159
Voorwaar, degenen die verhullen hetgeen Wij nedergezonden hebben van de duidelijke bewijzen en de leiding, nadat Wij het voor de mensen duidelijk gemaakt hebben in het Boek — dezen, God vervloekt hen, en de vervloekers vervloeken hen,
160
behalve degenen die berouw tonen en zich beteren en duidelijk maken — dezen, tot hen zal Ik Mij wenden. En Ik ben de Telkenskerende, de Meest Barmhartige.
161
Voorwaar, degenen die verhuld hebben en sterven terwijl zij verhullers zijn — over hen is de vloek Gods en der engelen en der mensen altezamen,
162
daarin verblijvend; de kastijding zal hun niet verlicht worden, noch zal hun uitstel verleend worden.
163
En uw God is één God; er is geen god behalve Hij, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
164
Voorwaar, in de schepping der hemelen en der Aarde, en de afwisseling van de nacht en de dag, en de schepen die over de zee varen met hetgeen de mensen baat, en hetgeen God uit de hemel nedergezonden heeft van water, waarmee de Aarde het leven geeft na haar dood, en er allerlei schepselen op verspreid heeft, en het wenden der winden, en de wolken dienstbaar gemaakt tussen de hemel en de Aarde — zijn tekenen voor een volk dat begrijpt.
165
En onder de mensen zijn er die naast God gelijken nemen, hen liefhebbend als met de liefde voor God. Maar degenen die geloven zijn sterker in de liefde voor God. En indien degenen die onrecht gedaan hebben konden zien, wanneer zij de kastijding aanschouwen, dat de macht geheel aan God behoort, en dat God streng is in kastijding —
166
wanneer degenen die gevolgd werden zich losmaken van degenen die hen volgden, en zij de kastijding aanschouwen, en de banden tussen hen doorgesneden worden.
167
En degenen die volgden zeggen: "Hadden wij maar een terugkeer, opdat wij ons van hen mochten losmaken gelijk zij zich van ons hebben losgemaakt." Aldus toont God hun hun daden als smart over hen, en zij zullen niet uit het Vuur komen.
168
O mensen! Eet van hetgeen op de Aarde is, geoorloofd en goed, en volgt niet de voetstappen van Satan. Voorwaar, hij is voor u een duidelijke vijand.
169
Hij beveelt u slechts het kwade en de onzedelijkheid, en dat gij over God zegt hetgeen gij niet weet.
170
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Volgt hetgeen God nedergezonden heeft," zeggen zij: "Welneen, wij volgen datgene waarop wij onze vaderen vonden." Wat! Zelfs al begrepen hun vaderen niets en waren zij niet geleid?
171
En de gelijkenis dergenen die verhullen is als de gelijkenis van hem die roept tot hetgeen niets hoort behalve een schreeuw en een roep. Doof, stom, blind — zo begrijpen zij niet.
172
O gij die gelooft! Eet van de goede dingen waarmee Wij u voorzien hebben, en weest God dankbaar, indien gij Hem aanbidt.
173
Hij heeft u slechts verboden het dode dier, en bloed, en het vlees van het zwijn, en hetgeen opgedragen is aan een ander dan God. Maar wie gedwongen wordt, zonder begeerte noch overtreding — er is geen zonde op hem. Voorwaar, God is Vergevend, Meest Barmhartig.
174
Voorwaar, degenen die verhullen hetgeen God nedergezonden heeft van het Boek, en er een geringe prijs voor kopen — dezen, zij eten in hun buiken slechts het Vuur. En God zal op de Dag der Opstanding niet tot hen spreken, noch zal Hij hen louteren, en voor hen is een pijnlijke kastijding.
175
Dezen zijn zij die dwaling gekocht hebben met leiding, en kastijding met vergiffenis. Hoe geduldig zijn zij jegens het Vuur!
176
Dat is omdat God het Boek nedergezonden heeft met de waarheid. En voorwaar, degenen die over het Boek verschillen zijn in een ver verwijderde scheuring.
177
Het is geen rechtvaardigheid dat gij uw aangezichten naar het Oosten en het Westen wendt; maar rechtvaardig is hij die gelooft in God en de Laatste Dag en de engelen en het Boek en de profeten, en bezit weggeeft uit liefde voor Hem aan verwanten en wezen en behoeftigen en de reiziger en degenen die vragen en voor de bevrijding van nekken, en die standvastig is in het gebed en de aalmoes geeft, en degenen die hun verbond vervullen wanneer zij verbonden hebben, en de geduldigen in tegenspoed en beproeving en in tijden van nood — dezen zijn zij die waarachtig zijn, en dezen zijn de godvrezenden.
178
O gij die gelooft! Voorgeschreven voor u is de vergelding inzake de gedoden: de vrije voor de vrije, en de slaaf voor de slaaf, en de vrouw voor de vrouw. Maar wie enigszins vergeven wordt door zijn broeder, laat er dan nastreven zijn met goedheid, en afdragen aan hem met welwillendheid. Dat is een verlichting van uw Heer en een barmhartigheid. En wie daarna overtreedt — voor hem is een pijnlijke kastijding.
179
En voor u is in de vergelding het leven, o gij van begrip, opdat gij wellicht godvrezend moogt zijn.
180
Voorgeschreven voor u, wanneer de dood één uwer nadert, indien hij goed nalaat — het testament voor ouders en verwanten met goedheid, een plicht voor de godvrezenden.
181
Wie het dan verandert nadat hij het gehoord heeft — de schuld ervan rust slechts op degenen die het veranderen. Voorwaar, God is Alhorend, Alwetend.
182
Maar wie van een erflater afwijking of onrecht vreest, en tussen hen verzoening brengt — er is geen schuld op hem. Voorwaar, God is Vergevend, Meest Barmhartig.
183
O gij die gelooft! Voorgeschreven voor u is het vasten, gelijk het voorgeschreven was voor degenen vóór u, opdat gij wellicht godvrezend moogt zijn —
184
getelde dagen. En wie onder u ziek is of op reis, dan een aantal andere dagen. En voor degenen die het kunnen dragen, een losprijs: de spijziging van een behoeftige. En wie vrijwillig goed doet, het is beter voor hem. En dat gij vast is beter voor u, indien gij het maar wist.
185
De maand Ramadan, waarin de Voordracht nedergezonden werd, een leiding voor de mensen, en duidelijke bewijzen van de leiding en het Onderscheid. Wie dan onder u de maand beleeft, laat hem vasten. En wie ziek is of op reis, dan een aantal andere dagen. God begeert voor u gemak, en begeert voor u geen ontbering, en opdat gij het getal moogt voltooien, en opdat gij God moogt grootmaken omdat Hij u geleid heeft, en opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
186
En wanneer Mijn dienaren u over Mij vragen — voorwaar, Ik ben nabij. Ik verhoor de roep van de roeper wanneer hij Mij aanroept. Laat hen dan Mij antwoorden en in Mij geloven, opdat zij wellicht recht geleid mogen worden.
187
Geoorloofd voor u in de nacht van het vasten is de toenadering tot uw vrouwen. Zij zijn een kleed voor u en gij zijt een kleed voor hen. God weet dat gij uzelf placht te verraden, dus heeft Hij zich tot u gewend en u vergeven. Omhelst hen dan nu, en zoekt hetgeen God voor u voorgeschreven heeft. En eet en drinkt totdat de witte draad voor u te onderscheiden is van de zwarte draad van de dageraad. Voltooit dan het vasten tot de nacht. En omhelst hen niet terwijl gij in afzondering zijt in de gebedshuizen. Dat zijn de grenzen Gods, nadert ze dan niet. Aldus maakt God Zijn tekenen duidelijk voor de mensen, opdat zij wellicht godvrezend mogen zijn.
188
En verslindt uw bezit onder elkander niet in ijdelheid, en biedt het niet aan de rechters aan opdat gij een deel van het bezit der mensen moogt verslinden in onrecht, terwijl gij weet.
189
Zij vragen u over de nieuwe manen. Zeg: "Zij zijn aangestelde tijden voor de mensen en voor de bedevaart." En het is geen rechtvaardigheid dat gij de huizen binnengaat van achteren; maar rechtvaardig is hij die godvrezend is. En gaat de huizen binnen door hun deuren, en weest godvrezend jegens God, opdat gij wellicht moogt welvaren.
190
En strijdt op de weg Gods tegen degenen die u bestrijden, en overtreedt niet. Voorwaar, God bemint de overtreders niet.
191
En doodt hen waar gij hen ook aantreft, en verdrijft hen vanwaar zij u verdreven hebben. En vervolging is erger dan doden. En bestrijdt hen niet bij de Gewijde Gebedsplaats totdat zij u daarin bestrijden; maar indien zij u bestrijden, doodt hen dan. Zodanig is de vergelding dergenen die verhullen.
192
Maar indien zij ophouden — voorwaar, God is Vergevend, Meest Barmhartig.
193
En bestrijdt hen totdat er geen vervolging meer is, en de godsdienst voor God is. Maar indien zij ophouden, dan zij er geen vijandschap behalve tegen de onrechtvaardigen.
194
De gewijde maand voor de gewijde maand, en de gewijde dingen in vergelding. Wie dan tegen u overtreedt, overtreedt tegen hem in de gelijke mate als hij tegen u overtreden heeft. En weest godvrezend jegens God, en weet dat God met de godvrezenden is.
195
En besteedt op de weg Gods, en werpt uzelf niet met uw eigen handen in de ondergang. En doet goed; voorwaar, God bemint de weldoeners.
196
En volbrengt de bedevaart en het bezoek voor God. Maar indien gij verhinderd wordt, dan welke offergave gemakkelijk is. En scheert uw hoofden niet totdat de offergave zijn aangewezen plaats bereikt heeft. En wie onder u ziek is of een kwaal aan zijn hoofd heeft, dan een losprijs van vasten of aalmoes of een offer. En wanneer gij veilig zijt, dan wie het bezoek tot de bedevaart geniet — welke offergave gemakkelijk is. En wie niet vindt — dan een vasten van drie dagen in de bedevaart en zeven bij uw terugkeer; dat zijn tien ten volle. Dat is voor hem wiens familie niet aanwezig is bij de Gewijde Gebedsplaats. En weest godvrezend jegens God, en weet dat God streng is in kastijding.
197
De bedevaart is in aangestelde maanden. Wie dan de bedevaart daarin onderneemt — dan geen toenadering, en geen overtreding, en geen twist in de bedevaart. En al het goede dat gij doet, God weet het. En neemt proviand mee; maar voorwaar de beste proviand is godvrezendheid. En weest godvrezend jegens Mij, o gij van begrip.
198
Er is geen schuld op u dat gij goedgunstigheid van uw Heer zoekt. En wanneer gij van Arafat optrekt, gedenkt dan God bij het Gewijde Gedenkteken, en gedenkt Hem zoals Hij u geleid heeft, ofschoon gij voordien tot de dwalenden behoorde.
199
Trekt dan op vanwaar de mensen optrekken, en zoekt vergiffenis van God. Voorwaar, God is Vergevend, Meest Barmhartig.
200
En wanneer gij uw riten voltooid hebt, gedenkt dan God gelijk gij uw vaderen gedenkt, of met een sterkere gedachtenis. En onder de mensen zijn er die zeggen: "Onze Heer, geef ons in deze wereld," en hij heeft geen deel in het Hiernamaals.
201
En onder hen zijn er die zeggen: "Onze Heer, geef ons in deze wereld een goede zaak, en in het Hiernamaals een goede zaak, en bescherm ons tegen de kastijding des Vuurs."
202
Dezen — voor hen is een deel van hetgeen zij verdiend hebben. En God is snel in afrekening.
203
En gedenkt God in getelde dagen. Wie dan haast maakt in twee dagen, er is geen schuld op hem; en wie wacht, er is geen schuld op hem — voor hem die godvrezend is. En weest godvrezend jegens God, en weet dat gij tot Hem vergaderd zult worden.
204
En onder de mensen is hij wiens spreken u behaagt in het leven dezer wereld, en hij roept God tot getuige over hetgeen in zijn hart is, doch hij is de felste der tegenstanders.
205
En wanneer hij zich afwendt, streeft hij op de Aarde om er verderf te stichten en de akker en het nageslacht te vernietigen. En God bemint het verderf niet.
206
En wanneer tot hem gezegd wordt: "Wees godvrezend jegens God," grijpt hem de hoogmoed in het onrecht. Dan zal de Hel hem volstaan — en ellendig inderdaad is de rustplaats.
207
En onder de mensen is hij die zijn ziel verkoopt, het welbehagen Gods zoekend. En God is Meedogend jegens de dienaren.
208
O gij die gelooft! Treedt in de Toewijding geheel, en volgt niet de voetstappen van Satan. Voorwaar, hij is voor u een duidelijke vijand.
209
Indien gij dan uitglijdt nadat de duidelijke bewijzen tot u gekomen zijn, weet dan dat God Machtig is, Wijs.
210
Wachten zij op niets anders dan dat God tot hen kome in baldakijnen van wolken, en de engelen, en de zaak beslist is? En tot God worden alle zaken teruggebracht.
211
Vraagt de Kinderen Israels hoeveel een duidelijk teken Wij hun gaven. En wie de zegening Gods verandert nadat zij tot hem gekomen is — dan voorwaar God is streng in kastijding.
212
Opgesmukt voor degenen die verhuld hebben is het leven dezer wereld, en zij bespotten degenen die geloven. Maar degenen die godvrezend zijn zullen boven hen staan op de Dag der Opstanding. En God voorziet wie Hij wil zonder berekening.
213
De mensen waren één gemeenschap; toen verwekte God de profeten als brengers van blijde tijdingen en waarschuwers, en zond met hen het Boek neder met de waarheid, opdat het tussen de mensen moge oordelen over datgene waarin zij verschilden. En niemand verschilde daarin behalve degenen aan wie het gegeven werd, nadat de duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren, uit onderlinge afgunst. Toen leidde God degenen die geloofden tot de waarheid van datgene waarin zij verschilden, met Zijn verlof. En God leidt wie Hij wil tot een recht pad.
214
Of rekent gij dat gij de Tuin zult binnengaan wanneer er nog niet over u gekomen is het gelijke van hetgeen kwam over degenen die vóór u heengingen? Ontbering en tegenspoed troffen hen, en zij werden geschokt, totdat de Boodschapper en degenen die met hem geloofden zeiden: "Wanneer komt de hulp Gods?" Welneen! Voorwaar, de hulp Gods is nabij.
215
Zij vragen u wat zij zullen besteden. Zeg: "Al het goede dat gij besteedt, laat het zijn voor ouders, en verwanten, en wezen, en behoeftigen, en de reiziger. En al het goede dat gij doet, voorwaar God weet het."
216
Voorgeschreven voor u is het strijden, en het is u hatelijk. Doch het kan zijn dat gij een ding haat en het goed voor u is, en het kan zijn dat gij een ding bemint en het kwaad voor u is. En God weet, en gij weet niet.
217
Zij vragen u over de gewijde maand — strijden daarin. Zeg: "Strijden daarin is een groot ding; maar afwenden van de weg Gods, en Hem verhullen, en de Gewijde Gebedsplaats, en de verdrijving van haar bewoners daaruit, is groter in het oog van God. En vervolging is groter dan doden." En zij zullen niet ophouden u te bestrijden totdat zij u van uw godsdienst afkeren, indien zij kunnen. En wie onder u zich van zijn godsdienst afkeert en sterft terwijl hij een verhuller is — dezen, hun daden zijn vruchteloos in deze wereld en het Hiernamaals, en dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
218
Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die geëmigreerd zijn en gestreden hebben op de weg Gods — dezen hopen op de barmhartigheid Gods. En God is Vergevend, Meest Barmhartig.
219
Zij vragen u over de wijn en de kansspelen. Zeg: "In beide is groot kwaad en baten voor de mensen, maar hun kwaad is groter dan hun baat." En zij vragen u wat zij zullen besteden. Zeg: "Het overschot." Aldus maakt God u de tekenen duidelijk, opdat gij wellicht moogt nadenken —
220
over deze wereld en het Hiernamaals. En zij vragen u over de wezen. Zeg: "De zaken voor hen in orde brengen is beter. En indien gij u met hen vermengt, dan zijn zij uw broeders." En God kent de verderver van de hervormer. En had God gewild, Hij zou u belast hebben. Voorwaar, God is Machtig, Wijs.
221
En huwt niet de vrouwen die deelgenoten toekennen totdat zij geloven. En een gelovige slavin is beter dan een vrouw die deelgenoten toekent, zelfs al behaagt zij u. En huwt niet de mannen die deelgenoten toekennen totdat zij geloven. En een gelovige slaaf is beter dan een man die deelgenoten toekent, zelfs al behaagt hij u. Dezen roepen tot het Vuur, en God roept tot de Tuin en vergiffenis, met Zijn verlof. En Hij maakt Zijn tekenen duidelijk voor de mensen, opdat zij wellicht mogen gedenken.
222
En zij vragen u over de menstruatie. Zeg: "Het is een ongemak; onthoudt u dan van de vrouwen gedurende de menstruatie, en nadert hen niet totdat zij gereinigd zijn. Wanneer zij zich dan gelouterd hebben, komt dan tot hen gelijk God u bevolen heeft." Voorwaar, God bemint degenen die berouwvol terugkeren, en bemint degenen die zich louteren.
223
Uw vrouwen zijn een akker voor u; komt dan tot uw akker zoals gij wilt. En zendt voor uzelf vooruit. En weest godvrezend jegens God, en weet dat gij Hem zult ontmoeten. En geeft blijde tijding aan de gelovigen.
224
En maakt God niet tot een beletsel, door uw eden, om rechtvaardig en godvrezend te zijn en vrede te stichten onder de mensen. En God is Alhorend, Alwetend.
225
God zal u niet bestraffen voor hetgeen onbedacht is in uw eden, maar Hij zal u bestraffen voor hetgeen uw harten verdiend hebben. En God is Vergevend, Verdraagzaam.
226
Voor degenen die hun vrouwen afzweren is een wachttijd van vier maanden. Indien zij dan terugkeren — voorwaar, God is Vergevend, Meest Barmhartig.
227
En indien zij besluiten tot echtscheiding — dan voorwaar, God is Alhorend, Alwetend.
228
En gescheiden vrouwen zullen op zichzelf wachten voor drie perioden. En het is hun niet geoorloofd te verbergen hetgeen God in hun baarmoeders geschapen heeft, indien zij in God geloven en in de Laatste Dag. En hun echtgenoten hebben meer recht hen terug te nemen daarin, indien zij verzoening wensen. En voor hen is het gelijke van hetgeen op hen rust, naar goedheid. En voor de mannen is een rang boven hen. En God is Machtig, Wijs.
229
De echtscheiding is tweemaal; dan behouden naar goedheid, of laten gaan met welwillendheid. En het is u niet geoorloofd iets te nemen van hetgeen gij hun gegeven hebt, tenzij beiden vrezen dat zij de grenzen Gods niet kunnen handhaven. Indien gij dan vreest dat zij beiden de grenzen Gods niet kunnen handhaven, dan is er geen schuld op hen in hetgeen zij zich daarmee vrijkoopt. Dat zijn de grenzen Gods, overtreedt ze dan niet. En wie de grenzen Gods overtreedt — dezen zijn de onrechtvaardigen.
230
Indien hij haar dan verstoot, is zij hem daarna niet geoorloofd totdat zij een andere echtgenoot gehuwd heeft. Indien hij haar dan verstoot, is er geen schuld op hen dat zij tot elkander terugkeren, indien zij rekenen dat zij de grenzen Gods kunnen handhaven. En dat zijn de grenzen Gods; Hij maakt ze duidelijk voor een volk dat weet.
231
En wanneer gij vrouwen verstoot en zij hun termijn bereiken, behoudt hen dan naar goedheid, of laat hen gaan naar goedheid. En behoudt hen niet tot hun schade, opdat gij moogt overtreden. En wie dat doet, die heeft voorwaar zijn eigen ziel onrecht aangedaan. En neemt de tekenen Gods niet tot bespotting. En gedenkt de zegening Gods over u, en hetgeen Hij tot u nedergezonden heeft van het Boek en de Wijsheid, waarmee Hij u vermaant. En weest godvrezend jegens God, en weet dat God van alle dingen Wetend is.
232
En wanneer gij vrouwen verstoot en zij hun termijn bereiken, verhindert hen dan niet hun echtgenoten te huwen, wanneer zij in goedheid onder elkander overeengekomen zijn. Dat is een vermaning voor hem onder u die in God gelooft en in de Laatste Dag. Dat is heilzamer voor u en reiner. En God weet, en gij weet niet.
233
En de moeders zullen hun kinderen twee volle jaren zogen, voor hem die de zoging wenst te voltooien. En op de vader rust hun voorziening en hun kleding, naar goedheid. Geen ziel wordt belast boven haar vermogen. Geen moeder zal geschaad worden om haar kind, noch een vader om zijn kind. En op de erfgenaam rust het gelijke daarvan. Indien beiden dan het spenen wensen door onderling overleg en goedvinden, dan is er geen schuld op hen. En indien gij wenst een voedster te zoeken voor uw kinderen, dan is er geen schuld op u, mits gij afdraagt hetgeen gij gegeven hebt naar goedheid. En weest godvrezend jegens God, en weet dat God Ziende is van hetgeen gij doet.
234
En degenen uwer die weggenomen worden door de dood en echtgenoten achterlaten — zij zullen op zichzelf wachten voor vier maanden en tien. Wanneer zij dan hun termijn bereiken, dan is er geen schuld op u in hetgeen zij met zichzelf doen naar goedheid. En God is Kundig van hetgeen gij doet.
235
En er is geen schuld op u in hetgeen gij laat doorschemeren van een voorstel aan vrouwen, of verbergt in uzelf. God weet dat gij aan hen zult denken; maar sluit geen geheim verdrag met hen, tenzij gij een woord spreekt naar goedheid. En besluit niet tot de huwelijksband totdat de voorgeschreven termijn zijn einde bereikt. En weet dat God weet hetgeen in uzelf is, dus weest op uw hoede voor Hem. En weet dat God Vergevend is, Verdraagzaam.
236
Er is geen schuld op u indien gij vrouwen verstoot terwijl gij hen nog niet aangeraakt hebt, noch hun een deel hebt aangewezen. En voorziet hen — de welgestelde naar zijn middelen, en de behoeftige naar zijn middelen — een voorziening naar goedheid, een plicht voor de weldoeners.
237
En indien gij hen verstoot eer gij hen aangeraakt hebt, en gij hun reeds een deel hebt aangewezen, dan de helft van hetgeen gij aangewezen hebt — tenzij zij het kwijtschelden, of hij kwijtscheldt in wiens hand de huwelijksband is. En dat gij kwijtscheldt is dichter bij de godvrezendheid. En vergeet de welwillendheid niet tussen u. Voorwaar, God is Ziende van hetgeen gij doet.
238
Bewaakt de gebeden, en het middelste gebed, en staat voor God in devotie.
239
Indien gij dan vreest — dan te voet of bereden. En wanneer gij veilig zijt, gedenkt dan God gelijk Hij u geleerd heeft hetgeen gij niet wist.
240
En degenen uwer die weggenomen worden door de dood en echtgenoten achterlaten — een testament voor hun echtgenoten, voorziening voor een jaar zonder verdrijving. Indien zij dan weggaan, dan is er geen schuld op u in hetgeen zij met zichzelf doen naar goedheid. En God is Machtig, Wijs.
241
En voor de verstoten vrouwen, voorziening naar goedheid — een plicht voor de godvrezenden.
242
Aldus maakt God u Zijn tekenen duidelijk, opdat gij wellicht moogt begrijpen.
243
Hebt gij niet degenen gezien die uit hun woonsteden trokken — en zij waren duizenden — uit vrees voor de dood? Toen zeide God tot hen: "Sterft!" Toen schonk Hij hun het leven. Voorwaar, God is de Bezitter van goedgunstigheid jegens de mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.
244
En strijdt op de weg Gods, en weet dat God Alhorend is, Alwetend.
245
Wie is hij die God een goede lening zal geven, opdat Hij het voor hem menigvoudig vermenigvuldige? En God trekt samen en breidt uit, en tot Hem zult gij teruggebracht worden.
246
Hebt gij de raad der Kinderen Israels niet gezien, na Mozes, toen zij tot een profeet van hen zeiden: "Verwek voor ons een koning, opdat wij mogen strijden op de weg Gods." Hij zeide: "Zoudt gij wellicht, indien het strijden u voorgeschreven werd, niet strijden?" Zij zeiden: "En waarom zouden wij niet strijden op de weg Gods, terwijl wij verdreven zijn uit onze woonsteden en van onze kinderen?" Doch toen het strijden hun voorgeschreven werd, keerden zij zich af, op enkelen na. En God is Wetend van de onrechtvaardigen.
247
En hun profeet zeide tot hen: "Voorwaar, God heeft voor u Saul als koning verwekt." Zij zeiden: "Hoe kan hij heerschappij over ons hebben, terwijl wij meer recht hebben op heerschappij dan hij, en hem geen overvloed van bezit gegeven is?" Hij zeide: "Voorwaar, God heeft hem boven u gekozen, en heeft hem ruimschoots vermeerderd in kennis en gestalte. En God schenkt Zijn heerschappij aan wie Hij wil. En God is Alomvattend, Alwetend."
248
En hun profeet zeide tot hen: "Voorwaar, het teken van zijn heerschappij is dat de Ark tot u zal komen, waarin een geruststelling is van uw Heer, en een overblijfsel van hetgeen het huis van Mozes en het huis van Aäron achterlieten, gedragen door de engelen. Voorwaar, daarin is een teken voor u, indien gij gelovigen zijt."
249
Toen Saul dan optrok met de legers, zeide hij: "Voorwaar, God zal u beproeven met een rivier. Wie daaruit drinkt behoort niet tot mij, en wie er niet van proeft behoort voorwaar tot mij, behalve hij die een handvol schept met zijn hand." Doch zij dronken ervan, op enkelen na. Toen hij het dan overstak — hij en degenen die met hem geloofden — zeiden zij: "Wij hebben heden geen kracht tegen Goliath en zijn legers." Degenen die rekenden dat zij God zouden ontmoeten zeiden: "Hoe menig klein gezelschap heeft een groot gezelschap overwonnen, met verlof van God! En God is met de geduldigen."
250
En toen zij optrokken tegen Goliath en zijn legers, zeiden zij: "Onze Heer, stort over ons geduld uit, en maak onze voeten vast, en schenk ons overwinning over het volk dat verhuld heeft."
251
Toen versloegen zij hen, met verlof van God, en David doodde Goliath, en God schonk hem de heerschappij en de Wijsheid, en onderwees hem van hetgeen Hij wilde. En ware het niet dat God de mensen weert, sommigen door middel van anderen, de Aarde zou stellig verdorven zijn. Maar God is de Bezitter van goedgunstigheid jegens de werelden.
252
Dat zijn de tekenen Gods; Wij dragen ze u voor in waarheid. En voorwaar, gij behoort tot de boodschappers.
253
Die boodschappers — Wij hebben sommigen hunner boven anderen bevoorrecht. Onder hen is hij tot wie God sprak, en Hij verhief sommigen hunner in rangen. En Wij gaven Jezus, de zoon van Maria, de duidelijke bewijzen, en versterkten hem met de Heilige Geest. En had God gewild, degenen na hen zouden niet met elkander gestreden hebben, nadat de duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren. Maar zij verschilden; en onder hen zijn er die geloofden, en onder hen zijn er die verhulden. En had God gewild, zij zouden niet met elkander gestreden hebben; maar God doet wat Hij wil.
254
O gij die gelooft! Besteedt van hetgeen Wij u voorzien hebben, eer er een dag komt waarin geen handel is, noch vriendschap, noch voorspraak. En degenen die verhullen — zij zijn de onrechtvaardigen.
255
God — er is geen god behalve Hij, de Levende, de Zelfonderhoudende. Noch sluimer overvalt Hem, noch slaap. Hem behoort al hetgeen in de hemelen en al hetgeen op de Aarde is. Wie is hij die bij Hem voorspraak zal doen behalve met Zijn verlof? Hij weet hetgeen vóór hen is en hetgeen achter hen is, en zij omvatten niets van Zijn kennis behalve hetgeen Hij wil. Zijn Troon omspant de hemelen en de Aarde, en het onderhouden van beide bezwaart Hem niet. En Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste.
256
Er is geen dwang in de godsdienst. Voorwaar, de rechte leiding is onderscheiden van de dwaling. Wie dan de afgod verhuld en in God gelooft, die heeft voorwaar de stevigste handgreep gegrepen die niet breken zal. En God is Alhorend, Alwetend.
257
God is de Beschermer dergenen die geloven; Hij brengt hen uit de duisternissen naar het licht. En degenen die verhullen — hun beschermers zijn de afgod; zij brengen hen uit het licht naar de duisternissen. Dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
258
Hebt gij hem niet gezien die met Abraham twistte over zijn Heer, omdat God hem de heerschappij gegeven had? Toen Abraham zeide: "Mijn Heer is Hij die het leven geeft en de dood veroorzaakt." Hij zeide: "Ik geef het leven en veroorzaak de dood." Abraham zeide: "Voorwaar, God brengt de zon op uit het Oosten; breng gij haar dan op uit het Westen." Toen werd hij die verhuld had verbijsterd. En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
259
Of gelijk hem die voorbijging aan een stad, en zij was op haar daken ineengestort. Hij zeide: "Hoe zal God hieraan leven geven na haar dood?" Toen deed God hem sterven voor honderd jaar, en verwekte hem vervolgens. Hij zeide: "Hoe lang hebt gij vertoefd?" Hij zeide: "Ik heb een dag vertoefd, of een deel van een dag." Hij zeide: "Welneen, gij hebt honderd jaar vertoefd. Aanschouw dan uw voedsel en uw drank — het is niet bedorven. En aanschouw uw ezel — en opdat Wij u tot een teken voor de mensen mogen maken — en aanschouw de beenderen, hoe Wij ze oprichten en ze vervolgens met vlees bekleden." En toen het hem duidelijk werd, zeide hij: "Ik weet dat God macht heeft over alle dingen."
260
En toen Abraham zeide: "Mijn Heer, toon mij hoe Gij de doden het leven geeft." Hij zeide: "Gelooft gij dan niet?" Hij zeide: "Jawel, maar opdat mijn hart gerust moge zijn." Hij zeide: "Neem dan vier van de vogels, en trek ze tot u, en plaats dan op elke berg een deel van hen, en roep ze vervolgens — zij zullen tot u komen in haast. En weet dat God Machtig is, Wijs."
261
De gelijkenis dergenen die hun bezit besteden op de weg Gods is als de gelijkenis van een korrel die zeven aren voortbrengt, in elke aar honderd korrels. En God vermenigvuldigt voor wie Hij wil. En God is Alomvattend, Alwetend.
262
Degenen die hun bezit besteden op de weg Gods en hetgeen zij besteed hebben niet doen volgen door verwijt of krenking — voor hen is hun beloning bij hun Heer, en geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
263
Een vriendelijk woord en vergiffenis zijn beter dan een aalmoes gevolgd door krenking. En God is Zichzelfgenoegzaam, Verdraagzaam.
264
O gij die gelooft! Maakt uw aalmoezen niet vruchteloos door verwijt en krenking, gelijk hem die zijn bezit besteedt om door de mensen gezien te worden en niet gelooft in God noch in de Laatste Dag. Zijn gelijkenis is als de gelijkenis van een gladde rots waarop stof is, dan treft haar een zware regen en laat haar kaal achter. Zij hebben geen macht over iets van hetgeen zij verdiend hebben. En God leidt het volk dat verhuld heeft niet.
265
En de gelijkenis dergenen die hun bezit besteden zoekende het welbehagen Gods en ter versterking hunner zielen is als de gelijkenis van een tuin op een hoogte; een zware regen treft haar, en zij brengt haar vrucht dubbel voort. En indien haar geen zware regen treft, dan een lichte regen. En God is Ziende van hetgeen gij doet.
266
Zou iemand uwer wensen dat hij een tuin had van dadelpalmen en wijnstokken, waaronder rivieren stromen, waarin hij allerlei vruchten heeft, dan treft hem de ouderdom, en hij heeft zwakke nakomelingen — dan treft haar een wervelwind, waarin vuur is, en zij wordt verbrand? Aldus maakt God u de tekenen duidelijk, opdat gij wellicht moogt nadenken.
267
O gij die gelooft! Besteedt van de goede dingen die gij verdiend hebt, en van hetgeen Wij voor u voortbrengen uit de Aarde. En zoekt niet het slechte ervan om te besteden, terwijl gij het zelf niet zoudt nemen tenzij gij er de ogen voor sluit. En weet dat God Zichzelfgenoegzaam is, Prijzenswaardig.
268
Satan belooft u armoede en beveelt u tot onzedelijkheid. En God belooft u vergiffenis van Hem en goedgunstigheid. En God is Alomvattend, Alwetend.
269
Hij schenkt de wijsheid aan wie Hij wil, en wie de wijsheid geschonken is, die is voorwaar overvloedig goed geschonken. En niemand neemt het ter harte behalve degenen die begrip bezitten.
270
En al hetgeen gij besteedt aan uitgaven, of al hetgeen gij gelooft van een gelofte, voorwaar God weet het. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen helpers.
271
Indien gij uw aalmoezen openlijk geeft, hoe voortreffelijk is het; en indien gij ze verbergt en aan de armen geeft, dat is beter voor u, en het zal u sommige uwer slechte daden kwijtschelden. En God is Kundig van hetgeen gij doet.
272
Op u rust niet hun leiding, maar God leidt wie Hij wil. En al het goede dat gij besteedt is voor uzelf, en gij besteedt niet dan in het zoeken van het Aangezicht Gods. En al het goede dat gij besteedt zal u ten volle terugbetaald worden, en gij zult niet onrecht worden aangedaan.
273
Voor de armen die beperkt zijn op de weg Gods, die niet in het land kunnen reizen — de onwetende acht hen welgesteld vanwege hun terughoudendheid — gij kent hen aan hun teken; zij bedelen niet opdringerig bij de mensen. En al het goede dat gij besteedt, voorwaar God weet het.
274
Degenen die hun bezit besteden bij nacht en bij dag, in het verborgene en in het openbare — voor hen is hun beloning bij hun Heer, en geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
275
Degenen die woeker verslinden zullen niet opstaan dan gelijk hij opstaat die Satan door zijn aanraking in verwarring gebracht heeft. Dat is omdat zij zeggen: "Handel is slechts het gelijke van woeker." Doch God heeft de handel geoorloofd gemaakt en de woeker verboden. Wie dan een vermaning van zijn Heer ontvangt en ophoudt — voor hem is hetgeen voorbijgegaan is, en zijn zaak is bij God. En wie terugkeert — dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
276
God vernietigt de woeker en vermeerdert de aalmoezen. En God bemint geen hardnekkige verhuller, zondaar.
277
Voorwaar, degenen die geloven en goede werken verrichten en standvastig zijn in het gebed en de aalmoes geven — voor hen is hun beloning bij hun Heer, en geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
278
O gij die gelooft! Weest godvrezend jegens God, en laat af van hetgeen overblijft van de woeker, indien gij gelovigen zijt.
279
En indien gij het niet doet, weest dan gewaarschuwd van oorlog van God en Zijn Boodschapper. En indien gij berouw toont, dan is voor u de hoofdsom van uw bezit; gij doet geen onrecht en u wordt geen onrecht aangedaan.
280
En indien iemand in moeilijkheid is, dan uitstel tot gemak. En dat gij het als liefdadigheid geeft is beter voor u, indien gij het maar wist.
281
En weest bedacht op een dag waarop gij tot God teruggebracht zult worden; dan zal elke ziel ten volle vergolden worden hetgeen zij verdiend heeft, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
282
O gij die gelooft! Wanneer gij een schuld met elkander aangaat voor een vastgestelde termijn, schrijft het op. En laat een schrijver het tussen u in rechtvaardigheid opschrijven. En laat een schrijver niet weigeren te schrijven gelijk God hem geleerd heeft; laat hem dan schrijven, en laat hem die de schuld draagt dicteren, en laat hem godvrezend zijn jegens God zijn Heer en er niets van verminderen. Indien hij dan die de schuld draagt zwak van verstand is, of zwak, of niet in staat is zelf te dicteren, laat dan zijn voogd in rechtvaardigheid dicteren. En roept twee getuigen uit uw mannen, en indien er geen twee mannen zijn, dan een man en twee vrouwen van degenen die gij als getuigen goedkeurt, opdat indien de een van beiden dwaalt, de ander haar moge herinneren. En laat de getuigen niet weigeren wanneer zij geroepen worden. En weest niet te lusteloos om het op te schrijven, klein of groot, tot zijn termijn. Dat is rechtvaardiger in het oog van God en oprechter als getuigenis, en meer geschikt dat gij niet in twijfel zult zijn — tenzij het een onmiddellijke transactie is die gij onder elkander verricht; dan is er geen schuld op u dat gij het niet opschrijft. En hebt getuigen wanneer gij aan elkander verkoopt. En laat geen schrijver geschaad worden, noch een getuige. En indien gij het doet, dan voorwaar is het verdorvenheid in u. En weest godvrezend jegens God; en God onderwijst u. En God is van alle dingen Wetend.
283
En indien gij op reis zijt en geen schrijver vindt, dan panden in de hand gehouden. En indien één uwer een ander vertrouwt, laat hem dan die vertrouwd is zijn vertrouwen vervullen, en laat hem godvrezend zijn jegens God zijn Heer. En verbergt de getuigenis niet. En wie haar verbergt — voorwaar zijn hart is zondig. En God is Wetend van hetgeen gij doet.
284
Aan God behoort al hetgeen in de hemelen is en al hetgeen op de Aarde is. En hetzij gij openbaart hetgeen in uzelf is of het verbergt, God zal u er rekenschap over vragen. Dan vergeeft Hij wie Hij wil en kastijdt Hij wie Hij wil. En God heeft macht over alle dingen.
285
De Boodschapper gelooft in hetgeen tot hem nedergezonden is van zijn Heer, en de gelovigen. Eenieder gelooft in God en Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijn boodschappers — "Wij maken geen onderscheid tussen enigen van Zijn boodschappers" — en zij zeggen: "Wij horen en wij gehoorzamen. Uw vergiffenis, onze Heer, en tot U is de terugkeer."
286
God belast een ziel niet boven haar vermogen. Voor haar is hetgeen zij verdiend heeft, en tegen haar is hetgeen zij verworven heeft. "Onze Heer, neem ons niet kwalijk indien wij vergeten of dwalen. Onze Heer, en leg ons geen last op gelijk Gij degenen vóór ons oplegde. Onze Heer, en belast ons niet met hetgeen wij niet de kracht voor hebben. En vergeef ons, en schenk ons vergiffenis, en ontferm U over ons. Gij zijt onze Meester, schenk ons dan overwinning over het volk dat verhuld heeft."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 2 — Al-Baqara (De Koe)

Algemene opmerkingen

De langste soera (286 verzen), een alomvattend handvest: theologie, wet, geschiedenis en geestelijke leiding. Zij opent met dezelfde driedeling als de korte soera’s — gelovigen, zij die verhullen, huichelaars — en verbindt Adam, de Kinderen Israëls en Abraham met de nieuwe gemeenschap.

Sleutelstammen

“verhullen” voor كفر (kafara)

Stam ك-ف-ر (k-f-r): bedekken, verhullen. Een boer is كافر omdat hij zaad met aarde bedekt. “Ongeloof” legt een theologische categorie op die het Arabisch niet bevat; het beschrijft een handeling — waarheid bedekken die reeds gekend is (vgl. v.42 “verhult de waarheid niet terwijl gij weet”).

“plaatsvervanger” voor خليفة (khalifa)

Stam خ-ل-ف: opvolgen, vertegenwoordigen. Adam als Gods plaatsvervanger op aarde — niet slechts een opvolger maar iemand aan wie goddelijk gezag is toevertrouwd.

Kernverzen

v.1: De geheimzinnige letters

Alif, Laam, Miem — hun betekenis behoort tot de grote raadselen der Voordracht. De letters bevestigen de goddelijke oorsprong.

v.62: Het universele vers

Toegewijden, joden, christenen en Sabiërs — allen die in God en de Laatste Dag geloven en goed doen — ontvangen hun beloning. Dit vers ondermijnt elke exclusivistische lezing.

v.71: De gave koe — islam als hoedanigheid

مُسَلَّمَةٌ (musallamat) — “onbevlekt,” van stam س-ل-م (s-l-m). De onbevlekte koe bevindt zich letterlijk in een staat van islam — heelheid, vrede, toewijding. Het woord beschrijft een hoedanigheid, geen godsdienstig etiket.

v.106: Overschrijving, geen afschaffing

Stam ن-س-خ (n-s-kh): de hoofdbetekenis is kopiëren, overschrijven, niet “afschaffen.” “Welk teken Wij ook overschrijven of doen vergeten, Wij brengen een beter of gelijk.” Elke bedeling is een nieuwe overschrijving van de eeuwige boodschap.

v.131: De zuivere s-l-m-uitwisseling

God: “Wijd u toe!” (أَسْلِمْ) — Abraham: “Ik heb mij toegewijd” (أَسْلَمْتُ). Eén woord bevel, één woord antwoord. Abraham onderhandelt niet — het tegendeel van het koe-verhaal (vv.67–71) waar elke opdracht wordt gecompliceerd.

v.138: Gods verving (sibghat Allah)

Stam ص-ب-غ: verven, onderdompelen. In Syrisch-christelijk gebruik: doop. De Voordracht universaliseert het: Gods “verving” is niet een ritueel maar de kleuring der ziel met geloof.

v.152: Wederzijdse herinnering

“Herdenkt Mij, Ik zal u herdenken” — stam ذ-ك-ر (dhikr). Menselijke herinnering aan God wekt goddelijke herinnering aan de mens. De transactie is ogenblikkelijk en wederzijds.

v.255: Het Troonvers

الْحَيُّ الْقَيُّومُ — de Levende, de Zelfbestaande. القيوم van stam ق-و-م — dezelfde stam als het Rechte Pad (1:6), de ondersteuners (4:34) en de Opstanding. Alle oprechtheid stamt van de Ene die Zelf bestaat.

v.256: Geen dwang in de godsdienst

Stam ك-ر-ه: dwingen, afdwingen. Dezelfde stam als 24:33 (dwang tot ontucht). De k-r-h-stam beschermt zowel lichamelijke als geestelijke autonomie.

v.285: “Wij horen en wij gehoorzamen”

De oplossing van de gehele boog. Bij v.93 zeiden de Israëlieten: “Wij horen en wij weigeren.” Hier, 192 verzen later: “Wij horen en wij gehoorzamen.” Van weigering tot toewijding.

Het patroon van weigering

De rode draad door soera’s 2, 55 en 77: de mensheid weigert herhaaldelijk de goddelijke Schenkingen.

  • 55:13 تُكَذِّبَانِ — “wilt gij tegenspreken?” — 31 maal
  • 77:15 المكذبين — “de loochenaars” — 10 maal
  • 2:87 het patroon van trotse weigering “telkens wanneer een boodschapper komt”

Het antwoord is niet meer bewijs maar een oproep tot toewijding (أَسْلِمْ, 2:131).

Integratieve verbanden

  • v.7 verzegelde harten ↔ 55:4 Uitdrukking: God gaf de mens het vermogen tot expressie; zij die verhullen verliezen het
  • v.71 musallamat (s-l-m) ↔ v.112 ↔ v.128 ↔ v.131: de s-l-m-draad van dier tot patriarch tot gemeenschap
  • v.115 het Gelaat Gods ↔ 55:27 het Aanschijn des Heren: hetzelfde wajh, alomtegenwoordig en bestendig
  • v.255 al-Qayyum (q-y-m) ↔ 1:6 al-mustaqiem (q-w-m) ↔ 4:34 qawwamoen: alle oprechtheid stamt van de Ene
  • v.275 de woekeraar kan niet staan (q-w-m) ↔ v.255 God de Qayyum: woeker als anti-oprechtheid
3
Al-Imran De Familie van Imran
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Lam, Mim.
2
God — er is geen god dan Hij, de Levende, de Zelfonderhoudende.
3
Hij heeft het Boek tot u nedergezonden in waarheid, bevestigend hetgeen ervoor was, en Hij zond de Tora en het Evangelie neder,
4
voordien, als leiding voor de mensen, en Hij zond het Onderscheid neder. Voorwaar, degenen die de tekenen Gods verhuld hebben, voor hen is een strenge kastijding. En God is Machtig, Heer der Vergelding.
5
Voorwaar, voor God is niets verborgen op de Aarde noch in de hemel.
6
Hij is het die u vormt in de baarmoeders gelijk Hij wil. Er is geen god dan Hij, de Machtige, de Wijze.
7
Hij is het die het Boek tot u nedergezonden heeft; daarin zijn verzen vast van betekenis — zij zijn de moeder van het Boek — en andere die allegorisch zijn. Wat betreft degenen in wier harten een afwijking is, zij volgen hetgeen daarin allegorisch is, onenigheid zoekend en de uitleg ervan zoekend. En niemand kent de uitleg ervan behalve God en degenen die vast zijn in kennis. Zij zeggen: "Wij geloven erin; alles is van onze Heer." En niemand neemt het ter harte behalve degenen die begrip bezitten.
8
"Onze Heer, doe onze harten niet afwijken nadat Gij ons geleid hebt, en schenk ons barmhartigheid van Uw Aangezicht. Voorwaar, Gij zijt de Schenker."
9
"Onze Heer, voorwaar Gij zijt de Vergaderaar der mensen voor een Dag waaraan geen twijfel is. Voorwaar, God breekt de afspraak niet."
10
Voorwaar, degenen die verhuld hebben — hun bezit en hun kinderen zullen hun niets baten tegen God. En dezen zijn de brandstof des Vuurs.
11
Gelijk het lot van het volk van Farao en degenen vóór hen — zij loochenden Onze tekenen, dus greep God hen om hun zonden. En God is streng in kastijding.
12
Zeg tot degenen die verhuld hebben: "Gij zult overwonnen worden en tot de Hel vergaderd — en ellendig is de rustplaats."
13
Er was voorwaar een teken voor u in twee groepen die elkander ontmoetten: één groep strijdend op de weg Gods, en een andere die verhuld had — zij zagen hen tweemaal hun aantal, in het gezicht. En God versterkt met Zijn bijstand wie Hij wil. Voorwaar, daarin is een les voor degenen die gezicht bezitten.
14
Schoongemaakt voor de mensen is de liefde voor begeerten — van vrouwen en zonen, en opgehoopte schatten van goud en zilver, en gemerkte paarden, en vee, en beploegd land. Dat is de voorziening van het leven dezer wereld, en God — bij Hem is de schoonste der terugkeringen.
15
Zeg: "Zal ik u berichten van hetgeen beter is dan dat? Voor degenen die godvrezend zijn, bij hun Heer zijn tuinen waaronder rivieren stromen, waarin zij eeuwig verblijven, en gelouterde metgezellen, en welbehagen van God." En God is Ziende van Zijn dienaren —
16
degenen die zeggen: "Onze Heer, voorwaar wij hebben geloofd, vergeef ons dan onze zonden en behoed ons voor de kastijding des Vuurs" —
17
de geduldigen, en de waarachtigen, en de devoten, en de besteders, en degenen die vergiffenis zoeken bij de dageraden.
18
God getuigt dat er geen god is dan Hij — en de engelen en degenen die kennis bezitten — de gerechtigheid handhavend. Er is geen god dan Hij, de Machtige, de Wijze.
19
Voorwaar, de godsdienst bij God is de Toewijding. En degenen aan wie het Boek gegeven werd verschilden niet dan nadat de kennis tot hen gekomen was, uit onderlinge afgunst. En wie de tekenen Gods verhuld — voorwaar, God is snel in afrekening.
20
En indien zij met u twisten, zeg: "Ik heb mijn aangezicht toegewijd aan God, en wie mij volgt." En zeg tot degenen aan wie het Boek gegeven is en de ongeletterde: "Hebt gij u onderworpen?" En indien zij zich toewijden, dan zijn zij geleid. En indien zij zich afwenden, dan rust op u slechts de overbrengst. En God is Ziende van Zijn dienaren.
21
Voorwaar, degenen die de tekenen Gods loochenen en de profeten doden zonder recht, en degenen doden die rechtvaardigheid bevelen onder de mensen — geeft hun tijding van een pijnlijke kastijding.
22
Dezen zijn zij wier werken vruchteloos zijn geworden in deze wereld en het Hiernamaals, en zij hebben geen helpers.
23
Hebt gij niet degenen gezien aan wie een deel van het Boek gegeven was, geroepen tot het Boek Gods opdat het tussen hen moge oordelen, dan wendt een groep hunner zich af, en zij zijn afkerig?
24
Dat is omdat zij zeiden: "Het Vuur zal ons niet aanraken behalve voor getelde dagen." En hetgeen zij plachten te verzinnen heeft hen in hun godsdienst misleid.
25
Hoe zal het dan zijn wanneer Wij hen vergaderen voor een Dag waaraan geen twijfel is, en elke ziel ten volle vergolden zal worden hetgeen zij verdiend heeft, en hun geen onrecht zal worden aangedaan?
26
Zeg: "O God, Meester der Heerschappij, Gij geeft heerschappij aan wie Gij wilt en Gij neemt heerschappij van wie Gij wilt, en Gij verhoogt wie Gij wilt en Gij vernedert wie Gij wilt. In Uw hand is het Goede. Voorwaar, Gij hebt macht over alle dingen.
27
Gij doet de nacht in de dag overgaan en Gij doet de dag in de nacht overgaan, en Gij brengt het levende voort uit het dode en Gij brengt het dode voort uit het levende. En Gij voorziet wie Gij wilt zonder berekening."
28
Laat de gelovigen niet degenen die verhullen als hoeders nemen in plaats van de gelovigen. En wie dat doet heeft niets van God, tenzij gij u tegen hen behoedt met voorzichtigheid. En God waarschuwt u voor Zichzelf. En tot God is het einde der reis.
29
Zeg: "Hetzij gij verbergt hetgeen in uw borsten is of het openbaart, God weet het. En Hij weet hetgeen in de hemelen is en hetgeen op de Aarde is. En God heeft macht over alle dingen."
30
De Dag waarop elke ziel zal vinden hetgeen zij aan goed verricht heeft, voortgebracht, en hetgeen zij aan kwaad verricht heeft — zij zal wensen dat er tussen haar en dat een verre afstand ware. En God waarschuwt u voor Zichzelf. En God is Genadig jegens Zijn dienaren.
31
Zeg: "Indien gij God liefhebt, volgt mij dan; God zal u liefhebben en u uw zonden vergeven. En God is Vergevend, Barmhartig."
32
Zeg: "Gehoorzaamt God en de Boodschapper." En indien zij zich afwenden, dan voorwaar God bemint niet degenen die verhullen.
33
Voorwaar, God verkoos Adam en Noach en de familie van Abraham en de familie van Imran boven alle werelden —
34
nakomelingschap, de een uit de ander. En God is Horend, Wetend.
35
Toen de vrouw van Imran zeide: "Mijn Heer, voorwaar ik heb aan U gewijd hetgeen in mijn schoot is, opgedragen. Aanvaard het dan van mij. Voorwaar, Gij zijt de Horende, de Wetende."
36
En toen zij haar gebaard had, zeide zij: "Mijn Heer, voorwaar ik heb een meisje gebaard" — en God wist het best wat zij gebaard had — "en het mannelijke is niet als het vrouwelijke. En voorwaar ik heb haar Maria genaamd, en voorwaar ik beveel haar en haar nageslacht aan Uw bescherming tegen Satan de vervloekte."
37
Zo aanvaardde haar Heer haar met een goede aanvaarding, en deed haar groeien met een goede groei, en Zacharia werd haar ten laste gegeven. Telkens wanneer Zacharia het heiligdom binnentrad, vond hij bij haar voorziening. Hij zeide: "O Maria, vanwaar komt dit tot u?" Zij zeide: "Het is van God. Voorwaar, God voorziet wie Hij wil zonder berekening."
38
Daar riep Zacharia zijn Heer aan. Hij zeide: "Mijn Heer, schenk mij van Uw Aangezicht goed nageslacht. Voorwaar, Gij zijt de Verhoorder des gebeds."
39
En de engelen riepen hem toe terwijl hij biddend stond in het heiligdom: "God geeft u tijding van Johannes, bevestigend een Woord van God, en een hoofd, en ingehouden, en een profeet uit de rechtvaardigen."
40
Hij zeide: "Mijn Heer, hoe zal ik een jongen hebben terwijl de ouderdom mij bereikt heeft en mijn vrouw onvruchtbaar is?" Hij zeide: "Aldus — God doet wat Hij wil."
41
Hij zeide: "Mijn Heer, stel voor mij een teken aan." Hij zeide: "Uw teken is dat gij drie dagen niet tot de mensen zult spreken behalve door gebaar. En gedenk uw Heer veelvuldig, en verheerlijk Hem in de avond en de morgen."
42
En toen de engelen zeiden: "O Maria, voorwaar God heeft u verkoren en u gelouterd en u verkoren boven de vrouwen van alle werelden.
43
O Maria, wees devoot jegens uw Heer en werp u neder en buig met degenen die buigen."
44
Dat behoort tot de tijdingen van het verborgene die Wij tot u openbaren. En gij waart niet bij hen toen zij hun pennen wierpen, wie van hen de hoeder van Maria zou zijn. En gij waart niet bij hen toen zij twistten.
45
Toen de engelen zeiden: "O Maria, voorwaar God geeft u tijding van een Woord van Hem, wiens naam is de Messias, Jezus zoon van Maria, doorluchtig in deze wereld en het Hiernamaals, en van degenen die nabij gebracht zijn.
46
En hij zal tot de mensen spreken in de wieg en in zijn mannelijke rijpheid, en hij behoort tot de rechtvaardigen."
47
Zij zeide: "Mijn Heer, hoe zal ik een kind hebben wanneer geen man mij aangeraakt heeft?" Hij zeide: "Aldus — God schept wat Hij wil. Wanneer Hij een zaak besluit, zegt Hij er slechts toe: Wees! en het is."
48
En Hij zal hem het Boek onderwijzen en de Wijsheid en de Tora en het Evangelie,
49
en een boodschapper tot de Kinderen Israels: "Voorwaar ik kom tot u met een teken van uw Heer — dat ik voor u uit klei de gelijkenis van een vogel vorm, dan blaas ik erin en het wordt een vogel met verlof van God. En ik genees de blinde en de melaatse, en ik geef de doden het leven met verlof van God. En ik bericht u over hetgeen gij eet en hetgeen gij opslaat in uw huizen. Voorwaar, daarin is een teken voor u, indien gij gelovigen zijt.
50
En bevestigend hetgeen vóór mij was van de Tora, en om u geoorloofd te maken een deel van hetgeen u verboden was. En ik kom tot u met een teken van uw Heer, weest dan godvrezend jegens God en gehoorzaamt mij.
51
Voorwaar, God is mijn Heer en uw Heer, aanbidt Hem dan. Dit is een recht pad."
52
En toen Jezus verhulling van hen bespeurde, zeide hij: "Wie zijn mijn helpers tot God?" De Teruggekeerden zeiden: "Wij zijn de helpers Gods. Wij geloven in God, en draagt getuigenis dat wij Toegewijden zijn."
53
"Onze Heer, wij geloven in hetgeen Gij nedergezonden hebt en wij volgen de Boodschapper, schrijf ons dan in bij de getuigen."
54
En zij beraamden, en God beraamde. En God is de beste der beramers.
55
Toen God zeide: "O Jezus, voorwaar Ik zal u doen sterven en u tot Mij verheffen en u louteren van degenen die verhuld hebben, en zal degenen die u volgen boven degenen die verhuld hebben stellen tot de Dag der Opstanding. Dan tot Mij is uw terugkeer, en Ik zal tussen u oordelen over datgene waarin gij placht te verschillen.
56
Wat betreft degenen die verhuld hebben, Ik zal hen kastijden met een strenge kastijding in deze wereld en het Hiernamaals, en zij zullen geen helpers hebben.
57
En wat betreft degenen die geloven en goede werken verrichten, Hij zal hun hun lonen ten volle betalen. En God bemint de onrechtvaardigen niet."
58
Dat dragen Wij u voor van de tekenen en de wijze herinnering.
59
Voorwaar, de gelijkenis van Jezus bij God is als de gelijkenis van Adam — Hij schiep hem uit stof, dan zeide Hij tot hem: Wees! en hij was.
60
De waarheid is van uw Heer, wees dan niet van de twijfelaars.
61
En wie met u twist over hem, na hetgeen tot u gekomen is van kennis, zeg: "Komt, laat ons onze zonen en uw zonen roepen, en onze vrouwen en uw vrouwen, en onszelf en uzelf, laat ons dan aanroepen en de vloek Gods leggen op de leugenaars."
62
Voorwaar, dit is het ware verhaal. En er is geen god dan God. En voorwaar, God — Hij is de Machtige, de Wijze.
63
En indien zij zich afwenden, dan voorwaar God is Wetend van de verdervers.
64
Zeg: "O Lieden van het Boek, komt tot een woord gelijk tussen ons en u — dat wij niemand aanbidden dan God, en dat wij niets met Hem vereenzelvigen, en dat niemand van ons anderen als heren neemt naast God." En indien zij zich afwenden, zegt dan: "Draagt getuigenis dat wij Toegewijden zijn."
65
O Lieden van het Boek, waarom twist gij over Abraham, terwijl de Tora en het Evangelie niet nedergezonden werden dan na hem? Begrijpt gij dan niet?
66
Ziet! Gij zijt degenen die twistten over datgene waarvan gij kennis hadt; waarom dan twist gij over datgene waarvan gij geen kennis hebt? En God weet, en gij weet niet.
67
Abraham was noch een Jood noch een Christen, maar hij was oprecht, toegewijd, en hij behoorde niet tot degenen die deelgenoten toekennen.
68
Voorwaar, de naaste der mensen aan Abraham zijn degenen die hem volgden, en deze Profeet, en degenen die geloven. En God is de Hoeder der gelovigen.
69
Een groep der Lieden van het Boek wenste dat zij u konden doen dwalen, maar zij doen slechts zichzelf dwalen, en zij beseffen het niet.
70
O Lieden van het Boek, waarom loochent gij de tekenen Gods terwijl gij getuigt?
71
O Lieden van het Boek, waarom vermengt gij de waarheid met de valsheid en verbergt gij de waarheid terwijl gij weet?
72
En een groep der Lieden van het Boek zeide: "Gelooft in hetgeen nedergezonden is op degenen die geloven aan het begin van de dag, en bedekt het aan het einde ervan, opdat zij wellicht mogen terugkeren."
73
"En vertrouwt slechts hem die uw godsdienst volgt." Zeg: "Voorwaar, de leiding is de leiding Gods — dat iemand het gelijke gegeven worde van hetgeen u gegeven is, of dat zij met u twisten voor uw Heer." Zeg: "Voorwaar, de goedgunstigheid is in de hand Gods; Hij geeft haar aan wie Hij wil. En God is Alomvattend, Wetend.
74
Hij kiest voor Zijn barmhartigheid wie Hij wil. En God is Heer van Machtige Goedgunstigheid."
75
En onder de Lieden van het Boek is hij die, indien gij hem een schat toevertrouwt, het u zal teruggeven. En onder hen is hij die, indien gij hem een enkele munt toevertrouwt, het u niet zal teruggeven tenzij gij over hem blijft staan. Dat is omdat zij zeggen: "Er is geen weg tegen ons betreffende de ongeletterde." En zij spreken een leugen tegen God terwijl zij weten.
76
Welneen! Wie zijn verbond vervult en godvrezend is — dan voorwaar God bemint de godvrezenden.
77
Voorwaar, degenen die het verbond Gods en hun eden verkopen voor een geringe prijs — dezen zullen geen deel hebben in het Hiernamaals. En God zal op de Dag der Opstanding niet tot hen spreken noch hen aanzien, noch zal Hij hen louteren. En voor hen is een pijnlijke kastijding.
78
En voorwaar, onder hen is een groep die hun tongen draaien met het Boek, opdat gij het moogt houden voor het Boek, terwijl het niet van het Boek is. En zij zeggen: "Het is van God," terwijl het niet van God is. En zij spreken een leugen tegen God terwijl zij weten.
79
Het is niet aan een sterveling dat God hem het Boek en het Oordeel en het Profeetschap geve, en dat hij dan tot de mensen zegt: "Weest dienaren van mij in plaats van God." Maar veeleer: "Weest mannen des Heren, daar gij het Boek placht te onderwijzen en daar gij het placht te bestuderen."
80
Noch zou hij u bevelen de engelen en de profeten als heren te nemen. Zou hij u verhulling bevelen nadat gij Toegewijden zijt?
81
En toen God het verbond der profeten nam: "Wat Ik u ook geve van het Boek en de Wijsheid, en er komt vervolgens tot u een boodschapper bevestigend hetgeen bij u is — gij zult stellig in hem geloven en gij zult hem stellig helpen." Hij zeide: "Bevestigt gij, en neemt gij Mijn last daarin op u?" Zij zeiden: "Wij bevestigen." Hij zeide: "Draagt dan getuigenis, en Ik ben met u onder de getuigen."
82
En wie zich daarna afwendt — dezen zijn de verdorvenen.
83
Zoeken zij iets anders dan de godsdienst Gods, terwijl aan Hem zich toegewijd heeft al wie in de hemelen en op de Aarde is, gewillig en onwillig, en tot Hem zullen zij teruggebracht worden?
84
Zeg: "Wij geloven in God en hetgeen tot ons nedergezonden is en hetgeen nedergezonden werd tot Abraham en Ismaël en Isaak en Jacob en de Stammen, en hetgeen gegeven werd aan Mozes en Jezus en de profeten van hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen enigen van hen, en aan Hem zijn wij Toegewijd."
85
En wie iets anders dan Toewijding als godsdienst zoekt, het zal niet van hem aanvaard worden, en in het Hiernamaals zal hij tot de verliezers behoren.
86
Hoe zal God een volk leiden dat verhuld heeft na hun geloof, en nadat zij getuigden dat de Boodschapper waar is, en nadat de duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren? En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
87
Dezen — hun vergelding is dat over hen de vloek Gods is en der engelen en der mensen altezamen,
88
daarin verblijvend. De kastijding zal hun niet verlicht worden, noch zal hun uitstel verleend worden.
89
Behalve degenen die daarna berouw tonen en zich beteren — dan voorwaar God is Vergevend, Barmhartig.
90
Voorwaar, degenen die verhullen na hun geloof en dan toenemen in verhulling — hun berouw zal niet aanvaard worden. En dezen zijn de dwalenden.
91
Voorwaar, degenen die verhuld hebben en sterven terwijl zij verhullers zijn — van geen hunner zal de Aarde vol goud aanvaard worden, zelfs al wilde hij zich daarmee vrijkopen. Dezen — voor hen is een pijnlijke kastijding, en zij zullen geen helpers hebben.
92
Gij zult de rechtvaardigheid niet bereiken totdat gij besteedt van hetgeen gij liefhebt. En al hetgeen gij besteedt van iets, voorwaar God weet het.
93
Alle spijze was de Kinderen Israels geoorloofd, behalve hetgeen Israël zichzelf verbood eer de Tora nedergezonden werd. Zeg: "Brengt de Tora en draagt haar voor, indien gij waarachtig zijt."
94
En wie na dat een leugen tegen God verzint — dezen zijn de onrechtvaardigen.
95
Zeg: "God spreekt de waarheid. Volgt dan de leer van Abraham, de oprechte, en hij behoorde niet tot degenen die deelgenoten toekennen."
96
Voorwaar, het eerste huis gesticht voor de mensen is dat te Bakka, gezegend en een leiding voor alle werelden.
97
Daarin zijn duidelijke tekenen — de standplaats van Abraham. En wie het betreedt is veilig. En op de mensen rust de plicht jegens God tot bedevaart naar het Huis — wie in staat is een weg daarheen te vinden. En wie verhuld — dan voorwaar God is Onafhankelijk van alle werelden.
98
Zeg: "O Lieden van het Boek, waarom loochent gij de tekenen Gods, terwijl God Getuige is over hetgeen gij doet?"
99
Zeg: "O Lieden van het Boek, waarom verspert gij de weg Gods voor hem die gelooft, zoekend haar krom te maken, terwijl gij getuigen zijt? En God is niet achteloos jegens hetgeen gij doet."
100
O gij die gelooft, indien gij een groep gehoorzaamt van degenen aan wie het Boek gegeven werd, zullen zij u na uw geloof doen terugkeren als verhullers.
101
En hoe kunt gij verhullen terwijl u de tekenen Gods voorgedragen worden en onder u Zijn Boodschapper is? En wie zich vasthoudt aan God is voorwaar geleid tot een recht pad.
102
O gij die gelooft, weest godvrezend jegens God met de godvrezendheid die Hem toekomt, en sterft niet dan terwijl gij Toegewijden zijt.
103
En houdt allen tezamen vast aan het touw Gods, en weest niet verdeeld. En gedenkt de zegening Gods over u, toen gij vijanden waart en Hij uw harten samenbracht, en gij werdt door Zijn zegening broeders. En gij waart aan de rand van een kuil des Vuurs, en Hij redde u daaruit. Aldus maakt God u Zijn tekenen duidelijk, opdat gij wellicht geleid moogt worden.
104
En laat er uit u een gemeenschap zijn die oproept tot het goede en beveelt hetgeen recht is en verbiedt hetgeen verkeerd is. En dezen zijn zij die welvaren.
105
En weest niet als degenen die zich verdeelden en verschilden nadat de duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren. En dezen — voor hen is een grote kastijding,
106
op de Dag waarop aangezichten wit zullen worden en aangezichten zwart zullen worden. Wat betreft degenen wier aangezichten zwart worden: "Hebt gij verhuld na uw geloof? Proeft dan de kastijding omdat gij placht te verhullen."
107
En wat betreft degenen wier aangezichten wit worden — in de barmhartigheid Gods, daarin verblijven zij eeuwig.
108
Dit zijn de tekenen Gods die Wij u voordragen in waarheid. En God begeert geen onrecht voor alle werelden.
109
En aan God behoort hetgeen in de hemelen is en hetgeen op de Aarde is. En tot God worden alle zaken teruggebracht.
110
Gij zijt de beste gemeenschap voortgebracht voor de mensen: gij beveelt hetgeen recht is en verbiedt hetgeen verkeerd is en gelooft in God. En hadden de Lieden van het Boek geloofd, het zou beter voor hen geweest zijn. Onder hen zijn gelovigen, maar de meesten hunner zijn verdorvenen.
111
Zij zullen u niet schaden behalve als een ergernis. En indien zij u bestrijden, zullen zij hun rug tot u keren; dan zullen zij niet geholpen worden.
112
Vernedering is hun opgedrukt waar zij ook gevonden worden, behalve door een touw van God en een touw van de mensen. En zij hebben de toorn Gods over zich gebracht, en ellende is hun opgedrukt. Dat is omdat zij plachten de tekenen Gods te loochenen en de profeten te doden zonder recht. Dat is omdat zij ongehoorzaam waren en plachten te overtreden.
113
Zij zijn niet allen gelijk. Onder de Lieden van het Boek is een oprechte gemeenschap die de tekenen Gods voordragen in de nachtwaken, en zij werpen zich neder.
114
Zij geloven in God en de Laatste Dag en bevelen hetgeen recht is en verbieden hetgeen verkeerd is en haasten zich in goede werken. En dezen behoren tot de rechtvaardigen.
115
En al het goede dat zij doen, het zal hun niet ontzegd worden. En God is Wetend van de godvrezenden.
116
Voorwaar, degenen die verhuld hebben — hun bezit en hun kinderen zullen hun niets baten tegen God. En dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
117
De gelijkenis van hetgeen zij besteden in het leven dezer wereld is als de gelijkenis van een wind waarin vorst is, die de oogst treft van een volk dat zichzelf onrecht heeft aangedaan en haar vernietigt. En God deed hun geen onrecht aan, maar zij doen zichzelf onrecht.
118
O gij die gelooft, neemt geen vertrouwelingen van buiten uw eigen kring, die geen moeite sparen u te verderven. Zij wensen uw ellende. Haat is verschenen uit hun monden, en hetgeen hun borsten verbergen is groter. Wij hebben u voorwaar de tekenen duidelijk gemaakt, indien gij begrijpt.
119
Ziet! Gij zijt degenen die hen liefhebben, maar zij hebben u niet lief. En gij gelooft in het Boek, geheel. En wanneer zij u ontmoeten, zeggen zij: "Wij geloven." En wanneer zij zich terugtrekken, bijten zij op hun vingertoppen voor u van woede. Zeg: "Sterft in uw woede! Voorwaar, God is Wetend van hetgeen in de borsten is."
120
Indien u goed aanraakt, bedroeft het hen; en indien u kwaad overkomt, verheugen zij zich erover. En indien gij geduldig en godvrezend zijt, zal hun beraming u in het geheel niet schaden. Voorwaar, God omvat hetgeen zij doen.
121
En toen gij bij dageraad uittoogt van uw huisgezin om de gelovigen hun stellingen toe te wijzen voor de strijd — en God is Horend, Wetend —
122
toen twee groepen van u op het punt stonden de moed te verliezen, en God was hun Hoeder. En in God laten de gelovigen hun vertrouwen stellen.
123
En God had u reeds overwinning geschonken bij Badr toen gij nederig waart. Weest dan godvrezend jegens God, opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
124
Toen gij tot de gelovigen zeidet: "Is het niet voldoende voor u dat uw Heer u versterke met drieduizend engelen, nedergezonden?"
125
Jawel! Indien gij geduldig en godvrezend zijt, en zij over u komen in hun stormloop, zal uw Heer u versterken met vijfduizend engelen, getekend.
126
En God maakte het slechts als een blijde tijding voor u en opdat uw harten daardoor gerust mogen zijn. En er is geen overwinning dan van God, de Machtige, de Wijze —
127
opdat Hij een flank moge afsnijden van degenen die verhuld hebben, of hen neerwerpe zodat zij teleurgesteld terugkeren.
128
Het is geen zaak van u of Hij hen vergeeft of hen kastijdt, want voorwaar zij zijn onrechtvaardigen.
129
En aan God behoort hetgeen in de hemelen is en hetgeen op de Aarde is. Hij vergeeft wie Hij wil en kastijdt wie Hij wil. En God is Vergevend, Barmhartig.
130
O gij die gelooft, verslindt de woeker niet, verdubbeld en herdubbeld. En weest godvrezend jegens God, opdat gij wellicht moogt welvaren.
131
En vreest het Vuur dat bereid is voor degenen die verhullen.
132
En gehoorzaamt God en de Boodschapper, opdat u wellicht barmhartigheid betoond worde.
133
En haast u naar vergiffenis van uw Heer, en een Tuin welks breedte de hemelen en de Aarde is, bereid voor de godvrezenden —
134
degenen die besteden in gemak en in tegenspoed, en die hun toorn bedwingen, en die de mensen vergeven. En God bemint degenen die goed doen —
135
en degenen die, wanneer zij een onzedelijkheid begaan of zichzelf onrecht doen, God gedenken en vergiffenis vragen voor hun zonden — en wie vergeeft zonden behalve God? — en niet volharden in hetgeen zij gedaan hebben terwijl zij weten.
136
Dezen — hun vergelding is vergiffenis van hun Heer en tuinen waaronder rivieren stromen, daarin verblijvend. En voortreffelijk is het loon dergenen die arbeiden.
137
Er zijn voorafgegane voorbeelden vóór u heengegaan; reist dan op de Aarde en aanschouwt hoe het einde was dergenen die loochenden.
138
Dit is een uiteenzetting voor de mensen, en een leiding en een vermaning voor de godvrezenden.
139
En verslapt niet, noch treurt, want gij zijt de bovensten indien gij gelovigen zijt.
140
Indien u een wond getroffen heeft, een gelijke wond heeft het volk reeds getroffen. En dat zijn de dagen — Wij wisselen ze af onder de mensen — en opdat God degenen moge kennen die geloven en uit u getuigen moge nemen. En God bemint de onrechtvaardigen niet.
141
En opdat God degenen die geloven moge beproeven en degenen die verhullen moge vernietigen.
142
Of rekent gij dat gij de Tuin zult binnengaan terwijl God nog niet degenen onder u gekend heeft die strijden, en de geduldigen gekend heeft?
143
En gij hadt voorwaar de dood gewenst eer gij haar ontmoette; nu hebt gij haar gezien terwijl gij toekijkt.
144
En Muhammad is slechts een boodschapper; boodschappers zijn vóór hem heengegaan. Indien hij dan sterft of gedood wordt, zult gij op uw hielen terugkeren? En wie op zijn hielen terugkeert zal God in het geheel niet schaden. En God zal de dankbaren belonen.
145
En het is niet aan een ziel te sterven behalve met verlof van God — een vastgesteld besluit. En wie de beloning dezer wereld begeert, Wij zullen hem ervan geven; en wie de beloning van het Hiernamaals begeert, Wij zullen hem ervan geven. En Wij zullen de dankbaren belonen.
146
En hoe menig profeet heeft gestreden, met wie grote aantallen mannen des Heren waren! En zij verslapten niet om hetgeen hen trof op de weg Gods, noch verzwakten zij, noch werden zij vernederd. En God bemint de geduldigen.
147
En hun spreken was slechts dat zij zeiden: "Onze Heer, vergeef ons onze zonden en ons buitensporigheid in onze zaak, en maak onze voeten vast, en help ons tegen het volk dat verhuld heeft."
148
Zo gaf God hun de beloning dezer wereld en de schoonste beloning van het Hiernamaals. En God bemint degenen die goed doen.
149
O gij die gelooft, indien gij degenen die verhullen gehoorzaamt, zullen zij u op uw hielen doen terugkeren, en gij zult als verliezers terugkeren.
150
Welneen, God is uw Hoeder, en Hij is de beste der helpers.
151
Wij zullen verschrikking werpen in de harten dergenen die verhullen, omdat zij met God geassocieerd hebben datgene waarvoor Hij geen gezag nedergezonden heeft. En hun verblijf is het Vuur. En ellendig is het tehuis der onrechtvaardigen.
152
En God had u voorwaar Zijn belofte waargemaakt toen gij hen vernietigde met Zijn verlof, totdat gij de moed verloor en twistte over de zaak en ongehoorzaam waart nadat Hij u getoond had wat gij liefhebt. Onder u is hij die deze wereld begeert, en onder u is hij die het Hiernamaals begeert. Toen wendde Hij u af van hen, opdat Hij u mocht beproeven. En Hij heeft u voorwaar vergeven. En God is Heer van Goedgunstigheid jegens de gelovigen.
153
Toen gij opklom en acht sloegt op niemand, en de Boodschapper u riep van achteren — zo vergold Hij u met verdriet op verdriet, opdat gij niet moogt treuren over hetgeen u ontsnapte noch over hetgeen u trof. En God is Kundig van hetgeen gij doet.
154
Toen na het verdriet zond Hij op u neder een geruststelling — sluimer die een deel van u overviel — terwijl een ander deel bezorgd was over zichzelf, denkend over God anders dan de waarheid, de gedachte der onwetendheid. Zij zeggen: "Hebben wij enig deel in de zaak?" Zeg: "Voorwaar, de zaak behoort geheel aan God." Zij verbergen in zichzelf hetgeen zij u niet openbaren, zeggend: "Hadden wij enig deel in de zaak gehad, wij zouden hier niet gedood zijn." Zeg: "Zelfs al waart gij in uw huizen geweest, degenen over wie de dood beschikt was zouden zijn uitgegaan naar hun sterfbedden." En opdat God moge beproeven hetgeen in uw borsten is en moge louteren hetgeen in uw harten is. En God is Wetend van hetgeen in de borsten is.
155
Voorwaar, degenen uwer die zich afwendden op de dag dat de twee legers elkander ontmoetten — Satan deed hen slechts uitglijden door iets dat zij verdiend hadden. En God heeft hen voorwaar vergeven. Voorwaar, God is Vergevend, Verdraagzaam.
156
O gij die gelooft, weest niet als degenen die verhuld hebben en van hun broeders zeiden, toen zij op de Aarde reisden of op veldtocht waren: "Hadden zij bij ons geweest, zij zouden niet gestorven zijn en niet gedood zijn" — opdat God het tot een smart in hun harten moge maken. En God geeft het leven en veroorzaakt de dood. En God is Ziende van hetgeen gij doet.
157
En indien gij gedood wordt op de weg Gods of sterft — vergiffenis van God en barmhartigheid zijn beter dan hetgeen zij vergaren.
158
En indien gij sterft of gedood wordt, tot God zult gij vergaderd worden.
159
En door barmhartigheid van God waart gij zachtmoedig jegens hen. En waart gij hardvochtig en hardhartig geweest, zij zouden van rondom u uiteengegaan zijn. Vergeef hun dan en zoek vergiffenis voor hen en raadpleeg hen in de zaak. En wanneer gij besloten hebt, stelt dan uw vertrouwen in God. Voorwaar, God bemint degenen die hun vertrouwen stellen.
160
Indien God u helpt, niemand kan u overwinnen. En indien Hij u verlaat, wie is er dan die u na Hem kan helpen? En in God laten de gelovigen hun vertrouwen stellen.
161
En het is niet aan een profeet te verduisteren. En wie verduistert zal hetgeen hij verduisterd heeft brengen op de Dag der Opstanding. Dan zal elke ziel ten volle vergolden worden hetgeen zij verdiend heeft, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
162
Is dan hij die het welbehagen Gods volgt als hij die de toorn Gods over zich brengt, en wiens verblijf de Hel is? En ellendig is het einde der reis.
163
Zij zijn in rangen bij God. En God is Ziende van hetgeen zij doen.
164
God was voorwaar genadig jegens de gelovigen toen Hij onder hen een boodschapper verwekte uit henzelf, die hun Zijn tekenen voordraagt en hen loutert en hun het Boek en de Wijsheid onderwijst, ofschoon zij voordien in duidelijke dwaling waren.
165
En toen u een rampspoed trof, ofschoon gij het dubbele ervan hadden toegebracht, zeidet gij: "Vanwaar is dit?" Zeg: "Het is van uzelf." Voorwaar, God heeft macht over alle dingen.
166
En hetgeen u trof op de dag dat de twee legers elkander ontmoetten was met verlof van God, en opdat Hij de gelovigen moge kennen,
167
en opdat Hij degenen moge kennen die de huichelaars speelden. En er werd tot hen gezegd: "Komt, strijdt op de weg Gods, of verdedigt." Zij zeiden: "Hadden wij geweten dat er strijd zou zijn, wij zouden u gevolgd hebben." Zij waren die dag dichter bij het verhullen dan bij het geloof. Zij zeggen met hun monden hetgeen niet in hun harten is. En God weet het best hetgeen zij verbergen.
168
Degenen die van hun broeders zeiden, terwijl zij zaten: "Hadden zij ons gehoorzaamd, zij zouden niet gedood zijn." Zeg: "Weert dan de dood van uzelf, indien gij waarachtig zijt."
169
En rekent degenen die gedood worden op de weg Gods niet als dood. Welneen, zij leven bij hun Heer, voorzien,
170
verheugend in hetgeen God hun gegeven heeft van Zijn goedgunstigheid, en verblijd voor degenen die hen nog niet hebben ingehaald van achter hen — dat geen vrees over hen zal komen, noch zullen zij treuren.
171
Zij verheugen zich in een zegening van God en goedgunstigheid, en dat God het loon der gelovigen niet verspilt —
172
degenen die God en de Boodschapper antwoordden nadat de wond hen getroffen had. Voor degenen hunner die goed deden en godvrezend waren, een groot loon,
173
degenen tot wie de mensen zeiden: "Voorwaar, de mensen hebben zich tegen u vergaderd, vreest hen dan." Maar het vermeerderde hen in geloof, en zij zeiden: "God is ons genoeg, en voortreffelijk is de Zaakwaarnemer."
174
Zo keerden zij terug met een zegening van God en goedgunstigheid — geen kwaad trof hen — en zij volgden het welbehagen Gods. En God is Heer van Machtige Goedgunstigheid.
175
Dat is slechts Satan die zijn volgelingen angst aanjaagt. Vreest hen dan niet, en vreest Mij, indien gij gelovigen zijt.
176
En laat degenen die zich haasten in het verhullen u niet bedroeven. Voorwaar, zij zullen God in het geheel niet schaden. God wil dat Hij hun geen deel toekent in het Hiernamaals. En voor hen is een grote kastijding.
177
Voorwaar, degenen die verhulling gekocht hebben met geloof zullen God in het geheel niet schaden. En voor hen is een pijnlijke kastijding.
178
En laat degenen die verhuld hebben niet rekenen dat het uitstel dat Wij hun verlenen goed is voor hen. Wij verlenen hun slechts uitstel opdat zij mogen toenemen in zonde. En voor hen is een vernederende kastijding.
179
God zou de gelovigen niet in de staat laten waarin gij u bevindt totdat Hij het verdorvene van het goede onderscheidt. En God zou u niet op de hoogte stellen van het verborgene, maar God kiest van Zijn boodschappers wie Hij wil. Gelooft dan in God en Zijn boodschappers. En indien gij gelooft en godvrezend zijt, voor u is een groot loon.
180
En laat degenen die gierig zijn met hetgeen God hun gegeven heeft van Zijn goedgunstigheid niet rekenen dat het goed voor hen is. Welneen, het is kwaad voor hen. Datgene waarmee zij gierig waren zal om hun nekken gehangen worden op de Dag der Opstanding. En aan God behoort de erfenis der hemelen en der Aarde. En God is Kundig van hetgeen gij doet.
181
God heeft voorwaar het woord gehoord dergenen die zeiden: "Voorwaar, God is arm en wij zijn rijk." Wij zullen opschrijven hetgeen zij gezegd hebben, en hun doden der profeten zonder recht, en Wij zullen zeggen: "Proeft de kastijding der Verbranding."
182
"Dat is om hetgeen uw handen vooruitgezonden hebben, en God is geen onrechtpleger jegens Zijn dienaren."
183
Degenen die zeiden: "Voorwaar, God heeft met ons verbonden dat wij in geen boodschapper geloven totdat hij ons een offergave brengt door vuur verteerd." Zeg: "Er zijn boodschappers vóór mij tot u gekomen met de duidelijke bewijzen en met datgene waarvan gij spraakt. Waarom dooddet gij hen dan, indien gij waarachtig zijt?"
184
En indien zij u loochenen — boodschappers vóór u zijn geloochend, die kwamen met de duidelijke bewijzen en de Geschriften en het lichtende Boek.
185
Elke ziel zal de dood proeven. En gij zult slechts uw lonen ten volle betaald worden op de Dag der Opstanding. En wie weggetrokken wordt van het Vuur en toegelaten wordt tot de Tuin, die is voorwaar zegevierend. En het leven dezer wereld is slechts de voorziening van bedrog.
186
Gij zult stellig beproefd worden in uw bezittingen en in uzelf. En gij zult stellig van degenen aan wie het Boek vóór u gegeven werd en van degenen die deelgenoten toekennen veel ergernis horen. En indien gij geduldig en godvrezend zijt — dat is voorwaar van de zaken die vastberadenheid vereisen.
187
En toen God het verbond nam van degenen aan wie het Boek gegeven werd: "Gij zult het de mensen duidelijk maken en het niet verbergen." Toen wierpen zij het achter hun rug en verkochten het voor een geringe prijs. En ellendig is hetgeen zij kopen.
188
Rekent niet dat degenen die zich verheugen in hetgeen zij gebracht hebben en beminnen geprezen te worden voor hetgeen zij niet gedaan hebben — rekent hen niet veilig voor de kastijding. En voor hen is een pijnlijke kastijding.
189
En aan God behoort de heerschappij der hemelen en der Aarde. En God heeft macht over alle dingen.
190
Voorwaar, in de schepping der hemelen en der Aarde en de afwisseling van de nacht en de dag zijn tekenen voor degenen die begrip bezitten —
191
degenen die God gedenken, staand en zittend en op hun zijden, en nadenken over de schepping der hemelen en der Aarde: "Onze Heer, Gij hebt dit niet vergeefs geschapen. Glorie zij U! Behoed ons dan voor de kastijding des Vuurs.
192
Onze Heer, voorwaar wie Gij in het Vuur doet binnengaan, die hebt Gij voorwaar vernederd. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen helpers.
193
Onze Heer, voorwaar wij hoorden een roeper roepen tot geloof: 'Gelooft in uw Heer!' — dus geloofden wij. Onze Heer, vergeef ons onze zonden en wis onze slechte daden uit en neem ons in de dood met de rechtvaardigen.
194
Onze Heer, geef ons hetgeen Gij ons beloofd hebt door Uw boodschappers, en verneder ons niet op de Dag der Opstanding. Voorwaar, Gij breekt de afspraak niet."
195
En hun Heer verhoorde hen: "Voorwaar, Ik verspil het werk niet van enige arbeider onder u, man of vrouw — gij zijt de een van de ander. Degenen die dan geëmigreerd zijn en uit hun huizen verdreven zijn en geleden hebben op Mijn weg en gestreden hebben en gedood zijn — Ik zal stellig hun slechte daden uitwissen en Ik zal hen stellig tuinen binnenlaten waaronder rivieren stromen — een beloning van God. En God — bij Hem is de schoonste der beloningen."
196
Laat het komen en gaan dergenen die verhullen in de landen u niet misleiden.
197
Een korte voorziening; dan is hun verblijf de Hel — en ellendig is de rustplaats.
198
Maar degenen die godvrezend zijn jegens hun Heer — voor hen zijn tuinen waaronder rivieren stromen, daarin verblijvend — een welkom van God. En hetgeen bij God is, is beter voor de rechtvaardigen.
199
En voorwaar, onder de Lieden van het Boek zijn er die geloven in God en hetgeen tot u nedergezonden is en hetgeen tot hen nedergezonden is, nederig voor God. Zij verkopen de tekenen Gods niet voor een geringe prijs. Dezen — voor hen is hun loon bij hun Heer. Voorwaar, God is snel in afrekening.
200
O gij die gelooft, weest geduldig en wedijvert in geduld en weest standvastig, en weest godvrezend jegens God, opdat gij wellicht moogt welvaren.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 3 — Al-Imran (De Familie van Imran)

Algemene waarnemingen

Al-Imran is de meest uitgebreide christologische soera: van Imran via Maria tot Jezus, terwijl Abraham — die voorafgaat aan jodendom en christendom — als “toegewijd” (moeslim) wordt beschreven, niet als aanhanger van enige latere sekte. De soera beweegt tussen twee polen: de wonderbaarlijke geboorten (Yahya, Jezus) en de nasleep van de Slag bij Oehoed.

Belangrijkste stamontdekkingen

Stam س-ل-م (s-l-m) — toewijding als ruggengraat

De stam doordrenkt de soera: v.19 “de godsdienst bij God is toewijding” — niet “Islam” als etiket maar toewijding als universele hoedanigheid. V.67 verklaart dat Abraham “noch jood noch christen” was, maar “oprecht, toegewijd” (hanief moeslim). V.85 besluit: “wie anders dan toewijding als godsdienst zoekt, het zal niet worden aanvaard.” De dichtheid van s-l-m maakt dit de primaire tekst over toewijding als universeel beginsel.

Stam ح-و-ر (h-w-r) — de Toegewijden (v.52)

De Toegewijden (al-hawariyyoen) delen hun stam met de hoer van 55:72. Discipelen van Jezus en de paradijselijke gemeenschap zijn taalkundig dezelfde: de toegewijde teruggekeerden. De gangbare vertaling verdoezelt dit door het ene als “discipelen” en het andere als “hoeri’s” te vertalen.

Stam ك-ف-ر (k-f-r) — bedekken als handeling

V.70: “waarom verhult gij de tekenen Gods” — actieve, opzettelijke verhulling. V.90: “die verhullen na hun geloof, dan toenemen in verhulling” — bedekking als progressieve daad. De verscheidenheid toont aan dat k-f-r een handeling beschrijft (waarheid bedekken), geen identiteit (ongelovige).

Stam ش-ب-ه (sh-b-h) — dubbelzinnigheid (v.7)

V.7 introduceert moetashaabih (dubbelzinnige verzen), dezelfde stam als shoebbieha in 4:157. Sommige verzen zijn moehkam (vast, helder), andere moetashaabih (op elkaar gelijkend, dubbelzinnig). Dit vers is de hermeneutische sleutel van de Koran zelf.

Versbijzonderheden

  • V.7: De leestekenkwestie: “Niemand kent de uitleg ervan dan God en zij die vast zijn in kennis.” Bahaa’oellah haalt dit vers aan zonder leesteken na “God” — de geleerden/Manifestaties behoren tot hen die weten.
  • V.47: “Wees! en het is” (koen fa-jakoem) — dezelfde scheppingsformule als bij Adam (v.59), verbonden met 36:82 en 19:35.
  • V.55: “Ik zal u doen sterven” (moetawaffika, stam و-ف-ي) — het gangbare Koranwoord voor sterven, gevolgd door “en u tot Mij verheffen.” Dood gevolgd door geestelijke verheffing; bevestigt de lezing van 4:157.
  • V.67: Abraham was hanief moeslim — toewijding die voorafgaat aan Thora en Evangelie beide.
  • V.110: “De beste gemeenschap” — voorwaardelijk: afhankelijk van het gebieden van het goede en het verbieden van het kwade. Functie, niet naam.
  • V.144: Mohammeds sterfelijkheid: “Indien hij sterft of wordt gedood, keert gij dan om?” Het vers dat Aboe Bakr voordroeg bij Mohammeds dood.

Integratieve verbanden

  • V.7 moehkam/moetashaabih verhoudt zich tot het zaahir/baatin-beginsel van 55:54.
  • V.19 toewijding verhoudt zich tot 5:3 “en Ik ben weltevreden met toewijding als godsdienst.”
  • V.52 de Toegewijden verhoudt zich tot 55:72 en 5:111-112: de stam h-w-r verbindt Jezus’ volgelingen, de paradijselijke gemeenschap en de Tafel.
  • V.55 “Ik zal u doen sterven” verhoudt zich tot 4:157 “zij doodden hem niet met zekerheid.”
  • V.81 verbond der profeten verhoudt zich tot 33:40 — het zegel bekrachtigt; het sluit de keten niet af.
4
An-Nisa De Vrouwen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O mensen! Weest bedachtzaam jegens uw Heer, die u schiep uit een enkele ziel en daaruit haar wederhelft schiep, en uit hen beiden mannen in menigte en vrouwen verspreidde. En weest bedachtzaam jegens God, bij wie gij van elkander vraagt, en jegens de baarmoeders. Voorwaar, God is altoos een Waker over u.
2
En geeft de wezen hun bezit, en ruilt het slechte niet in voor het goede, en verslindt hun bezit niet in uw eigen bezit. Voorwaar, het is altoos een grote overtreding.
3
En indien gij vreest dat gij niet rechtvaardig zult handelen met de wezen, huwt dan hetgeen u behaagt van de vrouwen, twee en drie en vier; maar indien gij vreest dat gij niet billijk zult zijn, dan één, of hetgeen uw rechterhand bezit. Dat is dichter bij het niet-belast-worden.
4
En geeft de vrouwen hun bruidsschatten als een vrije gift; maar indien zij uit eigen beweging u iets ervan kwijtschelden, nuttigt het dan met gemak en welwillendheid.
5
En geeft niet aan de dwazen uw bezit dat God voor u tot een middel van bestaan heeft gemaakt, maar voorziet hen daarin, en kleedt hen, en spreekt tot hen woorden van goedheid.
6
En beproeft de wezen totdat, wanneer zij de huwbare leeftijd bereiken, indien gij dan goed oordeel in hen bespeurt, hun bezit aan hen overdraagt. En verslindt het niet in buitensporigheid en haast eer zij opgroeien. En wie welgesteld is, laat hem zich onthouden; en wie arm is, laat hem in billijkheid nuttigen. En wanneer gij hun hun bezit overdraagt, neemt dan getuigen over hen. En God volstaat als Rekenaar.
7
Aan de mannen behoort een deel van hetgeen de ouders en de naaste verwanten achterlaten, en aan de vrouwen een deel van hetgeen de ouders en de naaste verwanten achterlaten, hetzij het weinig of veel is — een vastgesteld deel.
8
En wanneer verwanten en wezen en behoeftigen aanwezig zijn bij de verdeling, voorziet hen dan daaruit en spreekt tot hen woorden van goedheid.
9
En laat degenen vrezen die, hadden zij zwakke nakomelingen achtergelaten, bezorgd zouden zijn geweest voor hen — laat hen dan bedachtzaam zijn jegens God en woorden van rechte leiding spreken.
10
Voorwaar, degenen die het bezit der wezen in onrecht verslinden, verslinden slechts vuur in hun buiken, en zij zullen branden in een Vlam.
11
God draagt u op betreffende uw kinderen: voor de man het gelijke van het deel van twee vrouwen; en indien het vrouwen zijn boven twee, dan voor hen twee derde van hetgeen hij nalaat; en indien zij één is, dan voor haar de helft. En voor zijn ouders, voor elk van beiden een zesde van hetgeen hij nalaat, indien hij een kind heeft; maar indien hij geen kind heeft en zijn ouders van hem erven, dan voor zijn moeder een derde; maar indien hij broeders heeft, dan voor zijn moeder het zesde — na enig legaat dat hij vermaakt moge hebben, of schuld. Uw vaders en uw zonen — gij weet niet wie uwer u het naaste is in nut. Een verordening van God. Voorwaar, God is altoos Alwetend, Alwijs.
12
En u behoort de helft van hetgeen uw echtgenoten achterlaten, indien zij geen kind hebben; maar indien zij een kind hebben, dan u het vierde van hetgeen zij nalaten — na enig legaat dat zij vermaakt mogen hebben, of schuld. En hun behoort het vierde van hetgeen gij achterlaat, indien gij geen kind hebt; maar indien gij een kind hebt, dan voor hen het achtste van hetgeen gij nalaat — na enig legaat dat gij vermaakt moogt hebben, of schuld. En indien de erfenis van een man door verre verwantschap geërfd wordt, of van een vrouw, en hij heeft een broeder of een zuster, dan voor elk van beiden het zesde; maar indien zij meer zijn, dan delen zij in het derde — na enig legaat dat vermaakt moge zijn, of schuld, zonder benadeling. Een last van God. En God is Alwetend, Meest Verdraagzaam.
13
Dat zijn de grenzen Gods. En wie God en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, Hij zal hem Tuinen binnenlaten waaronder rivieren stromen, daarin verblijvend. En dat is het grote welvaren.
14
En wie God en Zijn Boodschapper ongehoorzaam is en Zijn grenzen overtreedt, Hij zal hem een Vuur binnenlaten, daarin verblijvend, en voor hem is een vernederende kastijding.
15
En degenen uwer vrouwen die onzedelijkheid begaan, roept dan vier getuigen tegen hen uit uw midden; en indien zij getuigen, dan beperkt hen tot de huizen totdat de dood hen neemt, of God hun een weg aanwijst.
16
En de twee uwer die het begaan, straft hen beiden; maar indien zij berouw tonen en zich beteren, wendt u dan van hen af. Voorwaar, God is altoos de Telkenskerende, Meest Barmhartig.
17
Berouw bij God is slechts voor degenen die kwaad doen in onwetendheid en dan spoedig daarna berouw tonen — dezen, God wendt zich tot hen. En God is altoos Alwetend, Alwijs.
18
En berouw is niet voor degenen die kwade daden verrichten totdat, wanneer de dood één hunner nadert, hij zegt: "Voorwaar, ik toon nu berouw," noch voor degenen die sterven terwijl zij verhullers zijn. Dezen — Wij hebben voor hen een pijnlijke kastijding bereid.
19
O gij die gelooft! Het is u niet geoorloofd vrouwen tegen hun wil te erven, noch hen te beperken opdat gij een deel moogt wegnemen van hetgeen gij hun gegeven hebt, tenzij zij een duidelijke onzedelijkheid begaan. En gaat met hen om in goedheid; en indien gij een afkeer van hen hebt, dan kan het zijn dat gij een afkeer hebt van iets waarin God veel goed geplaatst heeft.
20
En indien gij de ene echtgenote wilt inwisselen voor een andere, en gij hebt aan een van hen een schat gegeven, neemt er dan niets van. Zoudt gij het nemen door laster en openlijke zonde?
21
En hoe zoudt gij het kunnen nemen, terwijl één uwer tot de ander is ingegaan, en zij van u een plechtig verbond hebben genomen?
22
En huwt niet de vrouwen die uw vaders gehuwd hebben, behalve hetgeen reeds geschied is. Voorwaar, het is altoos een onzedelijkheid en een gruwel, en slecht als weg.
23
Verboden voor u zijn uw moeders, en uw dochters, en uw zusters, en de zusters uws vaders, en de zusters uwer moeder, en de dochters des broeders, en de dochters der zuster, en uw moeders die u gezoogd hebben, en uw zusters door zooging, en de moeders uwer echtgenoten, en uw stiefdochters die in uw hoede zijn van uw echtgenoten tot wie gij zijt ingegaan — maar indien gij niet tot hen zijt ingegaan, dan geen schuld op u — en de echtgenoten uwer zonen die van uw eigen lendenen zijn, en dat gij twee zusters tezamenbrengt, behalve hetgeen reeds geschied is. Voorwaar, God is altoos Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
24
En de gehuwde onder de vrouwen, behalve hetgeen uw rechterhand bezit — het besluit Gods over u. En geoorloofd voor u is al het overige, dat gij hen zoekt met uw bezit in huwelijk, niet in losbandigheid. En voor hetgeen gij van hen genoten hebt, geeft hun hun verschuldigde als een verplichting. En er is geen schuld op u in hetgeen gij onderling overeenkomt buiten de verplichting. Voorwaar, God is altoos Alwetend, Alwijs.
25
En wie onder u niet de middelen heeft om de gelovige gehuwde vrouwen te huwen, dan van hetgeen uw rechterhand bezit van uw gelovige meisjes. En God kent uw geloof het best — gij zijt de een van de ander. Huwt hen dan met verlof van hun volk, en geeft hun het hun verschuldigde naar goedheid, als gehuwden, niet in losbandigheid noch geheime metgezellen nemend. En wanneer zij gehuwd zijn, indien zij dan een onzedelijkheid begaan, dan voor hen de helft van de kastijding der gehuwde vrouwen. Dat is voor hem onder u die ontbering vreest. En dat gij geduldig zijt is beter voor u. En God is Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
26
God wenst u duidelijk te maken, en u te leiden tot de wegen dergenen vóór u, en zich tot u te wenden. En God is Alwetend, Alwijs.
27
En God wenst zich tot u te wenden, maar degenen die de lusten volgen wensen dat gij afwijkt met een grote afwijking.
28
God wenst de last op u te verlichten, want de mens is zwak geschapen.
29
O gij die gelooft! Verslindt uw bezit onder elkander niet in ijdelheid, tenzij het handel is bij onderling goedvinden. En doodt uzelf niet. Voorwaar, God is altoos jegens u Meest Barmhartig.
30
En wie dat doet in overtreding en onrecht, Wij zullen hem in een Vuur doen branden. En dat is altoos gemakkelijk voor God.
31
Indien gij de grote dingen vermijdt die u verboden zijn, zullen Wij uw slechte daden van u verbergen en u binnenlaten door een edele ingang.
32
En begeert niet datgene waardoor God sommigen uwer boven anderen begunstigd heeft. Aan de mannen een deel van hetgeen zij verdiend hebben, en aan de vrouwen een deel van hetgeen zij verdiend hebben. En vraagt God van Zijn goedgunstigheid. Voorwaar, God is altoos van alle dingen Wetend.
33
En voor eenieder hebben Wij erfgenamen aangesteld van hetgeen de ouders en de naaste verwanten achterlaten. En degenen met wie uw rechterhand een verbond heeft gesloten, geeft hun hun deel. Voorwaar, God is altoos over alle dingen een Getuige.
34
De mannen zijn ondersteuners der vrouwen, door datgene waarmee God sommigen hunner boven anderen begunstigd heeft, en door datgene wat zij van hun bezit besteden. De rechtvaardige vrouwen zijn devoot gehoorzaam, het verborgene behoedend door hetgeen God behoed heeft. En degenen wier opstandigheid gij vreest, vermaant hen dan, en verlaat hen in de bedden, en zondert hen af. Maar indien zij u gehoorzamen, zoekt dan geen weg tegen hen. Voorwaar, God is altoos Allerhoogst, Allergrootst.
35
En indien gij een breuk vreest tussen hen beiden, zendt dan een rechter uit zijn volk en een rechter uit haar volk. Indien zij verzoening wensen, zal God hen in overeenstemming brengen. Voorwaar, God is altoos Alwetend, Alkundig.
36
En aanbidt God en kent Hem geen deelgenoten toe, en betoont goedheid aan ouders, en aan naaste verwanten, en wezen, en behoeftigen, en de buurman die verwant is, en de buurman die een vreemdeling is, en de metgezel aan uw zijde, en de reiziger, en hetgeen uw rechterhand bezit. Voorwaar, God bemint niet hem die hoogmoedig en opschepperig is —
37
degenen die gierig zijn en de mensen gierigheid bevelen, en verbergen hetgeen God hun gegeven heeft van Zijn goedgunstigheid. En Wij hebben voor de verhullers een vernederende kastijding bereid.
38
En degenen die hun bezit besteden om door de mensen gezien te worden, en niet geloven in God noch in de Laatste Dag. En wie Satan als metgezel heeft, slecht is die metgezel.
39
En wat zou het hun schaden indien zij in God geloofden en in de Laatste Dag, en besteedden van hetgeen God hun voorzien heeft? En God is altoos van hen Wetend.
40
Voorwaar, God doet zelfs het gewicht van een stofdeeltje geen onrecht; en indien er een goede daad is, verdubbelt Hij het en geeft van Zichzelf een grote beloning.
41
Hoe zal het dan zijn, wanneer Wij van elke gemeenschap een getuige brengen, en Wij u brengen als getuige over dezen?
42
Op die Dag zullen degenen die verhuld hebben en de Boodschapper ongehoorzaam waren wensen dat de aarde met hen gelijkgemaakt ware, en zij zullen voor God geen gesprek verbergen.
43
O gij die gelooft! Nadert het gebed niet terwijl gij bedwelmd zijt, totdat gij weet wat gij zegt, noch in een staat van onreinheid — behalve wanneer gij doortrekt — totdat gij u gewassen hebt. En indien gij ziek zijt, of op reis, of één uwer van het gemak komt, of gij vrouwen hebt aangeraakt, en gij geen water vindt, neemt dan uw toevlucht tot schone aarde en wrijft uw gezichten en uw handen. Voorwaar, God is altoos Vergevend, Meest Vergiffenisschenkend.
44
Hebt gij niet degenen gezien aan wie een deel van het Boek gegeven werd? Zij kopen dwaling en wensen dat gij van de weg moogt afdwalen.
45
En God kent uw vijanden het best. En God volstaat als Beschermer, en God volstaat als Helper.
46
Onder degenen die tot de Judaïsten behoren zijn er die woorden verdraaien van hun plaatsen en zeggen: "Wij horen en wij gehoorzamen niet," en "Hoor, als een die niet hoort," en "Let op ons" — draaiend met hun tongen en het geloof belasterend. En hadden zij gezegd: "Wij horen en wij gehoorzamen," en "Hoor," en "Acht op ons," het zou beter voor hen geweest zijn, en oprechter. Maar God heeft hen vervloekt om hun verhulling, dus geloven zij niet, op enkelen na.
47
O gij aan wie het Boek gegeven is! Gelooft in hetgeen Wij nedergezonden hebben, bevestigend hetgeen bij u is, eer Wij aangezichten uitwissen en ze op hun ruggen keren, of hen vervloeken gelijk Wij het volk van de Sabbat vervloekten. En het bevel Gods wordt altoos volvoerd.
48
Voorwaar, God vergeeft niet dat iets met Hem geassocieerd wordt, en Hij vergeeft hetgeen minder is dan dat aan wie Hij wil. En wie iets met God associeert heeft voorwaar een geweldige zonde bedacht.
49
Hebt gij niet degenen gezien die zichzelf louteren? Welneen, God loutert wie Hij wil, en hun zal zelfs geen draad onrecht worden aangedaan.
50
Aanschouw hoe zij leugens tegen God bedenken! En dat volstaat als een duidelijke zonde.
51
Hebt gij niet degenen gezien aan wie een deel van het Boek gegeven werd? Zij geloven in toverij en valse goden, en zeggen van degenen die verhuld hebben: "Dezen zijn beter geleid dan degenen die geloven, wat de weg betreft."
52
Dezen zijn zij die God vervloekt heeft; en wie God vervloekt, gij zult voor hem nimmer een helper vinden.
53
Of hebben zij een aandeel in de heerschappij? Dan zouden zij de mensen zelfs niet het vlekje op een dadelsteen geven.
54
Of benijden zij de mensen om hetgeen God hun gegeven heeft van Zijn goedgunstigheid? Want Wij gaven de familie van Abraham het Boek en de Wijsheid, en Wij gaven hun een machtige heerschappij.
55
En onder hen zijn er die in hem geloofden, en onder hen zijn er die zich van hem afwendden. En de Hel volstaat als Vlam.
56
Voorwaar, degenen die Onze tekenen verhuld hebben, Wij zullen hen in een Vuur doen branden. Telkens wanneer hun huiden verteerd zijn, zullen Wij hen voor andere huiden verwisselen, opdat zij de kastijding mogen proeven. Voorwaar, God is altoos Machtig, Wijs.
57
En degenen die geloven en goede werken verrichten, Wij zullen hen Tuinen binnenlaten waaronder rivieren stromen, daarin eeuwig verblijvend. Voor hen daarin zijn gelouterde metgezellen, en Wij zullen hen binnenlaten in een overschaduwende schaduw.
58
Voorwaar, God beveelt u de toevertrouwde zaken terug te geven aan hun volk, en wanneer gij oordeelt tussen de mensen, dat gij met rechtvaardigheid oordeelt. Voorwaar, hoe voortreffelijk is datgene waarmee God u vermaant! Voorwaar, God is altoos Alhorend, Alziende.
59
O gij die gelooft! Gehoorzaamt God en gehoorzaamt de Boodschapper en degenen die gezag hebben onder u. En indien gij over enige zaak twist, verwijst het dan naar God en de Boodschapper, indien gij in God gelooft en in de Laatste Dag. Dat is beter en schoner in uitleg.
60
Hebt gij niet degenen gezien die beweren dat zij geloven in hetgeen tot u nedergezonden is en hetgeen vóór u nedergezonden werd? Zij wensen oordeel te zoeken bij valse goden, ofschoon hun bevolen werd ze te verhullen. En Satan wenst hen ver te doen afdwalen.
61
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Komt tot hetgeen God nedergezonden heeft, en tot de Boodschapper," ziet gij de huichelaars zich van u afwenden in afkeer.
62
Hoe zal het dan zijn, wanneer hen een rampspoed treft om hetgeen hun handen vooruitgezonden hebben? Dan komen zij tot u, zwerend bij God: "Wij wensten slechts goedheid en verzoening."
63
Dezen zijn zij van wie God weet wat in hun harten is. Wendt u dan van hen af, en vermaant hen, en spreekt tot hen betreffende henzelf een diepgaand woord.
64
En Wij zonden geen boodschapper dan opdat hij gehoorzaamd zou worden met verlof van God. En hadden zij, toen zij zichzelf onrecht deden, tot u gekomen en God om vergiffenis gevraagd, en de Boodschapper had vergiffenis voor hen gevraagd, zij zouden God gevonden hebben als de Telkenskerende, Meest Barmhartig.
65
Maar neen, bij uw Heer, zij zullen niet geloven totdat zij u rechter maken over hetgeen in geschil is tussen hen, en dan in zichzelf geen ergernis vinden over hetgeen gij beslist hebt, en zich met volle onderwerping onderwerpen.
66
En hadden Wij hun voorgeschreven: "Doodt uzelf," of "Gaat uit uw woonsteden," zij zouden het niet gedaan hebben, op enkelen na. En hadden zij gedaan hetgeen hun vermaand werd, het zou beter voor hen geweest zijn en een sterkere bevestiging.
67
En dan zouden Wij hun van Ons Aangezicht een grote beloning gegeven hebben,
68
en Wij zouden hen geleid hebben tot een recht pad.
69
En wie God en de Boodschapper gehoorzaamt, dezen zijn met hen die God gezegend heeft — van de profeten, en de waarachtigen, en de martelaren, en de rechtvaardigen. En hoe voortreffelijk zijn dezen als metgezellen!
70
Dat is de goedgunstigheid van God. En God volstaat als een Wetende.
71
O gij die gelooft! Neemt uw voorzorgen, en trekt uit in gezelschappen, of trekt allen tezamen uit.
72
En voorwaar, onder u is hij die achter aandraalt; indien u dan een rampspoed treft, zegt hij: "God is mij genadig geweest, dat ik niet bij hen aanwezig was."
73
En indien u een goedgunstigheid van God treft, zou hij zeggen — alsof er geen genegenheid was tussen u en hem — "Was ik maar bij hen geweest, dan had ik een groot welvaren bereikt!"
74
Laat dan degenen strijden op de weg Gods die het leven dezer wereld verkopen voor het Hiernamaals. En wie strijdt op de weg Gods, en gedood wordt of overwint, Wij zullen hem een grote beloning geven.
75
En wat is er met u dat gij niet strijdt op de weg Gods, en voor de onderdrukten onder de mannen en de vrouwen en de kinderen, die zeggen: "Onze Heer! Breng ons voort uit deze stad welks bewoners onderdrukkers zijn, en stel voor ons van Uw Aangezicht een beschermer aan, en stel voor ons van Uw Aangezicht een helper aan"?
76
Degenen die geloven strijden op de weg Gods, en degenen die verhullen strijden op de weg der valse goden. Bestrijdt dan de bondgenoten van Satan. Voorwaar, de list van Satan is altoos zwak.
77
Hebt gij niet degenen gezien tot wie gezegd werd: "Weerhoudt uw handen, en verricht het gebed, en geeft de aalmoes"? Maar toen het strijden hun voorgeschreven werd, ziet, een groep hunner vreest de mensen als met de vrees voor God, of met een grotere vrees, en zij zeggen: "Onze Heer! Waarom hebt Gij ons het strijden voorgeschreven? Zoudt Gij ons niet uitstel verlenen tot een nabije termijn?" Zeg: "De voorziening dezer wereld is gering, en het Hiernamaals is beter voor hem die bedachtzaam is. En u zal zelfs geen draad onrecht worden aangedaan."
78
Waar gij ook moogt zijn, de dood zal u achterhalen, zelfs al waart gij in hoge torens. En indien hun een goede zaak treft, zeggen zij: "Dit is van God." En indien hen een kwade zaak treft, zeggen zij: "Dit is van u." Zeg: "Alles is van God." Wat is er met deze mensen dat zij bijna geen enkel gesprek begrijpen?
79
Wat u ook aan goed treft, het is van God; en wat u ook aan kwaad treft, het is van uzelf. En Wij hebben u tot de mensen gezonden als boodschapper. En God volstaat als Getuige.
80
Wie de Boodschapper gehoorzaamt heeft God gehoorzaamd; en wie zich afwendt — Wij hebben u niet als bewaker over hen gezonden.
81
En zij zeggen: "Gehoorzaamheid!" Maar wanneer zij van uw aanwezigheid weggaan, broedt een groep hunner bij nacht op iets anders dan hetgeen gij zegt. En God tekent op hetgeen zij broeden. Wendt u dan van hen af, en stelt uw vertrouwen in God. En God volstaat als Zaakwaarnemer.
82
Overdenken zij de Voordracht dan niet? Ware zij van een ander dan God, zij zouden daarin veel tegenstrijdigheid gevonden hebben.
83
En wanneer tot hen een zaak komt van veiligheid of vrees, verbreiden zij het. En hadden zij het verwezen naar de Boodschapper en naar degenen die gezag onder hen hebben, degenen hunner die in staat zijn het te doordenken zouden het geweten hebben. En ware het niet om de goedgunstigheid Gods over u en Zijn barmhartigheid, gij zoudt Satan gevolgd hebben, op enkelen na.
84
Strijdt dan op de weg Gods — gij zijt slechts belast met uw eigen ziel — en spoort de gelovigen aan. Het kan zijn dat God de macht dergenen die verhuld hebben bedwingt. En God is sterker in macht en sterker in kastijding.
85
Wie met een goede voorspraak bemiddelt zal er een deel van hebben, en wie met een kwade voorspraak bemiddelt zal er een aandeel van hebben. En God is altoos over alle dingen een Bewaker.
86
En wanneer gij met een groet begroet wordt, begroet dan met een betere dan zij, of beantwoordt haar. Voorwaar, God is altoos over alle dingen een Rekenaar.
87
God — er is geen god dan Hij. Hij zal u stellig vergaderen tot de Dag der Opstanding, waaraan geen twijfel is. En wie is waarachtiger in spreken dan God?
88
Wat is er met u dat gij twee partijen zijt betreffende de huichelaars, terwijl God hen heeft teruggeworpen om hetgeen zij verdiend hebben? Wenst gij hem te leiden die God heeft doen afdwalen? En wie God doet afdwalen, gij zult voor hem nimmer een weg vinden.
89
Zij wensen dat gij zoudt verhullen gelijk zij verhuld hebben, zodat gij gelijk zoudt zijn. Neemt dan niet uit hun midden bondgenoten totdat zij emigreren op de weg Gods. Maar indien zij zich afwenden, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook vindt, en neemt uit hun midden geen bondgenoot noch helper —
90
behalve degenen die een volk bereiken tussen wie en u een verbond is, of die tot u komen met hun borsten beklemd van het strijden tegen u of het strijden tegen hun eigen volk. En had God gewild, Hij zou hun macht over u gegeven hebben, en zij zouden u bestreden hebben. Indien zij zich dan van u terugtrekken en u niet bestrijden, en u vrede aanbieden, dan heeft God voor u geen weg tegen hen gemaakt.
91
Gij zult anderen vinden die wensen veilig te zijn voor u en veilig voor hun eigen volk. Telkens wanneer zij teruggebracht worden tot de verzoeking, worden zij erin teruggeworpen. En indien zij zich niet van u terugtrekken, noch u vrede aanbieden, noch hun handen weerhouden, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook ontmoet. En dezen — Wij hebben u over hen een duidelijk gezag gegeven.
92
En het is niet aan een gelovige een gelovige te doden, behalve bij vergissing. En wie een gelovige doodt bij vergissing, dan de bevrijding van een gelovige slaaf en een bloedgeld te betalen aan zijn familie, tenzij zij het kwijtschelden als liefdadigheid. En indien hij behoort tot een volk u vijandig en hij is een gelovige, dan de bevrijding van een gelovige slaaf. En indien hij behoort tot een volk tussen wie en u een verbond is, dan bloedgeld te betalen aan zijn familie en de bevrijding van een gelovige slaaf. En wie niet de middelen vindt, dan een vasten van twee opeenvolgende maanden — een berouwtoning jegens God. En God is altoos Alwetend, Alwijs.
93
En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding is de Hel, daarin verblijvend, en de toorn Gods is over hem, en Hij heeft hem vervloekt en voor hem een grote kastijding bereid.
94
O gij die gelooft! Wanneer gij uittrekt op de weg Gods, weest onderscheidend, en zegt niet tot hem die u vrede aanbiedt: "Gij zijt geen gelovige" — de winst zoekend van het leven dezer wereld, want bij God is overvloedige buit. Evenzo waart gij voordien, toen was God u genadig; weest dan onderscheidend. Voorwaar, God is altoos van hetgeen gij doet Alkundig.
95
Niet gelijk zijn degenen der gelovigen die zitten — anders dan degenen die gehandicapt zijn — en degenen die strijden op de weg Gods met hun bezit en hun persoon. God heeft degenen die strijden met hun bezit en hun persoon boven degenen die zitten begunstigd, met een rang. En eenieder heeft God het beste beloofd. En God heeft degenen die strijden boven degenen die zitten begunstigd met een grote beloning —
96
rangen van Hem, en vergiffenis, en barmhartigheid. En God is altoos Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
97
Voorwaar, degenen die de engelen in de dood nemen terwijl zij zichzelf onrecht doen — zij zeggen: "In welke staat waart gij?" Zij zeggen: "Wij waren onderdrukt in het land." Zij zeggen: "Was de aarde Gods niet ruim genoeg voor u om erin te emigreren?" Dezen — hun toevlucht is de Hel. En slecht is die bestemming —
98
behalve de onderdrukten onder de mannen en de vrouwen en de kinderen die niet in staat zijn een plan te bedenken en niet geleid worden tot een weg.
99
Dezen — het kan zijn dat God hun vergiffenis schenkt. En God is altoos Vergevend, Meest Vergiffenisschenkend.
100
En wie emigreert op de weg Gods zal op de aarde veel toevlucht en overvloed vinden. En wie zijn huis verlaat, emigrerend tot God en Zijn Boodschapper, en dan de dood hem inhaalt, zijn beloning is reeds op God gevallen. En God is altoos Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
101
En wanneer gij op reis zijt in het land, is er geen schuld op u om het gebed in te korten, indien gij vreest dat degenen die verhuld hebben u mochten treffen. Voorwaar, de verhullers zijn altoos voor u een duidelijke vijand.
102
En wanneer gij onder hen zijt en hen voorgaat in het gebed, laat dan een groep hunner met u staan en laat hen hun wapens nemen. En wanneer zij zich neergeworpen hebben, laat hen dan naar achteren vallen, en laat een andere groep die niet gebeden heeft komen en met u bidden, en laat hen hun voorzorgen en hun wapens nemen. Degenen die verhuld hebben wensen dat gij uw wapens en uw bagage zoudt verwaarlozen, opdat zij in één aanval op u neer zouden kunnen komen. En er is geen schuld op u, indien regen u treft of gij ziek zijt, uw wapens neer te leggen; maar neemt uw voorzorgen. Voorwaar, God heeft voor de verhullers een vernederende kastijding bereid.
103
En wanneer gij het gebed voltooid hebt, gedenkt dan God staand en zittend en op uw zijden. En wanneer gij op uw gemak zijt, verricht dan het gebed. Voorwaar, het gebed is altoos voor de gelovigen een vastgestelde verordening.
104
En weest niet traag in het achtervolgen van het volk. Indien gij lijdt, dan voorwaar zij lijden evenzeer als gij lijdt, maar gij hoopt van God hetgeen zij niet hopen. En God is altoos Alwetend, Alwijs.
105
Voorwaar, Wij hebben het Boek tot u nedergezonden met de waarheid, opdat gij tussen de mensen moogt oordelen door hetgeen God u getoond heeft. En wees geen voorspreker voor de trouwelozen.
106
En vraagt vergiffenis van God. Voorwaar, God is altoos Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
107
En pleit niet ten behoeve van degenen die zichzelf verraden. Voorwaar, God bemint niet hem die altoos trouweloos en zondig is.
108
Zij verbergen zich voor de mensen, maar zij verbergen zich niet voor God, en Hij is bij hen wanneer zij bij nacht broeden op een spreken dat Hem niet behaagt. En God is altoos van hetgeen zij doen Alomvattend.
109
Ziet, gij zijt degenen die ten hunnen behoeve gepleit hebben in het leven dezer wereld. Maar wie zal bij God ten hunnen behoeve pleiten op de Dag der Opstanding, of wie zal een hoeder over hen zijn?
110
En wie kwaad doet of zijn eigen ziel onrecht doet en dan vergiffenis van God zoekt, zal God Meest Vergevend, Meest Barmhartig vinden.
111
En wie een zonde begaat, begaat het slechts tegen zijn eigen ziel. En God is altoos Alwetend, Alwijs.
112
En wie een fout of een zonde begaat en het dan werpt op een onschuldige, die heeft zich voorwaar belast met een laster en een duidelijke zonde.
113
En ware het niet om de goedgunstigheid Gods over u en Zijn barmhartigheid, een groep hunner had zich voorgenomen u te doen afdwalen. Maar zij doen slechts zichzelf afdwalen, en zij schaden u in niets. En God heeft het Boek en de Wijsheid tot u nedergezonden, en u geleerd hetgeen gij niet wist. En de goedgunstigheid Gods over u is altoos groot.
114
Er is geen goed in veel van hun geheime raadplegingen, behalve hem die liefdadigheid beveelt, of goedheid, of verzoening tussen de mensen. En wie dat doet, het welbehagen Gods zoekend, Wij zullen hem een grote beloning geven.
115
En wie de Boodschapper tegenstaat nadat de leiding hem duidelijk is geworden, en een andere weg volgt dan die der gelovigen, Wij zullen hem keren tot hetgeen hij zich gekeerd heeft, en hem in de Hel doen branden. En slecht is die bestemming.
116
Voorwaar, God vergeeft niet dat iets met Hem geassocieerd wordt, en Hij vergeeft hetgeen minder is dan dat aan wie Hij wil. En wie iets met God associeert is voorwaar ver afgedwaald.
117
Zij roepen naast Hem slechts vrouwelijke afgoden aan, en zij roepen slechts een opstandige Satan aan,
118
die God vervloekt heeft. En hij zeide: "Voorwaar, ik zal van Uw dienaren een aangesteld deel nemen,
119
en voorwaar, ik zal hen doen afdwalen, en voorwaar, ik zal hen vullen met ijdele begeerten, en voorwaar, ik zal hen bevelen en zij zullen de oren van het vee klieven, en voorwaar, ik zal hen bevelen en zij zullen de schepping Gods veranderen." En wie Satan als beschermer neemt in plaats van God, die heeft voorwaar een duidelijk verlies geleden.
120
Hij belooft hun en vult hen met ijdele begeerten; en Satan belooft hun slechts bedrog.
121
Dezen — hun toevlucht is de Hel, en zij zullen er geen ontkoming uit vinden.
122
En degenen die geloven en goede werken verrichten, Wij zullen hen Tuinen binnenlaten waaronder rivieren stromen, daarin eeuwig verblijvend — de belofte Gods in waarheid. En wie is waarachtiger dan God in spreken?
123
Het is niet naar uw ijdele wensen, noch naar de ijdele wensen der Lieden van het Boek. Wie kwaad doet zal ervoor vergolden worden, en zal voor zich, naast God, geen beschermer noch helper vinden.
124
En wie goede werken verricht, hetzij man of vrouw, en een gelovige is — dezen zullen de Tuin binnengaan, en hun zal zelfs niet een vlekje op een dadelsteen onrecht worden aangedaan.
125
En wie is beter in geloof dan hij die zijn aangezicht heeft toegewijd aan God, terwijl hij een weldoener is, en de leer van Abraham, de oprechte, volgt? En God nam Abraham als een vriend.
126
En aan God behoort al hetgeen in de hemelen is en al hetgeen op de Aarde is. En God is altoos van alle dingen Alomvattend.
127
En zij zoeken uw uitspraak over de vrouwen. Zeg: "God spreekt u Zijn uitspraak uit over hen, en hetgeen u in het Boek voorgedragen wordt over de weesmeisjes aan wie gij niet geeft hetgeen hun verordend is, en die gij wenst te huwen, en over de onderdrukten onder de kinderen, en dat gij billijkheid jegens de wezen handhaaft." En al het goede dat gij doet, voorwaar God is er altoos Wetend van.
128
En indien een vrouw van haar echtgenoot opstandigheid of afkeer vreest, dan is er geen schuld op hen beiden dat zij onderling een verzoening treffen. En verzoening is beter. En de zielen zijn geneigd tot gierigheid. En indien gij goed doet en bedachtzaam zijt, dan voorwaar God is altoos Alkundig van hetgeen gij doet.
129
En gij zult nimmer in staat zijn billijk te handelen tussen de vrouwen, zelfs al zijt gij ijverig. Neigt dan niet geheel tot de ene, zodat gij de andere achterlaat als een die in de lucht hangt. En indien gij u verzoent en bedachtzaam zijt, dan voorwaar God is altoos Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
130
En indien zij scheiden, zal God eenieder hunner verrijken van Zijn overvloed. En God is altoos Alomvattend, Alwijs.
131
En aan God behoort al hetgeen in de hemelen is en al hetgeen op de Aarde is. En Wij hebben degenen aan wie het Boek vóór u gegeven werd opgedragen, en u, dat gij bedachtzaam zijt jegens God. En indien gij verhuld — dan voorwaar, aan God behoort al hetgeen in de hemelen is en al hetgeen op de Aarde is. En God is altoos Zichzelfgenoegzaam, Geprezen.
132
En aan God behoort al hetgeen in de hemelen is en al hetgeen op de Aarde is. En God volstaat als Zaakwaarnemer.
133
Indien Hij wil, kan Hij u verwijderen, o mensen, en anderen brengen. En God is altoos daartoe bij Machte.
134
Wie de beloning dezer wereld begeert — bij God is de beloning dezer wereld en van het Hiernamaals. En God is altoos Alhorend, Alziende.
135
O gij die gelooft! Weest handhavers der billijkheid, getuigen voor God, al ware het tegen uzelf, of uw ouders, of uw naaste verwanten. Hetzij hij rijk of arm is, God is dichter bij hen beiden. Volgt dan niet de bevlieging, opdat gij niet afwijkt. En indien gij verdraait of u afwendt, dan voorwaar God is altoos Alkundig van hetgeen gij doet.
136
O gij die gelooft! Gelooft in God en Zijn Boodschapper, en het Boek dat Hij op Zijn Boodschapper nedergezonden heeft, en het Boek dat Hij voordien nederzond. En wie God en Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijn boodschappers en de Laatste Dag verhuld is voorwaar ver afgedwaald.
137
Voorwaar, degenen die geloofden, toen verhulden, toen geloofden, toen verhulden, dan toenamen in verhulling — God zal hun niet vergeven, noch hen leiden tot een weg.
138
Geeft tijding aan de huichelaars dat voor hen een pijnlijke kastijding is —
139
degenen die de verhullers als bondgenoten nemen in plaats van de gelovigen. Zoeken zij macht bij hen? Dan voorwaar, alle macht behoort aan God.
140
En Hij heeft u reeds in het Boek nedergezonden dat, wanneer gij de tekenen Gods hoort verhuld en bespot worden, zit dan niet met hen totdat zij zich wenden tot een ander gesprek. Voorwaar, dan zoudt gij de gelijken van hen zijn. Voorwaar, God zal de huichelaars en de verhullers tezamen in de Hel vergaderen —
141
degenen die u beloeren. En indien er een overwinning voor u is van God, zeggen zij: "Waren wij niet met u?" En indien de verhullers een aandeel hebben, zeggen zij: "Hebben wij niet de overhand over u gehad en u verdedigd tegen de gelovigen?" God zal op de Dag der Opstanding tussen u oordelen. En God zal de verhullers nimmer een weg over de gelovigen verlenen.
142
Voorwaar, de huichelaars trachten God te bedriegen, en Hij is hun Bedrieger. En wanneer zij opstaan voor het gebed, staan zij lusteloos op, zich vertoonend voor de mensen, en zij gedenken God niet dan weinig —
143
schommelend daartussen, noch tot dezen noch tot genen. En wie God doet afdwalen, gij zult voor hem nimmer een weg vinden.
144
O gij die gelooft! Neemt de verhullers niet als bondgenoten in plaats van de gelovigen. Wenst gij God over u een duidelijk gezag te geven?
145
Voorwaar, de huichelaars zijn in de laagste diepte des Vuurs, en gij zult voor hen nimmer een helper vinden —
146
behalve degenen die berouw tonen en zich beteren en zich vasthouden aan God en hun geloof oprecht maken voor God. Dezen zijn met de gelovigen, en God zal de gelovigen een grote beloning geven.
147
Wat zou God doen met uw kastijding, indien gij dankbaar zijt en gelooft? En God is altoos Dankbaar, Alwetend.
148
God bemint niet het luid uitspreken van kwade woorden, behalve door hem die onrecht is aangedaan. En God is altoos Alhorend, Alwetend.
149
Indien gij een goede daad toont, of haar verbergt, of een kwaad vergeeft — dan voorwaar God is altoos Vergevend, Machtig.
150
Voorwaar, degenen die God en Zijn boodschappers verhullen, en onderscheid wensen te maken tussen God en Zijn boodschappers, en zeggen: "Wij geloven in sommigen en verhullen sommigen," en een weg daartussen wensen te nemen —
151
dezen zijn de verhullers in waarheid. En Wij hebben voor de verhullers een vernederende kastijding bereid.
152
En degenen die in God en Zijn boodschappers geloven en geen onderscheid maken tussen enigen van hen — dezen, Hij zal hun hun beloningen geven. En God is altoos Meest Vergevend, Meest Barmhartig.
153
De Lieden van het Boek vragen u dat gij een Boek voor hen uit de hemel doet nederdalen. Zij vroegen Mozes iets groters dan dat, want zij zeiden: "Toon ons God openlijk." En de bliksem greep hen om hun onrecht. Toen namen zij het kalf nadat de duidelijke bewijzen tot hen gekomen waren; toch vergaven Wij dat. En Wij gaven Mozes een duidelijk gezag.
154
En Wij verhieven boven hen de Berg door hun verbond, en Wij zeiden tot hen: "Gaat de poort binnen in onderwerping," en Wij zeiden tot hen: "Overtreedt niet de Sabbat," en Wij namen van hen een plechtig verbond.
155
Dan om hun breken van het verbond, en hun verhullen van de tekenen Gods, en hun doden der profeten zonder recht, en hun zegging: "Onze harten zijn gewikkeld" — welneen, God heeft ze gestempeld om hun verhulling, dus geloven zij niet op enkelen na —
156
en om hun verhulling, en hun spreken tegen Maria een grote laster,
157
en hun zegging: "Voorwaar, wij doodden de Messias, Jezus zoon van Maria, boodschapper Gods" — en zij doodden hem niet, noch kruisigden zij hem, maar het werd hun dubbelzinnig gemaakt. En voorwaar, degenen die daarover verschillen zijn in twijfel erover. Zij hebben er geen kennis van, behalve het volgen van gissing. En zij doodden hem niet met zekerheid.
158
Welneen, God verhief hem tot Zichzelf. En God is altoos Machtig, Wijs.
159
En er is niemand van de Lieden van het Boek of hij zal in hem geloven vóór zijn dood. En op de Dag der Opstanding zal hij een getuige over hen zijn.
160
Dan om het onrecht dergenen die tot de Judaïsten behoren, verboden Wij hun goede dingen die hun geoorloofd waren gemaakt, en omdat zij velen afwendden van de weg Gods,
161
en omdat zij woeker namen, ofschoon het hun verboden was, en omdat zij het bezit der mensen in ijdelheid verslonden. En Wij hebben voor de verhullers onder hen een pijnlijke kastijding bereid.
162
Maar degenen die vast geworteld zijn in kennis onder hen, en de gelovigen, geloven in hetgeen tot u nedergezonden is en hetgeen vóór u nedergezonden werd — en degenen die het gebed verrichten en degenen die de aalmoes geven, en degenen die in God geloven en in de Laatste Dag — dezen, Wij zullen hun een grote beloning geven.
163
Voorwaar, Wij hebben u geïnspireerd gelijk Wij Noach inspireerden en de profeten na hem. En Wij inspireerden Abraham, en Ismaël, en Isaak, en Jacob, en de Stammen, en Jezus, en Job, en Jona, en Aäron, en Salomo. En Wij gaven David een Schrift.
164
En boodschappers die Wij u voordien verhaald hebben, en boodschappers die Wij u niet verhaald hebben. En God sprak tot Mozes rechtstreeks.
165
Boodschappers als brengers van blijde tijdingen en waarschuwers, opdat de mensen na de boodschappers geen bewijsgrond tegen God zouden hebben. En God is altoos Machtig, Wijs.
166
Maar God getuigt door hetgeen Hij tot u nedergezonden heeft — Hij zond het neder in Zijn kennis — en de engelen getuigen. En God volstaat als Getuige.
167
Voorwaar, degenen die verhuld hebben en anderen van de weg Gods afgewend hebben zijn voorwaar ver afgedwaald.
168
Voorwaar, degenen die verhuld hebben en onrecht gedaan hebben, God zal hun niet vergeven, noch hen leiden tot een pad —
169
behalve het pad der Hel, daarin eeuwig verblijvend. En dat is altoos gemakkelijk voor God.
170
O mensen! De Boodschapper is tot u gekomen met de waarheid van uw Heer. Gelooft dan — het is beter voor u. En indien gij verhuld — dan voorwaar, aan God behoort al hetgeen in de hemelen en op de Aarde is. En God is altoos Alwetend, Alwijs.
171
O Lieden van het Boek! Overschrijdt de grenzen niet in uw geloof, en zegt over God slechts de waarheid. De Messias, Jezus zoon van Maria, is slechts de boodschapper Gods en Zijn Woord dat Hij tot Maria wierp, en een Geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn boodschappers, en zegt niet "Drie." Houdt op — het is beter voor u. God is slechts één God. Glorie zij Hem dat Hij een zoon zou hebben! Hem behoort al hetgeen in de hemelen is en al hetgeen op de Aarde is. En God volstaat als Zaakwaarnemer.
172
De Messias zal het nimmer versmaden een dienaar van God te zijn, noch zullen de engelen die nabij gebracht zijn. En wie Zijn aanbidding versmaadt en hoogmoedig is, Hij zal hen allen tot Zichzelf vergaderen.
173
Wat betreft degenen die geloven en goede werken verrichten, Hij zal hun hun beloningen ten volle betalen en hen vermeerderen van Zijn goedgunstigheid. En wat betreft degenen die versmaden en hoogmoedig zijn, Hij zal hen kastijden met een pijnlijke kastijding, en zij zullen voor zich, naast God, geen beschermer noch helper vinden.
174
O mensen! Er is tot u een bewijs gekomen van uw Heer, en Wij hebben tot u een duidelijk licht nedergezonden.
175
Wat betreft degenen die in God geloven en zich vasthouden aan Hem, Hij zal hen binnenlaten in een barmhartigheid van Hem en een goedgunstigheid, en zal hen tot Zichzelf leiden langs een recht pad.
176
Zij zoeken uw uitspraak. Zeg: "God spreekt u Zijn uitspraak uit betreffende de zijdelingse erfgenaam. Indien een man omkomt zonder kind, en hij heeft een zuster, dan voor haar de helft van hetgeen hij nalaat. En hij zal van haar erven indien zij geen kind heeft. En indien het twee zusters zijn, dan voor hen twee derde van hetgeen hij nalaat. En indien het broeders zijn, mannen en vrouwen, dan voor de man het gelijke van het deel van twee vrouwen." God maakt het u duidelijk, opdat gij niet moogt afdwalen. En God is van alle dingen Wetend.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 4 — An-Nisa (De Vrouwen)

Algemene opmerkingen

An-Nisa is de meest uitgebreide behandeling van vrouwenrechten, erfrecht, huwelijk en sociale rechtvaardigheid in de Voordracht. Zij opent met de gemeenschappelijke oorsprong van heel de mensheid uit één enkele ziel (v.1) en wordt vaak aangehaald als bron van de “vrouwonvriendelijke” reputatie van de islam — maar een stamlezing onthult iets veel genuanceerder.

Vers 34: Het meest omstreden vers

Stamanalyse — elk sleutelwoord

  • الرجال (ar-rijaal) — stam ر-ج-ل: mannen, letterlijk “zij die te voet gaan,” de aardgebondenen.
  • النساء (an-nisaa’) — stam ن-س-أ of ن-س-ي: vrouwen, maar met de betekenis “de uitgestelden” of “de over het hoofd gezienen.” Het woord draagt de sociale werkelijkheid in zich van vrouwen die worden achtergesteld. De Voordracht gebruikt juist dit woord terwijl zij hun rechten vastlegt — de naam zelf is de diagnose.
  • قوامون (qawwaamoen) — stam ق-و-م: staan, opstaan, ondersteunen. De intensieve vorm = volhardende ondersteuners. Niet “heersers over” maar “zij die opkomen voor.” Dezelfde stam als قيامة (opstanding) en إقامة (het vestigen van het gebed). Mannen als ondersteuners dragen verantwoordelijkheid, niet voorrecht.
  • قانتات — stam ق-ن-ت: toegewijd in gebed. In 33:35 verschijnt hetzelfde woord voor zowel mannen als vrouwen. Het beschrijft geestelijke toewijding, geen echtelijke gehoorzaamheid.
  • حافظات للغيب — “hoesters van het verborgene.” Het غَيْب is hetzelfde woord als in 2:3 waar gelovigen “in het verborgene geloven.” De rechtvaardige vrouwen zijn hoesters van de onzichtbare werkelijkheid.
  • نشوز — stam ن-ش-ز: zich verheffen, zwellen. In 58:11 positief gebruikt. “Zich verheffen” in plaats van “ongehoorzaamheid.”

De escalatie: toenemende afstand, niet toenemend geweld

  1. فعظوهن — stam و-ع-ظ: raadgeven, vermanen. Stap 1: woorden van leiding.
  2. واهجروهن في المضاجع — stam ه-ج-ر: emigreren, verlaten. Dit is de stam van هِجْرَة (hijra). “Emigreert van hen in de bedden” — niet slechts “slaap apart” maar een principieel vertrek. Stap 2: terugtrekking uit intimiteit.
  3. واضربوهن — stam ض-ر-ب: uiteenzetten, op weg gaan, afzonderen. “Zondert hen af” volgt de escalatie: raadgeving → het bed verlaten → volledig afzonderen. Elke stap vergroot de afstand, niet het geweld.

Het bewijs: 24:31 gebruikt dezelfde stam (يَضْرِبْنَ) voor het zachte gebaar van vrouwen die hun bedekkingen over hun boezem trekken. De Voordracht zelf toont aan dat d-r-b “trekken/uiteenzetten” betekent in een beschermende context.

v.35: De onmiddellijke opvolging

Het vers na het “sla”-vers schrijft arbitrage voor — een rechter uit zijn familie en een rechter uit haar familie. Als v.34 fysiek slaan bedoelde, waarom dan het volgende vers een bemiddelingsproces met gelijke vertegenwoordiging instelt?

vv.155–159: Het kruisigingsgedeelte

De context: een lijst van beschuldigingen

Verzen 155–157 vormen één doorlopende zin — een lijst van vergrijpen. v.157 wordt ingeleid als hun snoeverij: وَقَوْلِهِمْ (“en hun zeggen”). Zij BEWEREN Jezus te hebben gedood. De Voordracht weerlegt dan hun bewering.

v.157: De grammatica der dubbelzinnigheid

شُبِّهَ لَهُمْ — Vorm II passief van ش-ب-ه: gelijken, dubbelzinnig maken. Het werkwoord staat in het onpersoonlijke passief — er is geen handelend persoon. De grammatica zegt: “het werd hun dubbelzinnig gemaakt.” NIET: “iemand werd voor hen aan hem gelijk gemaakt.”

De substitutietheologie (dat een ander in Jezus’ plaats werd gekruisigd) vereist het toevoegen van een onderwerp dat de grammatica niet biedt.

Het sleutelwoord dat iedereen mist: يَقِينًا

“Zij doodden hem niet met zekerheid” — يَقِين van stam ي-ق-ن: zekerheid. Als de Voordracht bedoelde “zij doodden hem absoluut niet,” had zij eenvoudig وَمَا قَتَلُوهُ kunnen zeggen — wat zij eerder in het vers al zei. De toevoeging van يَقِينًا verandert de betekenis: zij doodden hem niet met zekerheid. Hun kennis mist يَقِين.

De geestelijke lezing

Het punt is niet de fysieke mechaniek maar de geestelijke betekenis. Wat zij waarnamen (een verslagen profeet aan een kruis) was شُبِّهَ — tot schijn gemaakt. De werkelijkheid (God die hem verhief) verschilde van de schijn. Dit sluit aan bij het zahir/batin-beginsel: het schijnbare en het verborgene zijn verschillend.

Integratieve verbanden

  • v.1 enkele ziel ↔ 55:3 “schiep de mens”: schepping uit één bron
  • v.34 “hoesters van het verborgene” ↔ 2:3 “geloven in het verborgene” ↔ 55:15 de verborgenen (djinn): het verborgene als doorlopende draad
  • v.34 “Allerhoogste (Ali)” ↔ 55:13 aalaa’/Ali-woordspeling: goddelijke verhevenheid
  • v.34 hijra uit de bedden ↔ de Hijra des Profeets: principieel vertrek als geestelijke daad
  • v.157 شُبِّهَ (dubbelzinnig gemaakt) ↔ 55:54 بَطَائِن (innerlijke voeringen): het zahir/batin-beginsel
  • v.158 رَفَعَ (verheven) ↔ 55:7 رَفَعَهَا (verhief de hemel): goddelijke verhevenheid als transformerende daad
5
Al-Ma'idah De Tafel
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O gij die gelooft, vervult uw verbonden. Geoorloofd voor u is het dier des vee, behalve hetgeen u voorgedragen wordt, terwijl gij de jacht niet geoorloofd maakt gedurende de bedevaartstaat. Voorwaar, God besluit wat Hij wil.
2
O gij die gelooft, ontheiligt niet de riten Gods, noch de gewijde maand, noch de offergaven, noch de kransen, noch degenen die naar het Gewijde Huis trekken, goedgunstigheid en welbehagen zoekend van hun Heer. En wanneer gij de bedevaartstaat verlaten hebt, jaagt dan. En laat de haat van een volk — dat zij u weerden van de Gewijde Moskee — u niet aanzetten tot overtreding. En helpt elkander in rechtvaardigheid en godvrezendheid, en helpt elkander niet in zonde en overtreding. En weest godvrezend jegens God. Voorwaar, God is streng in kastijding.
3
Verboden voor u zijn het dode dier en het bloed en het vlees van het zwijn, en datgene waarover een ander dan God is aangeroepen, en het geworgde, en het geslagene, en het gevallene, en het gestotene, en hetgeen het wilde dier gegeten heeft — behalve hetgeen gij gezuiverd hebt — en hetgeen op de altaren geslacht is, en dat gij door pijlen verdeling zoekt. Dat is verdorvenheid. Heden zijn degenen die verhuld hebben wanhopig geworden over uw godsdienst, vreest hen dan niet en vreest Mij. Heden heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt en Mijn zegening over u voltooid en ben wel tevreden met Toewijding als godsdienst voor u. En wie door nood gedreven wordt in een hongersnood, niet opzettelijk neigend tot zonde — dan voorwaar God is Vergevend, Barmhartig.
4
Zij vragen u wat hun geoorloofd is gemaakt. Zeg: "Geoorloofd gemaakt voor u zijn de goede dingen, en hetgeen gij de jaagdieren geleerd hebt, hen africhtend gelijk God u geleerd heeft. Eet dan van hetgeen zij voor u vangen, en noem de naam Gods erover. En weest godvrezend jegens God. Voorwaar, God is snel in afrekening."
5
Heden zijn de goede dingen u geoorloofd gemaakt. En het voedsel dergenen aan wie het Boek gegeven werd is u geoorloofd, en uw voedsel is hun geoorloofd. En de kuise vrouwen uit de gelovige vrouwen, en de kuise vrouwen uit degenen aan wie het Boek vóór u gegeven werd — wanneer gij hun hun lonen geeft, kuis en niet ontucht plegend, noch geheime metgezellen nemend. En wie het geloof verhuld, zijn werk is vruchteloos geworden, en in het Hiernamaals zal hij tot de verliezers behoren.
6
O gij die gelooft, wanneer gij opstaat voor het gebed, wast uw aangezichten en uw handen tot de ellebogen, en wrijft uw hoofden en uw voeten tot de enkels. En indien gij in een staat van grote onreinheid zijt, loutert u dan. En indien gij ziek zijt of op reis, of één uwer komt van het gemak, of gij hebt vrouwen aangeraakt, en gij vindt geen water, wendt u dan tot schone aarde en wrijft uw aangezichten en uw handen ermee. God wenst niet u een ontbering op te leggen, maar Hij wenst u te louteren en Zijn zegening over u te voltooien, opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
7
En gedenkt de zegening Gods over u en Zijn verbond waarmee Hij u bond, toen gij zeidet: "Wij horen en wij gehoorzamen." En weest godvrezend jegens God. Voorwaar, God is Wetend van hetgeen in de borsten is.
8
O gij die gelooft, weest oprecht voor God, getuigen in billijkheid. En laat de haat van een volk u niet aanzetten niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig — dat is dichter bij de godvrezendheid. En weest godvrezend jegens God. Voorwaar, God is Kundig van hetgeen gij doet.
9
God heeft degenen beloofd die geloven en goede werken verrichten — voor hen vergiffenis en een groot loon.
10
En degenen die verhullen en Onze tekenen loochenen — dezen zijn de bewoners van het Hellevuur.
11
O gij die gelooft, gedenkt de zegening Gods over u, toen een volk van zins was hun handen tegen u uit te strekken, en Hij hun handen van u weerhield. En weest godvrezend jegens God. En in God laten de gelovigen hun vertrouwen stellen.
12
En God had voorwaar het verbond der Kinderen Israels genomen, en Wij verwekten onder hen twaalf hoofden. En God zeide: "Voorwaar, Ik ben met u. Indien gij het gebed verricht en de aalmoes geeft en in Mijn boodschappers gelooft en hen ondersteunt en God een goede lening leent, zal Ik stellig uw slechte daden uitwissen en u stellig Tuinen binnenlaten waaronder rivieren stromen. En wie na dat onder u verhuld is voorwaar afgedwaald van het rechte pad."
13
Dan om hun breken van hun verbond, vervloekten Wij hen en maakten hun harten hard. Zij verdraaien de woorden van hun plaatsen en hebben een deel vergeten van hetgeen hun herinnerd werd. En gij zult niet ophouden trouweloosheid van hen te ontdekken, op enkelen na. Vergeeft hun dan en scheldt kwijt. Voorwaar, God bemint degenen die goed doen.
14
En van degenen die zeiden: "Wij zijn Christenen," namen Wij hun verbond. Maar zij vergaten een deel van hetgeen hun herinnerd werd, dus verwekten Wij vijandschap en haat onder hen tot de Dag der Opstanding. En God zal hen berichten over hetgeen zij plachten te doen.
15
O Lieden van het Boek, er is voorwaar tot u Onze boodschapper gekomen, die u veel duidelijk maakt van hetgeen gij placht te verbergen van het Boek, en veel vergeeft. Er is tot u gekomen van God een licht en een duidelijk Boek,
16
waarmee God hem die Zijn welbehagen volgt leidt tot de paden des vredes, en hen uit de duisternissen brengt naar het licht met Zijn verlof, en hen leidt tot een recht pad.
17
Zij hebben voorwaar verhuld die zeiden: "Voorwaar, God is de Messias, zoon van Maria." Zeg: "Wie zou dan iets tegen God vermogen, indien Hij de Messias, zoon van Maria, en zijn moeder, en allen die op de Aarde zijn tezamen wilde vernietigen?" En aan God behoort de heerschappij der hemelen en der Aarde en hetgeen daartussen is. Hij schept wat Hij wil. En God heeft macht over alle dingen.
18
En de Joden en de Christenen zeiden: "Wij zijn de zonen Gods en Zijn geliefden." Zeg: "Waarom kastijdt Hij u dan voor uw zonden?" Welneen, gij zijt stervelingen van degenen die Hij geschapen heeft. Hij vergeeft wie Hij wil en kastijdt wie Hij wil. En aan God behoort de heerschappij der hemelen en der Aarde en hetgeen daartussen is. En tot Hem is het einde der reis.
19
O Lieden van het Boek, er is voorwaar tot u Onze boodschapper gekomen, u duidelijk makend, na een onderbreking in de boodschappers, opdat gij niet zoudt zeggen: "Er kwam tot ons geen brenger van blijde tijdingen noch een waarschuwer." En er is voorwaar tot u een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer gekomen. En God heeft macht over alle dingen.
20
En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O mijn volk, gedenkt de zegening Gods over u, toen Hij onder u profeten plaatste en u tot koningen maakte en u gaf hetgeen Hij niemand in alle werelden had gegeven.
21
O mijn volk, gaat het Heilige Land binnen dat God voor u verordend heeft, en keert niet op uw hielen terug, opdat gij niet als verliezers terugkeert."
22
Zij zeiden: "O Mozes, voorwaar daarin is een volk van grote macht, en voorwaar wij zullen het niet binnengaan totdat zij er vandaan gaan. En indien zij er vandaan gaan, dan voorwaar zullen wij binnengaan."
23
Twee mannen van degenen die vreesden, op wie God Zijn genade geschonken had, zeiden: "Gaat op hen in door de poort. En wanneer gij haar binnengegaan zijt, voorwaar dan zult gij zegevierend zijn. En stelt uw vertrouwen in God, indien gij gelovigen zijt."
24
Zij zeiden: "O Mozes, voorwaar wij zullen het nimmer binnengaan zolang zij daarin zijn. Gaat gij dan en uw Heer en strijdt. Voorwaar, wij zitten hier."
25
Hij zeide: "Mijn Heer, voorwaar ik heb macht over niemand dan over mijzelf en mijn broeder. Scheid dan tussen ons en het verdorven volk."
26
Hij zeide: "Dan voorwaar is het hun verboden voor veertig jaar; zij zullen op de Aarde dwalen. Treur dan niet om het verdorven volk."
27
En draag hun in waarheid het verhaal voor van de twee zonen van Adam, toen zij een offergave brachten, en het aanvaard werd van de een en niet aanvaard van de ander. Hij zeide: "Ik zal u stellig doden." Hij zeide: "God aanvaardt slechts van de godvrezenden.
28
Indien gij uw hand tegen mij uitstrekt om mij te doden, zal ik mijn hand niet tegen u uitstrekken om u te doden. Voorwaar, ik vrees God, de Heer van alle werelden.
29
Voorwaar, ik wens dat gij mijn zonde en uw zonde draagt, en tot de bewoners des Vuurs behoort. En dat is de vergelding der onrechtvaardigen."
30
Toen dreef zijn ziel hem aan zijn broeder te doden, dus doodde hij hem en werd tot de verliezers.
31
Toen zond God een raaf, krabbend in de Aarde, om hem te tonen hoe hij de naaktheid van zijn broeder moest verbergen. Hij zeide: "Wee mij! Ben ik niet in staat te zijn als deze raaf en de naaktheid van mijn broeder te verbergen?" En hij werd tot de berouwvollen.
32
Daarom verordenden Wij voor de Kinderen Israels dat wie een ziel doodt — niet voor een ziel noch voor verderf op de Aarde — het is alsof hij de gehele mensheid gedood heeft. En wie een leven redt, het is alsof hij de gehele mensheid gered heeft. En voorwaar Onze boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen, doch voorwaar velen hunner zijn daarna buitensporig op de Aarde.
33
De vergelding dergenen die oorlog voeren tegen God en Zijn Boodschapper en streven verderf op de Aarde te verspreiden is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten worden afgehakt van weerszijden, of dat zij uit het land verbannen worden. Dat is hun schande in deze wereld, en in het Hiernamaals is voor hen een grote kastijding —
34
behalve degenen die berouw tonen eer gij macht over hen hebt. Weet dan dat God Vergevend is, Barmhartig.
35
O gij die gelooft, weest godvrezend jegens God en zoekt het middel tot nadering tot Hem, en streeft op Zijn weg, opdat gij wellicht moogt welvaren.
36
Voorwaar, degenen die verhullen — hadden zij al hetgeen op de Aarde is tezamen en het gelijke ervan erbij, om zich daarmee vrij te kopen van de kastijding van de Dag der Opstanding, het zou niet van hen aanvaard worden. En voor hen is een pijnlijke kastijding.
37
Zij zullen wensen uit het Vuur te komen, maar zij zullen er niet uit komen. En voor hen is een blijvende kastijding.
38
En de dief, man en vrouw — hakt hun handen af, als vergelding voor hetgeen zij verdiend hebben, een voorbeeldige straf van God. En God is Machtig, Wijs.
39
En wie berouw toont na zijn onrecht en zich betert — dan voorwaar God wendt zich tot hem. Voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
40
Weet gij niet dat God — aan Hem behoort de heerschappij der hemelen en der Aarde? Hij kastijdt wie Hij wil en vergeeft wie Hij wil. En God heeft macht over alle dingen.
41
O Boodschapper, laat degenen die zich haasten in het verhullen u niet bedroeven — van degenen die met hun monden zeggen: "Wij geloven," terwijl hun harten niet geloven; en van degenen die Joden zijn — luisteraars omwille van de valsheid, luisteraars voor ander volk dat niet tot u gekomen is. Zij verdraaien de woorden na hun plaatsen, zeggend: "Indien u dit gegeven wordt, neemt het dan, en indien het u niet gegeven wordt, weest dan op uw hoede." En wie God op de proef wil stellen, gij zult hem niets baten tegen God. Dezen zijn zij wier harten God niet wil louteren. Voor hen is in deze wereld schande, en voor hen in het Hiernamaals is een grote kastijding.
42
Luisteraars omwille van de valsheid, verslinders van het verbodene. Indien zij dan tot u komen, oordeelt dan tussen hen of wendt u van hen af. En indien gij u van hen afwendt, zullen zij u in het geheel niet schaden. En indien gij oordeelt, oordeelt dan tussen hen met billijkheid. Voorwaar, God bemint de billijken.
43
En hoe zouden zij u tot hun rechter maken terwijl zij de Tora hebben, waarin het oordeel Gods is? Dan wenden zij zich daarna af. En dezen zijn geen gelovigen.
44
Voorwaar, Wij zonden de Tora neder, waarin leiding is en licht. De profeten die zich toegewijd hadden oordeelden daarmee voor degenen die Joden waren, en de mannen des Heren en de geleerden, daar hun het Boek Gods was toevertrouwd en zij er getuigen van waren. Vreest dan niet de mensen en vreest Mij, en verkoopt Mijn tekenen niet voor een geringe prijs. En wie niet oordeelt naar hetgeen God nedergezonden heeft — dezen zijn zij die verhullen.
45
En Wij verordenden voor hen daarin: een leven voor een leven, en een oog voor een oog, en een neus voor een neus, en een oor voor een oor, en een tand voor een tand, en voor verwondingen vergelding. En wie het kwijtscheldt als liefdadigheid, het zal voor hem een boetedoening zijn. En wie niet oordeelt naar hetgeen God nedergezonden heeft — dezen zijn de onrechtvaardigen.
46
En Wij deden Jezus zoon van Maria in hun voetsporen volgen, bevestigend hetgeen vóór hem was van de Tora. En Wij gaven hem het Evangelie, waarin leiding is en licht, en bevestigend hetgeen ervoor was van de Tora — een leiding en een vermaning voor de godvrezenden.
47
En laat de Lieden van het Evangelie oordelen naar hetgeen God daarin nedergezonden heeft. En wie niet oordeelt naar hetgeen God nedergezonden heeft — dezen zijn de verdorvenen.
48
En Wij hebben het Boek tot u nedergezonden in waarheid, bevestigend hetgeen ervoor was van het Boek, en als hoeder erover. Oordeelt dan tussen hen naar hetgeen God nedergezonden heeft, en volgt niet hun begeerten af van hetgeen tot u gekomen is van de waarheid. Voor eenieder uwer hebben Wij een wet en een weg gemaakt. En had God gewild, Hij zou u tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar opdat Hij u moge beproeven in hetgeen Hij u gegeven heeft. Wedijvert dan met elkander in goede werken. Tot God is uw terugkeer altezamen, en Hij zal u berichten over datgene waarin gij placht te verschillen.
49
En oordeelt tussen hen naar hetgeen God nedergezonden heeft, en volgt niet hun begeerten, en weest op uw hoede voor hen opdat zij u niet verleiden van een deel van hetgeen God tot u nedergezonden heeft. En indien zij zich afwenden, weet dan dat God hen slechts wil treffen om sommige hunner zonden. En voorwaar, velen der mensen zijn verdorvenen.
50
Is het het oordeel der onwetendheid dat zij zoeken? En wie is beter dan God in oordeel voor een volk dat zeker is?
51
O gij die gelooft, neemt de Joden en de Christenen niet als hoeders. Zij zijn hoeders van elkander. En wie hen als hoeders neemt onder u — dan voorwaar hij behoort tot hen. Voorwaar, God leidt het onrechtvaardige volk niet.
52
En gij ziet degenen in wier harten een ziekte is naar hen haasten, zeggend: "Wij vrezen dat een keer des lots ons treffe." Maar het kan zijn dat God de overwinning brengt of een bevel van Hem, en zij berouwvol worden over hetgeen zij in zichzelf verborgen.
53
En degenen die geloven zullen zeggen: "Zijn dezen degenen die bij God zwoeren met hun plechtigste eden dat zij voorwaar met u waren?" Hun werken zijn vruchteloos geworden, en zij zijn verliezers geworden.
54
O gij die gelooft, wie onder u zich van zijn godsdienst afkeert — God zal een volk brengen dat Hij liefheeft en die Hem liefhebben, nederig jegens de gelovigen, machtig tegen degenen die verhullen, strijdend op de weg Gods, en niet vrezend het verwijt van enig verwijter. Dat is de goedgunstigheid Gods; Hij geeft haar aan wie Hij wil. En God is Alomvattend, Wetend.
55
Uw hoeder is slechts God en Zijn Boodschapper en degenen die geloven — degenen die het gebed verrichten en de aalmoes geven terwijl zij buigen.
56
En wie God en Zijn Boodschapper en degenen die geloven als hoeder neemt — dan voorwaar de partij Gods, zij zijn de overwinnaars.
57
O gij die gelooft, neemt niet degenen die een spot en vermaak maken van uw godsdienst — uit degenen aan wie het Boek vóór u gegeven werd en degenen die verhullen — als hoeders. En weest godvrezend jegens God, indien gij gelovigen zijt.
58
En wanneer gij tot het gebed roept, maken zij er een spot en vermaak van. Dat is omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.
59
Zeg: "O Lieden van het Boek, verwijt gij ons iets anders dan dat wij in God geloven en in hetgeen tot ons nedergezonden is en hetgeen voordien nedergezonden werd, en dat de meesten uwer verdorvenen zijn?"
60
Zeg: "Zal ik u berichten van hetgeen erger is dan dat als vergelding bij God? Hij die God vervloekt heeft en op wie Zijn toorn is, en van wie Hij apen en zwijnen gemaakt heeft, en die valse goden aanbad — dezen zijn erger in rang en verder afgedwaald van het rechte pad."
61
En wanneer zij tot u komen, zeggen zij: "Wij geloven." Doch zij traden binnen met verhulling en zij gingen ermee heen. En God weet het best hetgeen zij plachten te verbergen.
62
En gij ziet velen hunner zich haasten in zonde en overtreding en hun verslinden van het verbodene. Slecht inderdaad is hetgeen zij plachten te doen.
63
Waarom verbieden de mannen des Heren en de geleerden hun niet zonde te spreken en het verbodene te verslinden? Slecht inderdaad is hetgeen zij plachten voort te brengen.
64
En de Joden zeiden: "De hand Gods is geboeid." Geboeid zijn hun handen, en zij zijn vervloekt om hetgeen zij gezegd hebben. Welneen, Zijn handen zijn uitgestrekt — Hij besteedt gelijk Hij wil. En hetgeen tot u nedergezonden is van uw Heer zal velen hunner stellig doen toenemen in opstandigheid en verhulling. En Wij hebben vijandschap en haat onder hen geworpen tot de Dag der Opstanding. Telkens wanneer zij een vuur ontsteken voor oorlog, blust God het uit. En zij streven verderf op de Aarde te verspreiden. En God bemint de verdervers niet.
65
En hadden de Lieden van het Boek geloofd en godvrezend geweest, Wij zouden hun slechte daden uitgewist hebben en hen in Tuinen van Genot binnengelaten hebben.
66
En hadden zij de Tora en het Evangelie en hetgeen tot hen nedergezonden werd van hun Heer onderhouden, zij zouden gegeten hebben van boven hen en van onder hun voeten. Onder hen is een gematigde gemeenschap, maar velen hunner — slecht is hetgeen zij doen.
67
O Boodschapper, verkondig hetgeen tot u nedergezonden is van uw Heer. En indien gij het niet doet, dan hebt gij Zijn boodschap niet verkondigd. En God zal u beschermen tegen de mensen. Voorwaar, God leidt het volk dat verhuld niet.
68
Zeg: "O Lieden van het Boek, gij staat op niets totdat gij de Tora en het Evangelie en hetgeen tot u nedergezonden is van uw Heer onderhoudt." En hetgeen tot u nedergezonden is van uw Heer zal velen hunner stellig doen toenemen in opstandigheid en verhulling. Treur dan niet om het volk dat verhuld.
69
Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die Joden zijn, en de Sabiers, en de Christenen — wie in God gelooft en in de Laatste Dag en goede werken verricht — geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
70
Wij hadden voorwaar het verbond der Kinderen Israels genomen en tot hen boodschappers gezonden. Telkens wanneer een boodschapper tot hen kwam met hetgeen hun zielen niet begeerden, loochenden zij sommigen en doodden zij sommigen.
71
En zij rekenden dat er geen beproeving zou zijn, dus werden zij blind en doof. Toen wendde God zich tot hen; dan wederom werden velen hunner blind en doof. En God is Ziende van hetgeen zij doen.
72
Zij hebben voorwaar verhuld die zeiden: "Voorwaar, God is de Messias, zoon van Maria." En de Messias zeide: "O Kinderen Israels, aanbidt God, mijn Heer en uw Heer. Voorwaar, wie met God associeert — God heeft hem voorwaar de Tuin verboden, en zijn verblijf is het Vuur. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen helpers."
73
Zij hebben voorwaar verhuld die zeiden: "God is de derde van drie." En er is geen god dan Eén God. En indien zij niet ophouden met hetgeen zij zeggen, zal een pijnlijke kastijding stellig degenen hunner treffen die verhullen.
74
Zullen zij dan niet berouwvol tot God terugkeren en Zijn vergiffenis zoeken? En God is Vergevend, Barmhartig.
75
De Messias, zoon van Maria, is slechts een boodschapper; boodschappers zijn vóór hem heengegaan. En zijn moeder was een vrouw van waarheid. Zij plachten beiden voedsel te eten. Aanschouw hoe Wij hun de tekenen duidelijk maken, aanschouw dan hoe zij afgewend worden.
76
Zeg: "Aanbidt gij, naast God, hetgeen voor u noch schade noch baat bezit? En God — Hij is de Horende, de Wetende."
77
Zeg: "O Lieden van het Boek, overschrijdt niet in uw godsdienst anders dan de waarheid, en volgt niet de begeerten van een volk dat voordien afdwaalde en velen deed afdwalen en afdwaalde van het rechte pad."
78
Vervloekt werden degenen die verhulden onder de Kinderen Israels door de tong van David en Jezus zoon van Maria. Dat is omdat zij ongehoorzaam waren en plachten te overtreden.
79
Zij plachten elkander niet te verbieden het kwaad dat zij deden. Slecht inderdaad was hetgeen zij plachten te doen.
80
Gij ziet velen hunner degenen die verhullen als hoeders nemen. Slecht inderdaad is hetgeen hun zielen vooruitgezonden hebben — dat God vertoornd is op hen, en in de kastijding zullen zij verblijven.
81
En hadden zij in God geloofd en in de Profeet en hetgeen tot hem nedergezonden is, zij zouden hen niet als hoeders genomen hebben, maar velen hunner zijn verdorvenen.
82
Gij zult stellig de sterksten der mensen in vijandschap jegens degenen die geloven vinden de Joden te zijn en degenen die deelgenoten toekennen. En gij zult stellig de naaste hunner in genegenheid jegens degenen die geloven vinden degenen te zijn die zeggen: "Wij zijn Christenen." Dat is omdat onder hen priesters en monniken zijn, en omdat zij niet hoogmoedig zijn.
83
En wanneer zij horen hetgeen tot de Boodschapper nedergezonden is, ziet gij hun ogen overlopen van tranen om hetgeen zij herkend hebben van de waarheid. Zij zeggen: "Onze Heer, wij geloven, schrijf ons dan in bij de getuigen.
84
En waarom zouden wij niet geloven in God en hetgeen tot ons gekomen is van de waarheid, terwijl wij verlangen dat onze Heer ons toelate bij het rechtvaardige volk?"
85
Zo beloonde God hen voor hetgeen zij zeiden — tuinen waaronder rivieren stromen, daarin verblijvend. En dat is de vergelding dergenen die goed doen.
86
En degenen die verhullen en Onze tekenen loochenen — dezen zijn de bewoners van het Hellevuur.
87
O gij die gelooft, verbiedt niet de goede dingen die God u geoorloofd heeft gemaakt, en overtreedt niet. Voorwaar, God bemint de overtreders niet.
88
En eet van hetgeen God u voorzien heeft, geoorloofd en goed. En weest godvrezend jegens God, in wie gij gelooft.
89
God zal u niet bestraffen voor het onopzettelijke in uw eden, maar Hij zal u bestraffen voor hetgeen gij door eden gebonden hebt. De boetedoening ervan is de spijziging van tien armen, van het gemiddelde van hetgeen gij uw huisgezin spijzigt, of de kleding ervan, of de bevrijding van een slaaf. En wie niet vindt — dan een vasten van drie dagen. Dat is de boetedoening van uw eden wanneer gij gezworen hebt. En bewaakt uw eden. Aldus maakt God u Zijn tekenen duidelijk, opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
90
O gij die gelooft, voorwaar de wijn en het gokspel en de afgodsbeelden en de waarzegpijlen zijn slechts een gruwel van het werk van Satan. Vermijdt het dan, opdat gij wellicht moogt welvaren.
91
Satan wenst slechts vijandschap en haat onder u te zaaien door middel van de wijn en het gokspel, en u te weren van de gedachtenis Gods en van het gebed. Zult gij dan niet ophouden?
92
En gehoorzaamt God en gehoorzaamt de Boodschapper en weest op uw hoede. En indien gij u afwendt, weet dan dat op Onze Boodschapper slechts de duidelijke overbrengst rust.
93
Er is geen schuld op degenen die geloven en goede werken verrichten voor hetgeen zij genuttigd hebben, zolang zij godvrezend zijn en geloven en goede werken verrichten, dan godvrezend zijn en geloven, dan godvrezend zijn en goed doen. En God bemint degenen die goed doen.
94
O gij die gelooft, God zal u stellig beproeven met iets van het wild dat uw handen en uw lansen bereiken, opdat God moge weten wie Hem vreest in het verborgene. En wie daarna overtreedt — voor hem is een pijnlijke kastijding.
95
O gij die gelooft, doodt het wild niet terwijl gij in de bedevaartstaat zijt. En wie onder u het opzettelijk doodt, de vergelding is het gelijke van hetgeen hij gedood heeft, van het vee, beoordeeld door twee rechtvaardige mannen onder u, een offergave te brengen aan de Ka'ba; of een boetedoening — de spijziging der armen — of het gelijksoortige ervan in vasten, opdat hij de gevolgen van zijn daad moge proeven. God heeft hetgeen voorbij is vergeven. En wie terugkeert — God zal vergelding van hem nemen. En God is Machtig, Heer der Vergelding.
96
Geoorloofd voor u is het wild der zee en het voedsel ervan, een voorziening voor u en voor reizigers. En verboden voor u is het wild van het land zolang gij in de bedevaartstaat zijt. En weest godvrezend jegens God, tot wie gij vergaderd zult worden.
97
God heeft de Ka'ba, het Gewijde Huis, gemaakt tot een instelling voor de mensen, en de gewijde maand, en de offergaven, en de kransen. Dat is opdat gij moogt weten dat God weet hetgeen in de hemelen is en hetgeen op de Aarde is, en dat God van alle dingen Wetend is.
98
Weet dat God streng is in kastijding, en dat God Vergevend is, Barmhartig.
99
Op de Boodschapper rust slechts de overbrengst. En God weet hetgeen gij openbaart en hetgeen gij verbergt.
100
Zeg: "Het verdorvene en het goede zijn niet gelijk, zelfs al behaagt u de overvloed van het verdorvene." Weest dan godvrezend jegens God, o gij die begrip bezit, opdat gij wellicht moogt welvaren.
101
O gij die gelooft, vraagt niet naar dingen die, indien zij u bekend gemaakt werden, u zouden kwellen. En indien gij ernaar vraagt wanneer de Voordracht nedergezonden wordt, zullen zij u bekend gemaakt worden. God heeft dat vergeven. En God is Vergevend, Verdraagzaam.
102
Een volk vóór u vroeg ernaar en werd er vervolgens verhuller van.
103
God heeft geen bahirah aangesteld, noch een sa'ibah, noch een wasilah, noch een ham. Maar degenen die verhullen verzinnen een leugen tegen God. En de meesten hunner begrijpen niet.
104
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Komt tot hetgeen God nedergezonden heeft en tot de Boodschapper," zeggen zij: "Ons is voldoende hetgeen wij onze vaderen op vonden." Zelfs al wisten hun vaderen niets en waren zij niet geleid?
105
O gij die gelooft, op u rust uw eigen ziel. Wie dwaalt zal u niet schaden wanneer gij geleid zijt. Tot God is de terugkeer van u allen, en Hij zal u berichten over hetgeen gij placht te doen.
106
O gij die gelooft, de getuigenis tussen u wanneer de dood één uwer nadert, ten tijde van het testament, is twee rechtvaardige mannen uit uw midden, of twee anderen van buiten u, indien gij op de Aarde reist en de rampspoed des doods u treft. Gij zult hen na het gebed vasthouden, en zij zullen bij God zweren, indien gij twijfelt: "Wij zullen het niet verkopen voor een prijs, zelfs al is hij een verwant, en wij zullen de getuigenis Gods niet verbergen. Voorwaar, wij zouden dan tot de zondigen behoren."
107
En indien ontdekt wordt dat die twee een beschuldiging van zonde verdiend hebben, dan zullen twee anderen hun plaats innemen uit degenen die een aanspraak tegen hen hebben — de twee naaste — en zij zullen bij God zweren: "Onze getuigenis is waarachtiger dan hun getuigenis, en wij hebben niet overtreden. Voorwaar, wij zouden dan tot de onrechtvaardigen behoren."
108
Dat is waarschijnlijker dat zij getuigenis zullen afleggen in zijn ware vorm, of vrezen dat eden verworpen zullen worden na hun eden. En weest godvrezend jegens God en luistert. En God leidt het verdorven volk niet.
109
De Dag waarop God de boodschappers vergadert en zegt: "Wat was uw antwoord?" Zij zeggen: "Wij hebben geen kennis. Voorwaar, Gij zijt de Kenner van het verborgene."
110
Toen God zeide: "O Jezus zoon van Maria, gedenk Mijn zegening over u en over uw moeder, toen Ik u versterkte met de Heilige Geest — gij spraakt tot de mensen in de wieg en in de mannelijke rijpheid. En toen Ik u het Boek onderwees en de Wijsheid en de Tora en het Evangelie. En toen gij uit klei de gelijkenis van een vogel vormde met Mijn verlof, en er vervolgens in bliest en het een vogel werd met Mijn verlof. En gij genas de blinde en de melaatse met Mijn verlof. En toen gij de doden voortbracht met Mijn verlof. En toen Ik de Kinderen Israels van u weerhield, toen gij tot hen kwaamt met duidelijke bewijzen, en degenen hunner die verhulden zeiden: 'Dit is slechts duidelijke toverij.'"
111
"En toen Ik de Toegewijden inspireerde: 'Gelooft in Mij en in Mijn boodschapper.' Zij zeiden: 'Wij geloven, en draagt getuigenis dat wij Toegewijden zijn.'"
112
Toen de Teruggekeerden zeiden: "O Jezus zoon van Maria, is uw Heer in staat tot ons een tafel neder te zenden uit de hemel?" Hij zeide: "Weest godvrezend jegens God, indien gij gelovigen zijt."
113
Zij zeiden: "Wij wensen ervan te eten, en dat onze harten gerust mogen zijn, en dat wij mogen weten dat gij ons de waarheid hebt gesproken, en dat wij er getuigen van mogen zijn."
114
Jezus zoon van Maria zeide: "O God, onze Heer, zend op ons een tafel neder uit de hemel, als een feestmaal voor ons — voor de eersten onzer en de laatsten onzer — en een teken van U. En voorzie ons, en Gij zijt de beste der voorzieners."
115
God zeide: "Voorwaar, Ik zal haar op u nederzenden. En wie daarna onder u verhuld — voorwaar Ik zal hem kastijden met een kastijding waarmee Ik niemand in alle werelden kastijd."
116
En toen God zeide: "O Jezus zoon van Maria, hebt gij tot de mensen gezegd: 'Neemt mij en mijn moeder als goden naast God'?" Hij zeide: "Glorie zij U! Het is niet aan mij te zeggen hetgeen ik geen recht heb. Indien ik het gezegd had, Gij zoudt het geweten hebben. Gij weet hetgeen in mijn ziel is, en ik weet niet hetgeen in Uw ziel is. Voorwaar, Gij zijt de Kenner van het verborgene.
117
Ik zeide tot hen slechts hetgeen Gij mij bevolen hebt: 'Aanbidt God, mijn Heer en uw Heer.' En ik was een getuige over hen zolang ik onder hen was. En toen Gij mij deedt sterven, waart Gij de Waker over hen. En Gij zijt Getuige over alle dingen.
118
Indien Gij hen kastijdt, voorwaar zij zijn Uw dienaren. En indien Gij hen vergeeft — voorwaar Gij zijt de Machtige, de Wijze."
119
God zeide: "Dit is de Dag waarop de waarachtigen baat zullen hebben van hun waarachtigheid. Voor hen zijn tuinen waaronder rivieren stromen, daarin eeuwig verblijvend. God is wel tevreden met hen en zij zijn wel tevreden met Hem. Dat is het Grote Welvaren."
120
Aan God behoort de heerschappij der hemelen en der Aarde en hetgeen daarin is. En Hij heeft macht over alle dingen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 5 — Al-Ma’ida (De Tafel)

Algemene waarnemingen

Al-Ma’ida geldt als een der laatst geopenbaarde soera’s en leest als een samenvatting: verbonden worden verzegeld, spijswetten afgerond, de godsdienst “vervolmaakt” (v.3). Het boog loopt van wettelijke bepalingen via Kain en Abel en Mozes tot een uitgebreid christologisch gedeelte, uitlopend op Jezus’ ontkenning van goddelijkheid en de wonderbaarlijke Tafel.

Belangrijkste stamontdekkingen

Stam و-ل-ي (w-l-y) — “hoeder” niet “vriend” (v.51)

V.51: “Neemt de joden en de christenen niet tot hoeders (awlija’).” De stam betekent nabij zijn, gezag hebben, beschermen. Awlija’ is de meervoudsvorm van walie — patroon, hoeder, beschermer. De foutieve vertaling “vrienden” heeft onmetelijke interreligieuze schade veroorzaakt. Vriendschap is sadaaqa (stam ص-د-ق, waarheid), een geheel andere stam. Het verbod betreft wettelijk-politiek hoederschap in oorlogscontext, niet menselijke vriendschap.

Stam ح-و-ر (h-w-r) — de Toegewijden en de Tafel (vv.111-115)

De Toegewijden (hawariejjoen) verschijnen hier in hun meest dramatische scene: het verzoek om de Tafel (maa’ida) die uit de hemel neerdaalt. Dit is de Koranische versie van het Laatste Avondmaal. De Tafel wordt een beproeving: kennis ontvangen schept grotere verantwoordelijkheid (v.115).

Stam ش-ر-ع (sh-r-a) — wet en weg (v.48)

V.48: “Voor ieder uwer hebben Wij een wet en een weg gemaakt” (shir’atan wa minhaadjan). Elk gemeenschap heeft een specifieke wet (sjarie’a) en een open weg (minhaadj). Dit is de sterkste pluralistische uitspraak der Koran: verscheidenheid van wet en praktijk is goddelijk bedoeld.

Versbijzonderheden

  • V.3: Drie werkwoorden: akmaltu (vervolmaakt), atmastu (voltooid), radietoe (weltevreden). God is “weltevreden met toewijding als godsdienst” — niet met een genoemde instelling.
  • V.32: “Wie een ziel doodt — niet voor een ziel noch voor bederf op de aarde — het is alsof hij geheel de mensheid doodde.” Nafs (ziel, stam ن-ف-س, ademen) verbindt individu en collectief.
  • V.48: Niet slechts verdraagzaamheid maar goddelijk ontwerp: verscheidenheid is de beproeving. Het bevel is niet eenvormigheid maar wedijver in goedheid.
  • V.82: Christenen het naast in genegenheid — mawadda (genegenheid, stam و-د-د). Ootmoed is de sleutel, niet leerstelligheid. Dit vers brengt v.51 in evenwicht.
  • V.116-117: Jezus ontkent goddelijkheid: “Hebt Gij den mensen gezegd: ‘Neemt mij en mijn moeder tot goden?’” Jezus’ antwoord is zuivere dienaarschap. Tawaffajtanie (Gij deed mij sterven, stam و-ف-ي) bevestigt 3:55 en ondersteunt de lezing van 4:157.

Integratieve verbanden

  • V.3 vervolmaakte godsdienst verhoudt zich tot 3:19 — Al-Imran verkondigt het beginsel; Al-Ma’ida verkondigt de voltooiing.
  • V.48 wet en weg voor elk verhoudt zich tot 2:148 “voor elk een richting.”
  • V.51 hoeders verhoudt zich tot 3:28 — het verbod betreft hen die actief verhullen, niet godsdienstige identiteit.
  • Vv.111-115 de Tafel verhoudt zich tot 55:72 en 3:52: de stam h-w-r verbindt alles.
  • V.116 Jezus ontkent goddelijkheid verhoudt zich tot 19:30 “Ik ben de dienaar Gods” en tot 4:157.
6
Al-An'am Het Vee
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Lof zij God, die de hemelen en de aarde schiep, en de duisternissen en het licht maakte; doch degenen die verhullen kennen hun Heer gelijken toe.
2
Hij is het die u schiep uit klei, dan een termijn bepaalde — en een aangestelde termijn is bij Hem — doch gij twijfelt.
3
En Hij is God in de hemelen en op de aarde; Hij kent uw geheim en uw openbare, en Hij weet wat gij verdient.
4
En er komt tot hen geen teken van de tekenen huns Heren of zij wenden zich ervan af.
5
Dus hebben zij de Waarheid geloochend toen zij tot hen kwam; dan zullen tot hen de tijdingen komen van hetgeen zij plachten te bespotten.
6
Hebben zij niet gezien hoeveel een geslacht Wij vóór hen vernietigd hebben, die Wij op de aarde gevestigd hadden gelijk Wij u niet gevestigd hebben, en Wij zonden de hemel overvloedig op hen, en Wij deden de rivieren onder hen stromen? Toen vernietigden Wij hen om hun zonden, en Wij verwekten na hen een ander geslacht.
7
En hadden Wij op u een boek op perkament nedergezonden en zij hadden het met hun handen aangeraakt, degenen die verhulden zouden gezegd hebben: "Dit is slechts duidelijke toverij."
8
En zij zeggen: "Waarom is geen engel op hem nedergezonden?" En hadden Wij een engel nedergezonden, de zaak zou beslist zijn geweest, en dan zou hun geen uitstel verleend zijn.
9
En hadden Wij hem een engel gemaakt, Wij zouden hem een man gemaakt hebben, en Wij zouden voor hen verward hebben hetgeen zij verwarren.
10
En voorwaar, boodschappers vóór u werden bespot, en hetgeen degenen omvatte die spotten omvatte hen van hetgeen zij plachten te bespotten.
11
Zeg: "Reist op de aarde, en aanschouwt dan hoe het einde was der loochenaars."
12
Zeg: "Aan wie behoort hetgeen in de hemelen en op de aarde is?" Zeg: "Aan God." Hij heeft Zichzelf barmhartigheid voorgeschreven. Hij zal u vergaderen tot de Dag der Opstanding, waaraan geen twijfel is. Degenen die hun zielen verloren hebben — zij geloven niet.
13
En Hem behoort hetgeen woont in de nacht en de dag; en Hij is de Horende, de Wetende.
14
Zeg: "Zal ik een ander dan God als beschermer nemen, de Voortbrenger der hemelen en der aarde, en Hij spijzigt en wordt niet gespijzigd?" Zeg: "Voorwaar, mij is bevolen de eerste te zijn die zich toewijdt." En wees gij niet van degenen die deelgenoten toekennen.
15
Zeg: "Voorwaar, ik vrees, indien ik mijn Heer ongehoorzaam ben, de kastijding van een machtige dag."
16
Van wie zij afgewend wordt op die dag — Hij heeft hem voorwaar barmhartigheid betoond; en dat is het duidelijke welvaren.
17
En indien God u met schade treft, er is geen verwijderaar ervan behalve Hij; en indien Hij u met goed treft, Hij heeft macht over alle dingen.
18
En Hij is de Almachtige boven Zijn dienaren; en Hij is de Wijze, de Kundige.
19
Zeg: "Wat is het grootst in getuigenis?" Zeg: "God is getuige tussen mij en u. En deze Voordracht is mij geopenbaard opdat ik u ermee moge waarschuwen, en wie zij bereikt. Getuigt gij inderdaad dat er met God andere goden zijn?" Zeg: "Ik getuig niet." Zeg: "Hij is slechts één God, en voorwaar ik ben vrij van hetgeen gij associeert."
20
Degenen aan wie Wij het Boek gegeven hebben kennen het gelijk zij hun eigen zonen kennen. Degenen die hun zielen verloren hebben — zij geloven niet.
21
En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God of Zijn tekenen loochent? Voorwaar, de onrechtvaardigen zullen niet welvaren.
22
En de dag waarop Wij hen allen vergaderen, dan zullen Wij tot degenen die deelgenoten toekenden zeggen: "Waar zijn uw deelgenoten die gij placht te beweren?"
23
Dan zal hun beproeving slechts zijn dat zij zeggen: "Bij God, onze Heer, wij behoorden niet tot degenen die deelgenoten toekennen."
24
Aanschouw hoe zij liegen tegen zichzelf, en van hen is afgedwaald hetgeen zij plachten te verzinnen.
25
En onder hen zijn er die naar u luisteren, en Wij hebben op hun harten bedekkingen gelegd opdat zij het niet begrijpen, en in hun oren een zwaarte. En al zien zij elk teken, zij geloven er niet in; zelfs wanneer zij tot u komen, twistend met u, zeggen degenen die verhullen: "Dit is slechts fabelen der ouden."
26
En zij verbieden het en trekken zich ervan terug, en zij vernietigen slechts zichzelf, doch zij beseffen het niet.
27
En konde gij zien wanneer zij voor het Vuur gesteld worden en zeggen: "Mochten wij maar teruggebracht worden, en wij zouden de tekenen onzes Heren niet loochenen, en wij zouden tot de gelovigen behoren" —
28
welneen, hun is duidelijk geworden hetgeen zij plachten te verbergen voordien; en werden zij teruggebracht, zij zouden terugkeren tot hetgeen hun verboden was, en voorwaar zij zijn leugenaars.
29
En zij zeggen: "Er is niets dan ons wereldse leven, en wij zullen niet opgewekt worden."
30
En konde gij zien wanneer zij voor hun Heer gesteld worden. Hij zal zeggen: "Is dit niet de Waarheid?" Zij zullen zeggen: "Ja, bij onze Heer." Hij zal zeggen: "Proeft dan de kastijding omdat gij placht te verhullen."
31
Zij hebben verloren die de ontmoeting met God loochenden, totdat wanneer het Uur plotseling over hen komt, zij zullen zeggen: "Wee ons, om hetgeen wij daarin verwaarloosden!" En zij zullen hun lasten op hun ruggen dragen. Slecht inderdaad is hetgeen zij dragen.
32
En het wereldse leven is slechts spel en vermaak; en de woning van het Hiernamaals is beter voor degenen die godvrezend zijn. Begrijpt gij dan niet?
33
Wij weten dat hetgeen zij zeggen u inderdaad bedroeft; doch voorwaar zij loochenen niet u, maar de onrechtvaardigen — het zijn de tekenen Gods die zij verwerpen.
34
En voorwaar, boodschappers vóór u werden geloochend, doch zij droegen geduldig dat zij geloochend en gekwetst werden, totdat Onze hulp tot hen kwam. En er is niemand die de woorden Gods kan veranderen; en er is tot u gekomen van de tijdingen der boodschappers.
35
En indien hun afwending u grieft, zoek dan, indien gij kunt, een tunnel in de aarde of een ladder naar de hemel, opdat gij hun een teken moogt brengen — en had God gewild, Hij zou hen vergaderd hebben tot de leiding — wees dan niet van de onwetenden.
36
Slechts degenen die horen antwoorden; en de doden — God zal hen opwekken, dan tot Hem zullen zij teruggebracht worden.
37
En zij zeggen: "Waarom is geen teken op hem nedergezonden van zijn Heer?" Zeg: "Voorwaar, God is in staat een teken neder te zenden, maar de meesten hunner weten niet."
38
En er is geen schepsel op de aarde, noch een vogel die vliegt op zijn twee vleugelen, of zij zijn gemeenschappen gelijk u. Wij hebben niets verwaarloosd in het Boek; dan tot hun Heer zullen zij vergaderd worden.
39
En degenen die Onze tekenen loochenen zijn doof en stom, in duisternissen. Wie God wil, doet Hij afdwalen; en wie Hij wil, plaatst Hij op een recht pad.
40
Zeg: "Hebt gij overwogen — indien de kastijding Gods u overkomt, of het Uur u overkomt — zoudt gij een ander dan God aanroepen, indien gij waarachtig zijt?"
41
Welneen, Hem roept gij aan, en Hij verwijdert datgene waarvoor gij Hem aanroept, indien Hij wil, en gij vergeet hetgeen gij associeert.
42
En voorwaar, Wij zonden tot volkeren vóór u, en Wij grepen hen met ontbering en tegenspoed, opdat zij zich wellicht mochten vernederen.
43
Hadden zij zich maar, toen Onze macht over hen kwam, vernederd! Maar hun harten werden verhard, en de duivel maakte hun hetgeen zij plachten te doen schoonschijnend.
44
Toen, wanneer zij vergaten datgene waaraan zij herinnerd werden, openden Wij over hen de poorten van alle dingen, totdat wanneer zij zich verheugden in hetgeen hun gegeven werd, Wij hen plotseling grepen, en ziet, zij waren in wanhoop.
45
Zo werd het laatste overblijfsel van het volk dat onrecht deed afgesneden. En lof zij God, Heer der werelden.
46
Zeg: "Hebt gij overwogen — indien God uw gehoor en uw gezicht wegnam en uw harten verzegelde — welke god anders dan God zou ze u kunnen herstellen?" Aanschouw hoe Wij de tekenen uiteenzetten, doch zij wenden zich af.
47
Zeg: "Hebt gij overwogen — indien de kastijding Gods plotseling of openlijk over u kwam — zou iemand vernietigd worden behalve het onrechtvaardige volk?"
48
En Wij zenden de boodschappers slechts als brengers van blijde tijdingen en waarschuwers. Wie dan gelooft en zich betert — geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
49
En degenen die Onze tekenen loochenen — de kastijding zal hen treffen omdat zij plachten te overtreden.
50
Zeg: "Ik zeg u niet dat bij mij de schatten Gods zijn, noch dat ik het verborgene ken, noch zeg ik u dat ik een engel ben. Ik volg slechts hetgeen mij geopenbaard wordt." Zeg: "Zijn de blinde en de ziende gelijk? Zult gij dan niet nadenken?"
51
En waarschuw daarmee degenen die vrezen dat zij tot hun Heer vergaderd zullen worden — zij hebben naast Hem geen beschermer noch voorspreker — opdat zij wellicht godvrezend mogen zijn.
52
En verdrijft niet degenen die hun Heer aanroepen in de morgen en de avond, Zijn Aangezicht zoekend. Niets van hun rekening rust op u, en niets van uw rekening rust op hen; dus zoudt gij, indien gij hen verdreeft, tot de onrechtvaardigen behoren.
53
En aldus hebben Wij sommigen hunner door anderen beproefd, opdat zij mogen zeggen: "Zijn dezen degenen op wie God goedgunstigheid geschonken heeft uit ons midden?" Is God niet het best Kundig van de dankbaren?
54
En wanneer degenen die in Onze tekenen geloven tot u komen, zeg: "Vrede zij over u. Uw Heer heeft Zichzelf barmhartigheid voorgeschreven: dat wie onder u kwaad doet in onwetendheid, dan daarna berouw toont en zich betert — dan voorwaar Hij is Vergevend, Barmhartig."
55
En aldus zetten Wij de tekenen uiteen, en opdat de weg der schuldigen duidelijk moge worden.
56
Zeg: "Voorwaar, mij is verboden hen te aanbidden die gij naast God aanroept." Zeg: "Ik volg uw begeerten niet; ik zou dan zijn afgedwaald, en ik behoor niet tot de geleiden."
57
Zeg: "Voorwaar, ik sta op een duidelijk bewijs van mijn Heer, en gij hebt het geloochend. Ik heb niet datgene wat gij wilt bespoedigen. Het oordeel behoort God alleen; Hij verhaalt de Waarheid, en Hij is de beste der beslissers."
58
Zeg: "Had ik datgene wat gij wilt bespoedigen, de zaak zou beslist zijn geweest tussen mij en u. En God kent de onrechtvaardigen het best."
59
En bij Hem zijn de sleutelen van het verborgene; niemand kent ze behalve Hij. En Hij weet hetgeen op het land en in de zee is. En er valt geen blad of Hij weet het; en er is geen korrel in de duisternissen der aarde, noch iets nats of droogs, of het is in een duidelijk Boek.
60
En Hij is het die u bij nacht neemt en weet hetgeen gij overdag verdiend hebt; dan wekt Hij u daarin op, opdat een aangestelde termijn vervuld moge worden. Dan tot Hem is uw terugkeer; dan zal Hij u berichten over hetgeen gij placht te doen.
61
En Hij is de Almachtige boven Zijn dienaren, en Hij zendt over u bewakers, totdat wanneer de dood tot een uwer komt, Onze boodschappers hem nemen, en zij verwaarlozen niet.
62
Dan worden zij teruggebracht tot God, hun ware Meester. Is het oordeel niet het Zijne? En Hij is de snelste der rekenaars.
63
Zeg: "Wie verlost u van de duisternissen van het land en de zee? Gij roept Hem aan nederig en in het verborgene: 'Indien Hij ons hiervan verlost, zullen wij tot de dankbaren behoren.'"
64
Zeg: "God verlost u ervan en van elke nood; doch gij kent deelgenoten toe."
65
Zeg: "Hij is in staat op u een kastijding te zenden van boven u of van onder uw voeten, of u te verwarren in groepen en sommigen uwer de hevigheid van anderen te doen proeven." Aanschouw hoe Wij de tekenen uiteenzetten, opdat zij wellicht mogen begrijpen.
66
En uw volk heeft het geloochend, ofschoon het de Waarheid is. Zeg: "Ik ben geen hoeder over u."
67
Voor elke tijding is een termijn; en gij zult het te weten komen.
68
En wanneer gij degenen ziet die zich onderdompelen in Onze tekenen, wendt u dan van hen af totdat zij zich onderdompelen in een ander gesprek. En indien de duivel u doet vergeten, zit dan niet, na de herinnering, met het onrechtvaardige volk.
69
En niets van hun rekening rust op degenen die godvrezend zijn, maar het is een herinnering, opdat zij wellicht godvrezend mogen zijn.
70
En laat degenen die hun godsdienst tot een spel en vermaak nemen, en die het wereldse leven misleid heeft. En herinner daarmee, opdat een ziel niet prijsgegeven worde voor hetgeen zij verdiend heeft — zij heeft naast God geen beschermer en geen voorspreker; en al bood zij elk losgeld aan, het zou niet van haar aanvaard worden. Dezen zijn zij die prijsgegeven worden voor hetgeen zij verdiend hebben; voor hen is een drank van kokend water en een pijnlijke kastijding omdat zij plachten te verhullen.
71
Zeg: "Zullen wij, naast God, aanroepen hetgeen ons niet baat noch schaadt, en zullen wij op onze hielen teruggedraaid worden nadat God ons geleid heeft — gelijk hem die de duivelen op de aarde hebben verlokt, verbijsterd, terwijl hij metgezellen heeft die hem roepen tot de leiding: 'Kom tot ons'?" Zeg: "Voorwaar, de leiding Gods is de leiding, en ons is bevolen tot Toewijding aan de Heer der werelden,
72
en dat: 'Verricht het gebed, en vreest Hem.' En Hij is het tot wie gij vergaderd zult worden."
73
En Hij is het die de hemelen en de aarde schiep in waarheid; en de dag dat Hij zegt: "Wees," en het is. Zijn woord is de Waarheid; en Zijn is de heerschappij op de dag dat de Bazuin geblazen wordt — Kenner van het verborgene en het zichtbare; en Hij is de Wijze, de Kundige.
74
En toen Abraham tot zijn vader Azar zeide: "Neemt gij afgoden als goden? Voorwaar, ik zie u en uw volk in duidelijke dwaling."
75
En aldus toonden Wij Abraham de heerschappij der hemelen en der aarde, opdat hij tot degenen moge behoren die zeker zijn.
76
En toen de nacht hem overdekte, zag hij een ster. Hij zeide: "Dit is mijn Heer." Maar toen zij onderging, zeide hij: "Ik bemin niet degenen die ondergaan."
77
En toen hij de maan zag opkomen, zeide hij: "Dit is mijn Heer." Maar toen zij onderging, zeide hij: "Indien mijn Heer mij niet leidt, zal ik tot het volk behoren dat afdwaalt."
78
En toen hij de zon zag opkomen, zeide hij: "Dit is mijn Heer; dit is groter." Maar toen zij onderging, zeide hij: "O mijn volk, voorwaar ik ben vrij van hetgeen gij associeert.
79
Voorwaar, ik heb mijn aangezicht gewend tot Hem die de hemelen en de aarde voortbracht, een man van zuiver geloof, en ik behoor niet tot degenen die deelgenoten toekennen."
80
En zijn volk twistte met hem. Hij zeide: "Twist gij met mij over God, terwijl Hij mij geleid heeft? En ik vrees niet hetgeen gij met Hem associeert, tenzij mijn Heer iets wil. Mijn Heer omvat alle dingen in kennis. Zult gij dan niet gedenken?
81
En hoe zou ik vrezen hetgeen gij geassocieerd hebt, terwijl gij niet vreest dat gij met God hebt geassocieerd datgene waarvoor Hij geen gezag op u nedergezonden heeft? Welke der twee partijen heeft dan meer recht op veiligheid, indien gij het maar wist?"
82
Degenen die geloven en hun geloof niet verwarren met onrecht — voor hen is de veiligheid, en zij zijn recht geleid.
83
En dat was Ons bewijsvoering die Wij Abraham gaven tegen zijn volk. Wij verheffen in rangen wie Wij willen. Voorwaar, uw Heer is Wijs, Wetend.
84
En Wij schonken hem Isaak en Jacob; elk leidden Wij. En Noach leidden Wij voordien; en van zijn nageslacht, David en Salomo en Job en Jozef en Mozes en Aäron. En aldus belonen Wij degenen die goed doen.
85
En Zacharia en Johannes en Jezus en Elias — eenieder behoorde tot de rechtvaardigen.
86
En Ismaël en Elisa en Jona en Lot — en eenieder begunstigden Wij boven de werelden.
87
En van hun vaderen en hun nageslacht en hun broederen — en Wij kozen hen en leidden hen tot een recht pad.
88
Dat is de leiding Gods waarmee Hij leidt wie Hij wil van Zijn dienaren. En hadden zij deelgenoten toegekend, vruchteloos zou voor hen zijn geweest hetgeen zij plachten te doen.
89
Dezen zijn degenen aan wie Wij het Boek gaven en het oordeel en het profeetschap. Indien dezen het dan loochenen, hebben Wij het toevertrouwd aan een volk dat het niet loochent.
90
Dezen zijn degenen die God geleid heeft; volgt dan hun leiding. Zeg: "Ik vraag u er geen beloning voor; het is slechts een herinnering voor de werelden."
91
En zij schatten God niet naar Zijn ware maat, toen zij zeiden: "God heeft niets op enig sterveling nedergezonden." Zeg: "Wie zond het Boek neder dat Mozes bracht — een licht en een leiding voor de mensen? Gij maakt het tot bladen die gij toont, terwijl gij veel verbergt; en u werd geleerd hetgeen gij niet wist — noch gij noch uw vaderen." Zeg: "God." Laat hen dan in hun onderdompeling, spelend.
92
En dit is een Boek dat Wij nedergezonden hebben, gezegend, bevestigend hetgeen ervoor was, en opdat gij de Moeder der Steden moogt waarschuwen en degenen eromheen. En degenen die in het Hiernamaals geloven, geloven erin, en zij zijn waakzaam over hun gebeden.
93
En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God, of zegt: "Mij is geopenbaard," terwijl hem niets geopenbaard is; en hij die zegt: "Ik zal het gelijke nederzenden van hetgeen God nedergezonden heeft"? En konde gij zien wanneer de onrechtvaardigen in de doodsnood zijn, en de engelen hun handen uitstrekken: "Geeft uw zielen over. Heden wordt gij vergolden met de kastijding der vernedering om hetgeen gij placht te zeggen tegen God anders dan de waarheid, en gij placht hoogmoedig te zijn tegen Zijn tekenen."
94
"En voorwaar gij zijt tot Ons gekomen afzonderlijk, gelijk Wij u de eerste maal schiepen, en gij hebt achtergelaten hetgeen Wij u schonken. En Wij zien niet bij u uw voorsprekers die gij beweerdet deelgenoten onder u te zijn. De band tussen u is doorgesneden, en van u is afgedwaald hetgeen gij placht te beweren."
95
Voorwaar, God is de Splijter van het graan en de dadelsteen; Hij brengt het levende voort uit het dode en brengt het dode voort uit het levende. Dat is God; waarheen wordt gij dan gewend?
96
Hij is de Splijter van de dageraad; en Hij heeft de nacht gemaakt tot rust, en de zon en de maan tot een berekening. Dat is de ordening van de Machtige, de Wetende.
97
En Hij is het die voor u de sterren gemaakt heeft, opdat gij erdoor geleid moogt worden in de duisternissen van het land en de zee. Wij hebben de tekenen uiteengezet voor een volk dat weet.
98
En Hij is het die u voortbracht uit een enkele ziel, en een verblijfplaats en een bewaarplaats. Wij hebben de tekenen uiteengezet voor een volk dat begrijpt.
99
En Hij is het die uit de hemel water nederzond; en Wij hebben daarmee de groei van alle dingen voortgebracht; en Wij hebben er groen uit voortgebracht, waaruit Wij graan voortbrengen in aren; en uit de palmboom, uit zijn omhulsel, trossen dadels hangend nabij; en tuinen van druiven, en olijven, en granaatappels, gelijk en ongelijk. Aanschouwt de vrucht ervan wanneer het vrucht draagt en zijn rijping. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat gelooft.
100
En zij hebben de verborgene wezens als deelgenoten van God opgesteld, ofschoon Hij hen schiep; en zij hebben Hem valselijk zonen en dochters toegeschreven zonder kennis. Glorie zij Hem, en verheven is Hij boven hetgeen zij toeschrijven.
101
De Voortbrenger der hemelen en der aarde — hoe zou Hij een zoon hebben, terwijl Hij geen metgezellin heeft, en Hij alle dingen schiep? En Hij is van alle dingen Wetend.
102
Dat is God, uw Heer; er is geen god dan Hij, Schepper van alle dingen; aanbidt Hem dan. En Hij is Hoeder over alle dingen.
103
Het gezicht bereikt Hem niet, en Hij bereikt elk gezicht; en Hij is de Subtiele, de Kundige.
104
Duidelijke bewijzen zijn tot u gekomen van uw Heer; wie dan ziet, het is voor zijn eigen ziel; en wie blind is, het is tegen haar. En ik ben geen hoeder over u.
105
En aldus zetten Wij de tekenen uiteen, en opdat zij mogen zeggen: "Gij hebt gestudeerd," en opdat Wij het duidelijk mogen maken voor een volk dat weet.
106
Volg hetgeen u geopenbaard is van uw Heer — er is geen god dan Hij — en wend u af van degenen die deelgenoten toekennen.
107
En had God gewild, zij zouden geen deelgenoten hebben toegekend. En Wij hebben u niet als hoeder over hen geplaatst, noch zijt gij hun zaakwaarnemer.
108
En scheldt niet degenen die zij naast God aanroepen, opdat zij niet God schelden in vijandschap zonder kennis. Aldus hebben Wij elke natie haar daden schoonschijnend gemaakt; dan tot hun Heer is hun terugkeer, en Hij zal hen berichten over hetgeen zij plachten te doen.
109
En zij zweren bij God hun plechtigste eden dat indien een teken tot hen kwam, zij erin zouden geloven. Zeg: "Tekenen zijn slechts bij God." En wat zal u doen beseffen dat wanneer het komt zij niet zullen geloven?
110
En Wij zullen hun harten en hun ogen wenden, gelijk zij er de eerste maal niet in geloofden, en Wij zullen hen in hun overtreding laten, blindelings dwalend.
111
En zelfs indien Wij de engelen op hen nederzonden, en de doden tot hen spraken, en Wij alle dingen voor hen vergaderden, zij zouden niet geloofd hebben, tenzij God het wilde; maar de meesten hunner zijn onwetend.
112
En aldus hebben Wij voor elke profeet een vijand gemaakt — duivelen der mensheid en van het verborgene — sommigen hunner openbarend aan anderen verguld spreken ter misleiding. En had uw Heer gewild, zij zouden het niet gedaan hebben; laat hen dan en hetgeen zij verzinnen.
113
En opdat de harten dergenen die niet geloven in het Hiernamaals ernaar mogen neigen, en opdat zij er behagen in mogen scheppen, en opdat zij mogen verdienen hetgeen zij verdienen.
114
Zal ik een ander dan God als rechter zoeken, terwijl Hij het is die het Boek tot u nedergezonden heeft, uiteengezet? En degenen aan wie Wij het Boek gegeven hebben weten dat het nedergezonden is van uw Heer in waarheid; wees dan niet van de twijfelaars.
115
En het woord uws Heren is vervuld in waarheid en rechtvaardigheid. Er is niemand die Zijn woorden kan veranderen; en Hij is de Horende, de Wetende.
116
En indien gij de meesten van hen op de aarde gehoorzaamt, zullen zij u doen afdwalen van het pad Gods. Zij volgen slechts gissing, en zij doen slechts raden.
117
Voorwaar, uw Heer — Hij weet het best wie van Zijn weg afdwaalt, en Hij weet het best de rechtgeleiden.
118
Eet dan van datgene waarover de naam Gods is vermeld, indien gij gelovigen zijt in Zijn tekenen.
119
En wat scheelt u dat gij niet eet van datgene waarover de naam Gods is vermeld, terwijl Hij u uiteengezet heeft hetgeen Hij u verboden heeft, behalve datgene waartoe gij gedwongen wordt? En voorwaar, velen leiden af door hun begeerten zonder kennis. Voorwaar, uw Heer — Hij weet het best de overtreders.
120
En laat de uiterlijke zonde en de innerlijke ervan. Voorwaar, degenen die zonde verdienen zullen vergolden worden voor hetgeen zij plachten te begaan.
121
En eet niet van datgene waarover de naam Gods niet is vermeld; en voorwaar, het is overtreding. En voorwaar, de duivelen openbaren aan hun bondgenoten opdat zij met u mogen twisten; en indien gij hen gehoorzaamt, voorwaar dan behoort gij tot degenen die deelgenoten toekennen.
122
Is hij die dood was en Wij hem het leven gaven, en voor hem een licht maakten waarmee hij wandelt onder de mensen, gelijk hem wiens gelijkenis in duisternissen is waaruit hij niet voortkomt? Aldus is schoonschijnend gemaakt voor degenen die verhullen hetgeen zij plachten te doen.
123
En aldus hebben Wij in elke stad haar grootste zondaars geplaatst, opdat zij daarin beramen; en zij beramen slechts tegen zichzelf, doch zij beseffen het niet.
124
En wanneer een teken tot hen komt, zeggen zij: "Wij zullen niet geloven totdat ons het gelijke gegeven wordt van hetgeen de boodschappers Gods gegeven werd." God weet het best waar Hij Zijn boodschap plaatst. Degenen die zondigen zal een vernedering van God treffen en een strenge kastijding om hetgeen zij plachten te beramen.
125
Wie God dan wil leiden, diens borst verruimt Hij voor de Toewijding; en wie Hij wil doen afdwalen, diens borst maakt Hij nauw en benauwd, alsof hij de hemel bestijgt. Aldus legt God de gruwel op degenen die niet geloven.
126
En dit is het pad uws Heren, recht. Wij hebben de tekenen uiteengezet voor een volk dat gedenkt.
127
Voor hen is de Woning des Vredes bij hun Heer, en Hij is hun Beschermer om hetgeen zij plachten te doen.
128
En de dag waarop Hij hen allen vergadert: "O vergadering der verborgenen, gij hebt veel van de mensheid genomen." En hun bondgenoten onder de mensheid zullen zeggen: "Onze Heer, sommigen onzer genoten van de ander, en wij hebben onze termijn bereikt die Gij ons hebt aangesteld." Hij zal zeggen: "Het Vuur is uw verblijf, daarin verblijvend, behalve gelijk God wil." Voorwaar, uw Heer is Wijs, Wetend.
129
En aldus maken Wij sommige der onrechtvaardigen bondgenoten van anderen, om hetgeen zij plachten te verdienen.
130
"O vergadering der verborgenen en der mensheid, kwamen tot u niet boodschappers uit uw midden, die u Mijn tekenen verhaalden en u waarschuwden voor de ontmoeting van deze dag uwer?" Zij zullen zeggen: "Wij dragen getuigenis tegen onszelf." En het wereldse leven misleidde hen, en zij zullen getuigen tegen zichzelf dat zij degenen waren die verhullen.
131
Dat is omdat uw Heer geen steden zou verwoesten om onrecht terwijl hun bewoners onoplettend zijn.
132
En voor allen zijn rangen naar hetgeen zij deden; en uw Heer is niet achteloos jegens hetgeen zij doen.
133
En uw Heer is de Zichzelfgenoegzame, de Heer der Barmhartigheid. Indien Hij wil, kan Hij u wegnemen en na u laten opvolgen wat Hij wil, gelijk Hij u verwekte uit het nageslacht van een ander volk.
134
Voorwaar, hetgeen u beloofd is zal komen, en gij kunt het niet verijdelen.
135
Zeg: "O mijn volk, handelt naar uw stand; voorwaar, ik handel. En gij zult te weten komen voor wie het einde van de Woning zal zijn. Voorwaar, de onrechtvaardigen zullen niet welvaren."
136
En zij kennen God, van hetgeen Hij voortgebracht heeft van gewassen en vee, een deel toe, en zij zeggen: "Dit is voor God" — zo beweren zij — "en dit is voor onze deelgenoten." Dan hetgeen voor hun deelgenoten is bereikt God niet, en hetgeen voor God is bereikt hun deelgenoten. Slecht is hetgeen zij oordelen.
137
En aldus hebben hun deelgenoten velen dergenen die deelgenoten toekennen het doden van hun kinderen schoonschijnend gemaakt, opdat zij hen mogen ruïneren en hun godsdienst voor hen verwarren. En had God gewild, zij zouden het niet gedaan hebben; laat hen dan en hetgeen zij verzinnen.
138
En zij zeggen: "Dit zijn vee en gewassen verboden; niemand mag ervan eten behalve wie wij willen" — zo beweren zij — en vee welks ruggen verboden zijn, en vee waarover zij de naam Gods niet vermelden — een verzinning tegen Hem. Hij zal hen vergelden voor hetgeen zij plachten te verzinnen.
139
En zij zeggen: "Hetgeen in de buiken van dit vee is, is voorbehouden aan onze mannen en verboden voor onze vrouwen; en indien het dood geboren wordt, zijn zij er deelgenoten in." Hij zal hen vergelden voor hun toeschrijving; voorwaar, Hij is Wijs, Wetend.
140
Zij hebben verloren die hun kinderen dwaas doden zonder kennis, en verboden hebben hetgeen God hun voorzien heeft — een verzinning tegen God. Zij zijn afgedwaald en zijn niet geleid.
141
En Hij is het die tuinen voortgebracht heeft, met en zonder latwerk, en de palmbomen, en gewassen van divers voortbrengsel, en olijven en granaatappels, gelijk en ongelijk. Eet van de vrucht ervan wanneer het vrucht draagt, en betaalt het verschuldigde op de dag van de oogst, en weest niet buitensporig. Voorwaar, Hij bemint de buitensporigen niet.
142
En van het vee zijn er sommigen voor last en sommigen voor de slacht. Eet van hetgeen God u voorzien heeft, en volgt niet de voetstappen van de duivel; voorwaar, hij is voor u een duidelijke vijand.
143
Acht paren: van de schapen twee en van de geiten twee. Zeg: "Zijn het de twee mannetjes die Hij verboden heeft, of de twee wijfjes, of hetgeen de baarmoeders van de twee wijfjes bevatten? Bericht mij met kennis, indien gij waarachtig zijt."
144
En van de kamelen twee en van het rundvee twee. Zeg: "Zijn het de twee mannetjes die Hij verboden heeft, of de twee wijfjes, of hetgeen de baarmoeders van de twee wijfjes bevatten? Of waart gij getuigen toen God u dit opdroeg?" Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God opdat hij de mensen moge doen afdwalen zonder kennis? Voorwaar, God leidt het onrechtvaardige volk niet.
145
Zeg: "Ik vind in hetgeen mij geopenbaard is niets verboden voor een eter die het eet, behalve het kreng, of bloed dat vergoten is, of het vlees van het zwijn — want dat is een gruwel — of een overtreding gewijd aan een ander dan God." Maar wie gedwongen wordt, noch begerend noch overtredend — dan voorwaar, uw Heer is Vergevend, Barmhartig.
146
En degenen die Joden zijn verboden Wij elk dier met klauwen; en van het rundvee en de schapen verboden Wij hun het vet, behalve hetgeen hun ruggen dragen, of de ingewanden, of hetgeen met been vermengd is. Dat vergolden Wij hun voor hun opstandigheid; en voorwaar, Wij zijn waarachtig.
147
Indien zij u dan loochenen, zeg: "Uw Heer is van uitgebreide barmhartigheid, en Zijn macht zal niet van het schuldige volk afgewend worden."
148
Degenen die deelgenoten toekenden zullen zeggen: "Had God gewild, wij zouden geen deelgenoten toegekend hebben, noch onze vaderen, en wij zouden niets verboden hebben." Aldus loochenden degenen vóór hen, totdat zij Onze macht proefden. Zeg: "Hebt gij enige kennis, opdat gij het voor ons moogt voortbrengen? Gij volgt slechts gissing, en gij doet slechts raden."
149
Zeg: "Gods is het afdoende bewijs; en had Hij gewild, Hij zou u allen geleid hebben."
150
Zeg: "Brengt uw getuigen die getuigen dat God dit verboden heeft." Indien zij dan getuigen, getuig gij niet met hen; en volg niet de begeerten dergenen die Onze tekenen loochenen en degenen die niet geloven in het Hiernamaals, en zij kennen gelijken toe aan hun Heer.
151
Zeg: "Komt, ik zal voordragen hetgeen uw Heer u verboden heeft: dat gij niets met Hem associeert, en goedheid aan ouders betoont, en uw kinderen niet doodt vanwege armoede — Wij voorzien u en hen — en de onzedelijkheden niet nadert, hetgeen er uiterlijk van is en hetgeen verborgen is, en de ziel niet doodt die God verboden heeft behalve naar recht. Dat heeft Hij u opgedragen, opdat gij wellicht moogt begrijpen.
152
En nadert het bezit van de wees niet behalve met hetgeen het best is, totdat hij de rijpheid bereikt. En geeft volle maat en gewicht in rechtvaardigheid — Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. En wanneer gij spreekt, weest rechtvaardig, zelfs al betreft het een verwant. En het verbond Gods vervult. Dat heeft Hij u opgedragen, opdat gij wellicht moogt gedenken.
153
En dat dit Mijn recht pad is, volgt het dan; en volgt niet andere paden, opdat zij u niet verstrooien van Zijn pad. Dat heeft Hij u opgedragen, opdat gij wellicht godvrezend moogt zijn."
154
Toen gaven Wij Mozes het Boek, een voltooiing voor hem die goed doet, en een uiteenzetting van alle dingen, en een leiding en een barmhartigheid, opdat zij wellicht in de ontmoeting met hun Heer mogen geloven.
155
En dit is een Boek dat Wij nedergezonden hebben, gezegend; volgt het dan en weest godvrezend, opdat u wellicht barmhartigheid betoond worde,
156
opdat gij niet zoudt zeggen: "Het Boek werd slechts nedergezonden op twee groepen vóór ons, en wij waren inderdaad achteloos jegens hun studie";
157
of opdat gij niet zoudt zeggen: "Had het Boek op ons nedergezonden geweest, wij zouden beter geleid zijn geweest dan zij." Er is dan tot u een duidelijk bewijs gekomen van uw Heer, en een leiding en een barmhartigheid. Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die de tekenen Gods loochent en zich ervan afwendt? Wij zullen degenen die zich van Onze tekenen afwenden vergelden met een kwade kastijding omdat zij zich plachten af te wenden.
158
Wachten zij op iets anders dan dat de engelen tot hen komen, of uw Heer komt, of sommige tekenen uws Heren komen? De dag dat sommige tekenen uws Heren komen, zal het geloof van een ziel haar niet baten indien zij niet voordien geloofde, of goed verdiende in haar geloof. Zeg: "Wacht; voorwaar, wij wachten."
159
Voorwaar, degenen die hun godsdienst verdeeld hebben en groepen geworden zijn — gij behoort in niets tot hen. Hun zaak is slechts bij God; dan zal Hij hen berichten over hetgeen zij plachten te doen.
160
Wie een goede daad brengt zal het tienvoudige ervan hebben; en wie een kwade daad brengt zal slechts het gelijke ervan vergolden worden; en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
161
Zeg: "Voorwaar, mijn Heer heeft mij geleid tot een recht pad — een juiste godsdienst, de leer van Abraham, de oprechte; en hij behoorde niet tot degenen die deelgenoten toekennen."
162
Zeg: "Voorwaar, mijn gebed en mijn devotie en mijn leven en mijn dood zijn voor God, Heer der werelden.
163
Geen deelgenoot heeft Hij; en daarmee ben ik bevolen, en ik ben de eerste dergenen die toegewijd zijn."
164
Zeg: "Zou ik een ander dan God als heer zoeken, terwijl Hij Heer is van alle dingen? En geen ziel verdient behalve tegen zichzelf; en geen drager van lasten draagt de last van een ander. Dan tot uw Heer is uw terugkeer, en Hij zal u berichten over datgene waarin gij placht te verschillen."
165
En Hij is het die u tot opvolgers gemaakt heeft op de aarde, en sommigen uwer boven anderen heeft verheven in rangen, opdat Hij u moge beproeven door hetgeen Hij u gegeven heeft. Voorwaar, uw Heer is snel in vergelding, en voorwaar Hij is Vergevend, Barmhartig.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 6 — Al-An’am (Het Vee)

Algemene opmerkingen

De langste Mekkaanse soera, gewijd aan de goddelijke eenheid (tawhied) en de afwijzing van veelgodendom. De soera bevat Abrahams zoektocht naar God (vv.75–79) en de stelling dat alle schepselen gemeenschappen zijn gelijk de mens (v.38).

Stamanalyse

v.95: Stam ف-ل-ق (f-l-q) — “Splijter van het zaad”

فَالِقُ الْحَبِّ وَالنَّوَىٰ — God splijt zaden tot leven en duisternis tot licht. Dezelfde stam als 113:1 (Heer der Splijting/Dageraad). Ontkieming is de splijting van het zaad; dageraad is de splijting der duisternis — beide zijn dagelijkse opstandingen.

v.76: Stam ج-ن-ن (j-n-n) — “de nacht verhulde hem”

جَنَّ عَلَيْهِ الَّيْلُ — dezelfde stam als djinn en djanna. Abrahams zoektocht naar God begint in verhulling. Hij beweegt door ster, maan en zon — elk ondergaand (أَفَلَ, stam أ-ف-ل) — totdat hij de Ene bereikt die niet ondergaat. Het drievoudige أَفَلَ schept een ritmische verwerping van al het vergankelijke.

v.103: Stam د-ر-ك (d-r-k) — “het zien omvat Hem niet”

لَّا تُدْرِكُهُ الْأَبْصَارُ وَهُوَ يُدْرِكُ الْأَبْصَارَ — God neemt waar doch kan niet waargenomen worden. De asymmetrie der goddelijk-menselijke verhouding. De helderste uitspraak over Gods wezenlijke onkenbaarheid in de gehele Voordracht.

Integratieve verbanden

  • v.95 f-l-q (splijting) ↔ 113:1: de Splijter van zaden in Soera 6 is de Heer der Dageraad in Soera 113 — dezelfde goddelijke daad.
  • v.38 “gemeenschappen gelijk u”: dieren worden أُمَم (oemam, gemeenschappen/naties) genoemd — hetzelfde woord als voor menselijke volkeren. Dit vooruitloopt op de hedendaagse ecologie: elk schepsel vormt een gemeenschap met eigen rechten.
7
Al-A'raf De Hoogten
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Lam, Mim, Sad.
2
Een Boek tot u nedergezonden — laat er dan geen benauwdheid in uw borst zijn deswege — opdat gij daarmee moogt waarschuwen, en als een herinnering voor de gelovigen.
3
Volgt hetgeen tot u nedergezonden is van uw Heer, en volgt geen beschermers naast Hem. Weinig gedenkt gij.
4
En hoeveel een stad hebben Wij vernietigd! Onze macht kwam over haar bij nacht, of terwijl zij sluimerden bij de middag.
5
En hun roep, toen Onze macht over hen kwam, was slechts dat zij zeiden: "Voorwaar, wij waren onrechtvaardigen."
6
Dan zullen Wij degenen ondervragen tot wie de boodschap gezonden was, en Wij zullen de boodschappers ondervragen.
7
Dan zullen Wij hun met kennis verhalen, en Wij waren niet afwezig.
8
En de weging op die dag is de waarheid. Wie dan wiens schalen zwaar zijn — dezen zijn zij die welvaren.
9
En wie wiens schalen licht zijn — dezen zijn zij die hun zielen verloren hebben omdat zij Onze tekenen plachten te krenken.
10
En voorwaar, Wij vestigden u op de aarde en maakten voor u daarin levensonderhoud. Weinig dankt gij.
11
En voorwaar, Wij schiepen u, vormden u vervolgens, en zeiden dan tot de engelen: "Werpt u neder voor Adam." Dus wierpen zij zich neder, behalve Iblis; hij behoorde niet tot degenen die zich nederwierpen.
12
Hij zeide: "Wat weerhield u dat gij u niet nederwierpt toen Ik u gebood?" Hij zeide: "Ik ben beter dan hij; Gij schiept mij uit vuur, en hem schiept Gij uit klei."
13
Hij zeide: "Ga dan van haar af; het is niet aan u er hoogmoedig te zijn. Ga dan heen; voorwaar, gij behoort tot de vernederden."
14
Hij zeide: "Geef mij uitstel tot de dag dat zij opgewekt worden."
15
Hij zeide: "Voorwaar, gij behoort tot degenen die uitstel verleend is."
16
Hij zeide: "Dan, omdat Gij mij hebt doen afdwalen, zal ik voor hen zitten op Uw rechte pad.
17
Dan zal ik van voren over hen komen en van achteren, en van hun rechts en van hun links; en Gij zult de meesten hunner niet dankbaar vinden."
18
Hij zeide: "Ga heen van haar, veracht, verdreven. Wie hunner u volgt — Ik zal de Hel vullen met u, allen."
19
"En o Adam, verblijf gij en uw gade in de Tuin, en eet vanwaar gij wilt, maar nadert deze boom niet, opdat gij niet tot de onrechtvaardigen behoort."
20
Toen fluisterde de duivel hun in, opdat hij hun openbaar moge maken hetgeen voor hen verborgen was van hun schaamtedelen; en hij zeide: "Uw Heer verbood u deze boom slechts opdat gij geen engelen zoudt worden, of opdat gij niet tot degenen zoudt behoren die verblijven."
21
En hij zwoer hun: "Voorwaar, ik ben voor u een oprechte raadgever."
22
Zo bedroog hij hen door misleiding. En toen zij van de boom proefden, werden hun schaamtedelen hun openbaar, en zij begonnen bladeren van de Tuin op zichzelf te naaien. En hun Heer riep tot hen: "Heb Ik u die boom niet verboden, en tot u gezegd: 'Voorwaar, de duivel is voor u een duidelijke vijand'?"
23
Zij zeiden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan; en indien Gij ons niet vergeeft en U over ons ontfermt, zullen wij tot de verliezers behoren."
24
Hij zeide: "Gaat af, elk uwer voor de ander een vijand. En voor u is op de aarde een verblijfplaats en een genot voor een tijd."
25
Hij zeide: "Daarin zult gij leven, en daarin zult gij sterven, en daaruit zult gij voortgebracht worden."
26
O Kinderen van Adam, Wij hebben op u kleding nedergezonden om uw schaamtedelen te bedekken, en als sieraad; maar de kleding der godvrezendheid — dat is beter. Dat behoort tot de tekenen Gods, opdat zij wellicht mogen gedenken.
27
O Kinderen van Adam, laat de duivel u niet verleiden gelijk hij uw ouders uit de Tuin dreef, hen ontdoend van hun kleding om hun hun schaamtedelen te tonen. Voorwaar, hij ziet u — hij en zijn stam — vanwaar gij hen niet ziet. Voorwaar, Wij hebben de duivelen bondgenoten gemaakt van degenen die niet geloven.
28
En wanneer zij een onzedelijkheid begaan, zeggen zij: "Wij vonden onze vaderen het doen, en God heeft het ons bevolen." Zeg: "Voorwaar, God beveelt geen onzedelijkheid. Zegt gij over God hetgeen gij niet weet?"
29
Zeg: "Mijn Heer beveelt rechtvaardigheid; en richt uw aangezichten bij elke gebedsplaats, en roept Hem aan, de godsdienst zuiver makend voor Hem. Gelijk Hij u begon, zo zult gij terugkeren."
30
Een deel heeft Hij geleid, en een deel — dwaling is terecht over hen verordend. Voorwaar, zij namen de duivelen als bondgenoten in plaats van God, en zij rekenen dat zij geleid zijn.
31
O Kinderen van Adam, neemt uw sieraad bij elke gebedsplaats, en eet en drinkt, en weest niet buitensporig. Voorwaar, Hij bemint de buitensporigen niet.
32
Zeg: "Wie heeft het sieraad Gods verboden dat Hij voor Zijn dienaren heeft voortgebracht, en de goede dingen der voorziening?" Zeg: "Zij zijn voor degenen die geloven in het wereldse leven, uitsluitend op de Dag der Opstanding." Aldus zetten Wij de tekenen uiteen voor een volk dat weet.
33
Zeg: "Mijn Heer heeft slechts verboden de onzedelijkheden — hetgeen uiterlijk ervan is en hetgeen verborgen — en de zonde, en de overtreding zonder recht, en dat gij met God associeert datgene waarvoor Hij geen gezag nedergezonden heeft, en dat gij over God zegt hetgeen gij niet weet."
34
En voor elke natie is een termijn; en wanneer hun termijn komt, kunnen zij geen uur uitstellen, noch vervroegen.
35
O Kinderen van Adam, indien boodschappers tot u komen uit uw midden, die u Mijn tekenen verhalen — dan wie vreest en zich betert, geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.
36
En degenen die Onze tekenen loochenen en er hoogmoedig tegen zijn — dezen zijn de bewoners des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
37
Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God of Zijn tekenen loochent? Dezen — hun deel van het Boek zal hen bereiken, totdat wanneer Onze boodschappers tot hen komen, hen nemend, zij zullen zeggen: "Waar is datgene wat gij placht aan te roepen naast God?" Zij zullen zeggen: "Zij zijn van ons afgedwaald." En zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij degenen waren die verhullen.
38
Hij zal zeggen: "Gaat binnen onder volkeren die vóór u heengingen — van de verborgenen en van de mensheid — in het Vuur." Telkens wanneer een volk binnentreedt, vervloekt het zijn zuster, totdat wanneer zij allen elkander daarin gevolgd hebben, de laatsten hunner van de eersten hunner zullen zeggen: "Onze Heer, dezen hebben ons doen afdwalen; geef hun dan een dubbele kastijding des Vuurs." Hij zal zeggen: "Voor eenieder is het dubbel, maar gij weet het niet."
39
En de eersten hunner zullen tot de laatsten hunner zeggen: "Gij hadt geen voordeel boven ons; proeft dan de kastijding om hetgeen gij placht te verdienen."
40
Voorwaar, degenen die Onze tekenen loochenen en er hoogmoedig tegen zijn — de poorten des hemels zullen niet voor hen geopend worden, noch zullen zij de Tuin binnengaan totdat de kameel gaat door het oog van de naald. En aldus vergelden Wij de schuldigen.
41
Voor hen, van de Hel is een rustbed, en boven hen bedekkingen. En aldus vergelden Wij de onrechtvaardigen.
42
En degenen die geloven en goede werken verrichten — Wij belasten geen ziel boven haar vermogen — dezen zijn de bewoners der Tuin; daarin zullen zij verblijven.
43
En Wij zullen wegnemen hetgeen in hun borsten is van wrok; rivieren stromend onder hen. En zij zullen zeggen: "Lof zij God, die ons hiertoe geleid heeft; en wij zouden niet geleid zijn geweest had God ons niet geleid. De boodschappers onzes Heren kwamen met de waarheid." En er zal tot hen geroepen worden: "Dit is de Tuin die gij geërfd wordt om hetgeen gij placht te doen."
44
En de bewoners der Tuin zullen de bewoners des Vuurs toeroepen: "Wij hebben gevonden hetgeen onze Heer ons beloofde waar; hebt gij gevonden hetgeen uw Heer beloofde waar?" Zij zullen zeggen: "Ja." En een omroeper zal tussen hen roepen: "De vloek Gods is over de onrechtvaardigen,
45
die afwenden van het pad Gods en het krom zoeken te maken, en zij zijn loochenaars van het Hiernamaals."
46
En tussen hen is een sluier; en op de Hoogten zijn mannen die eenieder kennen aan hun tekenen. En zij zullen de bewoners der Tuin toeroepen: "Vrede zij over u." Zij zijn haar niet binnengegaan, ofschoon zij hopen.
47
En wanneer hun ogen gewend worden naar de bewoners des Vuurs, zullen zij zeggen: "Onze Heer, plaats ons niet bij het onrechtvaardige volk."
48
En de bewoners der Hoogten zullen mannen toeroepen die zij kennen aan hun tekenen; zij zullen zeggen: "Uw vergadering heeft u niets gebaat, noch dat gij hoogmoedig waart.
49
Zijn dezen degenen van wie gij zwoert dat God hun geen barmhartigheid zou betonen?" "Gaat de Tuin binnen; geen vrees zal over u komen, noch zult gij treuren."
50
En de bewoners des Vuurs zullen de bewoners der Tuin toeroepen: "Giet over ons water, of iets van hetgeen God u voorzien heeft." Zij zullen zeggen: "Voorwaar, God heeft ze beide verboden voor degenen die verhullen,
51
die hun godsdienst tot een vermaak en een spel namen, en die het wereldse leven misleidde." Dus op deze dag vergeten Wij hen, gelijk zij de ontmoeting van deze dag hunner vergaten, en gelijk zij Onze tekenen plachten te verwerpen.
52
En voorwaar, Wij hebben hun een Boek gebracht dat Wij met kennis hebben uiteengezet — een leiding en een barmhartigheid voor een volk dat gelooft.
53
Wachten zij op iets anders dan de vervulling ervan? De dag dat de vervulling ervan komt, zullen degenen die het voordien vergaten zeggen: "De boodschappers onzes Heren kwamen met de waarheid. Hebben wij dan voorsprekers die voor ons voorspreken, of kunnen wij teruggebracht worden om anders te doen dan hetgeen wij plachten te doen?" Zij hebben voorwaar hun zielen verloren, en van hen is afgedwaald hetgeen zij plachten te verzinnen.
54
Voorwaar, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen, Zich dan vestigde op de Troon. Hij bedekt de nacht met de dag, die haar snel najaagt; en de zon en de maan en de sterren zijn dienstbaar gemaakt door Zijn bevel. Zijn is de schepping en het bevel. Gezegend zij God, Heer der werelden.
55
Roept uw Heer aan nederig en in het verborgene; voorwaar, Hij bemint de overtreders niet.
56
En sticht geen verderf op de aarde na haar ordening, en roept Hem aan in vrees en in hoop. Voorwaar, de barmhartigheid Gods is nabij degenen die goed doen.
57
En Hij is het die de winden zendt als blijde tijdingen vóór Zijn barmhartigheid, totdat wanneer zij een zware wolk dragen, Wij haar naar een dood land drijven en het water daarmee nederzenden, en daarmee allerlei vruchten voortbrengen. Aldus brengen Wij de doden voort, opdat gij wellicht moogt gedenken.
58
En het goede land — zijn gewas komt voort met verlof zijns Heren; en dat wat slecht is — het komt niet voort dan schraal. Aldus wenden Wij de tekenen voor een volk dat dankt.
59
Wij zonden Noach tot zijn volk, en hij zeide: "O mijn volk, aanbidt God; gij hebt geen god behalve Hij. Voorwaar, ik vrees voor u de kastijding van een machtige dag."
60
De hoofden van zijn volk zeiden: "Voorwaar, wij zien u in duidelijke dwaling."
61
Hij zeide: "O mijn volk, er is geen dwaling in mij, maar ik ben een boodschapper van de Heer der werelden.
62
Ik breng u de boodschappen mijns Heren over, en ik raad u, en ik weet van God hetgeen gij niet weet.
63
Verwondert gij u dat een herinnering van uw Heer tot u gekomen is door een man uit uw midden, opdat hij u moge waarschuwen en opdat gij godvrezend moogt zijn en opdat u wellicht barmhartigheid betoond worde?"
64
Maar zij loochenden hem; dus redden Wij hem en degenen die met hem in het schip waren, en Wij verdronken degenen die Onze tekenen loochenden. Voorwaar, zij waren een blind volk.
65
En tot Ad — hun broeder Hoed. Hij zeide: "O mijn volk, aanbidt God; gij hebt geen god behalve Hij. Zult gij dan niet godvrezend zijn?"
66
De hoofden dergenen die verhulden onder zijn volk zeiden: "Voorwaar, wij zien u in dwaasheid, en voorwaar wij achten u een der leugenaars."
67
Hij zeide: "O mijn volk, er is geen dwaasheid in mij, maar ik ben een boodschapper van de Heer der werelden.
68
Ik breng u de boodschappen mijns Heren over, en ik ben voor u een trouwe raadgever.
69
Verwondert gij u dat een herinnering van uw Heer tot u gekomen is door een man uit uw midden, opdat hij u moge waarschuwen? En gedenkt toen Hij u tot opvolgers maakte na het volk van Noach, en u in gestalte overvloedig vermeerderde. Gedenkt dan de weldaden Gods, opdat gij wellicht moogt welvaren."
70
Zij zeiden: "Zijt gij tot ons gekomen opdat wij God alleen aanbidden en verzaken hetgeen onze vaderen plachten te aanbidden? Brengt ons dan hetgeen gij ons belooft, indien gij tot de waarachtigen behoort."
71
Hij zeide: "Er is van uw Heer een gruwel en een toorn op u gevallen. Twist gij met mij over namen die gij en uw vaderen hebben genoemd, waarvoor God geen gezag heeft nedergezonden? Wacht dan; voorwaar, ik ben met u onder degenen die wachten."
72
Dus redden Wij hem en degenen die met hem waren door een barmhartigheid van Ons, en Wij sneden het laatste overblijfsel af dergenen die Onze tekenen loochenden en geen gelovigen waren.
73
En tot Thamoed — hun broeder Salih. Hij zeide: "O mijn volk, aanbidt God; gij hebt geen god behalve Hij. Er is tot u een duidelijk bewijs gekomen van uw Heer. Dit is de kamelin Gods, een teken voor u; laat haar dan eten op de aarde Gods, en raakt haar niet aan met kwaad, opdat een pijnlijke kastijding u niet grijpe.
74
En gedenkt toen Hij u tot opvolgers maakte na Ad en u vestigde op de aarde — gij neemt voor uzelf van haar vlakten paleizen, en gij houwt de bergen uit tot huizen. Gedenkt dan de weldaden Gods, en sticht geen verderf op de aarde."
75
De hoofden dergenen die hoogmoedig waren onder zijn volk zeiden tot degenen die onderdrukt waren — tot degenen die geloofden onder hen: "Weet gij dat Salih gezonden is van zijn Heer?" Zij zeiden: "Voorwaar, wij geloven in datgene waarmee hij gezonden is."
76
Degenen die hoogmoedig waren zeiden: "Voorwaar, wij zijn loochenaars van datgene waarin gij gelooft."
77
Dus sneden zij de pezen van de kamelin door en trotseerden het bevel huns Heren, en zeiden: "O Salih, breng ons hetgeen gij ons belooft, indien gij tot de boodschappers behoort."
78
Toen greep de aardbeving hen, en zij lagen neder in hun woning.
79
En hij wendde zich van hen af en zeide: "O mijn volk, ik bracht u de boodschap mijns Heren over en raadde u; maar gij bemint de raadgevers niet."
80
En Lot — toen hij tot zijn volk zeide: "Begaat gij de gruweldaad die niemand in de werelden vóór u begaan heeft?
81
Voorwaar, gij komt tot de mannen met begeerte in plaats van tot de vrouwen. Welneen, gij zijt een volk dat buitensporig is."
82
En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: "Verdrijft hen uit uw stad; voorwaar, zij zijn een volk dat zich zou louteren."
83
Dus redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw; zij behoorde tot degenen die achterbleven.
84
En Wij regende over hen een regen. Aanschouw dan hoe het einde was der schuldigen.
85
En tot Midjan — hun broeder Sjoeaib. Hij zeide: "O mijn volk, aanbidt God; gij hebt geen god behalve Hij. Er is tot u een duidelijk bewijs gekomen van uw Heer. Geeft dan volle maat en gewicht, en benadeelt de mensen niet in hun dingen, en sticht geen verderf op de aarde na haar ordening. Dat is beter voor u, indien gij gelovigen zijt.
86
En zit niet op elk pad, dreigend en afwendend van het pad Gods degenen die in Hem geloven, en zoekend het krom te maken. En gedenkt toen gij weinigen waart en Hij u vermeerderde; en aanschouwt hoe het einde was dergenen die verderf stichten.
87
En indien er een deel onder u is dat gelooft in datgene waarmee ik gezonden ben, en een deel dat niet gelooft, wacht dan totdat God tussen ons oordeelt; en Hij is de beste der rechters."
88
De hoofden dergenen die hoogmoedig waren onder zijn volk zeiden: "Wij zullen u uitdrijven, o Sjoeaib, en degenen die met u geloven, uit onze stad, of gij zult tot onze leer terugkeren." Hij zeide: "Zelfs al zijn wij onwillig?
89
Wij zouden een leugen tegen God verzonnen hebben indien wij tot uw leer terugkeerden nadat God ons ervan verlost heeft. En het is niet aan ons daartoe terug te keren, tenzij God onze Heer het wil. Onze Heer omvat alle dingen in kennis. In God stellen wij ons vertrouwen. Onze Heer, oordeel tussen ons en ons volk in waarheid; en Gij zijt de beste der rechters."
90
En de hoofden dergenen die verhulden onder zijn volk zeiden: "Indien gij Sjoeaib volgt, voorwaar dan zult gij verliezers zijn."
91
Toen greep de aardbeving hen, en zij lagen neder in hun woning.
92
Degenen die Sjoeaib loochenden — het was alsof zij er nooit in hadden gewoond. Degenen die Sjoeaib loochenden — zij waren de verliezers.
93
En hij wendde zich van hen af en zeide: "O mijn volk, ik bracht u de boodschappen mijns Heren over en raadde u. Hoe zou ik dan treuren om een volk dat verhuld?"
94
En Wij zonden geen profeet in enige stad of Wij grepen haar bewoners met ontbering en tegenspoed, opdat zij zich wellicht mochten vernederen.
95
Dan verwisselden Wij het kwade voor het goede, totdat zij zich vermeerderden en zeiden: "Tegenspoed en voorspoed troffen onze vaderen." Dus grepen Wij hen plotseling, terwijl zij het niet beseften.
96
En hadden de bewoners der steden geloofd en godvrezend geweest, Wij zouden zegeningen uit de hemel en de aarde over hen geopend hebben; maar zij loochenden, dus grepen Wij hen om hetgeen zij plachten te verdienen.
97
Voelen de bewoners der steden zich dan veilig dat Onze macht hen niet bij nacht zal overkomen terwijl zij slapen?
98
Of voelen de bewoners der steden zich veilig dat Onze macht hen niet zal overkomen in de voormiddag terwijl zij spelen?
99
Voelen zij zich dan veilig voor het plan Gods? En niemand voelt zich veilig voor het plan Gods behalve het volk dat verliezers is.
100
Is het dan niet een leiding voor degenen die de aarde erven na haar bewoners dat, indien Wij wilden, Wij hen konden treffen om hun zonden? En Wij verzegelen hun harten zodat zij niet horen.
101
Die steden — Wij verhalen u van hun tijdingen. En voorwaar, hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen, maar zij waren niet zodanig om te geloven in hetgeen zij voordien hadden geloochend. Aldus verzegelt God de harten dergenen die verhullen.
102
En Wij vonden bij de meesten hunner geen verbond; en Wij vonden de meesten hunner overtreders.
103
Dan zonden Wij na hen Mozes met Onze tekenen tot Farao en zijn hoofden, maar zij handelden er onrechtvaardig mee. Aanschouw dan hoe het einde was dergenen die verderf stichten.
104
En Mozes zeide: "O Farao, voorwaar, ik ben een boodschapper van de Heer der werelden.
105
Het past mij dat ik slechts de waarheid over God zeg. Ik ben tot u gekomen met een duidelijk bewijs van uw Heer; zend dan met mij de Kinderen Israels."
106
Hij zeide: "Indien gij met een teken gekomen zijt, breng het, indien gij tot de waarachtigen behoort."
107
Dus wierp hij zijn staf neer, en ziet, het was een duidelijke slang.
108
En hij trok zijn hand voort, en ziet, zij was wit voor de aanschouwers.
109
De hoofden van het volk van Farao zeiden: "Voorwaar, dit is een geleerd tovenaar
110
die u uit uw land wil verdrijven. Wat beveelt gij dan?"
111
Zij zeiden: "Stel hem en zijn broeder uit, en zendt in de steden verzamelaars
112
die u elke geleerde tovenaar zullen brengen."
113
En de tovenaars kwamen tot Farao; zij zeiden: "Voorwaar, er zal een beloning voor ons zijn indien wij de overwinnaars zijn."
114
Hij zeide: "Ja, en gij zult tot degenen behoren die nabij gebracht worden."
115
Zij zeiden: "O Mozes, of gij werpt, of wij zijn de werpers."
116
Hij zeide: "Werpt gij." En toen zij wierpen, betoverden zij de ogen der mensen en joegen hen angst aan, en zij brachten een machtige toverij voort.
117
En Wij openbaarden aan Mozes: "Werp uw staf." En ziet, zij verslond hetgeen zij verzonnen hadden.
118
Dus zegevierde de waarheid, en hetgeen zij plachten te doen werd ijdel gemaakt.
119
Dus werden zij daar overwonnen, en zij keerden vernederd terug.
120
En de tovenaars werden neergeworpen, zich nederwerpend.
121
Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer der werelden,
122
de Heer van Mozes en Aäron."
123
Farao zeide: "Gij gelooft in hem eer ik u verlof geef? Voorwaar, dit is een komplot dat gij beraamd hebt in de stad, opdat gij haar bewoners eruit moogt verdrijven. Gij zult het te weten komen.
124
Ik zal uw handen en uw voeten afhakken van weerszijden, dan zal ik u kruisigen, allen."
125
Zij zeiden: "Voorwaar, tot onze Heer zullen wij terugkeren.
126
En gij wreekt u op ons slechts omdat wij geloven in de tekenen onzes Heren toen zij tot ons kwamen. Onze Heer, stort over ons geduld uit, en neem ons tot U als degenen die zich overgeven."
127
En de hoofden van het volk van Farao zeiden: "Zult gij Mozes en zijn volk laten om verderf op de aarde te stichten en u en uw goden te verzaken?" Hij zeide: "Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen in leven laten; en voorwaar, wij zijn over hen overheersend."
128
Mozes zeide tot zijn volk: "Zoekt hulp bij God en weest geduldig. Voorwaar, de aarde behoort God; Hij geeft haar als erfdeel aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het einde is voor de godvrezenden."
129
Zij zeiden: "Wij werden gekwetst eer gij tot ons kwaamt en sedert gij tot ons gekomen zijt." Hij zeide: "Het kan zijn dat uw Heer uw vijand zal vernietigen en u opvolgers zal maken op de aarde, en Hij moge zien hoe gij handelt."
130
En voorwaar, Wij grepen het huis van Farao met jaren van droogte en schaarste van vruchten, opdat zij wellicht mochten gedenken.
131
En wanneer hun goed overkwam, zeiden zij: "Dit is het onze." En indien hun kwaad overkwam, weten zij het aan Mozes en degenen die met hem waren. Ziet! Hun voorteken is slechts bij God, maar de meesten hunner weten het niet.
132
En zij zeiden: "Welk teken gij ons ook brengt om ons daarmee te betoveren, wij zullen niet in u geloven."
133
Dus zonden Wij over hen de vloed, en de sprinkhanen, en de luizen, en de kikvorsen, en het bloed — uiteengezette tekenen; maar zij waren hoogmoedig en waren een schuldig volk.
134
En toen de plaag over hen viel, zeiden zij: "O Mozes, bid voor ons tot uw Heer door hetgeen Hij met u verbonden heeft. Indien gij van ons de plaag verwijdert, zullen wij in u geloven en met u de Kinderen Israels zenden."
135
Maar toen Wij van hen de plaag verwijderden tot een termijn die zij zouden bereiken, ziet, zij braken hun woord.
136
Dus namen Wij wraak op hen, en Wij verdronken hen in de zee omdat zij Onze tekenen loochenden en er achteloos jegens waren.
137
En Wij deden het volk dat onderdrukt was de oostelijke delen van het land en zijn westelijke delen erven, die Wij gezegend hadden. En het goede woord uws Heren werd vervuld over de Kinderen Israels omdat zij geduldig waren; en Wij vernietigden hetgeen Farao en zijn volk plachten te bouwen en hetgeen zij plachten op te richten.
138
En Wij brachten de Kinderen Israels over de zee; en zij kwamen bij een volk dat zich wijdde aan hun afgoden. Zij zeiden: "O Mozes, maak voor ons een god gelijk zij goden hebben." Hij zeide: "Voorwaar, gij zijt een volk dat onwetend is.
139
Voorwaar, dezen — hetgeen zij bedrijven zal verbrijzeld worden, en ijdel is hetgeen zij plachten te doen."
140
Hij zeide: "Zou ik voor u een god zoeken anders dan God, terwijl Hij u boven de werelden begunstigd heeft?"
141
En toen Wij u verlosten van het huis van Farao, die u kwelde met een grievende kastijding, uw zonen dodend en uw vrouwen in leven latend; en daarin was een machtige beproeving van uw Heer.
142
En Wij stelden Mozes dertig nachten aan, en voltooiden ze met tien; dus de aangestelde tijd zijns Heren werd vervuld in veertig nachten. En Mozes zeide tot zijn broeder Aäron: "Neem mijn plaats in onder mijn volk, en hervorm, en volg niet de weg dergenen die verderf stichten."
143
En toen Mozes kwam op Onze aangestelde tijd en zijn Heer tot hem sprak, zeide hij: "Mijn Heer, toon mij, opdat ik U moge aanschouwen." Hij zeide: "Gij zult Mij niet zien; maar aanschouw de berg — indien hij vast op zijn plaats blijft, dan zult gij Mij zien." En toen zijn Heer zich aan de berg openbaarde, deed Hij hem verkruimelen, en Mozes viel neer in bezwijming. En toen hij bijkwam, zeide hij: "Glorie zij U! Ik keer tot U, en ik ben de eerste der gelovigen."
144
Hij zeide: "O Mozes, voorwaar Ik heb u boven de mensen gekozen met Mijn boodschappen en Mijn spreken. Neem dan hetgeen Ik u gegeven heb, en wees van de dankbaren."
145
En Wij schreven voor hem op de Tafelen van alle dingen een vermaning en een uiteenzetting van alle dingen: "Neem ze dan met vastheid, en beveel uw volk het beste ervan te nemen. Ik zal u de woning der overtreders tonen."
146
Ik zal van Mijn tekenen afwenden degenen die hoogmoedig zijn op de aarde zonder recht; en al zien zij elk teken, zij geloven er niet in; en al zien zij het pad der rechtzinnigheid, zij nemen het niet als pad; en al zien zij het pad der dwaling, zij nemen het als pad. Dat is omdat zij Onze tekenen geloochend hebben en er achteloos jegens waren.
147
En degenen die Onze tekenen loochenen en de ontmoeting van het Hiernamaals — hun daden zijn ijdel. Worden zij vergolden behalve voor hetgeen zij plachten te doen?
148
En het volk van Mozes nam na hem van hun sieraden een kalf — een lichaam dat loeiend. Zagen zij niet dat het niet tot hen sprak noch hen tot een weg leidde? Zij namen het, en zij waren onrechtvaardigen.
149
En toen het op hun handen viel en zij zagen dat zij afgedwaald waren, zeiden zij: "Indien onze Heer zich niet over ons ontfermt en ons vergeeft, zullen wij tot de verliezers behoren."
150
En toen Mozes terugkeerde tot zijn volk, vertoornd en bedroefd, zeide hij: "Slecht is hetgeen gij in mijn plaats gedaan hebt na mij. Zoudt gij het bevel uws Heren bespoedigen?" En hij wierp de Tafelen neer en greep het hoofd van zijn broeder, hem tot zich trekkend. Hij zeide: "Zoon mijner moeder, voorwaar het volk achtte mij zwak en had mij bijna gedood. Maak dan dat de vijanden niet over mij juichen, en plaats mij niet bij het onrechtvaardige volk."
151
Hij zeide: "Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder, en laat ons toe in Uw barmhartigheid; en Gij zijt de Barmhartigste dergenen die barmhartigheid betonen."
152
Voorwaar, degenen die het kalf namen — toorn van hun Heer zal hen overvallen, en vernedering in het wereldse leven. En aldus vergelden Wij de verzinners.
153
En degenen die kwade daden deden en daarna berouw toonden en geloofden — voorwaar uw Heer is daarna Vergevend, Barmhartig.
154
En toen de toorn van Mozes gestild was, nam hij de Tafelen op; en in hun afschrift was leiding en barmhartigheid voor degenen die hun Heer vrezen.
155
En Mozes koos van zijn volk zeventig mannen voor Onze aangestelde tijd; en toen de aardbeving hen greep, zeide hij: "Mijn Heer, had Gij gewild, Gij had hen voordien en mij kunnen vernietigen. Zult Gij ons vernietigen om hetgeen de dwazen onder ons gedaan hebben? Het is slechts Uw beproeving; Gij doet ermee afdwalen wie Gij wilt en leidt wie Gij wilt. Gij zijt onze Beschermer; vergeef ons dan en ontferm U over ons; en Gij zijt de beste dergenen die vergeven.
156
En schrijf ons in deze wereld goed voor, en in het Hiernamaals; voorwaar, wij zijn tot U gekeerd." Hij zeide: "Mijn kastijding — Ik tref ermee wie Ik wil; en Mijn barmhartigheid omvat alle dingen. Dus zal Ik haar voorschrijven voor degenen die godvrezend zijn en de armenbelasting geven, en degenen die in Onze tekenen geloven —
157
degenen die de Boodschapper volgen, de ongeletterde Profeet, die zij bij zich geschreven vinden in de Tora en het Evangelie; hij beveelt hun hetgeen recht is en verbiedt hun hetgeen verkeerd is, en maakt hun de goede dingen geoorloofd en verbiedt hun de slechte dingen, en verwijdert van hen hun last en de boeien die op hen waren. Degenen die dan in hem geloven en hem ondersteunen en hem helpen en het licht volgen dat met hem nedergezonden is — dezen zijn zij die welvaren."
158
Zeg: "O mensen, voorwaar ik ben de Boodschapper Gods tot u allen — Hij aan wie de heerschappij der hemelen en der aarde behoort. Er is geen god dan Hij; Hij geeft het leven en veroorzaakt de dood. Gelooft dan in God en Zijn Boodschapper, de ongeletterde Profeet, die in God en Zijn woorden gelooft; en volgt hem, opdat gij wellicht geleid moogt worden."
159
En van het volk van Mozes is een natie die leidt door de waarheid en daarmee recht doet.
160
En Wij verdeelden hen in twaalf stammen als naties. En Wij openbaarden aan Mozes, toen zijn volk hem om water vroeg: "Sla de rots met uw staf." En er ontsprongen twaalf bronnen uit; ieder volk kende zijn drinkplaats. En Wij beschaduwden hen met wolken en zonden op hen neder het manna en de kwartels: "Eet van de goede dingen die Wij u voorzien hebben." En zij deden Ons geen onrecht, maar zij plachten zichzelf onrecht te doen.
161
En toen tot hen gezegd werd: "Woont in deze stad en eet daarvan waarheen gij wilt, en zegt: 'Verlicht ons,' en gaat de poort binnen in onderwerping; Wij zullen u uw zonden vergeven. Wij zullen degenen die goed doen vermeerderen."
162
Maar degenen die onrecht deden onder hen verwisselden het woord voor een ander dan hetgeen tot hen gezegd was; dus zonden Wij op hen een plaag uit de hemel om hetgeen zij plachten te misdoen.
163
En vraag hen over de stad die aan de zee lag, toen zij overtraden in de Sabbat — toen hun vissen tot hen kwamen op de dag van hun Sabbat, opdoemend, maar op de dag dat zij de Sabbat niet hielden, kwamen zij niet tot hen. Aldus beproefden Wij hen omdat zij plachten te overtreden.
164
En toen een groep onder hen zeide: "Waarom vermaant gij een volk dat God op het punt staat te vernietigen of te kastijden met een strenge kastijding?" Zij zeiden: "Als een verontschuldiging voor uw Heer, en opdat zij wellicht godvrezend mogen zijn."
165
En toen zij vergaten datgene waaraan zij herinnerd werden, redden Wij degenen die het kwaad verboden, en Wij grepen degenen die onrecht deden met een verschrikkelijke kastijding omdat zij plachten te overtreden.
166
En toen zij trotseerden hetgeen hun verboden was, zeiden Wij tot hen: "Weest apen, veracht."
167
En toen uw Heer verkondigde dat Hij tegen hen zou verwekken, tot de Dag der Opstanding, degenen die hen zouden treffen met een grievende kastijding. Voorwaar, uw Heer is snel in vergelding, en voorwaar Hij is Vergevend, Barmhartig.
168
En Wij verdeelden hen op de aarde als naties. Onder hen zijn degenen die rechtvaardig zijn, en onder hen zijn degenen die anders zijn. En Wij beproefden hen met goede en kwade dingen, opdat zij wellicht mochten terugkeren.
169
Dan volgde na hen een geslacht dat het Boek erfde, de goederen dezer lagere wereld nemend en zeggend: "Het zal ons vergeven worden." En indien het gelijke der goederen tot hen kwam, zouden zij die nemen. Werd niet het verbond van het Boek van hen genomen dat zij slechts de waarheid over God zouden zeggen? En zij bestudeerden hetgeen daarin was. En de woning van het Hiernamaals is beter voor degenen die godvrezend zijn. Begrijpt gij dan niet?
170
En degenen die zich vasthouden aan het Boek en het gebed verrichten — voorwaar, Wij verspillen het loon der hervormers niet.
171
En toen Wij de berg boven hen schudden alsof het een baldakijn was, en zij dachten dat het op hen zou vallen: "Houdt vast aan hetgeen Wij u gegeven hebben, en gedenkt hetgeen daarin is, opdat gij wellicht godvrezend moogt zijn."
172
En toen uw Heer van de Kinderen van Adam — uit hun lendenen — hun nageslacht nam, en hen deed getuigen tegen zichzelf: "Ben Ik niet uw Heer?" Zij zeiden: "Ja, wij getuigen" — opdat gij niet op de Dag der Opstanding zoudt zeggen: "Voorwaar, wij waren hiervan onachtzaam";
173
of opdat gij niet zoudt zeggen: "Het waren slechts onze vaderen die voordien deelgenoten toekenden, en wij waren een nageslacht na hen. Zult Gij ons vernietigen om hetgeen de ijdelplegers deden?"
174
En aldus zetten Wij de tekenen uiteen, en opdat zij wellicht mogen terugkeren.
175
En draag hun de tijding voor van hem aan wie Wij Onze tekenen gaven, maar hij glipte ervan weg; en de duivel volgde hem, en hij behoorde tot degenen die afdwalen.
176
En hadden Wij gewild, Wij zouden hem er daarmee verheven hebben; maar hij klampte zich vast aan de aarde en volgde zijn begeerte. Zijn gelijkenis is als de gelijkenis van de hond: indien gij hem aanvalt, hijgt hij; of indien gij hem laat, hijgt hij. Dat is de gelijkenis van het volk dat Onze tekenen loochent. Verhaal dan het verhaal, opdat zij wellicht mogen nadenken.
177
Slecht als gelijkenis is het volk dat Onze tekenen loochent en zichzelf onrecht doet.
178
Wie God leidt, hij is de geleide; en wie Hij doet afdwalen — dezen zijn de verliezers.
179
En voorwaar, Wij hebben voor de Hel velen der verborgenen en der mensheid geschapen: zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen, en zij hebben ogen waarmee zij niet zien, en zij hebben oren waarmee zij niet horen. Dezen zijn als vee — welneen, zij zijn meer afgedwaald. Dezen zijn de achtelozen.
180
En aan God behoren de schoonste namen; roept Hem dan daarmee aan, en laat degenen die Zijn namen ontheiligen. Zij zullen vergolden worden voor hetgeen zij plachten te doen.
181
En van degenen die Wij geschapen hebben is een natie die leidt door de waarheid en daarmee recht doet.
182
En degenen die Onze tekenen loochenen — Wij zullen hen stap voor stap trekken vanwaar zij niet weten.
183
En Ik verleen hun uitstel; voorwaar, Mijn plan is vast.
184
Hebben zij niet nagedacht? Er is geen krankzinnigheid in hun metgezel; hij is slechts een duidelijke waarschuwer.
185
Hebben zij niet gekeken naar de heerschappij der hemelen en der aarde, en hetgeen God van iets geschapen heeft, en dat het kan zijn dat hun termijn nabij is gekomen? In welk gesprek na dit zullen zij dan geloven?
186
Wie God doet afdwalen, er is geen gids voor hem; en Hij laat hen in hun overtreding, blindelings dwalend.
187
Zij vragen u over het Uur, wanneer het zal geschieden. Zeg: "De kennis ervan is bij mijn Heer alleen; niemand zal het op zijn tijd openbaren behalve Hij. Het weegt zwaar in de hemelen en op de aarde; het overkomt u slechts plotseling." Zij vragen u alsof gij er kennis van hebt. Zeg: "De kennis ervan is bij God alleen, maar de meeste mensen weten het niet."
188
Zeg: "Ik heb geen macht over baat of schade voor mijzelf, behalve hetgeen God wil. En had ik het verborgene gekend, ik zou veel goed vergaard hebben, en het kwaad zou mij niet aangeraakt hebben. Ik ben slechts een waarschuwer en een brenger van blijde tijdingen voor een volk dat gelooft."
189
Hij is het die u schiep uit een enkele ziel en daaruit haar wederhelft maakte, opdat hij rust in haar moge vinden. En toen hij haar bedekte, droeg zij een lichte last en ging ermee voort; en toen zij zwaar werd, riepen zij God aan, hun Heer: "Indien Gij ons een goed kind geeft, zullen wij tot de dankbaren behoren."
190
Maar toen Hij hun een goed kind gaf, kenden zij Hem deelgenoten toe in hetgeen Hij hun gegeven had. Maar verheven is God boven hetgeen zij associëren.
191
Associëren zij datgene wat niets schept, en zijzelf geschapen zijn?
192
En zij kunnen hen niet helpen, noch kunnen zij zichzelf helpen.
193
En indien gij hen roept tot leiding, volgen zij u niet. Het is u gelijk of gij hen roept of gij zwijgt.
194
Voorwaar, degenen die gij naast God aanroept zijn dienaren gelijk u. Roept hen dan aan, en laat hen u antwoorden, indien gij waarachtig zijt.
195
Hebben zij voeten waarmee zij wandelen, of hebben zij handen waarmee zij grijpen, of hebben zij ogen waarmee zij zien, of hebben zij oren waarmee zij horen? Zeg: "Roept uw deelgenoten aan, beraam dan tegen mij en geeft mij geen uitstel.
196
Voorwaar, mijn Beschermer is God, die het Boek nederzond; en Hij beschermt de rechtvaardigen.
197
En degenen die gij naast Hem aanroept kunnen u niet helpen, noch kunnen zij zichzelf helpen."
198
En indien gij hen roept tot leiding, horen zij niet. En gij ziet hen naar u kijken, maar zij zien niet.
199
Houdt vast aan de vergiffenis, en beveelt hetgeen recht is, en wendt u af van de onwetenden.
200
En indien een ingeving van de duivel u ingeeft, zoekt dan toevlucht bij God. Voorwaar, Hij is Horend, Wetend.
201
Voorwaar, degenen die godvrezend zijn, wanneer een bezoek van de duivel hen aanraakt, gedenken zij, en ziet, zij zien.
202
En hun broeders trekken hen voort in de dwaling, dan houden zij niet op.
203
En wanneer gij hun geen teken brengt, zeggen zij: "Waarom hebt gij er geen gekozen?" Zeg: "Ik volg slechts hetgeen mij geopenbaard wordt van mijn Heer. Dit zijn inzichten van uw Heer, en een leiding en een barmhartigheid voor een volk dat gelooft."
204
En wanneer de Voordracht wordt voorgedragen, luistert ernaar en weest stil, opdat u wellicht barmhartigheid betoond worde.
205
En gedenkt uw Heer in uzelf, nederig en met ontzag, en met ingehouden stem, in de morgens en de avonden; en weest niet van de achtelozen.
206
Voorwaar, degenen die bij uw Heer zijn, zijn niet te hoogmoedig voor Zijn aanbidding; en zij verheerlijken Hem, en voor Hem werpen zij zich neder.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 7 — Al-A’raf (De Hoogten)

Algemene opmerkingen

De langste soera na Al-Baqara. Bevat het Adamverhaal, de profetische opeenvolging (Noach, Hoed, Saalih, Lot, Sjoaib), en het Oerverbond (v.172). De Hoogten zelf zijn de plaats van onderscheiding tussen goed en kwaad.

Stamanalyse

v.46: Stam ع-ر-ف (‘ayn-ra-fa) — “de Hoogten” en “herkenning”

الْأَعْرَافِ deelt de stam met يَعْرِفُونَ (zij herkennen) in hetzelfde vers. De mannen op de Hoogten herkennen iedereen aan hun kenmerken. De Hoogten zijn niet slechts een topografisch gegeven maar de standplaats der onderscheiding zelf — de stam ع-ر-ف betekent kennen, herkennen, bekend zijn.

v.26: Stam ل-ب-س (l-b-s) — “kleed der godvrezendheid”

لِبَاسُ التَّقْوَىٰ wordt beter verklaard dan lichamelijke kleding. De stam ل-ب-س betekent kleden, doch ook verwarren (6:9). Kleding kan onthullen of verhullen — het kleed der godvrezendheid is de enige bedekking die verheldert in plaats van verwarren.

v.172: Het Oerverbond

God trekt uit de kinderen van Adam hun nageslacht en doet hen getuigen: أَلَسْتُ بِرَبِّكُمْ (ben Ik niet uw Heer?). Elk mens heeft reeds vóór de geboorte getuigd van Gods heerschappij. Dit verbond maakt alle profetische zendingen tot herinneringen, niet tot vernieuwingen.

Integratieve verbanden

  • v.172 het Oerverbond ↔ 55:13 refrein: de mensheid erkende God reeds; het refrein vraagt waarom zij nu tegenspreken wat zij reeds bevestigden.
  • v.40 de kameel door het oog der naald: weerklinkt in het woord van Jezus (Mattheüs 19:24) — de Voordracht bewaart een gedeeld onderricht over de Bedeelingen heen.
8
Al-Anfal De Buit
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zij vragen u over de buit. Zeg: "De buit behoort God en de Boodschapper. Weest dan bedachtzaam jegens God, en brengt in orde hetgeen tussen u is, en gehoorzaamt God en Zijn Boodschapper, indien gij gelovigen zijt."
2
De gelovigen zijn slechts degenen wier harten beven wanneer God vermeld wordt, en wanneer Zijn tekenen hun voorgedragen worden, vermeerderen zij hen in geloof, en op hun Heer stellen zij hun vertrouwen,
3
degenen die standvastig zijn in het gebed en besteden van hetgeen Wij hun voorzien hebben.
4
Dezen zijn de gelovigen in waarheid. Voor hen zijn rangen bij hun Heer, en vergiffenis, en een edelmoedige voorziening.
5
Gelijk uw Heer u deed uittrekken uit uw huis in waarheid, en voorwaar een deel der gelovigen was er afkerig van,
6
twistend met u over de waarheid nadat zij duidelijk was gemaakt, alsof zij naar de dood gedreven werden terwijl zij toekeken.
7
En toen God u een der twee groepen beloofde, dat zij de uwe zou zijn, en gij wenste dat degene zonder macht de uwe zou zijn; maar God wilde de waarheid vestigen door Zijn woorden en de wortel afsnijden dergenen die verhuld hadden,
8
opdat Hij de waarheid moge vestigen en het valse teniet doen, zelfs al waren de schuldigen afkerig.
9
Toen gij de bijstand van uw Heer zocht, en Hij u verhoorde: "Voorwaar, Ik zal u versterken met duizend van de engelen, rang op rang."
10
En God maakte het slechts als een blijde tijding, en opdat uw harten er daardoor gerust mogen zijn. En de overwinning komt slechts van God. Voorwaar, God is Machtig, Wijs.
11
Toen Hij sluimer over u deed komen als een geruststelling van Hem, en water uit de hemel op u nederzond, opdat Hij u daarmee moge louteren en van u de bezoedeling van Satan verwijderen, en opdat Hij uw harten moge versterken en uw voeten daarmee vastmaken.
12
Toen uw Heer de engelen inspireerde: "Voorwaar, Ik ben met u; maakt dan degenen vast die geloven. Ik zal verschrikking werpen in de harten dergenen die verhuld hebben. Slaat dan boven de nekken, en slaat van hen elke vingertop."
13
Dat is omdat zij zich verzetten tegen God en Zijn Boodschapper. En wie zich verzet tegen God en Zijn Boodschapper, voorwaar God is streng in kastijding.
14
Dat voor u! Proeft het dan, en dat voor degenen die verhullen is de kastijding des Vuurs.
15
O gij die gelooft! Wanneer gij degenen die verhuld hebben in opmars ontmoet, keert hun uw rug niet toe.
16
En wie hun op die dag zijn rug toewendt, behalve manoeuvrerend voor de strijd of zich terugtrekkend tot een troep, die heeft toorn van God over zich gebracht, en zijn verblijf is de Hel, en ellendig is het einde der reis.
17
Gij dooddet hen niet, maar God doodde hen. En gij wierpt niet toen gij wierpt, maar God wierp, en opdat Hij de gelovigen moge beproeven met een goede beproeving van Hem. Voorwaar, God is Alhorend, Alwetend.
18
Dat voor u, en dat God de list dergenen die verhullen verzwakt.
19
Indien gij een oordeel zocht, dan is het oordeel tot u gekomen. En indien gij ophoudt, het is beter voor u; en indien gij terugkeert, zullen Wij terugkeren, en uw leger zal u niets baten, hoe talrijk het ook zij, en dat God met de gelovigen is.
20
O gij die gelooft! Gehoorzaamt God en Zijn Boodschapper, en wendt u niet van hem af terwijl gij hoort.
21
En weest niet als degenen die zeggen: "Wij horen," terwijl zij niet horen.
22
Voorwaar, de slechtste der schepselen in het oog Gods zijn de doven, de stommen, die niet redeneren.
23
En had God enig goed in hen geweten, Hij zou hen hebben doen horen. En had Hij hen doen horen, zij zouden zich hebben afgewend in afkeer.
24
O gij die gelooft! Antwoordt God en de Boodschapper wanneer hij u roept tot hetgeen u het leven geeft. En weet dat God komt tussen een mens en zijn hart, en dat gij tot Hem vergaderd zult worden.
25
En hoedt u voor een beproeving die niet slechts degenen onder u treft die onrecht doen, en weet dat God streng is in kastijding.
26
En gedenkt toen gij weinigen waart, gering geacht in het land, vrezend dat de mensen u zouden wegrukken, en Hij u toevlucht gaf en u versterkte met Zijn bijstand en u voorzag van goede dingen, opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
27
O gij die gelooft! Verraadt God en de Boodschapper niet, en verraadt uw toevertrouwde zaken niet terwijl gij weet.
28
En weet dat uw bezit en uw kinderen slechts een beproeving zijn, en dat bij God een machtige beloning is.
29
O gij die gelooft! Indien gij bedachtzaam zijt jegens God, zal Hij u een onderscheid verlenen, en uw slechte daden van u verwijderen, en u vergeven. En God is de Bezitter van grote goedgunstigheid.
30
En toen degenen die verhulden tegen u beraadslaagden, om u te beperken, of u te doden, of u te verdrijven, beraadslaagden zij en God beraadslaagde, en God is de beste der beramers.
31
En wanneer Onze tekenen hun voorgedragen worden, zeggen zij: "Wij hebben gehoord; hadden wij gewild, wij zouden het gelijke hiervan kunnen zeggen. Dit is slechts fabelen der ouden."
32
En toen zij zeiden: "O God! Indien dit de waarheid is van U, regen dan stenen op ons uit de hemel, of breng over ons een pijnlijke kastijding."
33
Maar God zou hen niet kastijden terwijl gij onder hen zijt. En God zou hen niet kastijden terwijl zij vergiffenis zoeken.
34
En wat hebben zij dat God hen niet zou kastijden, terwijl zij de mensen weren van de Gewijde Moskee, en zij zijn niet haar hoeders? Haar hoeders zijn slechts de godvrezenden, maar de meesten hunner weten het niet.
35
En hun gebed bij het Huis was slechts fluiten en klappen. Proeft dan de kastijding omdat gij placht te verhullen.
36
Voorwaar, degenen die verhuld hebben besteden hun bezit om af te wenden van de weg Gods. Zij zullen het besteden, dan zal het een smart voor hen worden, dan zullen zij overwonnen worden. En degenen die verhuld hebben zullen tot de Hel vergaderd worden,
37
opdat God het verdorvene van het goede moge onderscheiden, en het verdorvene op het andere legge en het tezamen hope en het in de Hel plaatse. Dezen zijn de verliezers.
38
Zeg tot degenen die verhuld hebben: "Indien zij ophouden, zal hetgeen voorbij is hun vergeven worden; maar indien zij terugkeren, dan is de weg der ouden reeds heengegaan."
39
En bestrijdt hen totdat er geen vervolging meer is en de godsdienst, geheel, voor God is. Maar indien zij ophouden, dan voorwaar God ziet hetgeen zij doen.
40
En indien zij zich afwenden, weet dan dat God uw Beschermer is. Voortreffelijk is de Beschermer, en voortreffelijk is de Helper.
41
En weet dat al hetgeen gij als buit neemt van iets, een vijfde ervan is voor God en voor de Boodschapper en voor de verwanten en wezen en behoeftigen en de reiziger, indien gij gelooft in God en in hetgeen Wij op Onze dienaar nederzonden op de Dag van het Onderscheid, de dag dat de twee legers elkander ontmoetten. En God heeft macht over alle dingen.
42
Toen gij op de nadere oever waart en zij op de verdere oever, en de karavaan beneden u. En had gij een afspraak gemaakt, gij zoudt stellig de afspraak gemist hebben. Maar opdat God een zaak moge volbrengen die volbracht moest worden, opdat hij die omkwam moge omkomen op een duidelijk bewijs, en opdat hij die leefde moge leven op een duidelijk bewijs. En voorwaar God is Alhorend, Alwetend.
43
Toen God hen u toonde in uw droom als weinigen; en had Hij hen u als velen getoond, gij zoudt de moed verloren hebben en getwist hebben over de zaak. Maar God behoedde u. Voorwaar Hij weet hetgeen in de borsten is.
44
En toen Hij hen u toonde, toen gij elkander ontmoette, als weinigen in uw ogen, en u weinigen maakte in hun ogen, opdat God een zaak moge volbrengen die volbracht moest worden. En tot God worden alle zaken teruggebracht.
45
O gij die gelooft! Wanneer gij een leger ontmoet, staat dan vast en gedenkt God veelvuldig, opdat gij wellicht moogt welvaren.
46
En gehoorzaamt God en Zijn Boodschapper, en twist niet, opdat gij niet de moed verliest en uw kracht weggaat, en weest geduldig. Voorwaar, God is met de geduldigen.
47
En weest niet als degenen die uit hun woonsteden trokken opschepperig en in het gezicht der mensen, en afwenden van de weg Gods. En God omvat al hetgeen zij doen.
48
En toen Satan hun daden hun schoonschijnend maakte en zeide: "Niemand onder de mensen zal u heden overwinnen, en voorwaar ik ben uw beschermer." Maar toen de twee legers elkander in het oog kregen, keerde hij om op zijn hielen en zeide: "Voorwaar, ik ben vrij van u. Voorwaar, ik zie hetgeen gij niet ziet. Voorwaar, ik vrees God." En God is streng in kastijding.
49
Toen de huichelaars en degenen in wier harten een ziekte is zeiden: "Hun godsdienst heeft dezen misleid." En wie zijn vertrouwen stelt in God, dan voorwaar God is Machtig, Wijs.
50
En kondet gij zien wanneer de engelen degenen die verhuld hebben nemen, hun aangezichten en hun ruggen slaand: "Proeft de kastijding der verbranding!"
51
"Dat is om hetgeen uw handen vooruitgezonden hebben, en dat God in het minst niet onrechtvaardig is jegens Zijn dienaren."
52
Gelijk de weg van het volk van Farao en degenen vóór hen: zij verhulden de tekenen Gods, dus greep God hen om hun zonden. Voorwaar, God is Sterk, streng in kastijding.
53
Dat is omdat God een gunst die Hij op een volk geschonken heeft niet verandert totdat zij veranderen hetgeen in henzelf is, en dat God Alhorend is, Alwetend.
54
Gelijk de weg van het volk van Farao en degenen vóór hen: zij loochenden de tekenen huns Heren, dus vernietigden Wij hen om hun zonden, en Wij verdronken het volk van Farao. En allen waren zij onrechtvaardigen.
55
Voorwaar, de slechtste der schepselen in het oog Gods zijn degenen die verhuld hebben, want zij geloven niet,
56
degenen met wie gij een verbond sloot, dan breken zij hun verbond elke keer, en zij zijn niet godvrezend.
57
Indien gij hen dan in de oorlog aantreft, verspreidt dan door hun middel degenen achter hen, opdat zij wellicht mogen gedenken.
58
En indien gij verraad vreest van enig volk, werp het dan op gelijke voorwaarden terug naar hen. Voorwaar, God bemint de verraderlijken niet.
59
En laat degenen die verhuld hebben niet veronderstellen dat zij ontsnapt zijn. Voorwaar, zij kunnen niet verijdelen.
60
En bereidt tegen hen al hetgeen gij kunt van kracht en van strijdrossen, waarmee gij schrik moogt inboezemen in de vijand Gods en uw vijand, en anderen naast hen die gij niet kent; God kent hen. En al hetgeen gij besteedt op de weg Gods zal u ten volle terugbetaald worden, en u zal geen onrecht worden aangedaan.
61
En indien zij neigen tot vrede, neig gij er dan toe, en stel uw vertrouwen in God. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende.
62
En indien zij van zins zijn u te bedriegen, dan voorwaar God volstaat u. Hij is het die u versterkte met Zijn bijstand en met de gelovigen,
63
en hun harten verenigde. Had gij al hetgeen op de aarde is besteed, gij had hun harten niet kunnen verenigen, maar God verenigde hen. Voorwaar, Hij is Machtig, Wijs.
64
O Profeet! God volstaat u, en degenen die u volgen onder de gelovigen.
65
O Profeet! Spoor de gelovigen aan om te strijden. Indien er van u twintig standvastigen zijn, zullen zij tweehonderd overwinnen; en indien er van u honderd zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die verhuld hebben, omdat zij een volk zijn dat niet begrijpt.
66
Nu heeft God uw last verlicht, want Hij weet dat er zwakte in u is. Indien er dan van u honderd standvastigen zijn, zullen zij tweehonderd overwinnen; en indien er van u duizend zijn, zullen zij tweeduizend overwinnen, met verlof van God. En God is met de standvastigen.
67
Het is niet aan een profeet gevangenen te hebben totdat hij een grote slachting heeft aangericht in het land. Gij begeert de vluchtige goederen dezer wereld, maar God begeert het Hiernamaals. En God is Machtig, Wijs.
68
Ware het niet om een besluit van God dat was voorafgegaan, een grote kastijding zou u getroffen hebben om hetgeen gij naamt.
69
Eet dan van hetgeen gij als buit genomen hebt, geoorloofd en goed, en weest bedachtzaam jegens God. Voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
70
O Profeet! Zeg tot de gevangenen die in uw handen zijn: "Indien God enig goed kent in uw harten, zal Hij u beter geven dan hetgeen van u genomen is, en zal u vergeven. En God is Vergevend, Barmhartig."
71
En indien zij verraad jegens u beogen, dan hebben zij God reeds voordien verraden, en Hij gaf macht over hen. En God is Alwetend, Wijs.
72
Voorwaar, degenen die geloofden en emigreerden en streden met hun bezit en hun persoon op de weg Gods, en degenen die toevlucht en bijstand gaven, dezen zijn bondgenoten van elkander. En degenen die geloofden maar niet emigreerden, gij hebt geen plicht van bondgenootschap jegens hen totdat zij emigreren. Maar indien zij uw bijstand zoeken in de zaak van de godsdienst, dan rust op u de plicht van bijstand, behalve tegen een volk tussen wie en u een verbond is. En God ziet al hetgeen gij doet.
73
En degenen die verhuld hebben zijn bondgenoten van elkander. Indien gij het niet doet, zal er vervolging in het land zijn en groot verderf.
74
En degenen die geloofden en emigreerden en streden op de weg Gods, en degenen die toevlucht en bijstand gaven, dezen zijn de gelovigen in waarheid. Voor hen is vergiffenis en een edelmoedige voorziening.
75
En degenen die daarna geloofden en emigreerden en met u streden, dezen behoren tot u. En degenen die door verwantschap gebonden zijn, zijn elkander nader in het Boek Gods. Voorwaar, God weet alle dingen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 8 — Al-Anfal (De Buit)

Het “slaat boven de nekken”-vers (v.12)

Aan wie is het bevel gericht?

“Toen uw Heer de engelen inspireerde: ‘Voorwaar, Ik ben met u, maakt dus vast degenen die geloven. Ik zal verschrikking werpen in de harten dergenen die verhullen — slaat dan boven de nekken en slaat van hen elke vingertop.’”

Het bevel gaat van God aan de engelen — niet aan menselijke strijders. De gelovigen worden versterkt (thabbitoe, vastmaken), niet bevolen te slaan.

Stamanalyse

  • Fadriboe (stam ض-ر-ب, d-r-b): dezelfde stam als 4:34 en 24:31. Hier in strijdcontext draagt het de martiale betekenis. Maar let op:
  • Fawqa al-a’naaqboven de nekken. Fawq = boven, voorbij. Indien het eenvoudig “onthoofd” bedoelde, zou het Arabisch “idriboe al-a’naaq” zeggen (vgl. 47:4). De toevoeging van fawq (boven) is eigenaardig. Wat is boven de nek? Het hoofd — de zetel van wil, trots, eigenzinnigheid. Geestelijk gelezen: sla hun hoogmoed, hun eigenmachtigheid.
  • Koella banaan — elke vingertop. Ontneemt het vermogen te grijpen en vast te houden. Geestelijk: ontneemt hun greep op de macht.

V.17: “Gij dooddet hen niet, maar God doodde hen”

Dit vers ontneemt het geweld uitdrukkelijk aan menselijk handelen. “Gij dooddet hen niet, maar God doodde hen. En gij wierpt niet toen gij wierpt, maar God wierp.” Het zaahir (schijnbare: mensen die strijden) verhult het baatin (verborgene: God die handelt). Vergelijk 4:157 waar wat scheen de dood van Jezus te zijn shoebbieha (dubbelzinnig gemaakt) was.

V.61: Het vredesvers

“En indien zij neigen tot vrede, neig dan daartoe, en stel uw vertrouwen in God.”

Djanaahoe (stam ج-ن-ح, neigen) — als een vogel die zwenkt. De neiging is naar as-salm (vrede/overgave, stam س-ل-م — de toewijdingsstam!). Dezelfde soera die engelenstrijd beschrijft (v.12) gebiedt neiging tot vrede (v.61). Oorlog is goddelijk antwoord op specifieke aanval; vrede is de grondtoestand.

Integratieve verbanden

  • V.12 d-r-b verhoudt zich tot 4:34 (afzonderen) en 24:31 (bedekkingen trekken): context bepaalt de betekenis.
  • V.17 “God doodde hen” verhoudt zich tot 4:157 “zij doodden hem niet”: beide verzen bevragen de menselijke waarneming van geweld — zaahir tegenover baatin.
  • V.61 “neig tot vrede” (s-l-m) verhoudt zich tot toewijding (islaam, s-l-m): tot vrede neigen IS tot toewijding neigen.
9
At-Tawbah Het Berouw
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Een loszeggen van God en Zijn Boodschapper jegens degenen der veelgodendienaars met wie gij een verbond gesloten hebt.
2
Reist dan op de Aarde vier maanden, en weet dat gij God niet kunt verijdelen, en dat God schande zal brengen over degenen die verhullen.
3
En een verkondiging van God en Zijn Boodschapper aan de mensen op de dag van de Grote Bedevaart, dat God vrij is van degenen die deelgenoten toekennen, en Zijn Boodschapper evenzo. Indien gij dan berouw toont, zal het beter voor u zijn; maar indien gij u afwendt, weet dan dat gij God niet kunt verijdelen. En geeft tijding aan degenen die verhullen van een pijnlijke kastijding.
4
Behalve degenen der veelgodendienaars met wie gij een verbond gesloten hebt, en zij u vervolgens in niets te kort geschoten zijn, noch iemand tegen u gesteund hebben; vervult dan voor hen hun verbond tot hun termijn. Voorwaar, God bemint de godvrezenden.
5
Wanneer dan de gewijde maanden voorbij zijn, doodt dan degenen die deelgenoten toekennen waar gij hen ook vindt, en grijpt hen en belegert hen en zit hen op in elke hinderlaag. Maar indien zij berouw tonen en het gebed verrichten en de aalmoes geven, laat hen dan gaan. Voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
6
En indien iemand der veelgodendienaars uw bescherming zoekt, verleen hem dan bescherming, opdat hij het Woord Gods moge horen; breng hem vervolgens naar zijn veilige plaats. Dat is omdat zij een volk zijn dat niet weet.
7
Hoe zouden degenen die deelgenoten toekennen een verbond hebben met God en met Zijn Boodschapper? Behalve degenen met wie gij een verbond sloot bij de Gewijde Moskee — zolang zij oprecht jegens u zijn, weest oprecht jegens hen. Voorwaar, God bemint de godvrezenden.
8
Hoe? Want indien zij de overhand over u krijgen, eerbiedigen zij in u geen band van verwantschap noch verbond van bescherming. Zij behagen u met hun monden, maar hun harten weigeren; en de meesten hunner zijn verdorvenen.
9
Zij hebben de tekenen Gods verkocht voor een geringe prijs en afgewend van Zijn pad. Voorwaar, slecht is hetgeen zij plachten te doen.
10
Zij eerbiedigen in een gelovige geen band van verwantschap noch verbond van bescherming; en dezen zijn de overtreders.
11
Maar indien zij berouw tonen en het gebed verrichten en de aalmoes geven, dan zijn zij uw broeders in de godsdienst. En Wij zetten de tekenen uiteen voor een volk dat weet.
12
En indien zij hun eden breken na hun verbond en uw godsdienst aantasten, bestrijdt dan de leiders der verhulling — voorwaar, zij hebben geen eden — opdat zij wellicht mogen ophouden.
13
Wilt gij niet een volk bestrijden dat zijn eden brak en van zins was de Boodschapper te verdrijven, en zij begonnen tegen u de eerste maal? Vreest gij hen? God is meer waardig dat gij Hem zoudt vrezen, indien gij gelovigen zijt.
14
Bestrijdt hen — God zal hen kastijden door uw handen en hen te schande brengen en u overwinning over hen schenken en de borsten van een gelovig volk genezen,
15
en de woede hunner harten wegnemen. En God wendt zich in barmhartigheid tot wie Hij wil; en God is Wetend, Wijs.
16
Of veronderstelde gij dat gij gelaten zoudt worden, terwijl God nog niet degenen uwer gekend heeft die strijden en niet, naast God en Zijn Boodschapper en de gelovigen, enige vertrouweling nemen? En God is Kundig van hetgeen gij doet.
17
Het is niet aan degenen die deelgenoten toekennen de moskeeën Gods te onderhouden, getuigend tegen zichzelf van verhulling. Dezen — hun werken zijn ijdel, en in het Vuur zullen zij eeuwig verblijven.
18
Slechts hij zal de moskeeën Gods onderhouden die in God gelooft en in de Laatste Dag en het gebed verricht en de aalmoes geeft en niemand vreest dan God. Het kan zijn dat dezen tot de geleiden zullen behoren.
19
Hebt gij het geven van drank aan de bedevaartganger en het onderhouden van de Gewijde Moskee gelijkgesteld aan hem die in God gelooft en in de Laatste Dag en strijdt op de weg Gods? Zij zijn niet gelijk in het oog Gods; en God leidt het onrechtvaardige volk niet.
20
Degenen die geloven en geëmigreerd zijn en gestreden hebben op de weg Gods met hun bezit en hun persoon zijn groter in rang in het oog Gods; en dezen zijn de zegevierenden.
21
Hun Heer geeft hun blijde tijdingen van barmhartigheid van Hem en welbehagen en tuinen waarin voor hen blijvende gelukzaligheid is,
22
daarin eeuwig verblijvend. Voorwaar, bij God is een machtige beloning.
23
O gij die gelooft! Neemt uw vaders en uw broeders niet als beschermers indien zij het verhullen boven het geloof liefhebben. En wie onder u hen als beschermers neemt — dezen zijn de onrechtvaardigen.
24
Zeg: Indien uw vaders en uw zonen en uw broeders en uw echtgenoten en uw verwanten, en bezit dat gij verworven hebt, en handel waarvan gij vreest dat zij moge verslappen, en woonsteden waarmee gij tevreden zijt, u dierbaarder zijn dan God en Zijn Boodschapper en strijden op Zijn weg, wacht dan totdat God Zijn bevel brengt. En God leidt het verdorven volk niet.
25
God heeft u reeds overwinning geschonken op vele slagvelden, en op de dag van Hoenain, toen uw menigte u behaagde maar u niets baatte, en de Aarde, hoe uitgestrekt ook, u benauwd werd; toen keerdet gij terug, vluchtend.
26
Toen zond God Zijn gerustheid neder op Zijn Boodschapper en op de gelovigen, en zond legers neder die gij niet zaagt, en kastijdde degenen die verhulden. En dat is de vergelding dergenen die verhullen.
27
Dan wendt God zich in barmhartigheid daarna tot wie Hij wil; en God is Vergevend, Barmhartig.
28
O gij die gelooft! Voorwaar, degenen die deelgenoten toekennen zijn onrein; laat hen dan niet de Gewijde Moskee naderen na dit jaar hunner. En indien gij armoede vreest, God zal u verrijken van Zijn goedgunstigheid, indien Hij wil. Voorwaar, God is Wetend, Wijs.
29
Bestrijdt degenen die niet geloven in God noch in de Laatste Dag, en die niet verbieden hetgeen God en Zijn Boodschapper verboden hebben, en die niet de godsdienst der waarheid volgen, uit degenen aan wie het Boek gegeven is, totdat zij de vergoeding geven uit de hand, vernederd zijnde.
30
En de Joden zeggen: "Uzair is de zoon Gods," en de Christenen zeggen: "De Messias is de zoon Gods." Dat is hetgeen zij zeggen met hun monden, de zegging nabootsend dergenen die voordien verhulden. God strijde tegen hen! Hoe worden zij misleid!
31
Zij hebben hun geleerden en hun monniken als heren genomen naast God, en de Messias, zoon van Maria, doch hun werd slechts bevolen één God te aanbidden. Er is geen god dan Hij. Verheerlijkt zij Hij boven hetgeen zij associëren!
32
Zij wensen het licht Gods te blussen met hun monden, maar God weigert dan Zijn licht te vervolmaken, zelfs al verafschuwen degenen die verhullen het.
33
Hij is het die Zijn Boodschapper gezonden heeft met de leiding en de godsdienst der waarheid, opdat Hij haar moge doen zegevieren over alle godsdienst, zelfs al verafschuwen degenen die deelgenoten toekennen het.
34
O gij die gelooft! Voorwaar, velen der geleerden en der monniken verslinden het bezit der mensen in ijdelheid en wenden hen af van de weg Gods. En degenen die goud en zilver oppotten en het niet besteden op de weg Gods — geeft hun tijding van een pijnlijke kastijding,
35
op de Dag waarop het verhit zal worden in het vuur der Hel en hun voorhoofden en hun zijden en hun ruggen ermee gebrandmerkt zullen worden: "Dit is hetgeen gij voor uzelf opgehoopt hebt; proeft dan hetgeen gij placht op te hopen."
36
Voorwaar, het aantal der maanden bij God is twaalf maanden in het Boek Gods, van de dag dat Hij de hemelen en de aarde schiep; van hen zijn vier gewijd. Dat is de oprechte godsdienst; doet dan uzelf daarin geen onrecht. En bestrijdt degenen die deelgenoten toekennen allen tezamen, gelijk zij u bestrijden allen tezamen; en weet dat God met de godvrezenden is.
37
Voorwaar, het uitstel is slechts een toename in verhulling. Degenen die verhullen worden erdoor misleid — zij maken het geoorloofd het ene jaar en maken het verboden het andere jaar, opdat zij het getal mogen evenaren van hetgeen God verboden heeft gemaakt, en zo geoorloofd maken hetgeen God verboden heeft. Het kwaad hunner daden is hun schoonschijnend gemaakt; en God leidt het volk dat verhuld niet.
38
O gij die gelooft! Wat scheelt u dat, wanneer tot u gezegd wordt: "Trekt uit op de weg Gods," gij zwaar aan de Aarde hangt? Zijt gij tevreden met het leven dezer wereld in plaats van het Hiernamaals? Doch het genot van het leven dezer wereld vergeleken bij het Hiernamaals is slechts gering.
39
Indien gij niet uittrekt, zal Hij u kastijden met een pijnlijke kastijding en u vervangen door een ander volk, en gij zult Hem in het geheel niet schaden; en God heeft macht over alle dingen.
40
Indien gij hem niet helpt, doch God heeft hem reeds geholpen toen degenen die verhulden hem verdreven, de tweede van twee, toen zij beiden in de grot waren, toen hij tot zijn metgezel zeide: "Treur niet; voorwaar, God is met ons." Toen zond God Zijn gerustheid op hem neder en steunde hem met legers die gij niet zaagt, en maakte het woord dergenen die verhulden het laagste, terwijl het Woord Gods — het is het hoogste. En God is Machtig, Wijs.
41
Trekt uit, licht en zwaar, en strijdt met uw bezit en uw persoon op de weg Gods. Dat is beter voor u, indien gij het maar wist.
42
Ware het een nabije winst geweest en een gemakkelijke reis, zij zouden u gevolgd hebben; maar de afstand was hun ver. En zij zullen bij God zweren: "Hadden wij gekund, wij zouden met u zijn uitgetrokken." Zij vernietigen hun eigen zielen; en God weet dat zij voorwaar leugenaars zijn.
43
God vergeve u! Waarom verleende gij hun verlof eer het u duidelijk was gemaakt wie de waarachtigen zijn, en gij de leugenaars kende?
44
Degenen die in God geloven en in de Laatste Dag vragen uw verlof niet om te strijden met hun bezit en hun persoon; en God is Wetend van de godvrezenden.
45
Slechts degenen vragen uw verlof die niet geloven in God en in de Laatste Dag, en wier harten in twijfel zijn; dus in hun twijfel schommelen zij.
46
En hadden zij gewenst uit te trekken, zij zouden er enige voorbereiding voor getroffen hebben; maar God was afkerig van hun uitzending, dus hield Hij hen terug, en er werd gezegd: "Zit met degenen die zitten."
47
Waren zij onder u uitgetrokken, zij zouden u slechts moeilijkheden hebben toegevoegd, en zouden in uw midden rondgehaast hebben tweedracht zoekend onder u; en onder u zijn er die naar hen zouden hebben geluisterd. En God is Wetend van de onrechtvaardigen.
48
Stellig zochten zij tweedracht voordien, en keerden de zaken om voor u, totdat de waarheid kwam en het bevel Gods zegevierde, ofschoon zij afkerig waren.
49
En onder hen is hij die zegt: "Verleen mij verlof en verleid mij niet." Welneen! In de verleiding zijn zij reeds gevallen; en voorwaar, de Hel omvat degenen die verhullen.
50
Indien u goed overkomt, bedroeft het hen; en indien u ongeluk overkomt, zeggen zij: "Wij namen onze voorzorg voordien," en zij wenden zich af, verheugd.
51
Zeg: "Ons zal slechts overkomen hetgeen God voor ons beschikt heeft. Hij is onze Beschermer; en in God laten de gelovigen hun vertrouwen stellen."
52
Zeg: "Verwacht gij voor ons iets anders dan een der twee beste dingen? Terwijl wij voor u verwachten dat God u treffe met een kastijding van Hemzelf of door onze handen. Wacht dan; voorwaar, wij wachten met u."
53
Zeg: "Besteedt gewillig of onwillig; het zal niet van u aanvaard worden. Voorwaar, gij zijt een verdorven volk."
54
En niets verhindert dat hun offergaven van hen aanvaard worden dan dat zij God en Zijn Boodschapper verhuld hebben, en zij niet tot het gebed komen dan lusteloos, en zij niet besteden dan onwillig.
55
Laat dan hun bezit noch hun kinderen u behagen. God wenst hen er slechts mee te kastijden in het leven dezer wereld, en dat hun zielen heengaan terwijl zij verhullen.
56
En zij zweren bij God dat zij voorwaar tot u behoren; doch zij behoren niet tot u, maar zij zijn een volk dat vreest.
57
Konden zij een toevlucht vinden of grotten of een plaats om binnen te gaan, zij zouden zich ernaar keren, ijlings voortsnellend.
58
En onder hen zijn er die u berispen over de aalmoezen. Indien hun ervan gegeven wordt, zijn zij tevreden; en indien hun er niet van gegeven wordt, ziet, zij zijn vertoornd.
59
En hadden zij slechts tevreden geweest met hetgeen God en Zijn Boodschapper hun gaven, en hadden gezegd: "God volstaat ons; God zal ons geven van Zijn goedgunstigheid, en Zijn Boodschapper evenzo. Voorwaar, naar God zijn wij begerig" —
60
Voorwaar, de aalmoezen zijn slechts voor de armen en de behoeftigen, en degenen die ze beheren, en degenen wier harten verzoend moeten worden, en voor de bevrijding van nekken, en voor degenen in schuld, en op de weg Gods, en voor de reiziger — een verordening van God. En God is Wetend, Wijs.
61
En onder hen zijn er die de Profeet kwellen en zeggen: "Hij is louter oor." Zeg: "Een oor van goed voor u — hij gelooft in God en gelooft de gelovigen, en is een barmhartigheid voor degenen uwer die geloven." En degenen die de Boodschapper Gods kwellen — voor hen is een pijnlijke kastijding.
62
Zij zweren u bij God om u te behagen; maar God en Zijn Boodschapper zijn meer waardig dat zij Hem zouden behagen, indien zij gelovigen zijn.
63
Weten zij niet dat wie zich verzet tegen God en Zijn Boodschapper — voorwaar, voor hem is het vuur der Hel, om daarin te verblijven? Dat is de machtige schande.
64
De huichelaars vrezen dat een soerah op hen nedergezonden worde, hen berichtend over hetgeen in hun harten is. Zeg: "Spot maar! Voorwaar, God zal voortbrengen hetgeen gij vreest."
65
En indien gij hen vraagt, zullen zij zeggen: "Wij waren slechts schertsen en spelen." Zeg: "Was het met God en Zijn tekenen en Zijn Boodschapper dat gij spottet?"
66
Verontschuldigt u niet. Gij hebt verhuld na uw geloof. Indien Wij een deel uwer vergiffenis schenken, zullen Wij een deel kastijden, omdat zij zondaars waren.
67
De huichelende mannen en de huichelende vrouwen — zij behoren tot elkander. Zij bevelen hetgeen verkeerd is en verbieden hetgeen recht is en sluiten hun handen. Zij hebben God vergeten, dus heeft Hij hen vergeten. Voorwaar, de huichelaars — zij zijn de verdorvenen.
68
God heeft de huichelende mannen en de huichelende vrouwen en degenen die verhullen het vuur der Hel beloofd, om daarin te verblijven. Het volstaat hen; en God heeft hen vervloekt, en voor hen is een blijvende kastijding.
69
Gelijk degenen vóór u — zij waren machtiger dan gij in kracht, en overvloediger in bezit en kinderen. Zij genoten van hun deel; dus hebt gij genoten van uw deel gelijk degenen vóór u van hun deel genoten, en gij hebt u ondergedompeld gelijk zij zich onderdompelden. Dezen — hun werken zijn ijdel in deze wereld en het Hiernamaals; en dezen zijn de verliezers.
70
Is de tijding hun niet gekomen van degenen vóór hen — het volk van Noach, en Ad, en Thamoed, en het volk van Abraham, en het volk van Midjan, en de omgekeerde steden? Hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen. God zou hun geen onrecht doen, maar zij plachten zichzelf onrecht te doen.
71
En de gelovige mannen en de gelovige vrouwen — zij zijn beschermers van elkander. Zij bevelen hetgeen recht is en verbieden hetgeen verkeerd is en verrichten het gebed en geven de aalmoes en gehoorzamen God en Zijn Boodschapper. Dezen — God zal zich over hen ontfermen. Voorwaar, God is Machtig, Wijs.
72
God heeft de gelovige mannen en de gelovige vrouwen tuinen beloofd waaronder rivieren stromen, om daarin te verblijven, en goede woonsteden in de Tuinen van Eden. En welbehagen van God is groter. Dat is het machtige welvaren.
73
O Profeet! Strijd tegen degenen die verhullen en de huichelaars, en wees streng jegens hen. En hun verblijf is de Hel; en ellendig is de bestemming.
74
Zij zweren bij God dat zij het niet gezegd hebben, doch stellig spraken zij het woord der verhulling en verhulden na hun Toewijding, en zij hadden van zins hetgeen zij niet bereikten. En zij namen slechts wraak omdat God en Zijn Boodschapper hen verrijkt hadden van Zijn goedgunstigheid. Indien zij dan berouw tonen, zal het beter voor hen zijn; en indien zij zich afwenden, zal God hen kastijden met een pijnlijke kastijding in deze wereld en het Hiernamaals; en zij zullen op de Aarde noch beschermer noch helper hebben.
75
En onder hen is hij die een verbond sloot met God: "Indien Hij ons geeft van Zijn goedgunstigheid, zullen wij stellig aalmoezen geven en stellig tot de rechtvaardigen behoren."
76
Maar toen Hij hun gaf van Zijn goedgunstigheid, waren zij er gierig mee en wendden zich af, afkerig.
77
Dus deed Hij huichelarij hen volgen in hun harten tot de dag dat zij Hem ontmoeten, omdat zij tegenover God braken hetgeen zij Hem beloofd hadden en omdat zij plachten te liegen.
78
Weten zij niet dat God hun geheim en hun vertrouwelijk overleg kent, en dat God de Kenner is van de verborgene dingen?
79
Degenen die de bereidwilligen onder de gelovigen berispen over de aalmoezen, en degenen die slechts hun inspanning vinden — en zij bespotten hen — God zal hen bespotten, en voor hen is een pijnlijke kastijding.
80
Vraag vergiffenis voor hen of vraag geen vergiffenis voor hen. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, God zal hun niet vergeven. Dat is omdat zij God en Zijn Boodschapper verhuld hebben; en God leidt het verdorven volk niet.
81
Degenen die achterbleven verheugden zich in het stilzitten achter de Boodschapper Gods, en waren afkerig van het strijden met hun bezit en hun persoon op de weg Gods, en zeiden: "Trekt niet uit in de hitte." Zeg: "Het vuur der Hel is heviger in hitte," indien zij het maar begrepen.
82
Laat hen dan een weinig lachen en veel wenen, als vergelding voor hetgeen zij plachten te verdienen.
83
Indien God u dan terugbrengt tot een deel hunner en zij uw verlof vragen om uit te trekken, zeg: "Gij zult nimmer met mij uittrekken, noch zult gij ooit tegen een vijand met mij strijden. Voorwaar, gij waart tevreden de eerste maal te zitten; zit dan met degenen die achterblijven."
84
En bid niet over enigen hunner die sterft, ooit, noch sta bij zijn graf. Voorwaar, zij verhulden God en Zijn Boodschapper en stierven terwijl zij verdorvenen waren.
85
En laat hun bezit noch hun kinderen u behagen. God wenst hen er slechts mee te kastijden in deze wereld, en dat hun zielen heengaan terwijl zij verhullen.
86
En wanneer een soerah nedergezonden wordt: "Gelooft in God en strijdt met Zijn Boodschapper," vragen degenen die de middelen hebben onder hen uw verlof en zeggen: "Laat ons bij degenen zijn die zitten."
87
Zij zijn tevreden bij degenen te zijn die achterblijven, en een zegel is op hun harten geplaatst; dus begrijpen zij niet.
88
Maar de Boodschapper en degenen die met hem geloven strijden met hun bezit en hun persoon; en voor hen zijn de goede dingen, en dezen zijn de voorspoedigen.
89
God heeft voor hen tuinen bereid waaronder rivieren stromen, om daarin te verblijven. Dat is het machtige welvaren.
90
En de verontschuldigden onder de woestijnarabieren kwamen opdat hun verlof moge worden verleend, en degenen die tegen God en Zijn Boodschapper logen bleven thuis. Een pijnlijke kastijding zal degenen hunner treffen die verhullen.
91
Er is geen schuld op de zwakken, noch op de zieken, noch op degenen die niets te besteden vinden, indien zij oprecht zijn jegens God en Zijn Boodschapper. Er is geen weg tegen de weldoeners; en God is Vergevend, Barmhartig.
92
Noch op degenen die, toen zij tot u kwamen opdat gij hun rijdieren moogt verschaffen, en gij zeidet: "Ik vind niets waarop ik u kan laten rijden" — zij keerden terug, hun ogen vloeiend van tranen van verdriet dat zij niets konden vinden om te besteden.
93
De weg is slechts tegen degenen die uw verlof vragen terwijl zij rijk zijn. Zij zijn tevreden bij degenen te zijn die achterblijven, en God heeft een zegel op hun harten geplaatst; dus weten zij niet.
94
Zij zullen zich verontschuldigen bij u wanneer gij tot hen terugkeert. Zeg: "Verontschuldigt u niet; wij zullen u nimmer geloven. God heeft ons reeds van uw tijdingen bericht. En God zal uw daden zien, en Zijn Boodschapper; dan zult gij teruggebracht worden tot de Kenner van het verborgene en het zichtbare, en Hij zal u berichten over hetgeen gij placht te doen."
95
Zij zullen u bij God zweren wanneer gij tot hen terugkeert, opdat gij u van hen moogt afwenden. Wendt u dan van hen af; voorwaar, zij zijn onrein, en hun verblijf is de Hel, als vergelding voor hetgeen zij plachten te verdienen.
96
Zij zweren u opdat gij tevreden over hen moogt zijn. Maar indien gij tevreden over hen zijt, voorwaar God is niet tevreden over het verdorven volk.
97
De woestijnarabieren zijn heviger in verhulling en huichelarij, en meer geneigd de grenzen niet te kennen van hetgeen God op Zijn Boodschapper nedergezonden heeft; en God is Wetend, Wijs.
98
En onder de woestijnarabieren is hij die hetgeen hij besteedt als een boete beschouwt, en voor u de keren des lots afwacht. Op hen zal de kwade keer zijn; en God is Horend, Wetend.
99
En onder de woestijnarabieren is hij die in God gelooft en in de Laatste Dag, en hetgeen hij besteedt beschouwt als offergaven die nabij God brengen en de gebeden van de Boodschapper. Welneen, voorwaar het is een middel van nabijheid voor hen. God zal hen in Zijn barmhartigheid toelaten; voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
100
En de voorsten, de eersten der Emigranten en der Helpers, en degenen die hen volgden in goedheid — God is wel tevreden met hen en zij zijn wel tevreden met Hem, en Hij heeft voor hen tuinen bereid waaronder rivieren stromen, om daarin eeuwig te verblijven. Dat is het machtige welvaren.
101
En onder degenen rondom u van de woestijnarabieren zijn huichelaars; en onder het volk van Medina — zij volharden in de huichelarij. Gij kent hen niet; Wij kennen hen. Wij zullen hen tweemaal kastijden; dan zullen zij teruggebracht worden tot een machtige kastijding.
102
En anderen hebben hun zonden erkend; zij hebben een rechtvaardige daad vermengd met een andere die slecht is. Het kan zijn dat God zich in barmhartigheid tot hen zal wenden; voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
103
Neem van hun bezit een offergave om hen te louteren en te reinigen, en bid over hen; voorwaar, uw gebed is hun een troost. En God is Horend, Wetend.
104
Weten zij niet dat God — Hij is het die berouw aanvaardt van Zijn dienaren en de offergaven neemt, en dat God — Hij is de Telkenskerende, de Barmhartige?
105
En zeg: "Werkt; want God zal uw werk zien, en Zijn Boodschapper en de gelovigen. En gij zult teruggebracht worden tot de Kenner van het verborgene en het zichtbare, en Hij zal u berichten over hetgeen gij placht te doen."
106
En anderen zijn uitgesteld tot het bevel Gods — of Hij hen zal kastijden of zich in barmhartigheid tot hen zal wenden. En God is Wetend, Wijs.
107
En degenen die een moskee gebouwd hebben tot schade en tot verhulling en tot verdeling onder de gelovigen en als een buitenpost voor hem die voordien oorlog voerde tegen God en Zijn Boodschapper — en zij zullen stellig zweren: "Wij hadden slechts het beste voor." En God draagt getuigenis dat zij voorwaar leugenaars zijn.
108
Sta er nimmer in. Een moskee die van de eerste dag af gegrondvest was op godvrezendheid is meer waardig dat gij daarin staat. Daarin zijn mannen die beminnen zich te louteren; en God bemint degenen die zich louteren.
109
Is dan hij die zijn bouwwerk grondvestte op godvrezendheid jegens God en welbehagen beter, of hij die zijn bouwwerk grondvestte op de rand van een afbrokkelende klif, en het stortte met hem in het vuur der Hel? En God leidt het onrechtvaardige volk niet.
110
Het bouwwerk dat zij gebouwd hebben zal niet ophouden een bron van twijfel in hun harten te zijn, tenzij hun harten doorgesneden worden. En God is Wetend, Wijs.
111
Voorwaar, God heeft van de gelovigen hun zielen en hun bezit gekocht voor dat de Tuin de hunne zal zijn. Zij strijden op de weg Gods, en zij doden en worden gedood — een belofte bindend voor Hem in waarheid in de Tora en het Evangelie en de Voordracht. En wie vervult zijn verbond beter dan God? Verheugt u dan in de handel die gij met Hem gesloten hebt; en dat is het machtige welvaren.
112
Degenen die berouw tonen, degenen die aanbidden, degenen die loven, degenen die reizen, degenen die buigen, degenen die zich nederwerpen, degenen die het rechte bevelen en het verkeerde verbieden, en degenen die de grenzen Gods bewaken — en geeft blijde tijding aan de gelovigen.
113
Het is niet aan de Profeet en degenen die geloven vergiffenis te vragen voor degenen die deelgenoten toekennen, zelfs al zijn zij verwanten, nadat het hun duidelijk is geworden dat zij bewoners der Vlam zijn.
114
En het vragen van vergiffenis door Abraham voor zijn vader was slechts vanwege een belofte die hij hem gedaan had. Maar toen het hem duidelijk werd dat hij een vijand was van God, zegde hij hem los. Voorwaar, Abraham was tederhartig, verdraagzaam.
115
En God zou een volk niet doen afdwalen nadat Hij hen geleid heeft totdat Hij hun duidelijk maakt waarvoor zij zich moeten hoeden. Voorwaar, God is Wetend van alle dingen.
116
Voorwaar, aan God behoort de heerschappij der hemelen en der Aarde. Hij geeft het leven en veroorzaakt de dood; en gij hebt, naast God, geen beschermer noch helper.
117
God heeft zich reeds in barmhartigheid gewend tot de Profeet en de Emigranten en de Helpers die hem volgden in het uur der ontbering, nadat de harten van een deel hunner bijna waren afgeweken; toen wendde Hij zich tot hen in barmhartigheid. Voorwaar, Hij is jegens hen Genadig, Barmhartig.
118
En tot de drie die achtergelaten werden, totdat wanneer de Aarde, hoe uitgestrekt ook, hun benauwd werd, en hun zielen hun benauwd werden, en zij wisten dat er geen toevlucht is voor God behalve tot Hem — toen wendde Hij zich tot hen in barmhartigheid, opdat zij berouw mochten tonen. Voorwaar, God — Hij is de Telkenskerende, de Barmhartige.
119
O gij die gelooft! Weest godvrezend jegens God en weest met de waarachtigen.
120
Het was niet aan het volk van Medina en degenen rondom hen van de woestijnarabieren achter te blijven bij de Boodschapper Gods, noch hun eigen zielen te verkiezen boven zijn ziel. Dat is omdat hen geen dorst noch vermoeidheid noch honger treft op de weg Gods, noch zij enig pad betreden dat degenen die verhullen vertoornt, noch zij enig voordeel behalen op een vijand, of een rechtvaardige daad wordt hun daarvoor geschreven. Voorwaar, God verspilt het loon der weldoeners niet.
121
Noch besteden zij enige besteding, klein of groot, noch doorkruisen zij enig dal, of het wordt hun geschreven, opdat God hen het beste moge vergelden van hetgeen zij plachten te doen.
122
En het is niet aan de gelovigen allen tezamen uit te trekken. Waarom zou niet een groep uit elke afdeling hunner uittrekken, opdat zij begrip mogen verwerven in de godsdienst en opdat zij hun volk mogen waarschuwen wanneer zij tot hen terugkeren, opdat zij wellicht op hun hoede mogen zijn?
123
O gij die gelooft! Bestrijdt degenen dergenen die verhullen die nabij u zijn, en laat hen in u een gestrengheid vinden; en weet dat God met de godvrezenden is.
124
En wanneer een soerah nedergezonden wordt, zijn er sommigen hunner die zeggen: "Wie uwer heeft dit doen toenemen in geloof?" Wat betreft degenen die geloven, het heeft hen doen toenemen in geloof, en zij verheugen zich.
125
Maar wat betreft degenen in wier harten een ziekte is, het heeft vuilheid toegevoegd aan hun vuilheid, en zij zijn gestorven terwijl zij verhullen.
126
Zien zij niet dat zij elk jaar eenmaal of tweemaal beproefd worden? Doch zij tonen geen berouw, noch nemen zij het ter harte.
127
En wanneer een soerah nedergezonden wordt, kijken zij naar elkander: "Ziet iemand u?" Dan wenden zij zich af. God heeft hun harten gewend, want zij zijn een volk dat niet begrijpt.
128
Er is tot u een Boodschapper gekomen uit uzelf; grievend voor hem is uw lijden; bezorgd is hij over u; jegens de gelovigen is hij genadig, barmhartig.
129
Maar indien zij zich afwenden, zeg dan: "God volstaat mij. Er is geen god dan Hij. In Hem stel ik mijn vertrouwen; en Hij is de Heer van de Machtige Troon."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 9 — At-Tawba (De Terugkeer)

Algemene opmerkingen

At-Tawba is de enige soera die niet met de Basmala begint. Mogelijke verklaring: de afwezigheid van de barmhartigheidsformule IS het punt — deze soera handelt over verbroken verbonden, en de barmhartigheid wordt onthouden aan hen die het verbond der barmhartigheid zelf hebben geschonden.

De soera heet ook Baraa’a (Losspreking) naar haar openingswoord. Zij was een van de laatst geopenbaarde soera’s en behandelt de specifieke politieke situatie na de verovering van Mekka.

Het “zwaardvers” (v.5) — Het meest als wapen gebruikte vers

Wat het vers WEL zegt, in context

Het vers wordt bijna altijd geciteerd vanaf فَاقْتُلُوا (“doodt dan”), waarbij wordt weggelaten:

  1. vv.1–4: dit gaat over SPECIFIEKE verdragsbrekende afgodendienaren, niet over alle niet-moslims
  2. v.4: VRIJSTELLING voor afgodendienaren die hun verdragen eerden
  3. De eigen afsluiting van het vers: “Doch indien zij terugkeren… laat hen dan vrij. God is Vergevingsgezind, Barmhartig”
  4. v.6: de ONMIDDELLIJKE asielclausule

v.6: Het asielvers — altijd weggelaten

“Indien een der afgodendienaren uw bescherming zoekt, verleen hem dan bescherming, opdat hij het Woord Gods moge horen; geleidt hem dan naar zijn plaats van veiligheid.”

  • اسْتَجَارَكَ — Vorm X van ج-و-ر: nabuurschap zoeken, bescherming zoeken.
  • مَأْمَنَهُ — “zijn plaats van veiligheid.” Stam أ-م-ن, dezelfde stam als إِيمَان (geloof), أَمَان (veiligheid), أَمِين (betrouwbaar). Geloof en veiligheid delen één stam.

Het “zwaardvers” is INGEKLEMD tussen: v.4 (eer verdragen) en v.6 (verleen bescherming aan IEDER die erom vraagt). De vermeende “dood alle ongelovigen”-lezing vereist het negeren van v.4, de tweede helft van v.5 en geheel v.6.

Stamanalyse v.5

  • المشركين — stam ش-ر-ك: deelgenoten toekennen. Het beschrijft een HANDELING, geen identiteit. Iedereen kan ophouden met deelgenoten toekennen.
  • تابوا — stam ت-و-ب: terugkeren, berouw tonen. Dezelfde stam als de naam der soera (At-Tawba). De soera over terugkeer biedt terugkeer aan zelfs aan hen tegen wie strijd wordt bevolen.

Vers 29: Vorm III vs. Vorm I — het cruciale onderscheid

  • v.5 gebruikt اقْتُلُوا — Vorm I: doden. Eenzijdig.
  • v.29 gebruikt قَاتِلُوا — Vorm III: strijden. Vorm III drukt wederkerigheid uit — iets doen met of jegens iemand die het terugdoet. Wederzijdse strijd, geen slachting.

Dit onderscheid wordt in bijna elke vertaling uitgewist.

De voorwaarden: niet “alle” Schriftbezitters

Het vers specificeert VIER voorwaarden — het beschrijft een SPECIFIEKE deelgroep, niet christenen en joden als zodanig. Een christen of jood die in God en de Laatste Dag gelooft en de waarheid volgt, wordt door dit vers niet beschreven (vgl. 2:62 en 5:69).

v.32: Het lichtvers

“Zij willen het licht Gods uitblazen met hun monden, doch God weigert anders dan Zijn licht te vervolmaken, al zijn de verhullers afkerig.”

Het beeld is bijna komisch — als proberen de zon uit te blazen. Verbinding met het weigeringspatroon: elke poging de Schenkingen te tegenspreken (55:13) faalt.

De boog der soera: van losspreking tot terugkeer

Ondanks haar strenge opening heet de soera “Terugkeer” (التوبة). De stam ت-و-ب verschijnt voortdurend:

  • v.5: “indien zij terugkeren”
  • v.11: “indien zij terugkeren… dan zijn zij uw broeders in het geloof”
  • v.104: “God is Degene die de terugkeer aanvaardt”
  • v.118: God “keerde Zich tot hen opdat zij mochten terugkeren”

De beweging gaat van بَرَاءَة (losspreking, v.1) naar تَوْبَة (terugkeer). Zelfs wie losgesproken is, kan terugkeren. De strengste soera eindigt met het barmhartigste beginsel.

Integratieve verbanden

  • v.5 “laat hen vrij” ↔ 4:90 “indien zij u vrede aanbieden”: strijdverzen eindigen altijd met vredesvoorwaarden
  • v.6 asiel ↔ 55:33 “gij kunt niet doortrekken dan met gezag”: gezag (sultaan) en bescherming (ijaara) als goddelijke beginselen
  • v.29 qaatiloe (Vorm III, wederkerig) ↔ v.5 uqtuloe (Vorm I, eenzijdig): de Voordracht onderscheidt strijd en doding
  • v.32 “het licht Gods uitblazen” ↔ 55:13 “welke Schenkingen wilt gij tegenspreken?”: de vruchteloosheid van verzet tegen goddelijk licht
  • De ontbrekende Basmala ↔ 55:1 “De Albarmhartige”: barmhartigheid wordt onthouden aan de soera over verbroken verbonden, terwijl Soera 55 met barmhartigheid zelf opent
  • تَوْبَة (terugkeer) ↔ ح-و-ر (hoer, terugkeer) in 55:72: berouw en de Teruggekeerden delen het begrip terugkeer tot God
10
Joenoes Jona
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Raa. Dit zijn de tekenen van het Boek der Wijsheid.
2
Is het een wonder voor de mensen dat Wij aan een man uit hun midden hebben geopenbaard: "Waarschuw de mensen, en geef blijde tijdingen aan hen die geloven dat voor hen een voetstuk van waarheid is bij hun Heer"? Zij die verhullen zeggen: "Voorwaar, deze is een klaarblijkelijke tovenaar."
3
Voorwaar, uw Heer is God, Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen, Zich dan vestigde op den Troon, de zaak bestierend. Er is geen voorspreker dan na Zijn verlof. Dat is God, uw Heer, aanbidt Hem dus. Zult gij dan niet gedenken?
4
Tot Hem is uw terugkeer, allen tezamen — de belofte Gods in waarheid. Voorwaar, Hij begint de schepping, dan herhaalt Hij haar, opdat Hij hen die geloven en rechtvaardige werken doen moge vergelden met billijkheid. En zij die verhullen, voor hen is een drank van kokend water en een pijnlijke kastijding omdat zij plachten te verhullen.
5
Hij is het Die de zon tot een glans maakte en de maan tot een licht, en haar standplaatsen bepaalde, opdat gij het getal der jaren en de berekening moogt kennen. God schiep dat niet dan in waarheid. Hij zet de tekenen uiteen voor een volk dat weet.
6
Voorwaar, in de afwisseling van den nacht en den dag, en in hetgeen God in de hemelen en op de aarde heeft geschapen, zijn tekenen voor een volk dat godvrezend is.
7
Voorwaar, zij die niet hopen op Onze ontmoeting en tevreden zijn met het leven dezer wereld en er gerust mee zijn, en zij die achteloos zijn omtrent Onze tekenen —
8
dezen, hun verblijfplaats is het Vuur, voor hetgeen zij plachten te verdienen.
9
Voorwaar, zij die geloven en rechtvaardige werken doen, hun Heer leidt hen door hun geloof; onder hen stromen rivieren in de Tuinen der Verrukking.
10
Hun roep daarin is: "Verheven zijt Gij, o God!" En hun groet daarin is: "Vrede!" En de slotsom hunner roep is: "Lof zij God, Heer der werelden!"
11
En indien God voor de mensen het kwaad zou verhaasten gelijk zij het goede verhaasten, hun termijn zou voorzeker zijn vervuld. Dus laten Wij hen die niet hopen op Onze ontmoeting in hun overtreding, blindelings ronddwalend.
12
En wanneer den mens schade treft, roept hij Ons aan op zijn zij, of zittend, of staand; wanneer Wij dan zijn schade van hem hebben weggenomen, gaat hij voort alsof hij Ons nimmer heeft aangeroepen voor een schade die hem trof. Aldus wordt den buitensporigen schoon gemaakt hetgeen zij plachten te doen.
13
En voorwaar, Wij vernietigden de geslachten vóór u toen zij onrecht deden, en hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen, doch zij wilden niet geloven. Aldus vergelden Wij het schuldige volk.
14
Toen maakten Wij u opvolgers op de aarde na hen, opdat Wij mochten aanschouwen hoe gij zoudt handelen.
15
En wanneer Onze duidelijke tekenen hun worden voorgedragen, zeggen zij die niet hopen op Onze ontmoeting: "Breng een Voordracht anders dan deze, of verander haar." Zeg: "Het is niet aan mij haar te veranderen uit eigen beweging. Ik volg niets dan hetgeen mij geopenbaard wordt. Voorwaar, ik vrees, indien ik mijn Heer ongehoorzaam ben, de kastijding van een geweldige Dag."
16
Zeg: "Had God gewild, ik zou haar u niet hebben voorgedragen, noch zou Hij haar u hebben doen kennen. Ik heb een leven lang onder u verbleven vóór haar. Zult gij dan niet begrijpen?"
17
Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die tegen God een leugen verzint of Zijn tekenen loochent? Voorwaar, de schuldigen zullen geen voorspoed hebben.
18
En zij aanbidden naast God hetgeen hun niet schaadt noch baat, en zij zeggen: "Dezen zijn onze voorsprekers bij God." Zeg: "Zoudt gij God willen inlichten over hetgeen Hij niet kent in de hemelen of op de aarde?" Verheven zij Hij, en verheven is Hij boven hetgeen zij Hem toekennen.
19
En de mensen waren slechts één gemeenschap, toen verschilden zij. En ware het niet om een woord dat van uw Heer was voorgegaan, het zou tussen hen zijn beslist omtrent hetgeen waarin zij verschillen.
20
En zij zeggen: "Waarom is er geen teken op hem nedergezonden van zijn Heer?" Zeg dan: "Het verborgene behoort slechts aan God. Wacht dus; voorwaar, ik ben met u onder hen die wachten."
21
En wanneer Wij de mensen barmhartigheid doen proeven nadat tegenspoed hen heeft getroffen, zie, zij hebben een plan omtrent Onze tekenen. Zeg: "God is sneller in plannen." Voorwaar, Onze boodschappers tekenen op hetgeen gij beraamt.
22
Hij is het Die u vervoert over het land en de zee, totdat, wanneer gij in de schepen zijt en zij met hen varen met een gunstige wind en zij zich erin verheugen, er een stormachtige wind over hen komt, en de golven van alle zijden over hen komen, en zij menen dat zij omsingeld zijn — zij roepen God aan, hun geloof Hem oprecht towijdend: "Indien Gij ons hieruit redt, zullen wij voorzeker van de dankbaren zijn."
23
Wanneer Hij hen dan heeft gered, zie, zij overtreden op de aarde zonder recht. O mensen! Uw overtreding is slechts tegen uw eigen zielen — een genot van het leven dezer wereld; dan is tot Ons uw terugkeer, en Wij zullen u inlichten over hetgeen gij placht te doen.
24
De gelijkenis van het leven dezer wereld is slechts als water dat Wij van den hemel nederzenden, en de planten der aarde vermengen zich ermee, van hetgeen mens en vee eet, totdat, wanneer de aarde haar sieraad heeft aangenomen en getooid is, en haar bewoners menen dat zij er macht over hebben, Ons gebod erbij komt des nachts of des daags, en Wij haar maken alsof gemaaid, alsof zij gisteren niet had gebloeid. Aldus zetten Wij de tekenen uiteen voor een volk dat nadenkt.
25
En God roept tot de Verblijfplaats des Vredes, en leidt wie Hij wil tot een recht pad.
26
Voor hen die goed doen is de schoonste beloning, en vermeerdering. Noch stof noch vernedering zal hun aangezichten bedekken. Dezen zijn de gezellen der Tuin; daarin verblijven zij eeuwig.
27
En zij die kwade daden verdienen — de vergelding van een kwade daad is het gelijke ervan, en vernedering zal hen bedekken. Zij hebben geen beschermer tegen God. Alsof hun aangezichten gesluierd waren met stukken van den nacht, verduisterd. Dezen zijn de gezellen des Vuurs; daarin verblijven zij eeuwig.
28
En op den Dag waarop Wij hen allen tezamen vergaderen, dan zeggen Wij tot hen die deelgenoten toekenden: "Uw plaats, gij en uw deelgenoten!" Dan scheiden Wij hen, en hun deelgenoten zeggen: "Het waren niet wij die gij aanbadt."
29
"God is voldoende als getuige tussen ons en u; voorwaar, wij waren achteloos omtrent uw aanbidding."
30
Daar wordt elke ziel beproefd voor hetgeen zij voorheen deed. En zij worden teruggevoerd tot God, hun ware Meester, en hetgeen zij plachten te verzinnen dwaalt van hen weg.
31
Zeg: "Wie voorziet u van den hemel en de aarde? Of wie bezit het gehoor en het gezicht? En wie brengt het levende voort uit het dode en brengt het dode voort uit het levende? En wie bestiert de zaak?" Zij zullen zeggen: "God." Zeg dan: "Zult gij dan niet godvrezend zijn?"
32
Zodanig dan is God, uw ware Heer. En wat is er na de waarheid dan dwaling? Hoe wordt gij dan afgewend?
33
Aldus is het woord uws Heren gerechtvaardigd tegen hen die goddeloos handelen: dat zij niet geloven.
34
Zeg: "Is er van uw deelgenoten iemand die de schepping begint dan haar herhaalt?" Zeg: "God begint de schepping dan herhaalt haar. Hoe wordt gij dan misleid?"
35
Zeg: "Is er van uw deelgenoten iemand die leidt tot de waarheid?" Zeg: "God leidt tot de waarheid. Is dan Hij Die tot de waarheid leidt meer waard om te worden gevolgd, of hij die niet leidt tenzij hij zelf geleid wordt? Wat scheelt u? Hoe oordeelt gij?"
36
En de meesten hunner volgen niets dan gissing. Voorwaar, gissing baat niets tegen de waarheid. Voorwaar, God is Wetend van hetgeen zij doen.
37
En deze Voordracht kon niet verzonnen zijn door iemand buiten God, doch zij is een bevestiging van hetgeen vóór haar is, en een uiteenzetting van het Boek — waarin geen twijfel is — van den Heer der werelden.
38
Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Zeg: "Brengt dan een soerah als deze voort, en roept aan wie gij kunt naast God, indien gij waarachtig zijt."
39
Neen, zij loochenen hetgeen zij niet in kennis omvatten, en de uitleg ervan is hun nog niet gekomen. Evenzo loochenden hen die vóór hen waren. Aanschouwt dan hoe het einde was der onrechtvaardigen.
40
En van hen zijn er die erin geloven, en van hen zijn er die er niet in geloven. En uw Heer is het best Gewaar van de verdervenden.
41
En indien zij u loochenen, zeg dan: "Voor mij zijn mijn daden, en voor u zijn uw daden. Gij zijt onschuldig aan hetgeen ik doe, en ik ben onschuldig aan hetgeen gij doet."
42
En van hen zijn er die naar u luisteren. Doch kunt gij de doven doen horen, al begrijpen zij niet?
43
En van hen zijn er die naar u kijken. Doch kunt gij de blinden leiden, al zien zij niet?
44
Voorwaar, God doet de mensen in het geheel geen onrecht aan, doch de mensen doen zichzelven onrecht aan.
45
En op den Dag waarop Hij hen vergadert, alsof zij slechts een uur van den dag hadden vertoefd, zullen zij elkander kennen. Verloren waarlijk zijn zij die de ontmoeting met God loochenden en niet geleid werden.
46
En hetzij Wij u iets tonen van hetgeen Wij hun beloven, of Wij u doen sterven — tot Ons is hun terugkeer; dan is God getuige over hetgeen zij doen.
47
En voor elke gemeenschap is een boodschapper; wanneer dan hun boodschapper komt, wordt er tussen hen beslist met billijkheid, en hun wordt geen onrecht aangedaan.
48
En zij zeggen: "Wanneer is deze belofte, indien gij waarachtig zijt?"
49
Zeg: "Ik bezit voor mijzelf geen schade noch baat, behalve hetgeen God wil. Voor elke gemeenschap is een termijn. Wanneer hun termijn komt, kunnen zij hem geen uur vertragen, noch kunnen zij hem vervroegen."
50
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien Zijn kastijding u bij nacht of bij dag zou treffen, welk deel ervan zouden de schuldigen dan willen verhaasten?"
51
"Is het dan, wanneer het u is overkomen, dat gij erin zoudt geloven? Nu? En gij placht het te verhaasten!"
52
Dan wordt gezegd tot hen die onrecht deden: "Proeft de kastijding der eeuwigheid! Wordt gij vergolden dan voor hetgeen gij placht te verdienen?"
53
En zij zoeken van u te weten: "Is het waar?" Zeg: "Ja, bij mijn Heer! Voorwaar, het is waar, en gij kunt niet ontkomen."
54
En indien elke ziel die onrecht heeft gedaan al bezat wat op de aarde is, zij zou zich daarmee willen vrijkopen. En zij verbergen hun berouw wanneer zij de kastijding aanschouwen. En er wordt tussen hen beslist met billijkheid, en hun wordt geen onrecht aangedaan.
55
Ziet! Voorwaar, aan God behoort al wat in de hemelen en op de aarde is. Ziet! Voorwaar, de belofte Gods is waar, doch de meesten hunner weten het niet.
56
Hij geeft leven en doet sterven, en tot Hem wordt gij teruggevoerd.
57
O mensen! Er is tot u een vermaning gekomen van uw Heer, en een genezing voor hetgeen in de borsten is, en een leiding en een barmhartigheid voor de gelovigen.
58
Zeg: "In de gunst Gods en in Zijn barmhartigheid — laat hen zich daarin verheugen. Het is beter dan hetgeen zij vergaren."
59
Zeg: "Hebt gij overwogen hetgeen God voor u heeft nedergezonden aan voorziening, en gij hebt ervan verboden en geoorloofd gemaakt?" Zeg: "Heeft God u verlof gegeven, of verzint gij tegen God?"
60
En wat denken zij die leugens tegen God verzinnen op den Dag der Opstanding? Voorwaar, God is vol van gunst jegens de mensen, doch de meesten hunner geven geen dank.
61
En gij zijt niet bezig met enige zaak, noch draagt gij van Hem enig deel der Voordracht voor, noch verricht gij enige daad, of Wij zijn getuigen over u wanneer gij er u in verdiept. En er ontsnapt aan uw Heer niet het gewicht van een atoom op de aarde of in den hemel, noch wat minder is dan dat noch wat groter, of het is in een duidelijk Boek.
62
Ziet! Voorwaar, de vrienden Gods — geen vrees zal over hen zijn, noch zullen zij treuren —
63
degenen die geloven en godvrezend plachten te zijn.
64
Voor hen zijn blijde tijdingen in het leven dezer wereld en in het Hiernamaals. Er is geen verandering van de woorden Gods. Dat is de verheven triomf.
65
En laat hun rede u niet bedroeven. Voorwaar, de macht behoort geheel aan God. Hij is de Alhorende, de Alwetende.
66
Ziet! Voorwaar, aan God behoort al wie in de hemelen is en al wie op de aarde is. En zij die anderen aanroepen naast God volgen geen deelgenoten — zij volgen niets dan gissing, en zij doen slechts raden.
67
Hij is het Die voor u den nacht heeft gemaakt opdat gij daarin moogt rusten, en den dag zichtgevend. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat hoort.
68
Zij zeggen: "God heeft een zoon genomen." Verheven zij Hij! Hij is de Zelfgenoegzame. Hem behoort al wat in de hemelen is en al wat op de aarde is. Gij hebt daarvoor geen volmacht. Zegt gij omtrent God hetgeen gij niet weet?
69
Zeg: "Voorwaar, zij die leugens tegen God verzinnen zullen geen voorspoed hebben."
70
Een genot in deze wereld; dan is tot Ons hun terugkeer; dan zullen Wij hun de strenge kastijding doen proeven omdat zij plachten te verhullen.
71
En draag hun de berichten voor van Noach, toen hij tot zijn volk zeide: "O mijn volk! Indien mijn standplaats en mijn herinnering aan u van de tekenen Gods u grievend is, dan stel ik op God mijn vertrouwen. Besluit dus over uw zaak, met uw deelgenoten, en laat uw zaak dan geen bron van bezorgdheid voor u zijn; besluit dan over mij, en geef mij geen uitstel."
72
"En indien gij u afwendt, dan heb ik u geen beloning gevraagd. Mijn beloning rust slechts op God, en mij is bevolen te zijn van hen die zich Onderwerpen."
73
Toen loochenden zij hem, en Wij redden hem en hen die met hem waren in het schip, en Wij maakten hen opvolgers, en Wij verdronken hen die Onze tekenen loochenden. Aanschouwt dan hoe het einde was van hen die gewaarschuwd werden.
74
Toen zonden Wij na hem boodschappers tot hun volken, en zij kwamen tot hen met duidelijke bewijzen, doch zij wilden niet geloven in hetgeen zij voordien hadden geloochend. Aldus verzegelen Wij de harten der overtreders.
75
Toen zonden Wij na hen Mozes en Aäron tot Farao en zijn raad met Onze tekenen, doch zij waren hoogmoedig, en zij waren een schuldig volk.
76
En toen de waarheid tot hen kwam van Ons, zeiden zij: "Voorwaar, dit is klaarblijkelijke tovenarij."
77
Mozes zeide: "Zegt gij dit van de waarheid wanneer zij tot u is gekomen? Is dit tovenarij? Doch tovenaars zullen geen voorspoed hebben."
78
Zij zeiden: "Zijt gij tot ons gekomen om ons af te wenden van hetgeen waarop wij onze vaderen vonden, opdat de grootheid in het land voor u beiden moge zijn? Wij geloven niet in u beiden."
79
En Farao zeide: "Brengt mij elken geleerden tovenaar."
80
En toen de tovenaars kwamen, zeide Mozes tot hen: "Werpt hetgeen gij zoudt werpen."
81
En toen zij geworpen hadden, zeide Mozes: "Hetgeen gij hebt gebracht is tovenarij. Voorwaar, God zal het ijdel maken. Voorwaar, God brengt het werk der verdervenden niet in orde."
82
En God bevestigt de waarheid door Zijn woorden, al zijn de schuldigen er afkerig van.
83
En niemand geloofde Mozes behalve een nageslacht van zijn volk, uit vrees voor Farao en hun raad, opdat hij hen niet zou vervolgen. En voorwaar, Farao was verheven op de aarde, en voorwaar, hij behoorde tot de buitensporigen.
84
En Mozes zeide: "O mijn volk! Indien gij in God gelooft, stelt dan op Hem uw vertrouwen, indien gij u hebt Toegewijd."
85
En zij zeiden: "Op God stellen wij ons vertrouwen. Onze Heer, maak ons niet een beproeving voor het onrechtvaardige volk."
86
"En red ons door Uw barmhartigheid van het volk dat verhult."
87
En Wij openbaarden aan Mozes en zijn broeder: "Richt voor uw volk in Egypte huizen in, en maakt uw huizen een richting van gebed, en onderhoudt het gebed. En geef blijde tijdingen aan de gelovigen."
88
En Mozes zeide: "Onze Heer! Voorwaar, Gij hebt Farao en zijn raad pracht en rijkdommen gegeven in het leven dezer wereld — onze Heer! — opdat zij mogen afleiden van Uw pad. Onze Heer, wis hun rijkdommen uit en verhard hun harten, opdat zij niet geloven totdat zij de pijnlijke kastijding aanschouwen."
89
Hij zeide: "Uw gebed is verhoord. Weest dus standvastig, en volgt niet het pad dergenen die niet weten."
90
En Wij brachten de Kinderen Israëls over de zee, en Farao en zijn heerscharen achtervolgden hen in tirannie en vijandschap, totdat, toen de verdrinking hem overviel, hij zeide: "Ik geloof dat er geen god is dan Hij in Wie de Kinderen Israëls geloven, en ik ben van hen die zich Onderwerpen."
91
"Nu? En voordien waart gij opstandig, en waart gij van de verdervenden?"
92
"Heden dan zullen Wij u redden in uw lichaam, opdat gij een teken moogt zijn voor hen die na u komen." En voorwaar, velen der mensen zijn achteloos omtrent Onze tekenen.
93
En voorwaar, Wij vestigden de Kinderen Israëls in een verblijfplaats der waarheid, en voorzagen hen van goede dingen, en zij verschilden niet totdat de kennis tot hen kwam. Voorwaar, uw Heer zal tussen hen oordelen op den Dag der Opstanding omtrent hetgeen waarin zij plachten te verschillen.
94
En indien gij in twijfel zijt over hetgeen Wij tot u hebben nedergezonden, vraagt dan hen die het Boek vóór u hebben gelezen. Voorwaar, de waarheid is tot u gekomen van uw Heer, wees dus niet van de twijfelaars.
95
En wees niet van hen die de tekenen Gods loochenen, opdat gij niet van de verliezers zijt.
96
Voorwaar, zij op wie het woord uws Heren is gerechtvaardigd zullen niet geloven —
97
al kwam elk teken tot hen — totdat zij de pijnlijke kastijding aanschouwen.
98
Ware er maar een stad geweest die geloofde en haar geloof haar baatte — behalve het volk van Jona; toen zij geloofden, namen Wij de kastijding der schande van hen weg in het leven dezer wereld, en Wij gaven hun genot voor een wijle.
99
En had uw Heer gewild, allen die op de aarde zijn zouden hebben geloofd, allen tezamen. Zoudt gij dan de mensen willen dwingen totdat zij gelovigen zijn?
100
En het is niet voor een ziel te geloven dan met verlof Gods. En Hij legt gruwel op hen die niet begrijpen.
101
Zeg: "Aanschouwt hetgeen in de hemelen en op de aarde is." Doch tekenen en waarschuwers baten niet een volk dat niet gelooft.
102
Wachten zij dan op iets anders dan het gelijke der dagen van hen die vóór hen voorbijgingen? Zeg: "Wacht dan; voorwaar, ik ben met u onder hen die wachten."
103
Dan redden Wij Onze boodschappers en hen die geloven. Aldus is het Ons plicht: Wij redden de gelovigen.
104
Zeg: "O mensen! Indien gij in twijfel zijt omtrent mijn geloof, dan aanbid ik niet hen die gij aanbidt naast God, doch ik aanbid God Die u doet sterven. En mij is bevolen te zijn van de gelovigen."
105
"En: Richt uw aangezicht naar het geloof, als een man die tot de waarheid neigt, en wees niet van hen die deelgenoten toekennen."
106
"En roep niet naast God aan hetgeen u niet baat noch u schaadt; want indien gij dat doet, dan voorwaar zijt gij van de onrechtvaardigen."
107
En indien God u met schade treft, er is geen wegnemer ervan dan Hij. En indien Hij goed voor u begeert, er is geen afweerder van Zijn gunst. Hij doet haar wie Hij wil van Zijn dienaren bereiken. En Hij is de Alvergevende, de Meest Barmhartige.
108
Zeg: "O mensen! De waarheid is tot u gekomen van uw Heer. Wie dus geleid wordt, wordt slechts geleid voor zijn eigen ziel; en wie dwaalt, dwaalt slechts ertegen. En ik ben geen bewaker over u."
109
En volg hetgeen u geopenbaard wordt, en wees geduldig totdat God oordeelt. En Hij is de beste der rechters.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 10 — Joenoes (Jona)

Algemene opmerkingen

Soera Joenoes is een Mekkaanse soera die draait om de waarheid der openbaring, het afwijzen ervan door de verhullenden, en de universaliteit van Gods boodschap. De soera opent met de verwondering dat God een man uit hun eigen midden als boodschapper zendt (v.2), en sluit af met het gebod tot geduld (v.109).

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

Stam ك-ف-ر: bedekken, verhullen. Door de gehele soera consequent als “verhullen” vertaald — zij die de waarheid bedekken. In v.4 verschijnt de dubbele betekenis: zij die verhullen ontvangen “kokend water” — hun eigen bedekking keert zich tegen hen.

“Voordracht” voor القرآن (al-Qur’aan)

In v.15 vragen de verhullenden om “een Voordracht anders dan deze” — zij willen een andere boodschap. De keuze voor “Voordracht” benadrukt dat het een levend, voorgedragen woord is, geen statisch boek. In v.37 heet de Voordracht “een bevestiging van hetgeen vóór haar is” — zij staat in een keten van openbaring.

“Toegewijden” voor مسلمين (moeslimien)

In v.84 zegt Mozes: “indien gij u hebt Toegewijd” — en in v.90 zegt Farao: “ik ben van hen die zich Onderwerpen.” Het verschil is veelzeggend: de Kinderen Israëls hebben zich toegewijd, terwijl Farao zich pas onderwerpt wanneer hij verdrinkt.

v.19: De oorspronkelijke eenheid

“De mensen waren slechts één gemeenschap, toen verschilden zij.” Dit vers weerspiegelt 2:213 — de eenheid der mensheid is het oorspronkelijke, het verschil is de afwijking. De soera plaatst religieuze verscheidenheid niet als vooruitgang maar als verbrokkeling van een goddelijk ontwerp.

v.37: De Voordracht als bevestiging

“Deze Voordracht kon niet verzonnen zijn door iemand buiten God, doch zij is een bevestiging van hetgeen vóór haar is.” Stam ف-ت-ر (verzinnen) verbindt dit vers met 12:111. De zelfauthenticatie der Voordracht loopt dwars door de soera’s.

v.57: Genezing voor de borsten

“Er is tot u een vermaning gekomen van uw Heer, en een genezing voor hetgeen in de borsten is.” Dezelfde beeldspraak als 17:82 — de Voordracht als medicijn voor het hart, niet louter als wetboek.

v.62: De vrienden Gods

“De vrienden Gods — geen vrees zal over hen zijn, noch zullen zij treuren.” Het Arabische أولياء (awlija’) — stam و-ل-ي: nabij zijn, beschermen — beschrijft niet passieve vriendschap maar actieve nabijheid tot God. De belofte geldt “in het leven dezer wereld en in het Hiernamaals” (v.64): de bescherming is niet toekomstig maar begint nu.

v.99: Geen dwang

“Zoudt gij dan de mensen willen dwingen totdat zij gelovigen zijn?” Stam ك-ر-ه (dwingen) is dezelfde stam als in 2:256 (لا إكراه في الدين). Het beginsel van geweldloosheid is geen geïsoleerd vers maar verweven door het weefsel der Voordracht.

Integratieve verbanden

  • v.47 (“voor elke gemeenschap is een boodschapper”) ↔ 16:36 en 35:24: de universaliteit der openbaring
  • v.57 (genezing der borsten) ↔ 17:82: de Voordracht als medicijn
  • v.37 (niet verzonnen) ↔ 12:111: dezelfde stam ف-ت-ر verbindt beide soera’s
  • v.20 (“het verborgene behoort slechts aan God”) ↔ 27:65: Gods alleenrecht op het verborgene
11
Hoed Hoed
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Raa. Een Boek wiens tekenen vast zijn gemaakt, dan uiteengezet, van Een Wijze, Algewaar:
2
"Dat gij niemand aanbidt dan God. Voorwaar, ik ben voor u van Hem een waarschuwer en een brenger van blijde tijdingen."
3
"En: Vraagt vergiffenis van uw Heer, wendt u dan tot Hem in berouw. Hij zal u een schoon genot verlenen tot een vastgestelde termijn, en zal Zijn gunst schenken aan elken bezitter van genade. En indien gij u afwendt, dan voorwaar vrees ik voor u de kastijding van een grote Dag."
4
Tot God is uw terugkeer, en Hij heeft macht over alle dingen.
5
Ziet! Zij vouwen hun borsten opdat zij zich voor Hem mogen verbergen. Ziet! Wanneer zij zich bedekken met hun klederen, weet Hij wat zij verbergen en wat zij openbaren. Voorwaar, Hij is Wetend van hetgeen in de borsten is.
6
En er is geen schepsel op de aarde of zijn voorziening rust op God, en Hij kent zijn rustplaats en zijn bewaarplaats. Alles is in een duidelijk Boek.
7
En Hij is het Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen — en Zijn Troon was op het water — opdat Hij u mocht beproeven, wie uwer het best is in daad. En indien gij zegt: "Voorwaar, gij zult worden opgewekt na den dood," zullen zij die verhullen voorzeker zeggen: "Dit is niets dan klaarblijkelijke tovenarij."
8
En indien Wij de kastijding voor hen uitstellen tot een getelde gemeenschap, zullen zij voorzeker zeggen: "Wat houdt het tegen?" Ziet! Op den dag dat het tot hen komt, zal het niet van hen worden afgewend, en hetgeen waarmee zij plachten te spotten zal hen omvatten.
9
En indien Wij den mens barmhartigheid van Ons doen proeven, en haar dan van hem onttrekken, voorwaar hij is wanhopig, ondankbaar.
10
En indien Wij hem gunst doen proeven na tegenspoed die hem trof, zal hij voorzeker zeggen: "De kwalen zijn van mij gegaan." Voorwaar, hij is uitgelaten, pocherig —
11
behalve zij die geduldig zijn en rechtvaardige werken doen. Dezen — voor hen is vergiffenis en een groot loon.
12
Wellicht zoudt gij dan iets van hetgeen u geopenbaard wordt willen opgeven, en uw borst wordt erdoor benauwt, omdat zij zeggen: "Waarom is er geen schat op hem nedergezonden, of een engel met hem gekomen?" Gij zijt slechts een waarschuwer. En God is Bewaker over alle dingen.
13
Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Zeg: "Brengt dan tien soerahs als deze voort, verzonnen, en roept aan wie gij kunt naast God, indien gij waarachtig zijt."
14
En indien zij u niet antwoorden, weet dan dat het is nedergezonden met de kennis Gods, en dat er geen god is dan Hij. Zult gij u dan onderwerpen?
15
Wie het leven dezer wereld en haar sieraad begeert, Wij zullen hun hun daden daarin vergoeden, en daarin zullen zij niet worden verminderd.
16
Dezen zijn zij voor wie er niets is in het Hiernamaals dan het Vuur. En ijdel is hetgeen zij daarin hebben gewrocht, en nietig is hetgeen zij plachten te doen.
17
Is dan hij die op een duidelijk bewijs van zijn Heer is — en een getuige van Hem volgt hem, en vóór het het Boek van Mozes, een gids en een barmhartigheid — dezen geloven erin. En wie het verhult onder de groepen, het Vuur is zijn bestemde plaats. Wees dus niet in twijfel erover. Voorwaar, het is de waarheid van uw Heer, doch de meesten der mensen geloven niet.
18
En wie is onrechtvaardiger dan hij die tegen God een leugen verzint? Dezen zullen voor hun Heer worden gebracht, en de getuigen zullen zeggen: "Dezen zijn zij die logen tegen hun Heer." Ziet! De vloek Gods is op de onrechtvaardigen,
19
die afwenden van het pad Gods en het krom zoeken te maken, en zij, omtrent het Hiernamaals, zijn degenen die verhullen.
20
Dezen konden niet ontkomen op de aarde, en zij hadden geen beschermers naast God. De kastijding wordt hun verdubbeld. Zij konden niet verdragen te horen, en zij plachten niet te zien.
21
Dezen zijn zij die hun zielen hebben verloren, en hetgeen zij plachten te verzinnen is van hen afgedwaald.
22
Zonder twijfel, in het Hiernamaals zijn zij de grootste verliezers.
23
Voorwaar, zij die geloven en rechtvaardige werken doen en zich vernederen voor hun Heer — dezen zijn de gezellen der Tuin; daarin verblijven zij eeuwig.
24
De gelijkenis der twee partijen is als de blinde en de dove, en de ziende en de horende. Zijn zij gelijk in gelijkenis? Zult gij dan niet gedenken?
25
En voorwaar, Wij zonden Noach tot zijn volk: "Voorwaar, ik ben voor u een duidelijk waarschuwer,
26
dat gij niemand aanbidt dan God. Voorwaar, ik vrees voor u de kastijding van een pijnlijke Dag."
27
Toen zeide de raad dergenen die verhulden uit zijn volk: "Wij zien u niet dan als een sterveling als wij, en wij zien niet dat iemand u volgt dan zij die de geringsten onder ons zijn, bij eerste inzicht. En wij zien in u geen verdienste boven ons. Neen, wij achten u leugenaars."
28
Hij zeide: "O mijn volk! Hebt gij overwogen? Indien ik op een duidelijk bewijs van mijn Heer ben en Hij mij barmhartigheid heeft geschonken van Hemzelve, en het is u verduisterd, zullen wij u dan dwingen het te aanvaarden terwijl gij er afkerig van zijt?"
29
"En, o mijn volk! Ik vraag u er geen rijkdom voor. Mijn beloning rust slechts op God. En ik zal hen die geloven niet wegdrijven. Voorwaar, zij zullen hun Heer ontmoeten. Doch ik zie dat gij een onwetend volk zijt."
30
"En, o mijn volk! Wie zou mij helpen tegen God indien ik hen wegdreef? Zult gij dan niet gedenken?"
31
"En ik zeg u niet dat ik de schatten Gods bezit, noch ken ik het verborgene, noch zeg ik dat ik een engel ben, noch zeg ik van hen die uw ogen verachten dat God hun geen goed zal geven. God weet het best wat in hun zielen is. Voorwaar, ik zou dan van de onrechtvaardigen zijn."
32
Zij zeiden: "O Noach! Gij hebt met ons getwist en gij zijt overvloedig in twist met ons geweest. Breng dan over ons hetgeen gij ons belooft, indien gij van de waarachtigen zijt."
33
Hij zeide: "Slechts God zal het over u brengen, indien Hij wil, en gij kunt niet ontkomen."
34
"En mijn raad baat u niet, indien ik u wens te raden, indien God u wil doen dwalen. Hij is uw Heer, en tot Hem zult gij worden teruggevoerd."
35
Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Zeg: "Indien ik het heb verzonnen, dan is mijn schuld op mij, en ik ben onschuldig aan hetgeen gij schuldig zijt."
36
En het werd aan Noach geopenbaard: "Niemand van uw volk zal geloven dan zij die reeds hebben geloofd. Treur dus niet over hetgeen zij plachten te doen."
37
"En bouw het schip onder Onze ogen en Onze openbaring, en richt u niet tot Mij omtrent hen die onrecht hebben gedaan. Voorwaar, zij zullen worden verdronken."
38
En hij bouwde het schip, en telkens wanneer een raad van zijn volk hem voorbijkwam, bespotten zij hem. Hij zeide: "Indien gij ons bespot, dan voorwaar bespotten wij u gelijk gij spot."
39
"Dan zult gij weten tot wie een kastijding komt die hem zal ontieren, en op wie een blijvende kastijding neerdaalt."
40
Totdat, toen Ons gebod kwam en de oven overkookte, Wij zeiden: "Laad daarin van elke soort twee, een paar, en uw huisgezin — behalve hem tegen wie het woord reeds is uitgegaan — en hen die geloven." En niemand geloofde met hem dan weinigen.
41
En hij zeide: "Gaat aan boord! In de Naam Gods zij haar varen en haar ankeren. Voorwaar, mijn Heer is Alvergevend, Meest Barmhartig."
42
En het voer met hen te midden van golven als bergen. En Noach riep tot zijn zoon, die afzijdig was: "O mijn zoon! Ga aan boord met ons, en wees niet met hen die verhullen."
43
Hij zeide: "Ik zal toevlucht zoeken op een berg die mij tegen het water zal beschermen." Hij zeide: "Er is geen beschermer heden tegen het gebod Gods, behalve hij over wie Hij Zich ontfermt." En de golven kwamen tussen hen, en hij behoorde tot hen die werden verdronken.
44
En er werd gezegd: "O aarde! Verzwelg uw water! En o hemel! Houd op!" En het water daalde, en de zaak was volbracht, en het rustte op al-Djoedi. En er werd gezegd: "Weg met het onrechtvaardige volk!"
45
En Noach riep zijn Heer aan en zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, mijn zoon behoort tot mijn huisgezin, en voorwaar Uw belofte is waar, en Gij zijt de rechtvaardigste der rechters."
46
Hij zeide: "O Noach! Voorwaar, hij behoort niet tot uw huisgezin. Voorwaar, het is een daad die niet rechtvaardig is. Vraag Mij dus niet om hetgeen waarvan gij geen kennis hebt. Voorwaar, Ik vermaan u opdat gij niet van de onwetenden zijt."
47
Hij zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, ik neem mijn toevlucht tot U voor het vragen om hetgeen waarvan ik geen kennis heb. En tenzij Gij mij vergeeft en U over mij ontfermt, zal ik van de verliezers zijn."
48
Er werd gezegd: "O Noach! Daal af met vrede van Ons en zegeningen over u en over gemeenschappen van hen die met u zijn. En er zijn gemeenschappen wie Wij genot zullen verlenen; dan zal een pijnlijke kastijding van Ons hen treffen."
49
Dat is van de berichten van het verborgene die Wij u openbaren. Gij kende ze niet, gij noch uw volk, vóór dit. Wees dus geduldig. Voorwaar, het einde is voor de godvrezenden.
50
En tot Aad hun broeder Hoed. Hij zeide: "O mijn volk! Aanbidt God. Gij hebt geen god anders dan Hij. Gij zijt slechts verzinners."
51
"O mijn volk! Ik vraag u er geen beloning voor. Mijn beloning rust slechts op Hem Die mij schiep. Zult gij dan niet begrijpen?"
52
"En, o mijn volk! Vraagt vergiffenis van uw Heer, wendt u dan tot Hem in berouw. Hij zal den hemel over u zenden in stromen, en zal kracht aan uw kracht toevoegen. En wendt u niet af als schuldigen."
53
Zij zeiden: "O Hoed! Gij hebt ons geen duidelijk bewijs gebracht, en wij zullen onze goden niet opgeven op uw woord, en wij geloven niet in u."
54
"Wij zeggen niets dan dat sommige onzer goden u met kwaad hebben getroffen." Hij zeide: "Voorwaar, ik roep God tot getuige, en getuigt gij, dat ik onschuldig ben aan hetgeen gij toekent
55
naast Hem. Beraamt dus tegen mij, allen; geeft mij dan geen uitstel."
56
"Voorwaar, ik heb mijn vertrouwen op God gesteld, mijn Heer en uw Heer. Er is geen schepsel of Hij houdt het bij zijn voorhoofdshaar. Voorwaar, mijn Heer is op een recht pad."
57
"En indien gij u afwendt, dan heb ik u overgebracht hetgeen waarmee ik tot u was gezonden. En mijn Heer zal een ander volk doen opvolgen na u, en gij zult Hem in niets schaden. Voorwaar, mijn Heer is Bewaker over alle dingen."
58
En toen Ons gebod kwam, redden Wij Hoed en hen die met hem geloofden door een barmhartigheid van Ons, en Wij redden hen van een grievende kastijding.
59
En dat was Aad; zij loochenden de tekenen huns Heren, en waren hun boodschappers ongehoorzaam, en volgden het gebod van elken hardnekkigen tiran.
60
En een vloek achtervolgde hen in deze wereld en op den Dag der Opstanding. Ziet! Voorwaar, Aad verhulde hun Heer. Ziet! Weg met Aad, het volk van Hoed!
61
En tot Thamoed hun broeder Saalih. Hij zeide: "O mijn volk! Aanbidt God. Gij hebt geen god anders dan Hij. Hij is het Die u verhief uit de aarde en u daarin vestigde. Zoekt dus Zijn vergiffenis, wendt u dan tot Hem in berouw. Voorwaar, mijn Heer is Nabij, Beantwoordend."
62
Zij zeiden: "O Saalih! Gij waart onder ons iemand in wie hoop werd gesteld vóór dit. Verbiedt gij ons te aanbidden hetgeen onze vaderen aanbaden? En voorwaar, wij zijn in verontrustende twijfel omtrent hetgeen waartoe gij ons roept."
63
Hij zeide: "O mijn volk! Hebt gij overwogen? Indien ik op een duidelijk bewijs van mijn Heer ben en Hij mij barmhartigheid heeft geschonken van Hemzelve, wie zou mij dan helpen tegen God indien ik Hem ongehoorzaam was? Gij zoudt mij niets toevoegen dan verlies."
64
"En, o mijn volk! Dit is de kamelin Gods, een teken voor u. Laat haar dus grazen op Gods aarde, en raakt haar niet aan met kwaad, opdat u niet een nabije kastijding grijpe."
65
Doch zij verlamden haar. Toen zeide hij: "Geniet in uw woning drie dagen. Dat is een belofte die niet wordt gelogenstraft."
66
En toen Ons gebod kwam, redden Wij Saalih en hen die met hem geloofden door een barmhartigheid van Ons, en van de schande van die Dag. Voorwaar, uw Heer, Hij is de Sterke, de Machtige.
67
En de schreeuw greep hen die onrecht deden, en zij lagen voorover in hun woningen,
68
alsof zij nimmer daarin hadden gewoond. Ziet! Voorwaar, Thamoed verhulde hun Heer. Ziet! Weg met Thamoed!
69
En voorwaar, Onze boodschappers kwamen tot Abraham met blijde tijdingen. Zij zeiden: "Vrede!" Hij zeide: "Vrede!" En hij draalde niet om een geroosterd kalf te brengen.
70
En toen hij zag dat hun handen het niet bereikten, wantrouwde hij hen en vatte vrees voor hen op. Zij zeiden: "Vrees niet. Voorwaar, wij zijn gezonden tot het volk van Lot."
71
En zijn vrouw stond erbij, en zij lachte. Toen gaven Wij haar blijde tijdingen van Izaäk, en na Izaäk, Jacob.
72
Zij zeide: "Wee mij! Zal ik een kind baren wanneer ik een oude vrouw ben, en deze mijn echtgenoot een oude man? Voorwaar, dit is een wonderbaarlijk ding!"
73
Zij zeiden: "Verwondert gij u over het gebod Gods? De barmhartigheid Gods en Zijn zegeningen zijn over u, o Volk des Huizes! Voorwaar, Hij is Lofwaardig, Glorierijk."
74
En toen het ontzag was geweken van Abraham en de blijde tijdingen tot hem waren gekomen, twistte hij met Ons over het volk van Lot.
75
Voorwaar, Abraham was verdraagzaam, mededogend, berouwvol.
76
"O Abraham! Wend u af hiervan. Voorwaar, het gebod uws Heren is gekomen, en voorwaar er komt over hen een kastijding die niet wordt afgewend."
77
En toen Onze boodschappers tot Lot kwamen, was hij bezorgd om hen en voelde zich benauwd voor hen, en zeide: "Dit is een benauwde dag."
78
En zijn volk kwam naar hem toesnellen — en voordien hadden zij kwade daden verricht. Hij zeide: "O mijn volk! Hier zijn mijn dochters; zij zijn reiner voor u. Vreest dus God, en onteert mij niet voor mijn gasten. Is er niet onder u een verstandig man?"
79
Zij zeiden: "Gij weet wel dat wij geen recht hebben op uw dochters, en voorwaar gij weet wat wij begeren."
80
Hij zeide: "Had ik maar kracht tegen u, of kon ik toevlucht nemen tot een machtige steun!"
81
Zij zeiden: "O Lot! Voorwaar, wij zijn de boodschappers uws Heren. Zij zullen u niet bereiken. Reis dus met uw huisgezin in een deel van den nacht, en laat niemand uwer omkijken — behalve uw vrouw. Voorwaar, hetgeen hen treft zal haar treffen. Voorwaar, hun bestemde tijd is de morgen. Is de morgen niet nabij?"
82
En toen Ons gebod kwam, keerden Wij het bovenste onderste, en Wij regende erop stenen van gebakken klei, één op de andere,
83
gemerkt bij uw Heer. En het is niet ver van de onrechtvaardigen.
84
En tot Midjan hun broeder Sjoe'ajb. Hij zeide: "O mijn volk! Aanbidt God. Gij hebt geen god anders dan Hij. En vermindert de maat en de weegschaal niet. Voorwaar, ik zie u in welvaart, en voorwaar ik vrees voor u de kastijding van een omvattende Dag."
85
"En, o mijn volk! Geeft volle maat en vol gewicht met billijkheid, en benadeelt de mensen niet van hun dingen, en handelt niet verderfelijk op de aarde, onheil werkend."
86
"Het overblijfsel Gods is beter voor u, indien gij gelovigen zijt. En ik ben geen bewaker over u."
87
Zij zeiden: "O Sjoe'ajb! Gebiedt uw gebed u dat wij zouden opgeven hetgeen onze vaderen aanbaden, of dat wij niet met onze bezittingen zouden doen hetgeen ons behaagt? Voorwaar, gij zijt de verdraagzame, de verstandige."
88
Hij zeide: "O mijn volk! Hebt gij overwogen? Indien ik op een duidelijk bewijs van mijn Heer ben en Hij mij van Hemzelve een goede voorziening heeft geschonken — en ik wens niet tegen u in te gaan in hetgeen ik u verbied. Ik wens niets dan hervorming zover ik kan. En mijn voorspoed is slechts bij God. Op Hem vertrouw ik, en tot Hem wend ik mij."
89
"En, o mijn volk! Laat uw onenigheid met mij u niet doen treffen door het gelijke van hetgeen het volk van Noach trof, of het volk van Hoed, of het volk van Saalih. En het volk van Lot is niet ver van u."
90
"En vraagt vergiffenis van uw Heer, wendt u dan tot Hem in berouw. Voorwaar, mijn Heer is Barmhartig, Liefdevol."
91
Zij zeiden: "O Sjoe'ajb! Wij begrijpen niet veel van hetgeen gij zegt, en voorwaar wij achten u zwak onder ons. En ware het niet om uw familie, wij zouden u hebben gestenigd. En gij zijt niet machtig tegen ons."
92
Hij zeide: "O mijn volk! Is mijn familie machtiger bij u dan God? En gij hebt Hem achter uw rug geworpen. Voorwaar, mijn Heer omvat hetgeen gij doet."
93
"En, o mijn volk! Handelt naar uw stand. Voorwaar, ik handel. Gij zult weten tot wie een kastijding komt die hem zal ontieren, en wie een leugenaar is. En waakt; voorwaar, ik ben met u een waker."
94
En toen Ons gebod kwam, redden Wij Sjoe'ajb en hen die met hem geloofden door een barmhartigheid van Ons. En de schreeuw greep hen die onrecht deden, en zij lagen voorover in hun woningen,
95
alsof zij nimmer daarin hadden gewoond. Ziet! Weg met Midjan, gelijk Thamoed werd weggedaan!
96
En voorwaar, Wij zonden Mozes met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag
97
tot Farao en zijn raad. Doch zij volgden het gebod van Farao, en het gebod van Farao was niet rechtgeleid.
98
Hij zal voor zijn volk uitgaan op den Dag der Opstanding en hen leiden naar het Vuur. En kwaad is de drinkplaats waartoe zij worden geleid.
99
En een vloek achtervolgde hen in deze wereld en op den Dag der Opstanding. Kwaad is het geschenk dat gegeven wordt.
100
Dat is van de berichten der steden die Wij u verhalen. Van hen staan sommigen nog en sommigen zijn gemaaid.
101
En Wij deden hun geen onrecht aan, doch zij deden hun eigen zielen onrecht aan. En hun goden, die zij aanriepen naast God, baatten hun niets toen het gebod uws Heren kwam. En zij voegden hun niets toe dan verderf.
102
En evenzo is het grijpen uws Heren wanneer Hij de steden grijpt terwijl zij onrecht doen. Voorwaar, Zijn grijpen is pijnlijk, streng.
103
Voorwaar, daarin is een teken voor hem die de kastijding van het Hiernamaals vreest. Dat is een Dag waartoe de mensen zullen worden vergaderd, en dat is een Dag die aanschouwd wordt.
104
En Wij stellen hem niet uit dan voor een getelde termijn.
105
Op den Dag dat hij komt, zal geen ziel spreken dan met Zijn verlof. Dan van hen zijn de ellendigen en de gelukzaligen.
106
Wat hen betreft die ellendig zijn, zij zullen in het Vuur zijn; daarin is voor hen gekreun en gesnik,
107
daarin eeuwig verblijvend zolang de hemelen en de aarde bestaan, behalve hetgeen uw Heer wil. Voorwaar, uw Heer is Verrichter van hetgeen Hij bedoelt.
108
En wat hen betreft die gelukzalig zijn, zij zullen in de Tuin zijn, daarin eeuwig verblijvend zolang de hemelen en de aarde bestaan, behalve hetgeen uw Heer wil — een geschenk dat niet ophoudt.
109
Wees dus niet in twijfel over hetgeen dezen aanbidden. Zij aanbidden niets dan gelijk hun vaderen voordien aanbaden. En voorwaar, Wij zullen hun hun deel onverminderd betalen.
110
En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek, en het werd over betwist. En ware het niet om een woord dat van uw Heer was voorgegaan, het zou tussen hen zijn beslist. En voorwaar, zij zijn in verontrustende twijfel erover.
111
En voorwaar, aan elk zal uw Heer hun daden ten volle vergoeden. Voorwaar, Hij is Gewaar van hetgeen zij doen.
112
Wees dus standvastig, gelijk u is geboden, en wie zich tot God heeft gewend met u, en overtreedt niet. Voorwaar, Hij is Ziende van hetgeen gij doet.
113
En neigt niet naar hen die onrecht doen, opdat het Vuur u niet treffe, en gij hebt geen beschermers naast God; dan zult gij niet worden geholpen.
114
En onderhoudt het gebed aan de twee einden van den dag en in de vroege uren van den nacht. Voorwaar, goede werken drijven kwade werken weg. Dat is een herinnering voor hen die gedenken.
115
En wees geduldig, want voorwaar God verspilt niet de beloning dergenen die goed doen.
116
Waren er maar onder de geslachten vóór u mannen van overblijfsel die het verderf op de aarde verboden — behalve weinigen van hen die Wij redden van onder hen. En zij die onrecht deden achtervolgden hetgeen waarin hun gemak was gegeven, en zij waren schuldig.
117
En uw Heer zou de steden niet onrechtvaardig vernietigen terwijl hun volk hervormers waren.
118
En had uw Heer gewild, Hij zou de mensen tot één gemeenschap hebben gemaakt, doch zij houden niet op te verschillen,
119
behalve hen over wie uw Heer Zich heeft ontfermd. En daarvoor schiep Hij hen. En het woord uws Heren is vervuld: "Ik zal het Hellevuur vullen met de schimmen en de mensen, allen tezamen."
120
En alles wat Wij u verhalen van de berichten der boodschappers is hetgeen waarmee Wij uw hart versterken. En hierin is tot u de waarheid gekomen, en een vermaning en een herinnering voor de gelovigen.
121
En zeg tot hen die niet geloven: "Handelt naar uw stand. Voorwaar, wij handelen."
122
"En wacht; voorwaar, wij wachten."
123
En aan God behoort het verborgene der hemelen en der aarde, en tot Hem wordt de gehele zaak teruggevoerd. Aanbidt Hem dus en vertrouwt op Hem. En uw Heer is niet achteloos omtrent hetgeen gij doet.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 11 — Hud

Algemene opmerkingen

De meest gedetailleerde vertelling van Noach in de Voordracht, met het aangrijpende tafereel van Noachs zoon die de Ark weigert (vv.42–43). V.44 — het bevel aan aarde en hemel — behoort tot de meest gevierde passages der Arabische welsprekendheid.

Stamanalyse

v.7: Stam ع-ر-ش (‘ayn-ra-sjien) — “Zijn Troon was op het water”

وَكَانَ عَرْشُهُ عَلَى الْمَاءِ — de goddelijke Troon boven het water vóór de schepping. De stam betekent bouwen, overschaduwen. De Troon is geen zetel maar een baldakijn, een gezagsstructuur. Water gaat vooraf aan aarde — het oerelement waaruit “Wij elk levend ding maakten” (21:30).

v.75: Stam أ-و-ه (alif-waw-ha) — “Abraham, de Zuchtende”

أَوَّاهٌ مُنِيبٌ — degene die zucht, die terugkeert tot God. De stam is klanknabootsing — het geluid van een zucht. Abrahams geestelijk onderscheid is niet macht maar tederheid, een hart dat pijnigt om waarheid.

v.118: “had uw Heer gewild, Hij zou de mensheid tot één gemeenschap gemaakt hebben”

De verscheidenheid der menselijke gemeenschappen wordt voorgesteld als goddelijk toegelaten, niet als mislukking. Elke gemeenschap ontvangt haar eigen boodschapper (10:47).

Integratieve verbanden

  • v.44 het bevel aan aarde en hemel ↔ 2:23 en 17:88: het letterkundig wonder der Voordracht getoond in elf Arabische woorden die elke menselijke compositie overtreffen.
  • v.42–43 Noachs zoon ↔ 9:23–24: familiebanden overtroeven geestelijke trouw niet — hetzelfde beginsel als de Abraham-Azar-verhouding in 6:74.
12
Joesof Jozef
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Raa. Dit zijn de tekenen van het duidelijke Boek.
2
Voorwaar, Wij hebben het nedergezonden als een Arabische Voordracht, opdat gij moogt begrijpen.
3
Wij verhalen u het schoonste der verhalen doordat Wij u deze Voordracht hebben geopenbaard, hoewel gij voordien tot de achtelozen behoorde.
4
Toen Jozef tot zijn vader zeide: "O mijn vader! Voorwaar, ik zag elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen voor mij zich nederwerpen."
5
Hij zeide: "O mijn zoon! Verhaal uw visioen niet aan uw broeders, opdat zij niet een plan tegen u beramen. Voorwaar, de Duivel is voor den mens een klaarblijkelijke vijand."
6
En aldus zal uw Heer u kiezen, en u onderwijzen van de uitleg der gebeurtenissen, en Zijn gunst over u en over het Huis van Jacob vervolmaken, gelijk Hij haar voorheen over uw vaderen Abraham en Izaäk vervolmaakte. Voorwaar, uw Heer is Alwetend, Alwijs.
7
Voorwaar, in Jozef en zijn broeders zijn tekenen voor de zoekers.
8
Toen zij zeiden: "Voorzeker Jozef en zijn broeder zijn onzen vader dierbaarder dan wij, hoewel wij een bende zijn. Voorwaar, onze vader is in klaarblijkelijke dwaling."
9
"Doodt Jozef, of werpt hem naar een land, opdat het aangezicht uws vaders vrij moge zijn voor u, en gij moogt daarna een rechtvaardig volk zijn."
10
Een spreker onder hen zeide: "Doodt Jozef niet, doch werpt hem in de diepte van den bron; een karavaan zal hem opnemen — indien gij moet handelen."
11
Zij zeiden: "O onze vader! Wat scheelt u dat gij ons Jozef niet toevertrouwt, terwijl voorwaar wij hem welgezind zijn?"
12
"Zend hem morgen met ons uit, opdat hij zich vermake en spele, en voorwaar wij zullen zijn bewakers zijn."
13
Hij zeide: "Voorwaar, het bedroeft mij dat gij hem meeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verslindt terwijl gij achteloos zijt omtrent hem."
14
Zij zeiden: "Indien de wolf hem verslindt terwijl wij een bende zijn, dan voorwaar zijn wij verliezers."
15
En toen zij hem meenamen en overeenkwamen hem te plaatsen in de diepte van den bron — en Wij openbaarden hem: "Gij zult hen voorzeker van deze hun zaak inlichten, terwijl zij het niet beseffen" —
16
en zij kwamen tot hun vader bij het vallen van den avond, wenend.
17
Zij zeiden: "O onze vader! Voorwaar, wij gingen om het hardst lopen en lieten Jozef achter bij onze spullen, en de wolf verslond hem. En gij zult ons niet geloven, al spreken wij de waarheid."
18
En zij kwamen met vals bloed op zijn hemd. Hij zeide: "Neen, uw zielen hebben u iets aangepraat. Geduld dan is betamelijk. En God is Degene Wiens hulp wordt ingeroepen tegen hetgeen gij beschrijft."
19
En er kwam een karavaan, en zij zonden hun waterdrager, en hij liet zijn emmer neder. Hij zeide: "O blijde tijdingen! Dit is een jongeling!" En zij verborgen hem als koopwaar. En God is Wetend van hetgeen zij doen.
20
En zij verkochten hem voor een geringe prijs — enkele dirhams — en zij waren er onverschillig in.
21
En hij van Egypte die hem kocht zeide tot zijn vrouw: "Maak zijn verblijf eerbaar. Wellicht kan hij ons van nut zijn, of wij kunnen hem als zoon aannemen." En aldus vestigden Wij Jozef in het land, en opdat Wij hem de uitleg der gebeurtenissen mochten onderwijzen. En God is overheersend over Zijn zaak, doch de meesten der mensen weten het niet.
22
En toen hij zijn rijpheid had bereikt, gaven Wij hem het oordeel en de kennis. En aldus vergelden Wij hen die goed doen.
23
En zij in wier huis hij was, zocht hem te verleiden van zichzelve, en zij sloot de deuren en zeide: "Kom nu!" Hij zeide: "God verhoede! Voorwaar, hij is mijn heer die mijn verblijf eerbaar heeft gemaakt. Voorwaar, onrechtvaardigen zullen geen voorspoed hebben."
24
En voorwaar zij begeerde hem, en hij zou haar hebben begeerd, had hij het bewijs zijns Heren niet gezien. Aldus was het, opdat Wij het kwaad en de onzedelijkheid van hem mochten afwenden. Voorwaar, hij behoorde tot Onze toegewijde dienaren.
25
En zij wedijverden naar de deur, en zij scheurde zijn hemd van achteren, en zij vonden haar echtgenoot bij de deur. Zij zeide: "Wat is de vergelding van hem die kwaad bedoelt jegens uw huishouden dan dat hij gevangen wordt gezet of een pijnlijke kastijding?"
26
Hij zeide: "Zij zocht mij te verleiden van mijzelve." En een getuige uit haar huishouden getuigde: "Indien zijn hemd van voren is gescheurd, dan spreekt zij de waarheid en is hij van de leugenaars."
27
"En indien zijn hemd van achteren is gescheurd, dan liegt zij en is hij van de waarachtigen."
28
En toen hij zijn hemd zag gescheurd van achteren, zeide hij: "Voorwaar, dit is van uw list. Voorwaar, uw list is groot."
29
"Jozef! Wend u af hiervan. En gij, vraag vergiffenis voor uw zonde. Voorwaar, gij waart van de zondigen."
30
En vrouwen in de stad zeiden: "De vrouw van den machtige zoekt haar jongeling te verleiden van zichzelve. Hij heeft haar met liefde geslagen. Voorwaar, wij achten haar in klaarblijkelijke dwaling."
31
En toen zij hoorde van hun gekonkel, zond zij om hen en bereidde voor hen een feestmaal en gaf ieder van hen een mes en zeide: "Treed voor hen." En toen zij hem zagen, verheerlijkten zij hem en sneden in hun handen en zeiden: "God verhoede! Dit is geen sterveling. Dit is niets dan een edele engel."
32
Zij zeide: "Dat is hij over wie gij mij hebt gelaakt. En voorwaar ik zocht hem te verleiden van zichzelve, doch hij hield stand. En indien hij niet doet hetgeen ik hem gebied, zal hij voorzeker worden gevangengezet en voorzeker van de verlaagden zijn."
33
Hij zeide: "Mijn Heer! De gevangenis is mij dierbaarder dan hetgeen waartoe zij mij roepen. En tenzij Gij hun list van mij afwendt, zal ik naar hen neigen en van de onwetenden zijn."
34
En zijn Heer antwoordde hem en wendde hun list van hem af. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende.
35
Toen viel het hun in, nadat zij de tekenen hadden gezien, dat zij hem voor een wijle gevangen zouden zetten.
36
En er kwamen met hem de gevangenis in twee jongelingen. Eén van hen zeide: "Voorwaar, ik zie mijzelve wijn persen." En de andere zeide: "Voorwaar, ik zie mijzelve op mijn hoofd brood dragen waarvan de vogels eten. Licht ons in over de uitleg ervan. Voorwaar, wij zien u onder hen die goed doen."
37
Hij zeide: "Er zal geen voedsel waarmee gij wordt voorzien tot u komen of ik zal u de uitleg ervan meedelen vóór het tot u komt. Dat is van hetgeen mijn Heer mij heeft onderwezen. Voorwaar, ik heb het geloof verlaten van een volk dat niet gelooft in God, en dat, omtrent het Hiernamaals, degenen zijn die verhullen."
38
"En ik heb het geloof gevolgd van mijn vaderen, Abraham en Izaäk en Jacob. Het was niet aan ons God iets toe te kennen. Dat is van de gunst Gods over ons en over de mensen, doch de meesten der mensen geven geen dank."
39
"O mijn twee metgezellen der gevangenis! Zijn verscheidene heren beter, of God, de Ene, de Overheersende?"
40
"Gij aanbidt naast Hem niets dan namen die gij hebt benoemd, gij en uw vaderen, waarvoor God geen gezag heeft nedergezonden. Het oordeel behoort slechts aan God. Hij heeft geboden dat gij niemand aanbidt dan Hem. Dat is het rechte geloof, doch de meesten der mensen weten het niet."
41
"O mijn twee metgezellen der gevangenis! Wat één uwer betreft, hij zal wijn inschenken voor zijn heer. En wat den ander betreft, hij zal worden gekruisigd, en de vogels zullen eten van zijn hoofd. De zaak is besloten waarover gij vraagt."
42
En hij zeide tot hem die hij achtte gered te zullen worden van de twee: "Vermeld mij bij uw heer." Doch de Duivel deed hem de vermelding van zijn Heer vergeten, en dus verbleef hij in de gevangenis verscheidene jaren.
43
En de koning zeide: "Voorwaar, ik zie zeven vette koeien die door zeven magere worden verslonden, en zeven groene korenaren en andere dorre. O gij raad! Spreekt voor mij uit over mijn visioen, indien gij visioenen kunt uitleggen."
44
Zij zeiden: "Verwarde dromen, en wij zijn niet geleerd in de uitleg van dromen."
45
En hij van de twee die gered was, en zich herinnerde na een wijle, zeide: "Ik zal u de uitleg ervan meedelen; zendt mij dus uit."
46
"Jozef! O gij waarachtige! Spreek voor ons uit omtrent zeven vette koeien die door zeven magere worden verslonden, en zeven groene korenaren en andere dorre, opdat ik moge terugkeren tot het volk, opdat zij wellicht mogen weten."
47
Hij zeide: "Gij zult zeven jaren ijverig zaaien; hetgeen gij dan oogst, laat het in zijn aar, behalve een weinig waarvan gij eet."
48
"Dan zullen daarna zeven harde jaren komen die zullen verslinden hetgeen gij voor hen hebt opgelegd, behalve een weinig van hetgeen gij bewaart."
49
"Dan zal daarna een jaar komen waarin de mensen worden bijgestaan, en waarin zij zullen persen."
50
En de koning zeide: "Brengt hem tot mij." En toen de boodschapper tot hem kwam, zeide hij: "Keer terug tot uw heer en vraag hem wat het geval is van de vrouwen die in hun handen sneden. Voorwaar, mijn Heer is Wetend van hun list."
51
Hij zeide: "Wat was uw zaak toen gij Jozef zocht te verleiden van zichzelve?" Zij zeiden: "God verhoede! Wij weten geen kwaad van hem." De vrouw van den machtige zeide: "Nu is de waarheid uit. Ik zocht hem te verleiden van zichzelve, en voorwaar hij behoort tot de waarachtigen."
52
"Dat is opdat hij moge weten dat ik hem niet in het geheim heb verraden, en dat God de list der verraders niet leidt."
53
"En ik spreek mijzelve niet vrij. Voorwaar, de ziel gebiedt tot het kwade, behalve datgene waarover mijn Heer Zich ontfermt. Voorwaar, mijn Heer is Alvergevend, Meest Barmhartig."
54
En de koning zeide: "Brengt hem tot mij, opdat ik hem aan mijzelve moge hechten." En toen hij met hem had gesproken, zeide hij: "Voorwaar, heden zijt gij bij ons gevestigd, vertrouwd."
55
Hij zeide: "Stel mij aan over de voorraadhuizen van het land. Voorwaar, ik ben een bekwaam bewaker."
56
En aldus vestigden Wij Jozef in het land, om zich daarin te vestigen waar hij wilde. Wij schenken Onze barmhartigheid aan wie Wij willen. En Wij verspillen niet de beloning dergenen die goed doen.
57
En voorzeker de beloning van het Hiernamaals is beter voor hen die geloven en godvrezend plachten te zijn.
58
En de broeders van Jozef kwamen en traden bij hem binnen, en hij kende hen, doch zij herkenden hem niet.
59
En toen hij hen had voorzien van hun proviand, zeide hij: "Brengt mij een broeder van u van uw vader. Ziet gij niet dat ik volle maat geef en dat ik de beste der gastheren ben?"
60
"En indien gij hem mij niet brengt, zal er geen maat voor u bij mij zijn, noch zult gij naderen."
61
Zij zeiden: "Wij zullen trachten hem van zijn vader te winnen. En voorwaar, wij zullen het doen."
62
En hij zeide tot zijn dienaren: "Plaatst hun koopwaar in hun zadeltassen, opdat zij haar wellicht mogen herkennen wanneer zij tot hun huishouden terugkeren, opdat zij wellicht mogen terugkomen."
63
En toen zij terugkeerden tot hun vader, zeiden zij: "O onze vader! De maat is ons ontzegd; zend dus onzen broeder met ons, opdat wij de maat mogen verkrijgen. En voorwaar, wij zullen zijn bewakers zijn."
64
Hij zeide: "Zal ik hem u toevertrouwen anders dan ik u voordien zijn broeder toevertrouwde? God is beter als bewaker, en Hij is de Barmhartigste dergenen die barmhartigheid betonen."
65
En toen zij hun spullen openden, vonden zij hun koopwaar tot hen teruggekeerd. Zij zeiden: "O onze vader! Wat meer zouden wij begeren? Hier is onze koopwaar tot ons teruggekeerd. Wij zullen ons huishouden voorzien, en onzen broeder bewaken, en een extra kameellast verkrijgen. Dat is een gemakkelijke maat."
66
Hij zeide: "Ik zal hem niet met u zenden totdat gij mij een plechtige eed bij God geeft dat gij hem tot mij zult terugbrengen, tenzij gij omsingeld wordt." En toen zij hem hun plechtige eed hadden gegeven, zeide hij: "God is Bewaker over hetgeen wij zeggen."
67
En hij zeide: "O mijn zonen! Gaat niet binnen door één poort, doch gaat binnen door verschillende poorten. En ik baat u niets tegen God. Het oordeel behoort slechts aan God. Op Hem vertrouw ik, en op Hem moeten de vertrouwenden vertrouwen."
68
En toen zij binnenkwamen gelijk hun vader hun had geboden, baatte het hun niets tegen God — behalve een behoefte in de ziel van Jacob die hij vervulde. En voorwaar, hij was begiftigd met kennis door hetgeen Wij hem hadden onderwezen, doch de meesten der mensen weten het niet.
69
En toen zij binnentraden bij Jozef, nam hij zijn broeder tot zich en zeide: "Voorwaar, ik ben uw broeder; treur dus niet over hetgeen zij plachten te doen."
70
En toen hij hen had voorzien van hun proviand, plaatste hij de drinkbeker in de zadel van zijn broeder. Toen riep een omroeper: "O gij van de karavaan! Voorwaar, gij zijt dieven!"
71
Zij zeiden, zich tot hen wendend: "Wat is het dat gij mist?"
72
Zij zeiden: "Wij missen den beker des konings, en voor hem die hem brengt is een kameellast, en ik sta er borg voor."
73
Zij zeiden: "Bij God! Gij weet wel dat wij niet gekomen zijn om onheil te werken in het land, en wij zijn geen dieven."
74
Zij zeiden: "Wat is dan de vergelding ervoor, indien gij leugenaars zijt?"
75
Zij zeiden: "De vergelding ervoor — hij in wiens zadel hij wordt gevonden, hij zelf is de vergelding ervoor. Aldus vergelden wij de onrechtvaardigen."
76
Toen begon hij met hun tassen vóór de tas van zijn broeder; toen haalde hij hem voort uit de tas van zijn broeder. Aldus beraamden Wij het voor Jozef. Hij had zijn broeder niet kunnen nemen onder de wet des konings tenzij God het wilde. Wij verheffen in graden wie Wij willen. En boven elken bezitter van kennis is Een Alwetende.
77
Zij zeiden: "Indien hij steelt, een broeder van hem stal voordien." Doch Jozef hield het geheim in zichzelve en openbaarde het hun niet. Hij zeide: "Gij zijt in een slechtere positie. En God weet het best hetgeen gij beschrijft."
78
Zij zeiden: "O machtige! Voorwaar, hij heeft een vader, een hoogbejaarde man. Neem dus één van ons in zijn plaats. Voorwaar, wij achten u onder hen die goed doen."
79
Hij zeide: "God verhoede dat wij nemen dan hem bij wie wij ons eigendom vonden. Voorwaar, dan zouden wij onrechtvaardigen zijn."
80
En toen zij aan hem wanhoopten, trokken zij zich terug, overleggend. De oudste hunner zeide: "Weet gij niet dat uw vader van u een plechtige eed bij God heeft genomen, en voordien faalde gij in uw plicht jegens Jozef? Ik zal het land niet verlaten totdat mijn vader mij verlof geeft of God voor mij oordeelt. En Hij is de beste der rechters."
81
"Keert terug tot uw vader en zegt: 'O onze vader! Voorwaar, uw zoon heeft gestolen. En wij getuigen slechts van hetgeen wij weten, en wij konden ons niet hoeden tegen het verborgene.'"
82
"'En vraagt de stad waarin wij waren, en de karavaan waarmee wij kwamen. En voorwaar, wij zijn waarachtig.'"
83
Hij zeide: "Neen, uw zielen hebben u iets aangepraat. Geduld dan is betamelijk. Het kan zijn dat God hen allen tot mij zal brengen. Voorwaar, Hij is de Alwetende, de Alwijze."
84
En hij wendde zich van hen af en zeide: "O mijn smart om Jozef!" En zijn ogen werden wit van verdriet, en hij was versmoord van smart.
85
Zij zeiden: "Bij God! Gij zult niet ophouden Jozef te gedenken totdat gij verteerd zijt of tot hen die vergaan behoort."
86
Hij zeide: "Ik beklaag mijn benauwdheid en mijn smart slechts bij God, en ik weet van God hetgeen gij niet weet."
87
"O mijn zonen! Gaat en doet navraag naar Jozef en zijn broeder, en wanhoopt niet aan de Geest Gods. Voorwaar, niemand wanhoopt aan de Geest Gods dan het volk dat verhult."
88
En toen zij bij hem binnentraden, zeiden zij: "O machtige! Tegenspoed heeft ons en ons huishouden getroffen, en wij hebben armzalige koopwaar meegebracht. Geef ons dus volle maat en wees liefdadig jegens ons. Voorwaar, God beloont de liefdadigen."
89
Hij zeide: "Weet gij wat gij met Jozef en zijn broeder deedt, toen gij onwetend waart?"
90
Zij zeiden: "Zijt gij dan waarlijk Jozef?" Hij zeide: "Ik ben Jozef, en dit is mijn broeder. God is ons genadig geweest. Voorwaar, hij die godvrezend en geduldig is — voorwaar, God verspilt niet de beloning dergenen die goed doen."
91
Zij zeiden: "Bij God! Voorwaar, God heeft u boven ons verkozen, en voorwaar wij waren zondaars."
92
Hij zeide: "Geen verwijt op u heden. God vergeve u, en Hij is de Barmhartigste dergenen die barmhartigheid betonen."
93
"Gaat met dit hemd van mij en werpt het op het aangezicht van mijn vader; hij zal ziende worden. En brengt mij uw huishouden, allen tezamen."
94
En toen de karavaan vertrok, zeide hun vader: "Voorwaar, ik bespeur den geur van Jozef — opdat gij mij niet voor seniel houdt."
95
Zij zeiden: "Bij God! Voorwaar, gij zijt in uw oude dwaling."
96
En toen de brenger der blijde tijdingen kwam, wierp hij het op zijn aangezicht, en hij herkreeg zijn gezicht. Hij zeide: "Zeide ik u niet dat ik van God weet hetgeen gij niet weet?"
97
Zij zeiden: "O onze vader! Vraag vergiffenis voor ons van onze zonden. Voorwaar, wij waren zondaars."
98
Hij zeide: "Ik zal vergiffenis voor u vragen van mijn Heer. Voorwaar, Hij is de Alvergevende, de Meest Barmhartige."
99
En toen zij binnentraden bij Jozef, nam hij zijn ouders tot zich en zeide: "Treedt Egypte binnen, zo God wil, in veiligheid."
100
En hij verhief zijn ouders op den troon, en zij vielen voor hem neder, zich nederwerpend. En hij zeide: "O mijn vader! Dit is de uitleg van mijn visioen van ouds. Mijn Heer heeft het waar gemaakt. En Hij is mij genadig geweest, toen Hij mij voortbracht uit de gevangenis en u bracht uit de woestijn, nadat de Duivel tweedracht had gezaaid tussen mij en mijn broederen. Voorwaar, mijn Heer is Fijnzinnig in hetgeen Hij wil. Voorwaar, Hij is de Alwetende, de Alwijze."
101
"Mijn Heer! Gij hebt mij van heerschappij gegeven en mij onderwezen van de uitleg der gebeurtenissen. Voortbrenger der hemelen en der aarde! Gij zijt mijn Beschermer in deze wereld en het Hiernamaals. Doe mij sterven in Toewijding, en voeg mij bij de rechtvaardigen."
102
Dat is van de berichten van het verborgene die Wij u openbaren. En gij waart niet bij hen toen zij hun zaak besloten en beraadslaagden.
103
En de meesten der mensen, al begeert gij het, zijn geen gelovigen.
104
En gij vraagt hun er geen beloning voor. Het is niets dan een herinnering voor de werelden.
105
En hoevele tekenen in de hemelen en op de aarde gaan zij voorbij, zich ervan afwendend.
106
En de meesten hunner geloven niet in God dan dat zij Hem deelgenoten toekennen.
107
Voelen zij zich dan veilig dat er over hen een bedekking mocht komen van de kastijding Gods, of dat het Uur plotseling over hen mocht komen terwijl zij het niet beseffen?
108
Zeg: "Dit is mijn pad. Ik roep tot God — op duidelijk inzicht ben ik, en zij die mij volgen. En verheven zij God, en ik ben niet van hen die deelgenoten toekennen."
109
En Wij zonden vóór u niet dan mannen aan wie Wij openbaarden, van de bewoners der steden. Zijn zij dan niet over de aarde gereisd en hebben zij gezien hoe het einde was van hen die vóór hen waren? En voorzeker de verblijfplaats van het Hiernamaals is beter voor hen die godvrezend zijn. Zult gij dan niet begrijpen?
110
Totdat, toen de boodschappers wanhoopten en meenden dat zij geloochend waren, Onze hulp tot hen kwam, en wie Wij wilden werd gered. En Onze macht wordt niet afgewend van het schuldige volk.
111
Voorwaar, in hun verhalen is een les voor hen die verstand bezitten. Het is geen verzonnen verhaal, doch een bevestiging van hetgeen vóór het is, en een uiteenzetting van alle dingen, en een leiding en een barmhartigheid voor een volk dat gelooft.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 12 — Joesof (Jozef)

Algemene opmerkingen

De enige soera die één doorlopend verhaal vertelt van begin tot einde. “Het schoonste der verhalen” (v.3) — de literaire eenheid weerspiegelt de theologische aanspraak: het verhaal dat een volledige boog beschrijft van val en herstel, ballingschap en terugkeer, voorafbeeldt het patroon van elke Manifestatie.

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.37 zegt Jozef dat hij “het geloof heeft verlaten van een volk dat niet gelooft in God, en dat, omtrent het Hiernamaals, degenen zijn die verhullen.” Het verhullen staat hier naast het niet-geloven — het is niet louter ongeloof maar het actief bedekken van de waarheid.

“Toewijding” voor إسلام (islaam)

In v.101 bidt Jozef: “Doe mij sterven in Toewijding, en voeg mij bij de rechtvaardigen.” Het Arabische مسلمًا (mosliman) wordt hier als “Toewijding” vertaald — Jozefs overgave is niet een religieus label maar een levenslange houding.

“verborgene” voor غيب (ghajb)

In v.102: “berichten van het verborgene die Wij u openbaren.” Het verborgene is niet het onkenbare maar het nog-niet-onthulde. De openbaring trekt het gordijn open.

v.4: De elf sterren

Jozefs droom — elf sterren, de zon en de maan — is het zaad van het gehele verhaal. De uitleg komt pas in v.100 wanneer zijn ouders en broeders zich voor hem nederwerpen. De boog van droom naar vervulling bestrijkt het hele leven — ta’wiel (uitleg, stam أ-و-ل: terugkeren naar de oorsprong) is geen onmiddellijk proces maar een geleidelijk ontvouwen.

v.24: De toegewijde dienaar

“Hij behoorde tot Onze toegewijde dienaren” (مخلصين, mochlasien) — stam خ-ل-ص: zuiver zijn, rein maken. Jozef weerstaat de verleiding niet door eigen kracht maar doordat hij een “bewijs zijns Heren” ziet (v.24). De zuiverheid is ontvangen, niet zelfgemaakt.

v.53: De gebiedende ziel

“De ziel gebiedt tot het kwade” (إن النفس لأمارة بالسوء) — een grondvers voor de geestelijke psychologie. De drie staten der ziel verschijnen verspreid door de Voordracht: de gebiedende ziel (12:53), de zichzelf verwijtende ziel (75:2), en de ziel in vrede (89:27).

v.87: De Geest Gods

“Wanhoopt niet aan de Geest Gods” (روح الله, roeh Allaah). Jacob stuurt zijn zonen terug met deze aansporing. Het woord روح (roeh, geest/adem) — stam ر-و-ح — draagt troost, hoop, adem. Wanhopen aan de Geest is wanhopen aan de levensadem zelf.

v.94: De geur van Jozef

“Ik bespeur den geur van Jozef.” Jacobs geestelijke waarneming werkt over enorme afstand — zijn ogen zijn wit van verdriet (v.84), maar zijn innerlijk zintuig neemt de geur waar. De fysieke zintuigen falen; de geestelijke waarneming slaagt.

Integratieve verbanden

  • v.111 (geen verzonnen verhaal) ↔ 10:37: dezelfde stam ف-ت-ر
  • v.53 (de gebiedende ziel) ↔ 75:2 en 89:27: de drie zielstoestanden
  • v.3 (het schoonste der verhalen) ↔ 28:1-3: stam ق-ص-ص verbindt beide “verhaalsoera’s”
  • v.101 (sterven in Toewijding) ↔ 22:78: Abraham als oorsprong van de naam “Toegewijden”
13
Ar-Ra'd De Donder
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Miem, Raa. Dit zijn de tekenen des Boeks; en hetgeen tot u is nedergezonden van uw Heer is de waarheid, doch de meesten der mensen geloven niet.
2
God is het Die de hemelen heeft verheven zonder pilaren die gij kunt zien, Zich dan vestigde op den Troon, en de zon en de maan onderwierp, elk lopend tot een vastgestelde termijn. Hij bestuurt de zaak en zet de tekenen uiteen, opdat gij wellicht zeker moogt zijn van de ontmoeting met uw Heer.
3
En Hij is het Die de aarde heeft uitgespreid en daarin vaste bergen en rivieren plaatste; en van elke vrucht plaatste Hij daarin twee soorten. Hij doet den nacht den dag bedekken. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat nadenkt.
4
En op de aarde zijn naburige streken, en tuinen van wijnstokken, en gezaaide velden, en dadelpalmen — uit één wortel en niet uit één wortel — besproeid met één water; en Wij maken sommigen van hen voortreffelijker dan anderen in vrucht. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat begrijpt.
5
En indien gij u verwondert, dan is verwonderlijk hun zeggen: "Wanneer wij tot stof zijn geworden, zullen wij dan in een nieuwe schepping zijn?" Dezen zijn zij die hun Heer verhullen; en dezen, de ketenen zijn om hun halzen; en dezen zijn de gezellen des Vuurs, daarin eeuwig verblijvend.
6
En zij verzoeken u het kwaad te verhaasten vóór het goede, hoewel voorbeeldige straffen vóór hen zijn voorbijgegaan. En voorwaar, uw Heer is vol van vergiffenis voor de mensen ondanks hun onrechtvaardigheid, en voorwaar, uw Heer is streng in kastijding.
7
En zij die verhullen zeggen: "Waarom is er geen teken op hem nedergezonden van zijn Heer?" Gij zijt slechts een waarschuwer, en voor elk volk een gids.
8
God weet wat elke vrouw draagt, en wat de schoten te kort komen en wat zij te boven gaan. En alles bij Hem is naar maat.
9
Kenner van het verborgene en het zichtbare, de Grote, de Allerhoogste.
10
Gelijk van u is hij die zijn rede verbergt en hij die haar verkondigt, en hij die zich bij nacht verschuilt en bij dag voortgaat.
11
Hij heeft wachters vóór hem en achter hem die hem bewaken op het gebod Gods. Voorwaar, God verandert de toestand van een volk niet totdat zij veranderen wat in hun zielen is. En wanneer God voor een volk een beproeving wil, is er geen afwending ervan; en zij hebben, buiten Hem, geen beschermer.
12
Hij is het Die u den bliksem toont, ter vrees en ter hoop, en de zware wolken doet oprijzen.
13
En de Donder verheerlijkt Zijn lof, en de engelen uit ontzag voor Hem; en Hij zendt de bliksemschichten en treft daarmee wie Hij wil. Toch twisten zij over God, en Hij is machtig van kracht.
14
Tot Hem is de ware aanroeping; en zij die zij aanroepen buiten Hem beantwoorden hen in het geheel niet, behalve als hij die zijn twee handen uitstrekt naar water opdat het zijn mond bereike, en het bereikt hem niet. En de aanroeping dergenen die verhullen is slechts in dwaling.
15
En voor God buigt neder al wat in de hemelen en op de aarde is, gewillig of onwillig, en hun schaduwen in de morgens en de avonden.
16
Zeg: "Wie is de Heer der hemelen en der aarde?" Zeg: "God." Zeg: "Hebt gij dan buiten Hem beschermers genomen die voor zichzelven geen macht hebben, noch tot baat noch tot schade?" Zeg: "Zijn de blinde en de ziende gelijk? Of zijn de duisternis en het licht gelijk?" Of hebben zij aan God deelgenoten toegekend die het gelijke van Zijn schepping hebben geschapen, zodat de schepping hun gelijk schijnt? Zeg: "God is de Schepper aller dingen, en Hij is de Ene, de Onweerstaanbare."
17
Hij zendt water neder van den hemel, en dalen stromen naar hun maat, en de vloed draagt een zwellend schuim. En van hetgeen zij smelten in het vuur, ornament of gereedschap zoekend, een schuim daaraan gelijk. Aldus stelt God het ware en het valse op. Wat dan het schuim betreft, het gaat heen als afval; en wat de mensen baat, het blijft in de aarde. Aldus stelt God de gelijkenissen op.
18
Voor hen die hun Heer gehoorzamen is het beste; en zij die Hem niet gehoorzamen, hadden zij al wat op de aarde is en het gelijke daarvan erbij, zij zouden zichzelven daarmee loskopen. Dezen, hunner is een kwade afrekening, en hun verblijfplaats is het Hellevuur; en ellendig is de rustplaats.
19
Is dan hij die weet dat hetgeen tot u van uw Heer is nedergezonden de waarheid is, gelijk aan hem die blind is? Slechts zij die verstand bezitten herinneren zich:
20
zij die het verbond Gods vervullen en het verdrag niet verbreken,
21
en zij die verbinden wat God bevolen heeft te verbinden, en hun Heer vrezen, en de kwade afrekening duchten,
22
en zij die geduldig zijn, het aanschijn huns Heren zoekend, en het gebed onderhouden, en besteden van hetgeen Wij hun hebben geschonken in het verborgene en openlijk, en het kwade met het goede afweren. Dezen, hunner is de uiteindelijke verblijfplaats:
23
Tuinen der Eeuwigheid die zij zullen binnentreden, en zij die rechtvaardig zijn van hun vaderen en hun echtgenoten en hun nakomelingen. En de engelen zullen tot hen binnentreden van elke poort:
24
"Vrede zij u omdat gij geduldig waart." En hoe voortreffelijk is de uiteindelijke verblijfplaats!
25
En zij die het verbond Gods verbreken na de bekrachtiging ervan, en scheiden hetgeen God heeft bevolen te verbinden, en verderf op aarde werken, dezen, hunner is de vloek en hunner is de kwade verblijfplaats.
26
God verruimt de voorziening voor wie Hij wil en beperkt haar. En zij verheugen zich in het leven dezer wereld, en het leven dezer wereld is slechts een voorbijgaand genot naast het Hiernamaals.
27
En zij die verhullen zeggen: "Waarom is er geen teken op hem nedergezonden van zijn Heer?" Zeg: "Voorwaar, God doet dwalen wie Hij wil en leidt tot Zich hen die zich in berouw wenden,
28
hen die geloven en wier harten rust vinden in de gedachtenis Gods. Ziet! In de gedachtenis Gods vinden de harten rust."
29
Zij die geloven en rechtvaardige werken doen, gelukzaligheid is hunner en een schone terugkeer.
30
Aldus hebben Wij u gezonden te midden van een natie vóór welke naties zijn voorbijgegaan, opdat gij hun moogt voordragen hetgeen Wij u hebben geopenbaard; toch verhullen zij den Albarmhartige. Zeg: "Hij is mijn Heer; er is geen god dan Hij. In Hem stel ik mijn vertrouwen, en tot Hem is mijn kering."
31
En ware er een voordracht waardoor de bergen werden bewogen, of de aarde werd gespleten, of de doden werden gebracht om te spreken — neen, doch het gebod is geheel Gods. Hebben zij die geloven dan niet gewanhoopt dat, had God gewild, Hij alle mensen had kunnen leiden? En zij die verhullen zullen niet ophouden getroffen te worden door rampspoed voor hetgeen zij hebben gewrocht, of zij daalt neder nabij hun woning, totdat de belofte Gods komt. Voorwaar, God faalt niet in de afspraak.
32
En voorwaar, boodschappers vóór u werden bespot, en Ik verleende uitstel aan hen die verhulden; toen greep Ik hen. En hoe was Mijn kastijding!
33
Is dan Hij Die over elke ziel staat voor hetgeen zij heeft verworven? Toch schrijven zij God deelgenoten toe. Zeg: "Noemt hen! Of zoudt gij Hem willen inlichten over wat Hij niet weet op de aarde? Of is het slechts een vertoon van woorden?" Neen, het kuipen dergenen die verhullen wordt hun schoon gemaakt, en zij worden van het pad afgewend. En wie God doet dwalen, voor hem is er geen gids.
34
Voor hen is kastijding in het leven dezer wereld, en de kastijding van het Hiernamaals is grievender; en zij hebben tegen God geen beschermer.
35
Een gelijkenis van de Tuin die den godvrezenden is beloofd: daaronder stromen rivieren; haar vrucht is bestendig, en haar schaduw. Dat is het einde dergenen die godvrezend zijn; en het einde dergenen die verhullen is het Vuur.
36
En zij aan wie Wij het Boek hebben gegeven verheugen zich in hetgeen tot u is nedergezonden; en onder de partijen zijn er die een deel ervan loochenen. Zeg: "Mij is slechts bevolen God te aanbidden en Hem niets toe te schrijven. Tot Hem roep ik, en tot Hem is mijn terugkeer."
37
En aldus hebben Wij het nedergezonden als een oordeel in het Arabisch. En waart gij hun begeerten te volgen na hetgeen tot u is gekomen aan kennis, gij zoudt tegen God geen beschermer en geen verdediger hebben.
38
En voorwaar, Wij zonden boodschappers vóór u en wezen hun echtgenoten en nakomelingen toe. En het was niet aan een boodschapper een teken te brengen dan met verlof Gods. Voor elke termijn is er een boek.
39
God wist uit wat Hij wil en bevestigt; en bij Hem is de Moeder des Boeks.
40
En hetzij Wij u een deel tonen van hetgeen Wij hun beloven, of u tot Ons nemen, op u rust slechts de overbrenger, en op Ons de afrekening.
41
Hebben zij niet gezien dat Wij het land betreden, het verminderend aan zijn grenzen? En God oordeelt; er is niemand die Zijn oordeel kan omkeren. En Hij is snel in afrekening.
42
En zij die vóór hen waren beraamden; doch Gods is het beramen geheel. Hij weet wat elke ziel verdient. En zij die verhullen zullen weten voor wie de uiteindelijke verblijfplaats is.
43
En zij die verhullen zeggen: "Gij zijt geen gezondene." Zeg: "God is voldoende als Getuige tussen mij en u, en hij die kennis heeft van het Boek."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 13 — Ar-Ra’d (De Donder)

Algemene opmerkingen

De soera noemt zichzelf naar de donder als daad van kosmische lofprijzing — de hemel die beeft voor zijn Heer.

Stamanalyse

v.13: Stam ر-ع-د (r-‘ayn-d) — “donderen”

“De donder verheerlijkt Zijn lof.” De stam betekent beven, donderen, in ontzag zijn. Donder is niet slechts een weerverschijnsel maar een daad van verheerlijking — de hemel beeft voor zijn Heer.

v.17: Stam ز-ب-د (z-b-d) — “schuim”

De vloed-gelijkenis: het schuim verdwijnt maar wat de mensen baat blijft. God “zet het ware en het valse uiteen” door het beeld van smelting — valsheid is het slak dat verbrandt, waarheid is het metaal dat standhoudt. De gelijkenis geldt voor openbaring zelf: interpretief schuim rijst en vergaat, de stambetekenis blijft.

v.11: “God verandert de toestand eens volks niet totdat zij veranderen wat in hun zielen is”

De stam ن-ف-س (ziel/zelf) verbindt innerlijke omvorming met uiterlijke manifestatie — het zahir/batin-beginsel toegepast op maatschappelijke verandering.

Integratieve verbanden

  • v.39 “God wist uit wat Hij wil en vestigt” ↔ 2:106: uitwissing en vestiging als goddelijke overschrijving, niet als afschaffing.
  • v.31 “een Voordracht waardoor bergen bewogen werden” ↔ 59:21: de Voordracht als kracht die inwerkt op de stoffelijke wereld door haar batin-vermogen.
14
Ibrahiem Abraham
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Raa. Een Boek dat Wij tot u hebben nedergezonden opdat gij de mensen moogt voeren uit de duisternis naar het licht, met verlof huns Heren, naar het pad van den Machtige, den Lofwaardige,
2
God, aan Wie behoort al wat in de hemelen is en al wat op de aarde is. En wee degenen die verhullen, vanwege een strenge kastijding,
3
degenen die het leven dezer wereld verkiezen boven het Hiernamaals, en afwenden van den weg Gods, en hem krom zoeken te maken. Dezen zijn in verre dwaling.
4
En Wij zonden geen boodschapper dan in de taal van zijn volk, opdat hij hun duidelijk mocht maken. Dan doet God dwalen wie Hij wil en leidt wie Hij wil; en Hij is de Machtige, de Wijze.
5
En voorwaar, Wij zonden Mozes met Onze tekenen: "Breng uw volk voort uit de duisternis naar het licht, en herinner hen aan de Dagen Gods." Voorwaar, daarin zijn tekenen voor elken geduldigen, dankbaren.
6
En toen Mozes tot zijn volk zeide: "Gedenkt de gunst Gods over u toen Hij u redde van het volk van Farao die u een grievende kastijding oplegde, uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde. En daarin was een grote beproeving van uw Heer."
7
En toen uw Heer verkondigde: "Indien gij dankbaar zijt, zal Ik u voorzeker vermeerderen; doch indien gij ondankbaar zijt, voorwaar Mijn kastijding is streng."
8
En Mozes zeide: "Indien gij verhult, gij en allen die op de aarde zijn, dan voorwaar God is Zelfgenoegzaam, Lofwaardig."
9
Is het bericht niet tot u gekomen van hen die vóór u waren, het volk van Noach en Aad en Thamoed, en hen die na hen kwamen? Niemand kent hen dan God. Hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen, doch zij staken hun handen in hun monden en zeiden: "Voorwaar, wij verhullen hetgeen waarmee gij gezonden zijt, en voorwaar, wij zijn in verontrustende twijfel omtrent hetgeen waartoe gij ons roept."
10
Hun boodschappers zeiden: "Is er twijfel omtrent God, den Voortbrenger der hemelen en der aarde? Hij roept u opdat Hij u van uw zonden moge vergeven en u uitstel moge verlenen tot een vastgestelde termijn." Zij zeiden: "Gij zijt slechts stervelingen als wij; gij zoudt ons willen afwenden van hetgeen onze vaderen aanbaden. Brengt ons dan een duidelijk gezag."
11
Hun boodschappers zeiden tot hen: "Wij zijn slechts stervelingen als gij, doch God schenkt gunst aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is niet aan ons u een gezag te brengen dan met verlof Gods. En op God moeten de gelovigen hun vertrouwen stellen.
12
En waarom zouden wij ons vertrouwen niet op God stellen, wanneer Hij ons in onze wegen heeft geleid? En wij zullen voorzeker met geduld dragen hetgeen gij ons aandoet; en op God moeten zij die vertrouwen hun vertrouwen stellen."
13
En zij die verhulden zeiden tot hun boodschappers: "Wij zullen u voorzeker uit ons land verdrijven, of gij zult tot onze godsdienst terugkeren." Toen openbaarde hun Heer hun: "Wij zullen voorzeker de onrechtvaardigen vernietigen,
14
en Wij zullen u voorzeker vestigen in het land na hen. Dat is voor hem die Mijn standplaats vreest en Mijn bedreiging vreest."
15
En zij zochten een beslissing, en elke hardnekkige tiran werd te niet gebracht.
16
Achter hem is het Hellevuur, en hem wordt sijpelend water te drinken gegeven.
17
Hij nipt ervan en kan het nauwelijks doorslikken, en de dood komt hem van alle zijden, toch sterft hij niet; en achter hem is een harde kastijding.
18
De gelijkenis dergenen die hun Heer verhullen: hun werken zijn als as waarop de wind hevig blaast op een stormachtige dag. Zij hebben geen macht over iets dat zij hebben verworven. Dat is de verre dwaling.
19
Hebt gij niet gezien dat God de hemelen en de aarde in waarheid heeft geschapen? Indien Hij wil, kan Hij u wegnemen en een nieuwe schepping brengen.
20
En dat is voor God niet moeilijk.
21
En zij zullen allen tezamen voor God te voorschijn komen. En de zwakken zullen tot hen die hoogmoedig waren zeggen: "Voorwaar, wij waren uw volgelingen; kunt gij ons dan iets baten tegen de kastijding Gods?" Zij zullen zeggen: "Had God ons geleid, wij zouden u hebben geleid. Het is gelijk voor ons of wij rusteloos zijn of geduldig; er is voor ons geen toevlucht."
22
En de duivel zal zeggen, wanneer de zaak beslist is: "Voorwaar, God beloofde u de belofte der waarheid, en ik beloofde u, toen faalde ik u. En ik had geen gezag over u behalve dat ik u riep en gij mij antwoorddet. Verwijt mij dus niet, doch verwijt uw eigen zielen. Ik kan u niet helpen, noch kunt gij mij helpen. Voorwaar, ik verhulde uw toekenning van mij voordien." Voorwaar, de onrechtvaardigen, voor hen is een pijnlijke kastijding.
23
En zij die geloven en rechtvaardige werken doen worden toegelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen, om daarin te verblijven met verlof huns Heren. Hun groet daarin: "Vrede!"
24
Hebt gij niet gezien hoe God een gelijkenis heeft opgezet? Een goed woord is als een goede boom wier wortel vast is en wier tak in den hemel is,
25
haar vrucht gevend in elk seizoen met verlof haars Heren. En God stelt gelijkenissen op voor de mensen, opdat zij wellicht mogen gedenken.
26
En de gelijkenis van een kwaad woord is als een kwade boom die ontworteld is van het oppervlak der aarde, zonder vastigheid.
27
God bevestigt hen die geloven met het vaste woord in het leven dezer wereld en in het Hiernamaals; en God doet de onrechtvaardigen dwalen. En God doet wat Hij wil.
28
Hebt gij niet hen gezien die de gunst Gods hebben ingeruild voor ondankbaarheid en hun volk in de verblijfplaats des verderfs hebben gevestigd?
29
Het Hellevuur, waarin zij branden; en ellendig is de rustplaats.
30
En zij stelden gelijken naast God om af te leiden van Zijn weg. Zeg: "Neemt uw genot, want voorwaar uw reis is naar het Vuur."
31
Zeg tot Mijn dienaren die geloven dat zij het gebed moeten onderhouden en besteden van hetgeen Wij hun hebben geschonken, in het verborgene en openlijk, vóór een Dag komt waarop er noch handel noch vriendschap zal zijn.
32
God is het Die de hemelen en de aarde schiep, en water nederzond van den hemel en daarmee vruchten voortbracht als een voorziening voor u, en u de schepen onderwierp opdat zij mogen varen op de zee bij Zijn gebod, en u de rivieren onderwierp,
33
en u de zon en de maan onderwierp, bestendig in hun loop, en u den nacht en den dag onderwierp.
34
En Hij gaf u van alles waarom gij Hem vroegt. En indien gij de gunst Gods zoudt tellen, gij zoudt haar niet kunnen berekenen. Voorwaar, de mens is zeer tot onrechtvaardigheid geneigd, zeer tot ondankbaarheid.
35
En toen Abraham zeide: "Mijn Heer! Maak deze stad veilig, en wend mij en mijn zonen af van het aanbidden van afgoden.
36
Mijn Heer! Voorwaar, zij hebben velen der mensen doen dwalen. Wie mij dan volgt, hij is van mij; en wie mij ongehoorzaam is, dan voorwaar Gij zijt Vergevend, Barmhartig.
37
Onze Heer! Voorwaar, ik heb een deel van mijn nakomelingen gevestigd in een dal zonder bebouwing, bij Uw Heilig Huis, onze Heer, opdat zij het gebed mogen onderhouden. Maak dus harten van mensen naar hen verlangen, en voorzie hen van vruchten, opdat zij wellicht dankbaar mogen zijn.
38
Onze Heer! Voorwaar, Gij weet wat wij verbergen en wat wij verkondigen. En niets is voor God verborgen op de aarde of in den hemel.
39
Lof zij God Die mij in mijn ouderdom Ismaël en Izaäk heeft geschonken. Voorwaar, mijn Heer is de Hoorder des gebeds.
40
Mijn Heer! Maak mij een onderhouder des gebeds, en van mijn nakomelingen. Onze Heer! En aanvaard mijn smeekbede.
41
Onze Heer! Vergeef mij en mijn ouders en de gelovigen op den Dag waarop de afrekening zal aanbreken."
42
En meent niet dat God achteloos is omtrent hetgeen de onrechtvaardigen doen. Hij stelt hen slechts uit tot een Dag waarop de ogen zullen staren,
43
voortsnellend, hun hoofden opgeheven, hun blik niet tot hen terugkerend, en hun harten ledig.
44
En waarschuw de mensen voor den Dag waarop de kastijding over hen zal komen, en zij die onrecht deden zullen zeggen: "Onze Heer! Stel ons uit tot een nabije termijn; wij zullen Uw roep beantwoorden en de boodschappers volgen." "Zwoor gij niet voordien dat er voor u geen vergaan zou zijn?
45
En gij woonde in de woningen dergenen die hun eigen zielen onrecht deden, en het was u duidelijk gemaakt hoe Wij met hen handelden; en Wij zetten u de gelijkenissen voor."
46
En voorwaar, zij beraamden hun plan, en hun plan was bij God, al ware hun plan zodanig dat de bergen erdoor zouden wijken.
47
Meent dus niet dat God Zijn boodschappers in Zijn belofte zal falen; voorwaar, God is Machtig, Heer der Vergelding.
48
Op den Dag waarop de aarde zal worden veranderd in een andere dan de aarde, en de hemelen, en zij zullen te voorschijn komen voor God, de Ene, de Onweerstaanbare.
49
En gij zult de schuldigen op die Dag tezamen gebonden zien in ketenen,
50
hun klederen van pek, en het Vuur hun aangezichten bedekkend,
51
opdat God elke ziel moge vergelden voor hetgeen zij heeft verworven. Voorwaar, God is snel in afrekening.
52
Dit is een overbrenging voor de mensen, opdat zij daardoor gewaarschuwd mogen worden, en opdat zij mogen weten dat Hij Eén God is, en opdat zij die verstand bezitten mogen gedenken.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 14 — Ibrahim (Abraham)

Algemene opmerkingen

Elke boodschapper brengt de mens uit duisternis naar licht. De gelijkenis van het goede woord als goede boom (vv.24–26) is een der schoonste beelden der Voordracht.

Stamanalyse

v.1: Stam ظ-ل-م (zha-l-m) — “verduisteren, onrecht doen”

“Breng de mensen uit de duisternissen (ظُلُمَات) naar het licht.” Onrecht is niet slechts moreel falen maar een verduistering — het innerlijk licht verduisteren. Het meervoud “duisternissen” tegenover het enkelvoud “licht” is opzettelijk: dwaling versnippert, waarheid verenigt.

vv.24–26: Stam ك-ل-م (k-l-m) — “woord, spraak”

Een waar woord is als een boom met stammen vast in de aarde en takken in de hemel — het draagt vrucht in elk seizoen. Een vals woord heeft geen stabiliteit. De Voordracht stelt taal zelf voor als levend of dood.

v.7: Stam ش-ك-ر (sj-k-r) — “danken”

“Indien gij dankt, zal Ik u vermeerderen.” Dankbaarheid is geen passief gevoel maar een motor van vermeerdering — een geestelijke wet zo betrouwbaar als een natuurwet. Het tegenovergestelde, ondankbaarheid (كُفْر, verhulling), leidt tot vermindering.

Integratieve verbanden

  • v.4 “Wij zonden geen boodschapper dan in de tong zijns volks”: het beginsel dat openbaring zich aanpast aan haar gehoor — dezelfde waarheid in plaatselijke taal. Voortschrijdende openbaring op taalkundig niveau.
  • v.22 de rede van de duivel ↔ 15:42: de duivel bezit geen dwingend gezag, slechts overreding. De morele keuzevrijheid blijft ongeschonden.
15
Al-Hidjr Al-Hidjr
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Raa. Dit zijn de tekenen des Boeks en een duidelijke Voordracht.
2
Het kan zijn dat zij die verhullen zullen wensen dat zij Toegewijden waren geweest.
3
Laat hen eten en genieten en laat de hoop hen afleiden; zij zullen het weldra weten.
4
En Wij vernietigden geen stad of zij had een bekend besluit.
5
Geen natie kan haar termijn verhaasten, noch kunnen zij hem vertragen.
6
En zij zeggen: "O gij tot wie de Herinnering is nedergezonden! Voorwaar, gij zijt een bezetene.
7
Waarom brengt gij ons de engelen niet, indien gij van de waarachtigen zijt?"
8
Wij zenden de engelen niet neder dan met de waarheid, en dan zouden zij niet worden gespaard.
9
Voorwaar, Wij, ja Wij, zonken de Herinnering neder, en voorwaar, Wij zijn haar bewakers.
10
En voorwaar, Wij zonden vóór u onder de groepen van ouds.
11
En er kwam tot hen geen boodschapper of zij bespotten hem.
12
Aldus doen Wij het binnendringen in de harten der schuldigen;
13
zij geloven niet daarin, hoewel de weg der ouderen reeds voorbij is gegaan.
14
En zelfs indien Wij voor hen een poort des hemels openden en zij daarin bleven stijgen,
15
zouden zij zeggen: "Onze ogen zijn slechts verblind; neen, wij zijn een betoverd volk."
16
En voorwaar, Wij hebben aan den hemel sterrenbeelden geplaatst en hem verfraaid voor de aanschouwers,
17
en Wij hebben hem bewaakt tegen elken vervloekten duivel,
18
behalve hij die een gehoor steelt, en een duidelijke vlam achtervolgt hem.
19
En de aarde, Wij hebben haar uitgespreid, en daarin vaste bergen geworpen, en daarin van elk afgemeten ding doen groeien.
20
En Wij hebben daarin levensonderhoud voor u gemaakt en voor hen die gij niet onderhoudt.
21
En er is geen ding of zijn schatten zijn bij Ons; en Wij zenden het niet neder dan in een bekende maat.
22
En Wij zenden de winden bevruchtend, en Wij zenden water van den hemel neder en geven het u te drinken; en gij zijt niet zijn bewaarders.
23
En voorwaar, Wij, Wij zijn het Die leven geven en doen sterven, en Wij zijn de Erfgenamen.
24
En voorwaar, Wij kennen hen onder u die voorwaarts dringen en voorwaar, Wij kennen hen die achterblijven.
25
En voorwaar, uw Heer, Hij zal hen vergaderen; voorwaar, Hij is Wijs, Wetend.
26
En voorwaar, Wij schiepen den mens uit droge klei van gevormd slijk.
27
En de schim schiepen Wij voordien uit het vuur van den verschroeienden wind.
28
En toen uw Heer tot de engelen zeide: "Voorwaar, Ik schep een sterveling uit droge klei van gevormd slijk.
29
Wanneer Ik hem dan gevormd heb en in hem van Mijn Geest heb geblazen, valt dan in nederwerping voor hem neder."
30
Dus wierpen de engelen zich allen tezamen neder,
31
behalve Iblies; hij weigerde te zijn onder hen die zich nederwierpen.
32
Hij zeide: "O Iblies! Wat scheelt u dat gij niet zijt onder hen die zich nederwerpen?"
33
Hij zeide: "Ik ben niet iemand om mij neder te werpen voor een sterveling die Gij geschapen hebt uit droge klei van gevormd slijk."
34
Hij zeide: "Ga dan voort van hier, want voorwaar gij zijt vervloekt.
35
En voorwaar, de vloek zal op u zijn tot den Dag des Oordeels."
36
Hij zeide: "Mijn Heer! Geef mij dan uitstel tot den Dag waarop zij worden opgewekt."
37
Hij zeide: "Dan voorwaar, gij behoort tot hen die uitstel is verleend
38
tot den Dag van den bekenden tijd."
39
Hij zeide: "Mijn Heer! Omdat Gij mij hebt doen dwalen, zal ik hun voorzeker op aarde schoon voorstellen en hen allen doen dwalen,
40
behalve Uw oprechte dienaren onder hen."
41
Hij zeide: "Dit is een recht pad tot Mij.
42
Voorwaar, Mijn dienaren — gij hebt geen gezag over hen, behalve de misleiden die u volgen."
43
En voorwaar, het Hellevuur is de beloofde plaats voor hen allen.
44
Het heeft zeven poorten; voor elke poort is een vastgesteld deel hunner.
45
Voorwaar, de godvrezenden zijn te midden van tuinen en bronnen.
46
"Treedt hen binnen in vrede, veilig."
47
En Wij hebben weggenomen wat in hun borsten was aan wrok; als broederen, op rustbedden tegenover elkander.
48
Geen vermoeidheid zal hen daarin treffen, noch zullen zij er uit worden verdreven.
49
Bericht Mijn dienaren dat Ik, ja Ik, de Vergevende, de Barmhartige ben,
50
en dat Mijn kastijding, zij is de pijnlijke kastijding.
51
En bericht hen van de gasten van Abraham.
52
Toen zij bij hem binnentraden en zeiden: "Vrede!" zeide hij: "Voorwaar, wij vrezen u."
53
Zij zeiden: "Vrees niet. Voorwaar, wij geven u blijde tijdingen van een wetenden zoon."
54
Hij zeide: "Geeft gij mij blijde tijdingen terwijl de ouderdom mij heeft aangeraakt? Waarvan geeft gij mij dan blijde tijdingen?"
55
Zij zeiden: "Wij geven u blijde tijdingen in waarheid; wees dus niet van hen die wanhopen."
56
Hij zeide: "En wie wanhoopt aan de barmhartigheid zijns Heren dan zij die dwalen?"
57
Hij zeide: "Wat is dan uw opdracht, o gij gezondenen?"
58
Zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn gezonden tot een schuldig volk,
59
behalve het huisgezin van Lot; voorwaar, wij zullen hen allen redden,
60
behalve zijn vrouw." Wij hebben besloten dat zij behoort tot hen die achterblijven.
61
Toen dan de gezondenen kwamen bij het huisgezin van Lot,
62
zeide hij: "Voorwaar, gij zijt een onbekend volk."
63
Zij zeiden: "Neen, wij zijn tot u gekomen met hetgeen zij plachten te betwijfelen.
64
En wij zijn tot u gekomen met de waarheid, en voorwaar, wij zijn waarachtig.
65
Vertrek dus met uw huisgezin in een deel van den nacht, en volg gij achter hen, en laat niemand uwer omkijken, en gaat waarheen u geboden wordt."
66
En Wij verordenden hem dat gebod: dat het overblijfsel van dezen des morgens zou worden afgesneden.
67
En het volk der stad kwam, zich verheugend.
68
Hij zeide: "Voorwaar, dezen zijn mijn gasten, beschaamt mij dus niet.
69
En vreest God, en onteert mij niet."
70
Zij zeiden: "Hebben wij u niet verboden de werelden te ontvangen?"
71
Hij zeide: "Dit zijn mijn dochters, indien gij moet handelen."
72
Bij uw leven, voorwaar zij doolden rond in hun bedwelming.
73
Dus greep hen de Roep bij zonsopgang,
74
en Wij keerden het ondersteboven en regende op hen stenen van gebakken klei.
75
Voorwaar, daarin zijn tekenen voor hen die de tekenen lezen.
76
En voorwaar, het ligt aan een weg die nog bestaat.
77
Voorwaar, daarin is een teken voor de gelovigen.
78
En voorwaar, de gezellen van het Struikgewas waren onrechtvaardigen,
79
dus namen Wij vergelding op hen; en voorwaar, zij liggen beiden aan een duidelijke heerbaan.
80
En voorwaar, de gezellen van al-Hidjr loochenden de gezondenen.
81
En Wij gaven hun Onze tekenen, doch zij wendden zich ervan af.
82
En zij plachten woningen uit de bergen te houwen, veilig.
83
Doch de Roep greep hen des morgens,
84
en hetgeen zij plachten te verdienen baatte hun niet.
85
En Wij schiepen de hemelen en de aarde en wat daartussen is niet dan in waarheid. En voorwaar, het Uur komt; vergeef dus met een schone vergiffenis.
86
Voorwaar, uw Heer, Hij is de Schepper, de Wetende.
87
En voorwaar, Wij hebben u zeven van de herhaalde en de Geweldige Voordracht gegeven.
88
Richt uw ogen niet op hetgeen Wij paren van hen hebben gegeven om van te genieten, noch treur over hen, en verlaag uw vleugel voor de gelovigen.
89
En zeg: "Voorwaar, ik ben de duidelijke waarschuwer."
90
Gelijk Wij nederzonden op de verdelers,
91
degenen die de Voordracht tot stukken maakten.
92
Dus bij uw Heer, Wij zullen hen voorzeker allen ondervragen
93
over hetgeen zij plachten te doen.
94
Verkondig dus hetgeen u geboden wordt en wendt u af van hen die deelgenoten toekennen.
95
Voorwaar, Wij zijn u genoeg tegen de spotters,
96
degenen die naast God een andere god stellen. Zij zullen het weldra weten.
97
En voorwaar, Wij weten dat uw borst benauwt wordt door hetgeen zij zeggen.
98
Verheerlijk dus den lof uws Heren, en wees van hen die zich nederwerpen,
99
en aanbid uw Heer totdat de zekerheid tot u komt.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 15 — Al-Hidjr

Algemene opmerkingen

Bevat het bewaringsvers (v.9) en de inblazing van de Geest in de mens (v.29). De stamherwinnings-methode van dit vertaalproject steunt op v.9: de Arabische stammen zijn het mechanisme van die bewaring.

Stamanalyse

v.9: Stam ح-ف-ظ (h-f-zh) — “bewaken, bewaren”

“Wij zonden de Herinnering neder, en voorwaar, Wij zijn haar bewakers (حَافِظُون).” De stammen zijn bestand tegen vervalsing door hun kruisverwijzende aard — wie een vertaling verdraait, wordt tegengesproken door vijftig andere verzen met dezelfde stam.

v.29: Stam ن-ف-خ (n-f-ch) — “inademen, blazen”

“En blies in hem van Mijn Geest (نَفَخْتُ).” De goddelijke adem is een daad van intimiteit — God schept de menselijke gedaante niet slechts maar bezielt haar persoonlijk. Dezelfde stam verschijnt in de bazuinstoten der opstanding (39:68): eerste schepping en laatste ontwaking zijn beide een goddelijke inblazing.

v.40: Stam خ-ل-ص (ch-l-s) — “oprecht, gezuiverd”

“Behalve Uw oprechte dienaren (مُخْلَصِين).” De lijdende vorm (gezuiverd door God) in plaats van de bedrijvende (die zichzelf zuiveren) is veelzeggend — oprechtheid wordt ontvangen, niet zelf vervaardigd.

Integratieve verbanden

  • v.87 “zeven van het herhaalde en de Geweldige Voordracht”: traditioneel gelezen als verwijzing naar Al-Fatihah — de zeven verzen die elke gebedscyclus openen.
  • v.99 “aanbid uw Heer totdat de zekerheid komt”: يَقِين (jaqien, zekerheid) — hetzelfde woord als in 4:157 over de kruisiging. Zekerheid als het uiteindelijke doel van aanbidding.
16
An-Nahl De Bij
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Het gebod Gods komt; zoekt het dus niet te verhaasten. Verheven zij Hij, en verheven is Hij boven hetgeen zij Hem toekennen.
2
Hij zendt de engelen neder met de Geest van Zijn gebod op wie Hij wil van Zijn dienaren: "Waarschuwt dat er geen god is dan Ik; vreest Mij dus."
3
Hij schiep de hemelen en de aarde in waarheid. Verheven is Hij boven hetgeen zij Hem toekennen.
4
Hij schiep den mens uit een druppel, en zie, hij is een klaarblijkelijke twister.
5
En het vee — Hij heeft het geschapen; voor u is er warmte in en baten, en ervan eet gij.
6
En voor u is er schoonheid in wanneer gij het thuisbrengt en wanneer gij het uitdrijft.
7
En zij dragen uw zware lasten naar een land dat gij niet had kunnen bereiken dan met grote inspanning der zielen. Voorwaar, uw Heer is Goedertieren, Barmhartig.
8
En paarden en muilezels en ezels, opdat gij hen moogt berijden, en als sieraad. En Hij schept hetgeen gij niet kent.
9
En op God rust de richting des wegs, en onder hen zijn er die afwijken. En had Hij gewild, Hij zou u allen hebben geleid.
10
Hij is het Die water van den hemel nederzond; voor u is er drank van, en ervan zijn bomen waarin gij weidt.
11
Hij doet voor u daardoor de gewassen groeien, en de olijven, en de palmen, en de druiven, en van alle vruchten. Voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat nadenkt.
12
En Hij heeft u dienstbaar gemaakt den nacht en den dag, en de zon en de maan; en de sterren zijn dienstbaar gemaakt bij Zijn gebod. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat begrijpt.
13
En hetgeen Hij voor u op de aarde heeft uitgespreid van verschillende kleuren — voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat gedenkt.
14
En Hij is het Die u de zee dienstbaar heeft gemaakt, opdat gij er vers vlees uit moogt eten en er sieraden uit voortbrengen die gij draagt; en gij ziet de schepen er doorheen ploegen, en opdat gij van Zijn gunst moogt zoeken, en opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
15
En Hij heeft op de aarde vaste bergen geworpen opdat zij niet met u schommele, en rivieren en wegen, opdat gij wellicht geleid moogt worden.
16
En baken; en bij de sterren worden zij geleid.
17
Is dan Hij Die schept gelijk aan hem die niet schept? Zult gij dan niet gedenken?
18
En indien gij de gunst Gods telt, gij kunt haar niet berekenen. Voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
19
En God weet hetgeen gij verbergt en hetgeen gij openbaart.
20
En zij die zij aanroepen naast God scheppen niets, en zij zelven worden geschapen —
21
dood, niet levend; en zij beseffen niet wanneer zij zullen worden opgewekt.
22
Uw God is Eén God. Zij die dus niet geloven in het Hiernamaals, hun harten zijn loochenend, en zij zijn hoogmoedig.
23
Zonder twijfel weet God hetgeen zij verbergen en hetgeen zij openbaren. Voorwaar, Hij bemint niet de hoogmoedigen.
24
En wanneer tot hen wordt gezegd: "Wat heeft uw Heer nedergezonden?" zeggen zij: "Fabelen der ouden" —
25
opdat zij hun lasten ten volle dragen op den Dag der Opstanding, en van de lasten dergenen die zij doen dwalen zonder kennis. Waarlijk kwaad is hetgeen zij dragen.
26
Zij die vóór hen waren beraanden; toen kwam God bij hun bouwwerk van de grondvesten, en het dak viel op hen van boven, en de kastijding kwam over hen vanwaar zij het niet bespeurden.
27
Dan op den Dag der Opstanding zal Hij hen vernederen en zeggen: "Waar zijn Mijn deelgenoten over wie gij placht te twisten?" Zij die kennis waren gegeven zullen zeggen: "Voorwaar, schande heden en kwaad zijn over hen die verhulden —
28
degenen die de engelen nemen terwijl zij hun eigen zielen onrecht aandoen." Dan zullen zij Toewijding aanbieden: "Wij plachten geen kwaad te doen." Neen! Voorwaar, God is Wetend van hetgeen gij placht te doen.
29
Treedt dus de poorten van het Hellevuur binnen, daarin eeuwig verblijvend. Waarlijk kwaad is de verblijfplaats der hoogmoedigen.
30
En tot hen die vreesden zal worden gezegd: "Wat heeft uw Heer nedergezonden?" Zij zullen zeggen: "Goed." Voor hen die goed doen in deze wereld is goed, en de verblijfplaats van het Hiernamaals is beter. En voortreffelijk waarlijk is de verblijfplaats der godvrezenden —
31
Tuinen van Eden die zij binnentreden, waaronder rivieren stromen; voor hen daarin is hetgeen zij willen. Aldus vergoedt God de godvrezenden,
32
degenen die de engelen nemen terwijl zij goed zijn, zeggend: "Vrede zij u; treedt de Tuin binnen voor hetgeen gij placht te doen."
33
Wachten zij op iets anders dan dat de engelen tot hen komen, of het gebod uws Heren komt? Aldus deden hen die vóór hen waren. En God deed hun geen onrecht aan, doch zij plachten hun eigen zielen onrecht aan te doen.
34
Dus troffen hen de kwaden van hetgeen zij wrochtten, en hetgeen waarmee zij plachten te spotten omvatte hen.
35
En zij die deelgenoten toekenden zeggen: "Had God gewild, wij zouden niets hebben aanbeden naast Hem — noch wij noch onze vaderen — noch zouden wij iets hebben verboden zonder Hem." Aldus deden hen die vóór hen waren. Rust er iets op de boodschappers dan de duidelijke overbrenging?
36
En voorwaar, Wij verwekten in elk volk een boodschapper: "Aanbidt God en mijdt de valse afgoden." En onder hen waren er die God leidde, en onder hen waren er over wie de dwaling rechtvaardig werd besloten. Reist dus over de aarde en aanschouwt hoe het einde was der loochenaars.
37
Indien gij verlangend zijt naar hun leiding, dan voorwaar God leidt niet hem die Hij doet dwalen, en zij hebben geen helpers.
38
En zij zweren bij God hun plechtigste eden: "God zal hem die sterft niet opwekken." Neen, het is een bindende belofte op Hem, doch de meesten der mensen weten het niet —
39
opdat Hij hun duidelijk moge maken hetgeen waarin zij verschillen, en opdat zij die verhulden mogen weten dat zij leugenaars waren.
40
Ons woord tot een ding, wanneer Wij het begeren, is slechts dat Wij ertoe zeggen: "Wees," en het is.
41
En zij die voor God uitweken nadat hun onrecht was aangedaan — Wij zullen hen in de wereld goed vestigen, en de beloning van het Hiernamaals is groter, indien zij het maar wisten —
42
degenen die geduldig zijn en hun vertrouwen op hun Heer stellen.
43
En Wij zonden vóór u niet dan mannen aan wie Wij openbaarden. Vraagt dus de lieden der Herinnering indien gij het niet weet,
44
met de duidelijke bewijzen en de schriften. En Wij zonken op u de Herinnering neder opdat gij den mensen duidelijk moogt maken hetgeen tot hen is nedergezonden, en opdat zij wellicht mogen nadenken.
45
Voelen zij die kwade daden beramen zich dan veilig dat God de aarde hen niet zal doen verzwelgen, of dat de kastijding niet over hen zal komen vanwaar zij het niet beseffen,
46
of dat Hij hen niet zal grijpen in hun heen en weer gaan, want zij kunnen Hem niet verijdelen,
47
of dat Hij hen niet zal grijpen met een geleidelijke afname? Want voorwaar, uw Heer is Goedertieren, Barmhartig.
48
Hebben zij niet gezien hetgeen God heeft geschapen van enig ding, wier schaduwen neigen naar rechts en naar links, zich nederwerpend voor God, en zij zijn ootmoedig?
49
En voor God werpt zich neder hetgeen in de hemelen is en hetgeen op de aarde is aan schepselen, en de engelen, en zij zijn niet hoogmoedig.
50
Zij vrezen hun Heer boven hen en doen hetgeen hun geboden wordt.
51
En God heeft gezegd: "Neemt niet twee goden; Hij is slechts Eén God. Vreest dus Mij, Mij alleen."
52
En Hem behoort hetgeen in de hemelen en op de aarde is, en Hem is de gehoorzaamheid altijd verschuldigd. Zult gij dan een ander vrezen dan God?
53
En welke gunst er bij u is, zij is van God. Wanneer u dan schade treft, tot Hem schreeuwt gij.
54
Wanneer Hij dan de schade van u heeft verwijderd, zie, een groep uwer kent hun Heer deelgenoten toe,
55
opdat zij mogen verhullen hetgeen Wij hun hebben gegeven. Geniet dan; want gij zult het te weten komen.
56
En zij wijzen toe aan hetgeen zij niet kennen een deel van hetgeen Wij hun hebben geschonken. Bij God, gij zult worden ondervraagd over hetgeen gij placht te verzinnen.
57
En zij wijzen God dochters toe — verheven zij Hij! — en zichzelven hetgeen zij begeren.
58
En wanneer één hunner berichten ontvangt van een vrouwelijke, blijft zijn aangezicht verduisterd, en hij is vol toorn.
59
Hij verbergt zich voor het volk vanwege het kwaad der berichten die hij heeft ontvangen. Zal hij het houden in vernedering, of het begraven in het stof? Waarlijk kwaad is hetgeen zij oordelen.
60
Voor hen die niet geloven in het Hiernamaals is de gelijkenis van het kwaad, en voor God is de verhevenste gelijkenis; en Hij is de Machtige, de Wijze.
61
En indien God de mensen zou vatten voor hun onrechtvaardigheid, zou Hij er geen schepsel op laten; doch Hij stelt hen uit tot een vastgestelde termijn. En wanneer hun termijn komt, kunnen zij geen uur vertragen, noch vervroegen.
62
En zij wijzen God toe hetgeen zij verafschuwen, en hun tongen beschrijven de leugen dat het beste voor hen is. Zonder twijfel is het Vuur voor hen, en zij zullen ernaar worden verhaast.
63
Bij God, Wij zonden tot naties vóór u, doch de duivel maakte hun daden hun schoon, en hij is hun beschermer heden, en voor hen is een pijnlijke kastijding.
64
En Wij zonken op u het Boek niet neder dan opdat gij hun duidelijk moogt maken hetgeen waarin zij verschilden, en als een leiding en een barmhartigheid voor een volk dat gelooft.
65
En God heeft water van den hemel nedergezonden en daarmee de aarde leven gegeven na haar dood. Voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat hoort.
66
En voorwaar, in het vee is een les voor u: Wij geven u te drinken van hetgeen in hun buiken is — tussen het afval en het bloed — reine melk, smakelijk voor de drinkers.
67
En van de vruchten der palmen en der druiven neemt gij ervan een bedwelmend middel en een goede voorziening. Voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat begrijpt.
68
En uw Heer openbaarde aan de bij: "Neem van de bergen woningen, en van de bomen, en van hetgeen zij bouwen.
69
Eet dan van alle vruchten en volg de wegen uws Heren die gemakkelijk zijn gemaakt." Er komt voort uit hun buiken een drank van verscheidene kleuren, waarin genezing is voor de mensen. Voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat nadenkt.
70
En God heeft u geschapen, dan neemt Hij u; en van u is hij die wordt teruggebracht tot den beklagenswaardigsten leeftijd, opdat hij niets moge weten nadat hij kennis had gehad. Voorwaar, God is Wetend, Machtig.
71
En God heeft sommigen uwer boven anderen begunstigd in voorziening; doch zij die begunstigd zijn zullen hun voorziening niet teruggeven aan hen die hun rechterhand bezit, opdat zij erin gelijk mogen zijn. Loochenen zij dan de gunst Gods?
72
En God heeft voor u uit u zelven echtgenoten gemaakt, en heeft voor u uit uw echtgenoten zonen en kleinzonen gemaakt, en heeft u van de goede dingen voorzien. Geloven zij dan in de valsheid en verhullen zij de gunst Gods?
73
En zij aanbidden naast God hetgeen voor hen geen voorziening bezit van de hemelen en de aarde in iets, en zij hebben geen macht.
74
Slaat dus geen gelijkenissen voor God. Voorwaar, God weet, en gij weet niet.
75
God slaat een gelijkenis: een slaaf, een bezit, die geen macht heeft over iets, en iemand die Wij van Ons een goede voorziening hebben geschonken, en hij besteedt ervan in het verborgene en openlijk. Zijn zij gelijk? Lof zij God! Neen, doch de meesten hunner weten het niet.
76
En God slaat een gelijkenis: twee mannen, één hunner stom, geen macht hebbend over iets, en hij is een last op zijn meester — waarheen hij hem ook richt, hij brengt geen goed. Is hij gelijk aan hem die rechtvaardigheid gebiedt en op een recht pad is?
77
En aan God behoort het verborgene der hemelen en der aarde; en de zaak van het Uur is slechts als het knippen van een oog, of nader. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen.
78
En God bracht u voort uit de buiken uwer moeders, niets wetend, en Hij gaf u het gehoor en het gezicht en de harten, opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
79
Hebben zij niet de vogels gezien die dienstbaar zijn gemaakt in het gewelf des hemels? Niemand houdt hen vast dan God. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat gelooft.
80
En God heeft voor u van uw huizen een verblijf gemaakt, en Hij heeft voor u van de huiden van het vee huizen gemaakt die gij licht vindt op den dag van uw reis en den dag van uw halt, en van hun wol en hun bont en hun haar meubileringen en een genot voor een wijle.
81
En God heeft voor u van hetgeen Hij heeft geschapen schaduw gemaakt, en Hij heeft voor u uit de bergen schuilplaatsen gemaakt, en Hij heeft voor u klederen gemaakt om u tegen de hitte te beschermen en klederen om u tegen uw geweld te beschermen. Aldus vervolmaakt Hij Zijn gunst over u, opdat gij u wellicht moogt Toewijden.
82
Indien zij zich dan afwenden, op u rust slechts de duidelijke overbrenging.
83
Zij herkennen de gunst Gods, dan loochenen zij haar; en de meesten hunner zijn zij die verhullen.
84
En den dag waarop Wij uit elk volk een getuige verwekken — dan zal aan hen die verhulden geen verlof worden gegeven, noch zullen zij worden toegelaten zich te beteren.
85
En wanneer zij die onrecht deden de kastijding zien, zal zij niet voor hen worden verlicht, noch zal hun uitstel worden verleend.
86
En wanneer zij die deelgenoten toekenden hun deelgenoten zien, zullen zij zeggen: "Onze Heer, dezen zijn onze deelgenoten die wij plachten aan te roepen naast U." Dan zullen zij hun het woord toeslingeren: "Voorwaar, gij zijt leugenaars."
87
En zij zullen God op die dag Toewijding aanbieden, en hetgeen zij plachten te verzinnen zal van hen wegdwalen.
88
Zij die verhulden en afwendden van het pad Gods — Wij zullen hun kastijding op kastijding toevoegen omdat zij verderf plachten te werken.
89
En den dag waarop Wij in elk volk een getuige tegen hen verwekken uit henzelf, en Wij u als getuige zullen brengen tegen dezen. En Wij hebben op u het Boek nedergezonden als een verduidelijking van alle dingen, en als een leiding en een barmhartigheid en blijde tijdingen voor hen die Toegewijd zijn.
90
Voorwaar, God gebiedt rechtvaardigheid en voortreffelijkheid, en het geven aan verwanten, en Hij verbiedt onzedelijkheid en gruwel en overtreding. Hij vermaant u, opdat gij wellicht moogt gedenken.
91
En vervult het verbond Gods wanneer gij verbonden hebt, en breekt uw eden niet na hun bevestiging, wanneer gij God tot borg over u hebt gemaakt. Voorwaar, God weet hetgeen gij doet.
92
En weest niet als haar die haar garen ontward nadat zij het sterk heeft gesponnen, uw eden nemend als bedrog tussen u, omdat de ene natie talrijker is dan de andere. God beproeft u daardoor slechts, en Hij zal u duidelijk maken op den Dag der Opstanding hetgeen waarin gij placht te verschillen.
93
En had God gewild, Hij zou u tot één natie hebben gemaakt; doch Hij doet dwalen wie Hij wil, en Hij leidt wie Hij wil. En gij zult worden ondervraagd over hetgeen gij placht te doen.
94
En neemt uw eden niet als bedrog tussen u, opdat niet een voet zou glijden na zijn vastigheid, en gij het kwaad moogt proeven omdat gij afwenddet van het pad Gods, en voor u een grote kastijding.
95
En verkoopt het verbond Gods niet voor een geringe prijs. Voorwaar, hetgeen bij God is, is beter voor u, indien gij het maar wist.
96
Hetgeen bij u is zal worden besteed, en hetgeen bij God is zal duren. En Wij zullen hen die geduldig zijn hun beloning vergoeden naar het beste van hetgeen zij plachten te doen.
97
Wie een rechtvaardige daad doet, hetzij man of vrouw, en een gelovige is — Wij zullen hem leven geven, een goed leven; en Wij zullen hun hun beloning vergoeden naar het beste van hetgeen zij plachten te doen.
98
En wanneer gij de Voordracht voordraagt, zoekt toevlucht bij God voor den vervloekten duivel.
99
Voorwaar, hij heeft geen gezag over hen die geloven en hun vertrouwen op hun Heer stellen.
100
Zijn gezag is slechts over hen die hem als beschermer nemen, en hen die door hem deelgenoten toekennen.
101
En wanneer Wij een teken verwisselen in de plaats van een teken — en God weet het best hetgeen Hij nederzendt — zeggen zij: "Gij zijt slechts een verzinner." Neen, doch de meesten hunner weten het niet.
102
Zeg: "De Heilige Geest heeft het neergebracht van uw Heer in waarheid, opdat het hen die geloven moge bevestigen, en als een leiding en blijde tijdingen voor hen die Toegewijd zijn."
103
En voorwaar, Wij weten dat zij zeggen: "Het is slechts een sterveling die hem onderwijst." De tong van hem naar wie zij verwijzen is vreemd, en dit is een duidelijke Arabische tong.
104
Voorwaar, zij die niet geloven in de tekenen Gods — God zal hen niet leiden, en voor hen is een pijnlijke kastijding.
105
Zij verzinnen slechts de leugen die niet geloven in de tekenen Gods; en dezen — zij zijn de leugenaars.
106
Wie God verhult na zijn geloof — behalve hij die gedwongen wordt en wiens hart in rust is met het geloof — doch wie zijn borst opent voor het verhullen, op hen is toorn van God, en voor hen is een grote kastijding.
107
Dat is omdat zij het leven dezer wereld beminden boven het Hiernamaals, en omdat God het volk dat verhult niet leidt.
108
Dezen zijn zij op wier harten en gehoor en gezicht God een zegel heeft geplaatst; en dezen — zij zijn de achtelozen.
109
Zonder twijfel, in het Hiernamaals zijn zij de verliezers.
110
Dan voorwaar, uw Heer — jegens hen die uitweken nadat zij beproefd werden, dan streden en geduldig waren — voorwaar, uw Heer is daarna Vergevend, Barmhartig.
111
Den dag waarop elke ziel zal komen pleitend voor zichzelve, en elke ziel ten volle zal worden betaald hetgeen zij heeft gewrocht, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
112
En God slaat een gelijkenis: een stad die veilig en zeker was, haar voorziening in overvloed tot haar komend van elke plaats, toen verhulde zij de gunsten Gods, en God deed haar het kleed van honger en vrees proeven voor hetgeen zij plachten te doen.
113
En voorwaar, er kwam tot hen een boodschapper van henzelf, doch zij loochenden hem; dus greep hen de kastijding terwijl zij onrechtvaardigen waren.
114
Eet dus van hetgeen God u heeft geschonken, wettig en goed, en weest dankbaar voor de gunst Gods, indien Hij het is Die gij aanbidt.
115
Hij heeft u slechts verboden het dode dier en het bloed en het vlees van het zwijn en hetgeen aan een ander dan God is gewijd. Doch wie gedwongen wordt, noch begeernd noch overtredend — dan voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
116
En zegt niet, omtrent de leugen die uw tongen beschrijven: "Dit is wettig en dit is verboden," opdat gij een leugen tegen God moogt verzinnen. Voorwaar, zij die een leugen tegen God verzinnen zullen geen voorspoed hebben —
117
een kort genot, en voor hen is een pijnlijke kastijding.
118
En aan hen die joden zijn hebben Wij verboden hetgeen Wij u voordien verhaalden; en Wij deden hun geen onrecht aan, doch zij plachten hun eigen zielen onrecht aan te doen.
119
Dan voorwaar, uw Heer — jegens hen die het kwaad deden in onwetendheid, dan daarna berouw hadden en zich beterden — voorwaar, uw Heer is daarna Vergevend, Barmhartig.
120
Voorwaar, Abraham was een natie, toegewijd gehoorzaam aan God, een man van rein geloof, en hij behoorde niet tot hen die deelgenoten toekennen.
121
Dankbaar voor Zijn gunsten; Hij koos hem en leidde hem tot een recht pad.
122
En Wij gaven hem in deze wereld goed, en voorwaar, in het Hiernamaals behoort hij tot de rechtvaardigen.
123
Toen openbaarden Wij u: "Volg het geloof van Abraham, een man van rein geloof; en hij behoorde niet tot hen die deelgenoten toekennen."
124
De sabbat werd slechts opgelegd aan hen die erover verschilden; en voorwaar, uw Heer zal tussen hen oordelen op den Dag der Opstanding omtrent hetgeen waarin zij plachten te verschillen.
125
Roep tot den weg uws Heren met wijsheid en goede vermaning, en twist met hen op de beste wijze. Voorwaar, uw Heer — Hij weet het best wie van Zijn weg is afgedwaald, en Hij weet het best wie de rechtgeleiden zijn.
126
En indien gij bestraft, bestraft dan met het gelijke van hetgeen waarmee gij bestraft werd; en indien gij geduldig zijt, het is beter voor de geduldigen.
127
En wees geduldig; en uw geduld is slechts bij God. En treur niet over hen, en wees niet benauwd vanwege hetgeen zij beramen.
128
Voorwaar, God is met hen die vrezen en hen die goed doen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 16 — An-Nahl (De Bij)

Algemene opmerkingen

De soera waarin God aan de bij “openbaart” (وَأَوْحَىٰ) — dezelfde stam als profetische openbaring. Van deze gehoorzaamheid komt honing — “waarin genezing is voor de mensheid.”

Stamanalyse

v.68: Stam و-ح-ي (w-h-j) — “openbaren aan de bij”

God “openbaart” aan bijen gelijk Hij “openbaart” aan profeten. De bij ontvangt goddelijk onderricht (bouw huizen, eet van vruchten, volg de paden uws Heren), en uit deze gehoorzaamheid komt honing. De keten openbaring-gehoorzaamheid-genezing weerspiegelt het profetische patroon.

vv.74–76: Stam ض-ر-ب (d-r-b) — “God zet een gelijkenis uiteen”

ضَرَبَ اللَّهُ مَثَلًا verschijnt herhaaldelijk. Dezelfde stam als in 4:34 — hier betekent zij duidelijk “uiteenzetten” (een gelijkenis), wat de niet-gewelddadige primaire betekenis versterkt. God Zelf “zet gelijkenissen uiteen” door de gehele Voordracht.

v.89: Stam ب-ي-ن (b-j-n) — “een verheldering van alle dingen”

تِبْيَانًا لِّكُلِّ شَيْءٍ — dezelfde stam als البَيَان (al-Bajaan) in 55:4. De Voordracht is niet slechts een wetboek maar een verheldering van alle dingen. Deze stam noemt ook het centrale Boek van de Baab.

Integratieve verbanden

  • v.36 “Wij verwekten in elke gemeenschap een boodschapper”: de meest uitdrukkelijke verklaring van universele openbaring, naast 10:47 en 35:24.
  • vv.58–59 de schande bij de geboorte eener dochter: de Voordracht bekritiseert de voor-islamitische kindermoord op meisjes en ontmaskert de hypocrisie van geslachtsvoorkeur.
17
Al-Israa De Nachtelijke Reis
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Verheven zij Hij Die Zijn dienaar des nachts voerde van de Heilige Moskee naar de Verste Moskee, wier omgeving Wij gezegend hebben, opdat Wij hem van Onze tekenen mochten tonen. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende.
2
En Wij gaven Mozes het Boek en maakten het een leiding voor de Kinderen Israëls: "Neemt buiten Mij geen bewaker."
3
O nageslacht van hen die Wij met Noach droegen! Voorwaar, hij was een dankbaar dienaar.
4
En Wij verordenden voor de Kinderen Israëls in het Boek: "Gij zult tweemaal verderf werken op de aarde, en gij zult rijzen tot een grote hoogte."
5
En toen de belofte van de eerste der twee kwam, verwekten Wij tegen u dienaren van Ons begiftigd met grote macht, en zij raasden door de woningen. En het was een vervulde belofte.
6
Toen gaven Wij u de terugkeer tegen hen, en steunden u met rijkdom en zonen, en maakten u talrijker in heir.
7
Indien gij goed doet, doet gij goed voor uw eigen zielen; en indien gij kwaad doet, is het tegen hen. En toen de belofte van de tweede kwam, opdat zij uw aangezichten mochten verduisteren en de Moskee binnentreden gelijk zij haar de eerste maal binnentraden, en opdat zij volkomen mochten vernietigen al wat zij veroverden.
8
Het kan zijn dat uw Heer Zich over u zal ontfermen. En indien gij terugkeert, keren Wij terug. En Wij hebben het Hellevuur tot een gevangenis gemaakt voor hen die verhullen.
9
Voorwaar, deze Voordracht leidt tot hetgeen het meest recht is, en geeft blijde tijdingen aan de gelovigen die rechtvaardige werken doen, dat voor hen een groot loon is.
10
En dat zij die niet geloven in het Hiernamaals — Wij voor hen een pijnlijke kastijding hebben bereid.
11
En de mens bidt om het kwade gelijk hij bidt om het goede. En de mens is altijd haastig.
12
En Wij hebben den nacht en den dag tot twee tekenen gemaakt. Dan hebben Wij het teken van den nacht uitgewist en het teken van den dag zichtgevend gemaakt, opdat gij de gunst uws Heren moogt zoeken, en opdat gij het getal der jaren en de berekening moogt weten. En alles hebben Wij in bijzonderheden uiteengezet.
13
En ieder mens — Wij hebben zijn lot aan zijn nek gehecht, en Wij zullen voor hem op den Dag der Opstanding een boek voortbrengen dat hij opengeslagen zal vinden.
14
"Lees uw boek! Uw ziel is heden voldoende als rekenaar tegen u."
15
Wie geleid wordt, wordt slechts geleid voor zijn eigen ziel; en wie dwaalt, dwaalt slechts ertegen. En geen drager van lasten zal de last van een ander dragen. En Wij zouden niet kastijden totdat Wij een boodschapper hadden gezonden.
16
En wanneer Wij een stad wensen te vernietigen, bevelen Wij haar welgestelden, en zij plegen er goddeloosheid; dan is het woord ertegen gerechtvaardigd, en Wij vernietigen haar volkomen.
17
En hoevele geslachten hebben Wij vernietigd na Noach! En uw Heer is voldoende als een Gewaar en Ziende van de zonden Zijner dienaren.
18
Wie het vluchtige begeert, Wij verhaasten voor hem daarin wat Wij willen voor wie Wij willen; dan hebben Wij voor hem het Hellevuur bestemd, waarin hij zal branden, veroordeeld, verworpen.
19
En wie het Hiernamaals begeert en ervoor streeft met het streven dat het toekomt, terwijl hij een gelovige is — dezen, hun streven zal worden gewaardeerd.
20
Elk voorzien Wij — dezen en genen — van de gift uws Heren. En de gift uws Heren is niet beperkt.
21
Aanschouwt hoe Wij sommigen hunner boven anderen hebben verkozen. En voorzeker het Hiernamaals is groter in graden en groter in verkiezing.
22
Stelt naast God geen andere god, opdat gij niet veroordeeld, verlaten neerzit.
23
En uw Heer heeft verordend dat gij niemand aanbidt dan Hem, en goedheid jegens de ouders. Indien één hunner of beiden de ouderdom bij u bereiken, zeg dan niet tot hen "Oef!" en stoot hen niet af, doch spreek tot hen een genadig woord.
24
En verlaag voor hen de vleugel der ootmoed uit barmhartigheid, en zeg: "Mijn Heer, ontferm U over hen gelijk zij mij grootbrachten toen ik klein was."
25
Uw Heer weet het best wat in uw zielen is. Indien gij rechtvaardig zijt, dan voorwaar is Hij jegens hen die tot Hem keren, Alvergevend.
26
En geef den verwant zijn recht, en den behoeftige, en den reiziger, en verkwist niet in verkwisting.
27
Voorwaar, de verkwisters zijn broeders der duivelen, en de duivel is altijd ondankbaar jegens zijn Heer.
28
En indien gij u van hen afwendt, een barmhartigheid zoekend van uw Heer die gij hoopt, spreek dan tot hen een zacht woord.
29
En maak uw hand niet geketend aan uw nek, noch strek haar uit tot het uiterste uitstrekken, opdat gij niet berispeld, beroofd neerzit.
30
Voorwaar, uw Heer verruimt de voorziening voor wie Hij wil en beperkt haar. Voorwaar, Hij is van Zijn dienaren Gewaar, Ziende.
31
En doodt uw kinderen niet uit vrees voor armoede. Wij voorzien hen en u. Voorwaar, het doden van hen is een grote zonde.
32
En nadert niet tot ontucht. Voorwaar, het is een onzedelijkheid en een kwade weg.
33
En doodt niet de ziel die God heeft verboden dan met recht. En wie onrechtmatig wordt gedood, Wij hebben zijn erfgenaam gezag gegeven; laat hem dan niet buitensporig zijn in het doden. Voorwaar, hij wordt bijgestaan.
34
En nadert niet de bezittingen van den wees dan met hetgeen beter is, totdat hij zijn rijpheid bereikt. En vervult het verbond. Voorwaar, het verbond zal worden ondervraagd.
35
En geeft volle maat wanneer gij meet, en weegt met de rechte weegschaal. Dat is beter en schoner in uitleg.
36
En volgt niet datgene waarvan gij geen kennis hebt. Voorwaar, het gehoor en het gezicht en het hart — elk van die zal worden ondervraagd.
37
En wandelt niet op de aarde in uitgelatenheid. Voorwaar, gij kunt de aarde niet splijten, noch kunt gij de bergen bereiken in hoogte.
38
Al dat — het kwaad ervan is gehaat in het oog uws Heren.
39
Dat is van hetgeen uw Heer u heeft geopenbaard van wijsheid. En stelt naast God geen andere god, opdat gij niet in het Hellevuur wordt geworpen, berispeld, verworpen.
40
Heeft uw Heer u dan begunstigd met zonen, en voor Zichzelve uit de engelen vrouwen genomen? Voorwaar, gij spreekt een monsterachtig woord.
41
En voorwaar, Wij hebben in deze Voordracht gewend, opdat zij mogen gedenken; doch het vermeerdert hen in niets dan afkeer.
42
Zeg: "Waren er goden met Hem, gelijk zij zeggen, dan zouden zij een weg naar den Heer des Troons hebben gezocht."
43
Verheven zij Hij, en verheven is Hij boven hetgeen zij zeggen, een grote verhevenheid.
44
De zeven hemelen en de aarde en al wie daarin is verheerlijken Hem. En er is geen ding of het verheerlijkt Zijn lof, doch gij begrijpt hun verheerlijking niet. Voorwaar, Hij is Verdraagzaam, Alvergevend.
45
En wanneer gij de Voordracht voordraagt, plaatsen Wij tussen u en hen die niet geloven in het Hiernamaals een verborgen sluier.
46
En Wij plaatsen op hun harten bedekkingen opdat zij het niet begrijpen, en in hun oren een doofheid. En wanneer gij uw Heer alleen noemt in de Voordracht, keren zij hun rug in afkeer.
47
Wij weten het best waarmee zij luisteren, wanneer zij naar u luisteren, en wanneer zij in vertrouwelijke raad zijn, wanneer de onrechtvaardigen zeggen: "Gij volgt niets dan een betoverd man."
48
Aanschouwt hoe zij gelijkenissen voor u slaan; dus zijn zij afgedwaald en kunnen geen weg vinden.
49
En zij zeggen: "Wanneer wij beenderen en brokstukken zijn, zullen wij dan voorwaar als een nieuwe schepping worden opgewekt?"
50
Zeg: "Weest stenen of ijzer,
51
of een schepping van hetgeen groot is in uw borsten." Dan zullen zij zeggen: "Wie zal ons herstellen?" Zeg: "Hij Die u de eerste maal schiep." Dan zullen zij hun hoofden naar u schudden en zeggen: "Wanneer is het?" Zeg: "Het kan zijn dat het nabij is."
52
Op den dag waarop Hij u zal roepen, en gij zult antwoorden met Zijn lof, en gij zult menen dat gij slechts weinig vertoefdet.
53
En zeg tot Mijn dienaren dat zij spreken hetgeen het beste is. Voorwaar, de Duivel zaait tweedracht tussen hen. Voorwaar, de Duivel is voor den mens een klaarblijkelijke vijand.
54
Uw Heer kent u het best. Indien Hij wil, zal Hij Zich over u ontfermen; of indien Hij wil, zal Hij u kastijden. En Wij hebben u niet gezonden als een bewaker over hen.
55
En uw Heer kent het best allen die in de hemelen en op de aarde zijn. En voorwaar, Wij hebben sommige profeten boven anderen verkozen, en aan David gaven Wij de Psalmen.
56
Zeg: "Roept hen aan die gij naast Hem hebt beweerd. Zij bezitten niet de verwijdering van schade van u, noch enige verandering."
57
Degenen die zij aanroepen zoeken zelf het middel tot hun Heer — wie hunner het naast is — en zij hopen op Zijn barmhartigheid en vrezen Zijn kastijding. Voorwaar, de kastijding uws Heren is altijd te duchten.
58
En er is geen stad of Wij zullen haar vernietigen vóór den Dag der Opstanding of haar kastijden met een strenge kastijding. Dat is opgetekend in het Boek.
59
En niets weerhield Ons van het zenden van tekenen dan dat de vroegere volkeren ze loochenden. En Wij gaven Thamoed de kamelin als een zichtbaar teken, en zij deden haar onrecht aan. En Wij zenden tekenen niet dan om ontzag te wekken.
60
En toen Wij tot u zeiden: "Voorwaar, uw Heer omvat de mensen." En Wij maakten het visioen dat Wij u toonden niet dan als een beproeving voor de mensen, en de vervloekte boom in de Voordracht. En Wij waarschuwen hen, doch het vermeerdert hen in niets dan grote overtreding.
61
En toen Wij tot de engelen zeiden: "Werpt u neder voor Adam," wierpen zij zich neder, behalve Iblies. Hij zeide: "Zal ik mij nederwerpen voor hem die Gij uit klei hebt geschapen?"
62
Hij zeide: "Ziet Gij deze die Gij boven mij hebt geëerd? Indien Gij mij uitstel geeft tot den Dag der Opstanding, zal ik voorzeker zijn nageslacht onder mijn invloed brengen, behalve weinigen."
63
Hij zeide: "Ga heen! En wie van hen u volgt — voorwaar, het Hellevuur is uw vergelding, een ruime vergelding."
64
"En verschrik wie gij kunt van hen met uw stem, en ontbied tegen hen uw ruiters en uw voetknechten, en deel met hen in bezittingen en kinderen, en beloof hun." En de Duivel belooft hun niets dan bedrog.
65
"Voorwaar, Mijn dienaren — gij hebt geen gezag over hen." En uw Heer is voldoende als Bewaker.
66
Uw Heer is Hij Die voor u de schepen drijft op de zee, opdat gij van Zijn gunst moogt zoeken. Voorwaar, Hij is jegens u Meest Barmhartig.
67
En wanneer schade u treft op de zee, verdwijnen allen die gij aanroept behalve Hij. Wanneer Hij u dan redt naar het land, wendt gij u af. En de mens is altijd ondankbaar.
68
Voelt gij u dan veilig dat Hij niet een zijde van het land u zal doen verzwelgen, of tegen u een storm van kiezelstenen zenden? Dan zoudt gij geen bewaker voor u zelven vinden.
69
Of voelt gij u veilig dat Hij u er niet een tweede maal in zal terugzenden, en een storm van wind tegen u zenden, en u verdrinken omdat gij verhuldet? Dan zoudt gij geen verdediger tegen Ons daarin vinden.
70
En voorwaar, Wij hebben de Kinderen Adams geëerd en hen gedragen over het land en de zee, en hen voorzien van goede dingen, en hen verkozen boven velen van hen die Wij hebben geschapen met een grote verkiezing.
71
Op den Dag waarop Wij alle mensen met hun gids zullen roepen; wie dan zijn boek in zijn rechterhand ontvangt — dezen zullen hun boek lezen, en hun zal geen greintje onrecht worden aangedaan.
72
En wie in deze wereld blind is, hij zal in het Hiernamaals blind zijn, en verder afgedwaald van den weg.
73
En voorwaar zij waren op het punt u te verleiden weg van hetgeen Wij u hebben geopenbaard, opdat gij tegen Ons anders mocht verzinnen; en dan zouden zij u als vriend hebben genomen.
74
En hadden Wij u niet standvastig gemaakt, gij zoudt bijna tot hen hebben geneigd, een weinig.
75
Dan zouden Wij u het dubbele van het leven en het dubbele van den dood hebben doen proeven; dan zoudt gij voor u zelve tegen Ons geen helper hebben gevonden.
76
En voorwaar zij waren op het punt u van het land te doen schrikken, opdat zij u mochten verdrijven. En dan zouden zij na u niet lang zijn gebleven.
77
De weg dergenen die Wij vóór u zonden van Onze boodschappers; en gij zult in Onze weg geen verandering vinden.
78
Onderhoud het gebed van het ondergaan der zon tot de duisternis van den nacht, en de voordracht van den dageraad. Voorwaar, de voordracht van den dageraad wordt aanschouwd.
79
En in den nacht, waak daarmee als een bijkomend gebed voor u. Het kan zijn dat uw Heer u tot een geprezen standplaats zal verheffen.
80
En zeg: "Mijn Heer, doe mij binnengaan een ware binnengang en doe mij uitgaan een waar uitgaan, en verleen mij uit Uw tegenwoordigheid een helpend gezag."
81
En zeg: "De waarheid is gekomen, en de valsheid is vergaan. Voorwaar, de valsheid is altijd bestemd te vergaan."
82
En Wij zenden neder van de Voordracht hetgeen een genezing en een barmhartigheid is voor de gelovigen, en het vermeerdert de onrechtvaardigen in niets dan verlies.
83
En wanneer Wij den mens gunst schenken, wendt hij zich af en trekt zich terzijde, en wanneer het kwaad hem treft, is hij in wanhoop.
84
Zeg: "Een ieder handelt naar zijn eigen aard, en uw Heer weet het best wie beter geleid is op den weg."
85
En zij vragen u omtrent de Geest. Zeg: "De Geest is van het gebod mijns Heren, en u is van kennis slechts een weinig gegeven."
86
En indien Wij wilden, zouden Wij voorzeker wegnemen hetgeen Wij u hebben geopenbaard; dan zoudt gij voor u zelve daarin tegen Ons geen bewaker vinden,
87
behalve een barmhartigheid van uw Heer. Voorwaar, Zijn gunst over u is groot.
88
Zeg: "Indien de mensheid en de schimmen tezamen kwamen om het gelijke van deze Voordracht voort te brengen, zij zouden het gelijke ervan niet kunnen voortbrengen, al waren zij elkander tot hulp."
89
En voorwaar, Wij hebben in deze Voordracht voor de mensen elke soort van gelijkenis gewend, doch de meesten der mensen weigeren alles behalve te verhullen.
90
En zij zeggen: "Wij zullen u niet geloven totdat gij een bron voor ons doet ontspringen uit de aarde,
91
of gij een tuin hebt van dadelpalmen en wijnstokken, en gij rivieren daarin overvloedig doet ontspringen,
92
of gij den hemel op ons doet vallen in stukken, gelijk gij hebt beweerd, of gij God en de engelen van aangezicht tot aangezicht brengt,
93
of gij een huis van goud hebt, of gij ten hemel stijgt. En wij zullen niet geloven in uw hemelvaart totdat gij op ons een boek nederbrengt dat wij mogen lezen." Zeg: "Verheven zij mijn Heer! Ben ik iets anders dan een sterveling, een boodschapper?"
94
En niets weerhield de mensen van het geloven toen de leiding tot hen kwam dan dat zij zeiden: "Heeft God een sterveling als boodschapper gezonden?"
95
Zeg: "Waren er op de aarde engelen die in rust wandelden, Wij zouden op hen van den hemel een engel als boodschapper hebben nedergezonden."
96
Zeg: "God is voldoende als Getuige tussen mij en u. Voorwaar, Hij is van Zijn dienaren Gewaar, Ziende."
97
En wie God leidt, hij is de rechtgeleide; en wie Hij doet dwalen — gij zult voor hen geen beschermers vinden naast Hem. En Wij zullen hen vergaderen op den Dag der Opstanding op hun aangezichten, blind en stom en doof. Hun verblijfplaats is het Hellevuur. Telkens wanneer het vermindert, vermeerderen Wij voor hen de vlam.
98
Dat is hun vergelding omdat zij Onze tekenen verhulden en zeiden: "Wanneer wij beenderen en brokstukken zijn, zullen wij voorwaar als een nieuwe schepping worden opgewekt?"
99
Hebben zij niet gezien dat God, Die de hemelen en de aarde schiep, bij machte is het gelijke van hen te scheppen? En Hij heeft voor hen een termijn bestemd waaraan geen twijfel is. Doch de onrechtvaardigen weigeren alles behalve te verhullen.
100
Zeg: "Bezaart gij de schatten der barmhartigheid mijns Heren, dan zoudt gij ze weerhouden uit vrees voor het besteden. En de mens is altijd gierig."
101
En voorwaar, Wij gaven Mozes negen duidelijke tekenen. Vraagt dus de Kinderen Israëls, toen hij tot hen kwam, en Farao zeide tot hem: "Voorwaar, ik acht u, o Mozes, betoverd."
102
Hij zeide: "Gij weet wel dat niemand deze heeft nedergezonden dan de Heer der hemelen en der aarde als duidelijke bewijzen. En voorwaar, ik acht u, o Farao, ten ondergang gedoemd."
103
En hij wenste hen van het land te doen schrikken, dus verdronken Wij hem en hen die met hem waren, allen tezamen.
104
En Wij zeiden na hem tot de Kinderen Israëls: "Woont in het land; en wanneer de belofte van het Latere komt, zullen Wij u tezamen brengen."
105
En met waarheid hebben Wij het nedergezonden, en met waarheid is het neergedaald. En Wij hebben u niet gezonden dan als een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer.
106
En een Voordracht die Wij hebben verdeeld, opdat gij haar den mensen met tussenpozen moogt voordragen, en Wij hebben haar in fasen nedergezonden.
107
Zeg: "Gelooft erin of gelooft niet. Voorwaar, zij die vóór haar kennis waren gegeven, wanneer zij hun wordt voorgedragen, vallen neder op hun aangezichten in aanbidding."
108
En zij zeggen: "Verheven zij onze Heer! Voorwaar, de belofte van onzen Heer is vervuld."
109
En zij vallen neder op hun aangezichten, wenend, en het vermeerdert hen in ootmoed.
110
Zeg: "Roept God aan, of roept den Albarmhartige aan. Welke gij ook aanroept, Hem behoren de Schoonste Namen." En wees niet luid in uw gebed, noch gedempt erin, doch zoek een weg daartussen.
111
En zeg: "Lof zij God, Die geen zoon heeft genomen, en Die geen deelgenoot heeft in de heerschappij, en Die geen beschermer heeft uit zwakte." En verheerlijk Hem met alle verhevenheid.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 17 — Al-Israa (De Nachtelijke Reis)

Algemene opmerkingen

De soera opent met de Nachtelijke Reis (v.1) en weeft vervolgens een ethische code, de verhouding tot de Kinderen Israëls, en de uitdaging om “het gelijke dezer Voordracht” voort te brengen (v.88) tot een samenhangend geheel. De overgang van v.1 (de reis van Muhammad) naar v.2 (het Boek van Mozes) is naadloos — de twee profeten zijn in deze soera parallelgestalten.

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.89 weigeren “de meesten der mensen alles behalve te verhullen” — de hardnekkige weigering ondanks de overvloed aan gelijkenissen. In v.98 is de vergelding er “omdat zij Onze tekenen verhulden” — het actieve bedekken is de kern van hun falen.

“Voordracht” voor القرآن (al-Qur’aan)

De Voordracht verschijnt hier in meervoudige rollen: als “leiding tot hetgeen het meest recht is” (v.9), als genezingsmiddel (v.82), als onnavolgbaar meesterwerk (v.88), en als gefaseerde openbaring “die Wij hebben verdeeld” (v.106). Elk aspect benadrukt het levende karakter.

“schimmen” voor جن (djinn)

In v.88: “de mensheid en de schimmen tezamen.” Stam ج-ن-ن: verhullen, verbergen. De schimmen zijn de verborgen wezens — alle zichtbare én onzichtbare krachten samen kunnen de Voordracht niet evenaren.

vv.23–39: De ethische code

Deze verzen vormen het equivalent van de Tien Geboden: God alleen aanbidden, de ouders eren, den verwant en behoeftige geven, kinderen niet doden, ontucht niet benaderen, niet onrechtmatig doden, weesbezit beschermen, verbonden nakomen, volle maat geven. De concentratie van ethische geboden in deze passage is uniek in de Voordracht.

v.44: Alle dingen verheerlijken

“Er is geen ding of het verheerlijkt Zijn lof, doch gij begrijpt hun verheerlijking niet.” Stam س-ب-ح: zwemmen, drijven, verheerlijken. Alle schepping “zwemt” in lofprijzing — verheerlijking is niet een menselijke handeling opgelegd aan de natuur maar de natuurlijke beweging van het bestaan zelf.

v.79: De geprezen standplaats

“Het kan zijn dat uw Heer u tot een geprezen standplaats zal verheffen.” Stam ح-م-د (prijzen) verbindt مَقَامًا مَحْمُودًا (geprezen standplaats) met de naam Muhammad zelf. De geprezen standplaats IS de standplaats van hem wiens naam “geprezen” betekent.

v.85: De Geest

“De Geest is van het gebod mijns Heren.” De Geest (الروح, ar-roeh) is geen substantie maar een goddelijk gebod — stam ر-و-ح: adem, wind, geest, erbarmen. De geest is Gods gebod dat zich manifesteert.

v.88: De onnavolgbare Voordracht

“Indien de mensheid en de schimmen tezamen kwamen om het gelijke van deze Voordracht voort te brengen, zij zouden het gelijke ervan niet kunnen voortbrengen.” Dit is de volste vorm van de literaire uitdaging (tahaddi), ook te vinden in 2:23, 10:38 en 11:13.

Integratieve verbanden

  • v.1 (nachtelijke reis) ↔ 20:77 (Mozes reist bij nacht): dezelfde stam س-ر-ي
  • v.82 (de Voordracht als genezing) ↔ 10:57: genezing voor de borsten
  • vv.23–39 (ethische code) ↔ 6:151–153: parallelle opsommingen van geboden
  • v.106 (gefaseerde nederzending) ↔ 25:32: geleidelijke openbaring als versterking
18
Al-Kahf De Grot
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Lof zij God, Die op Zijn dienaar het Boek heeft nedergezonden en er geen kromming in heeft geplaatst,
2
recht, opdat het moge waarschuwen voor een verschrikkelijke straf van Hem, en blijde tijdingen geve aan de gelovigen die rechtvaardige werken doen, dat voor hen een schoon loon is,
3
daarin eeuwig verblijvend,
4
en opdat het hen moge waarschuwen die zeggen: "God heeft een zoon genomen."
5
Zij hebben er geen kennis van, noch hadden hun vaderen die. Grievend is het woord dat uit hun monden voortkomt. Zij spreken niets dan een leugen.
6
Wellicht zoudt gij dan u zelven vernietigen van smart over hun voetstappen, indien zij niet geloven in deze rede.
7
Voorwaar, Wij hebben hetgeen op de aarde is tot een sieraad voor haar gemaakt, opdat Wij hen mogen beproeven — wie hunner het best is in daad.
8
En voorwaar, Wij zullen hetgeen erop is tot dor stof maken.
9
Of meent gij dat de gezellen der Grot en het Opschrift een wonder waren onder Onze tekenen?
10
Toen de jongelingen hun toevlucht namen tot de Grot en zeiden: "Onze Heer, schenk ons uit Uw tegenwoordigheid een barmhartigheid, en bereid voor ons in onze zaak rechte leiding."
11
Toen sloegen Wij op hun oren in de Grot voor een aantal jaren.
12
Toen wekten Wij hen op, opdat Wij mochten weten welke der twee partijen beter de duur van hun verblijf berekende.
13
Wij verhalen u hun berichten in waarheid. Voorwaar, zij waren jongelingen die in hun Heer geloofden, en Wij vermeerdeerden hen in leiding.
14
En Wij versterkten hun harten toen zij opstonden en zeiden: "Onze Heer is de Heer der hemelen en der aarde. Nimmer zullen wij enige god naast Hem aanroepen, want dan zouden wij een gruwel hebben gesproken."
15
"Dezen, ons volk, hebben goden naast Hem genomen. Waarom brengen zij er geen duidelijk gezag over? En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God?"
16
"En wanneer gij u terugtrekt van hen en van hetgeen zij aanbidden behalve God, neemt dan toevlucht in de Grot; uw Heer zal voor u van Zijn barmhartigheid uitspreiden en zal voor u van uw zaak een gemak bereiden."
17
En gij zoudt de zon zien, wanneer zij oprees, wegbuigend van hun Grot naar rechts, en wanneer zij onderging, hen voorbijgaand aan de linkerzijde, terwijl zij in een open ruimte ervan waren. Dat is van de tekenen Gods. Wie God leidt, hij is de rechtgeleide; en wie Hij doet dwalen, gij zult voor hem geen leidende beschermer vinden.
18
En gij zoudt hen wakker achten, doch zij sliepen. En Wij keerden hen naar rechts en naar links, en hun hond strekte zijn twee voorpoten uit op den drempel. Waart gij op hen gestuit, gij zoudt u van hen hebben gekeerd in vlucht en zoudt vervuld zijn geweest van schrik voor hen.
19
En aldus wekten Wij hen op opdat zij onder elkander mochten vragen. Een spreker onder hen zeide: "Hoelang hebt gij vertoefd?" Zij zeiden: "Wij hebben een dag vertoefd, of een deel van een dag." Zij zeiden: "Uw Heer weet het best hoelang gij hebt vertoefd. Zendt dus één uwer met dit zilverstuk van u naar de stad, en laat hem uitkijken welk voedsel het reinst is, en laat hem u er voorziening van brengen, en laat hem hoffelijk zijn, en laat hem niemand van u verwittigen."
20
"Voorwaar, indien zij van u zouden komen te weten, zouden zij u stenigen of u terugdwingen in hun geloof, en dan zoudt gij nimmer voorspoed hebben."
21
En aldus maakten Wij hen bekend, opdat zij mochten weten dat de belofte Gods waar is, en dat het Uur — er is geen twijfel eraan. Toen zij onder elkander hun zaak betwistten, zeiden zij: "Bouwt over hen een bouwwerk." Hun Heer weet het best omtrent hen. Zij die zegevieerden in hun zaak zeiden: "Wij zullen voorzeker over hen een gebedshuis oprichten."
22
Zij zullen zeggen: "Drie, de vierde van hen hun hond." En zij zullen zeggen: "Vijf, de zesde van hen hun hond" — gissend naar het verborgene. En zij zullen zeggen: "Zeven, en de achtste van hen hun hond." Zeg: "Mijn Heer weet het best hun aantal. Niemand kent hen dan weinigen." Twist dus niet over hen dan met een uiterlijk twisten, en zoek niet een uitspraak over hen van iemand hunner.
23
En zeg niet van enig ding: "Voorwaar, ik zal dat morgen doen,"
24
dan dat God het moge willen. En gedenk uw Heer wanneer gij vergeet, en zeg: "Het kan zijn dat mijn Heer mij zal leiden tot hetgeen dichter is dan dit in rechte richting."
25
En zij vertoefden in hun Grot driehonderd jaren, en voegden er negen aan toe.
26
Zeg: "God weet het best hoelang zij vertoefden. Zijn is het verborgene der hemelen en der aarde. Hoe goed ziet Hij en hoort Hij! Zij hebben geen beschermer naast Hem, en Hij deelt Zijn oordeel met niemand."
27
En draag voor hetgeen u is geopenbaard van het Boek uws Heren. Er is geen veranderaar van Zijn woorden, en gij zult geen toevlucht vinden naast Hem.
28
En wees geduldig met hen die hun Heer aanroepen des morgens en des avonds, Zijn aanschijn begeerend. En laat uw ogen niet over hen heengaan, het sieraad van het leven dezer wereld begeerend. En gehoorzaam niet hem wiens hart Wij achteloos hebben gemaakt omtrent Onze gedachtenis, en die zijn eigen begeerte volgt, en wiens zaak altijd in buitensporigheid is.
29
En zeg: "De waarheid is van uw Heer. Wie dus wil, laat hem geloven; en wie wil, laat hem verhullen." Voorwaar, Wij hebben voor de onrechtvaardigen een Vuur bereid wiens baldakijn hen omvat. En indien zij om bijstand roepen, zullen zij worden bijgestaan met water als gesmolten koper dat de aangezichten verschroeit. Ellendig de drank, en kwaad de rustplaats!
30
Voorwaar, zij die geloven en rechtvaardige werken doen — voorwaar, Wij laten de beloning van geen weldoener verloren gaan.
31
Dezen — voor hen zijn Tuinen van Eden, waaronder rivieren stromen. Zij zullen daarin getooid worden met armbanden van goud en groene klederen dragen van fijne zijde en zwaar brokaat, daarin aanliggend op rustbedden. Voortreffelijk de beloning, en schoon de rustplaats!
32
En zet hun een gelijkenis voor: twee mannen — Wij maakten voor één hunner twee tuinen van wijnstokken, en Wij omringden hen met dadelpalmen, en Wij plaatsten ertussen akkerland.
33
Elk der twee tuinen gaf haar vrucht en faalde in niets ervan. En Wij deden een rivier ontspringen ertussen.
34
En hij had vrucht. Dus zeide hij tot zijn metgezel, terwijl hij met hem praatte: "Ik ben groter dan gij in rijkdom en machtiger in getal."
35
En hij ging zijn tuin binnen, zijn eigen ziel onrecht aandoend. Hij zeide: "Ik meen niet dat dit ooit zal vergaan."
36
"En ik meen niet dat het Uur komt. En al word ik tot mijn Heer teruggebracht, ik zal voorzeker beter dan dit vinden als een terugkeer."
37
Zijn metgezel zeide tot hem, terwijl hij met hem praatte: "Hebt gij Hem verhuld Die u schiep uit stof, dan uit een druppel, u dan vormde als een man?"
38
"Doch wat mij betreft — Hij is God, mijn Heer, en ik ken mijn Heer geen deelgenoot toe."
39
"En waarom zeidet gij niet, toen gij uw tuin binnentrad: 'Hetgeen God wil! Er is geen macht dan in God'? Indien gij mij ziet als minder dan gij in rijkdom en kinderen,
40
dan kan het zijn dat mijn Heer mij beter zal geven dan uw tuin, en er een afrekening van den hemel op zal zenden, zodat zij een kale glibberige grond wordt,
41
of haar water wegzinkt in de aarde, zodat gij het nimmer kunt opzoeken."
42
En zijn vrucht werd omvat, en hij begon zijn handen te wringen over hetgeen hij eraan had besteed, terwijl zij gevallen lag op haar latwerk, en hij zeide: "Ware ik maar mijn Heer geen deelgenoot gaan toekennen!"
43
En er was voor hem geen gezelschap om hem te helpen naast God, noch kon hij zichzelve helpen.
44
Daar behoort de bescherming aan God, de Ware. Hij is het best in beloning en het best in uitkomst.
45
En zet hun de gelijkenis voor van het leven dezer wereld: als water dat Wij van den hemel nederzenden, en het gewas der aarde vermengt zich ermee, dan wordt het droog stoppel dat de winden verstrooien. En God is altijd over alle dingen machtig.
46
Rijkdom en kinderen zijn het sieraad van het leven dezer wereld. Doch de bestendige goede werken zijn beter bij uw Heer in beloning en beter in hoop.
47
En op den Dag waarop Wij de bergen in beweging zullen zetten, en gij de aarde bloot ziet gelegd, en Wij hen vergaderen en niet één hunner achterlaten,
48
en zij voor uw Heer in gelederen worden gezet: "Gij zijt tot Ons gekomen gelijk Wij u de eerste maal schiepen. Neen, gij beweerdet dat Wij u nimmer een afspraak zouden bestemmen."
49
En het Boek zal worden neergelegd, en gij zult de zondaars bevreesd zien voor hetgeen daarin is, en zij zullen zeggen: "Wee ons! Wat scheelt dit Boek dat het geen kleine zaak noch een grote laat of het rekent haar?" En zij zullen vinden hetgeen zij wrochtten vóór zich. En uw Heer doet niemand onrecht aan.
50
En toen Wij tot de engelen zeiden: "Buigt u neder voor Adam," en zij bogen zich neder, behalve Iblies — hij was van de verborgenen, en hij kwam in opstand tegen het gebod zijns Heren. Zult gij hem en zijn nakomelingen dan als beschermers nemen naast Mij, terwijl zij voor u een vijand zijn? Ellendig voor de onrechtvaardigen is de ruil!
51
Ik maakte hen niet tot getuigen van de schepping der hemelen en der aarde, noch van de schepping hunner zelven, en Ik zou hen die doen dwalen niet als steun nemen.
52
En op den Dag waarop Hij zal zeggen: "Roept Mijn deelgenoten aan die gij beweerdet," en zij zullen hen aanroepen, doch zij zullen hun niet antwoorden. En Wij zullen tussen hen een kloof des verderfs plaatsen.
53
En de zondaars zullen het Vuur zien en menen dat zij erin zullen vallen, en zij zullen er geen ontsnapping van vinden.
54
En voorwaar, Wij hebben in deze Voordracht voor de mensen elke soort van gelijkenis opgezet. Doch de mens is, meer dan wat ook, tot twisten geneigd.
55
En niets weerhoudt de mensen van het geloven, wanneer de leiding tot hen komt, en van het vragen van vergiffenis aan hun Heer, dan dat de weg der ouden over hen kome, of de kastijding hun van aangezicht tot aangezicht kome.
56
En Wij zenden de boodschappers niet dan als brengers van blijde tijdingen en als waarschuwers. En zij die hebben verhuld twisten met valsheid, opdat zij daarmee de waarheid mogen weerleggen. En zij hebben Mijn tekenen en hetgeen waarvoor zij werden gewaarschuwd in bespotting genomen.
57
En wie is onrechtvaardiger dan hij die herinnerd wordt aan de tekenen zijns Heren en zich ervan afwendt en vergeet hetgeen zijn handen hebben voorgezonden? Voorwaar, Wij hebben op hun harten bedekkingen geplaatst opdat zij het niet begrijpen, en in hun oren een zwaarte. En indien gij hen tot de leiding roept, zullen zij nimmer geleid worden.
58
En uw Heer is de Alvergevende, vol van barmhartigheid. Ware Hij hen te vatten voor hetgeen zij hebben verdiend, Hij zou voor hen de kastijding hebben verhaast. Neen, voor hen is een bestemde tijd waarvan zij geen toevlucht zullen vinden.
59
En die steden — Wij vernietigden hen toen zij onrecht deden, en Wij bestemden voor hun vernietiging een afspraak.
60
En toen Mozes tot zijn jonge metgezel zeide: "Ik zal niet ophouden totdat ik de samenkomst der twee zeeën bereik, of ik zal doorgaan voor eeuwen."
61
En toen zij de samenkomst ertussen bereikten, vergaten zij hun vis, en hij nam zijn weg naar de zee, gravend.
62
En toen zij voorbij waren, zeide hij tot zijn jonge metgezel: "Breng ons ons ochtendmaal; wij hebben waarlijk van deze reis vermoeidheid ondervonden."
63
Hij zeide: "Hebt gij gezien? Toen wij onze toevlucht namen bij de rots, voorwaar, ik vergat de vis — en niets deed mij hem vergeten dan de Tegenstander — opdat ik hem zou vermelden. En hij nam zijn weg naar de zee op wonderbaarlijke wijze."
64
Hij zeide: "Dat is hetgeen wij zochten!" Dus keerden zij terug, hun voetstappen volgend.
65
En zij vonden een dienaar uit Onze dienaren, aan wie Wij barmhartigheid uit Onze tegenwoordigheid hadden geschonken en kennis uit Ons eigen hadden onderwezen.
66
Mozes zeide tot hem: "Mag ik u volgen, opdat gij mij moogt onderwijzen van hetgeen u is onderwezen van rechte leiding?"
67
Hij zeide: "Voorwaar, gij kunt het niet met mij in geduld uithouden."
68
"En hoe kunt gij geduldig zijn met hetgeen gij niet in bewustzijn hebt omvat?"
69
Hij zeide: "Gij zult mij, zo God wil, geduldig vinden, en ik zal u in geen zaak ongehoorzamen."
70
Hij zeide: "Indien gij mij dan volgt, ondervraag mij niet over enig ding totdat ik er u melding van maak."
71
Dus gingen zij voort, totdat, toen zij zich inscheepten op het schip, hij er een gat in maakte. Hij zeide: "Hebt gij er een gat in gemaakt om zijn volk te verdrinken? Gij hebt een verschrikkelijk ding gedaan!"
72
Hij zeide: "Zeide ik niet dat gij het niet met mij in geduld kunt uithouden?"
73
Hij zeide: "Vat mij niet voor hetgeen ik vergat, en leg mij geen moeilijkheid op in mijn zaak."
74
Dus gingen zij voort, totdat, toen zij een jongeling ontmoetten, hij hem doodde. Hij zeide: "Hebt gij een reine ziel gedood zonder een ziel? Gij hebt een vreselijk ding gedaan!"
75
Hij zeide: "Zeide ik u niet dat gij het niet met mij in geduld kunt uithouden?"
76
Hij zeide: "Indien ik u hierna over enig ding ondervraag, houd mij dan niet als metgezel. Gij hebt van mij een verontschuldiging ontvangen."
77
Dus gingen zij voort, totdat, toen zij kwamen bij het volk van een stad, zij haar volk om voedsel vroegen, doch zij weigerden hun gastvrijheid te betonen. En zij vonden daarin een muur die op het punt stond in te storten, en hij richtte hem op. Hij zeide: "Had gij gewild, gij had er een loon voor kunnen nemen."
78
Hij zeide: "Dit is het scheiden tussen mij en u. Ik zal u inlichten over de uitleg van hetgeen gij niet in geduld kunt uithouden."
79
"Wat het schip betreft, het behoorde aan arme lieden die op de zee werkten, en ik wenste het te beschadigen, want achter hen was een koning die elk schip met geweld in beslag nam."
80
"En wat den jongeling betreft, zijn ouders waren gelovigen, en wij vreesden dat hij hen zou belasten met overtreding en verhulling."
81
"Dus wensten wij dat hun Heer hun in ruil iemand zou geven die beter was dan hij in reinheid en nader in tederheid."
82
"En wat den muur betreft, hij behoorde aan twee weesjongelingen in de stad, en eronder was een schat van hen, en hun vader was rechtvaardig geweest. Dus wenste uw Heer dat zij hun rijpheid mochten bereiken en hun schat voortbrengen, als een barmhartigheid van uw Heer. En ik deed het niet uit eigen gebod. Dat is de uitleg van hetgeen gij niet in geduld kunt uithouden."
83
En zij vragen u over Dhoel-Qarnajn. Zeg: "Ik zal u een vermelding van hem voordragen."
84
Voorwaar, Wij vestigden hem op de aarde, en Wij gaven hem van alle dingen een middel.
85
Dus volgde hij een middel,
86
totdat, toen hij de plaats van den ondergang der zon bereikte, hij haar vond ondergaand in een donkere bron, en hij vond erbij een volk. Wij zeiden: "O Dhoel-Qarnajn, hetzij gij zult kastijden, hetzij gij onder hen een goede weg zult nemen."
87
Hij zeide: "Wat hem betreft die onrecht doet, wij zullen hem kastijden; dan zal hij worden teruggevoerd tot zijn Heer, en Hij zal hem kastijden met een verschrikkelijke kastijding."
88
"Doch wat hem betreft die gelooft en het goede doet, voor hem is de schoonste beloning, en wij zullen tot hem gemak spreken uit ons gebod."
89
Dan volgde hij een middel,
90
totdat, toen hij de plaats van den opgang der zon bereikte, hij haar vond opgaand over een volk voor wie Wij er geen beschutting tegen hadden gemaakt.
91
Aldus was het. En Wij hadden in bewustzijn omvat hetgeen bij hem was.
92
Dan volgde hij een middel,
93
totdat, toen hij de plaats bereikte tussen de twee barrières, hij aan deze zijde ervan een volk vond dat nauwelijks een woord kon verstaan.
94
Zij zeiden: "O Dhoel-Qarnajn, voorwaar Gog en Magog werken verderf op de aarde. Zullen wij u een schatting toewijzen, opdat gij tussen ons en hen een barrière moogt plaatsen?"
95
Hij zeide: "Hetgeen waarin mijn Heer mij heeft gevestigd is beter. Helpt mij dus met kracht, en ik zal tussen u en hen een wal plaatsen."
96
"Brengt mij blokken ijzer." Totdat, toen hij het vlak had gemaakt tussen de twee klippen, hij zeide: "Blaast!" Totdat, toen hij het tot vuur had gemaakt, hij zeide: "Brengt mij, opdat ik er gesmolten koper op moge gieten."
97
Dus konden zij het niet beklimmen, noch konden zij het doorboren.
98
Hij zeide: "Dit is een barmhartigheid van mijn Heer. Doch wanneer de belofte mijns Heren komt, zal Hij het gelijk maken met den grond. En de belofte mijns Heren is altijd waar."
99
En Wij zullen sommigen hunner op die Dag over anderen laten golven. En de bazuin zal worden geblazen, en Wij zullen hen allen tezamen vergaderen.
100
En Wij zullen het Hellevuur op die Dag voor hen die hebben verhuld ten toon spreiden, een tentoonstelling,
101
degenen wier ogen in een bedekking waren voor Mijn gedachtenis, en die niet bij machte waren te horen.
102
Menen zij die hebben verhuld dan dat zij Mijn dienaren als beschermers mogen nemen naast Mij? Voorwaar, Wij hebben het Hellevuur voor hen die verhullen bereid als verwelkoming.
103
Zeg: "Zullen Wij u inlichten over de grootste verliezers in daden?"
104
"Degenen wier streven is afgedwaald in het leven dezer wereld, terwijl zij menen dat zij goed werk verrichten."
105
Dezen zijn zij die de tekenen huns Heren en Zijn ontmoeting hebben verhuld, dus zijn hun daden ijdel, en Wij zullen hun op den Dag der Opstanding geen gewicht toekennen.
106
Dat is hun vergelding — het Hellevuur — omdat zij verhulden en Mijn tekenen en Mijn boodschappers in bespotting namen.
107
Voorwaar, zij die geloven en rechtvaardige werken doen — voor hen zijn de Tuinen van het Paradijs als verwelkoming,
108
daarin eeuwig verblijvend, geen verwijdering ervan begeerend.
109
Zeg: "Ware de zee inkt voor de woorden mijns Heren, de zee zou zijn uitgeput vóór de woorden mijns Heren waren uitgeput, al brachten Wij het gelijke ervan als voorraad."
110
Zeg: "Ik ben slechts een sterveling als gij. Het is mij geopenbaard dat uw God Eén God is. Wie dus hoopt op de ontmoeting met zijn Heer, laat hem rechtvaardige werken doen en niemand toeschrijven in de aanbidding zijns Heren."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 18 — Al-Kahf (De Grot)

Algemene waarnemingen

Al-Kahf is opgebouwd rond vier gelijkenissen — de Slapers der Grot, de Twee Tuinen, Khidr en Mozes, en Dhoel-Qarnajn — elk als bewijs dat verborgen wijsheid de schijn tegenspreekt. De soera is een aanhoudende meditatie over de zaahir/baatin-tweeledigheid: wat dood schijnt is slaap, wat vernietiging schijnt is barmhartigheid.

Belangrijkste stamontdekkingen

Stam خ-ض-ر (kh-d-r) — de Frisse / Khidr (vv.60-82)

De naamloze “dienaar uit Onze dienaren” (v.65) is Khidr — “de Frisse.” De stam betekent fris, levend, vochtig, nieuw gegroeid. Dezelfde stam verschijnt in 55:76 (khodr, frisse kussens). Khidr belichaamt het baatin: de innerlijke betekenis die Mozes (het zaahir, de wet) niet zonder geduld kan vatten.

De drie beproevingen — het schip, de jongeling, de muur — volgen hetzelfde patroon: de schijnbare handeling (vernietiging, doding, onbetaalde arbeid) verhult een verborgen barmhartigheid. Het zaahir/baatin-beginsel in dramatische vorm.

Stam ر-ق-م (r-q-m) — de Inschrijving (v.9)

Ar-raqiem (de Inschrijving) — de stam betekent schrijven, inscriberen. Verbonden met 83:9 (kitaab marqoem, een geschreven/genummerd boek). Het Koranverhaal zelf IS de inschrijving.

Stam ج-ن-ن (j-n-n) — verhulde wezens en verhulde rijken

V.50: Iblies “was van de djinn” — de verhulde wezens. De Grot zelf functioneert als een djanna — een verborgen beschuttingsplaats. De jongeren treden de verhulling binnen (de Grot) en komen te voorschijn in onthulling (hun ontwaken).

Stam ف-ت-ي (f-t-j) — jongeren (v.10, 13, 60)

De Grotsgenoten zijn fitja (jongeren). Mozes’ gezel heet eveneens fataahoe (v.60). Jeugd is de hoedanigheid van hen die de verborgen dimensie kunnen betreden: fris, onbekorst door gewoonte.

Versbijzonderheden

  • V.9: Grot (kahf, stam ك-ه-ف, beschutten) en Inschrijving koppelen verhulling aan vastlegging. Wat verborgen is, is ook ingeschreven.
  • V.29: “De waarheid is van uw Heer. Wie dan wil, hij gelove; en wie wil, hij verhul.” De sterkste uitspraak over geestelijke vrijheid, onmiddellijk gevolgd door de gevolgen der keuze.
  • Vv.60-82: De samenloop der twee zeeen (madjma’ al-bahrajn) is het ontmoetingspunt van zaahir en baatin. De vis die weer levend wordt en in de zee glijdt (v.61) is zelf een teken: wat dood scheen herwint leven op het kruispunt.
  • V.109: “Indien de zee inkt ware voor de woorden mijns Heren, de zee zou zijn uitgeput eer de woorden mijns Heren uitgeput waren.” Verbonden met 55:1-4: Gods woorden zijn oneindig; menselijke uitdrukking put uit een oneindige Bron.
  • V.110: “Ik ben slechts een sterveling als gij” — Mohammeds sterfelijkheid, verbonden met 3:144.

Integratieve verbanden

  • De Grot als djanna verhoudt zich tot 55:46-78 — beide zijn verborgen ruimten waar geestelijke werkelijkheid bewaard blijft.
  • V.60 samenloop der twee zeeen verhoudt zich tot 55:19-20 “de weiden der twee zeeen die samenkomen.”
  • Khidrs frisheid (kh-d-r) verhoudt zich tot 55:76 “frisse kussens” — dezelfde stam.
  • V.29 vrijheid van geloof verhoudt zich tot 2:256 “geen dwang in de godsdienst.”
19
Marjam Maria
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Kaaf, Haa, Jaa, 'Ajn, Saad.
2
Een vermelding van de barmhartigheid uws Heren jegens Zijn dienaar Zacharias,
3
toen hij zijn Heer aanriep met een verborgen roep.
4
Hij zeide: "Mijn Heer, voorwaar het gebeente in mij is verzwakt, en mijn hoofd is ontvlamd van grijs haar, en ik ben nimmer in mijn smeekbede tot U, mijn Heer, ongelukkig geweest.
5
En voorwaar, ik vrees mijn verwanten na mij, en mijn vrouw is onvruchtbaar. Schenk mij dus uit Uw tegenwoordigheid een erfgenaam,
6
die van mij zal erven en erven van het Huis van Jacob. En maak hem, mijn Heer, welgevallig."
7
"O Zacharias, voorwaar Wij geven u blijde tijdingen van een jongen wiens naam Jahja is. Wij hebben hem voordien geen naamgenoot toegewezen."
8
Hij zeide: "Mijn Heer, hoe zal ik een jongen hebben wanneer mijn vrouw onvruchtbaar is, en ik in den ouderdom een staat van zwakte heb bereikt?"
9
Hij zeide: "Aldus is het." Uw Heer zegt: "Het is gemakkelijk voor Mij, en waarlijk Ik schiep u voordien, toen gij niets waart."
10
Hij zeide: "Mijn Heer, stel voor mij een teken vast." Hij zeide: "Uw teken is dat gij drie nachten niet tot de mensen zult spreken, gezond zijnde."
11
Dus kwam hij te voorschijn tot zijn volk uit het heiligdom, en hij beduidde hun: "Verheerlijkt des morgens en des avonds."
12
"O Jahja, neem het Boek met kracht." En Wij gaven hem het oordeel terwijl hij nog een kind was,
13
en tederheid uit Onze tegenwoordigheid en reinheid, en hij was altijd godvrezend,
14
en eerbiedsaam jegens zijn ouders, en hij was geen tiran, ongehoorzaam.
15
En vrede zij hem den dag dat hij geboren werd, en den dag dat hij sterft, en den dag dat hij levend wordt opgewekt.
16
En vermeld in het Boek Maria, toen zij zich terugtrok van haar volk naar een oostelijke plaats,
17
en zij nam een sluier af van hen. Toen zonden Wij tot haar Onze Geest, en hij verscheen haar als een onberispelijke man.
18
Zij zeide: "Voorwaar, ik zoek toevlucht bij den Albarmhartige voor u, indien gij godvrezend zijt."
19
Hij zeide: "Ik ben slechts de boodschapper uws Heren, opdat ik u een reinen zoon moge schenken."
20
Zij zeide: "Hoe zal ik een zoon hebben wanneer geen man mij heeft aangeraakt, noch ben ik onkuis geweest?"
21
Hij zeide: "Aldus is het." Uw Heer zegt: "Het is gemakkelijk voor Mij, en opdat Wij hem een teken mogen maken voor de mensen en een barmhartigheid van Ons. En het is een zaak besloten."
22
Dus ontving zij hem, en zij trok zich met hem terug naar een verre plaats.
23
En de weeën dreven haar naar den stam des palms. Zij zeide: "Ware ik maar gestorven vóór dit en een vergeten ding geweest, volkomen vergeten!"
24
Toen riep hij tot haar van onder haar: "Treur niet; uw Heer heeft onder u een beekje geplaatst.
25
En schud den stam des palms naar u toe; hij zal verse dadels op u doen vallen, rijp.
26
Eet dus en drink en verkwik uw oog. En indien gij enig sterveling ziet, zeg: 'Voorwaar, ik heb den Albarmhartige een vasten gelofte, en ik zal heden tot geen mens spreken.'"
27
Toen bracht zij hem tot haar volk, hem dragend. Zij zeiden: "O Maria, gij hebt iets ongehoords gedaan!
28
O zuster van Aäron! Uw vader was geen man van goddeloosheid, noch was uw moeder onkuis."
29
Toen wees zij naar hem. Zij zeiden: "Hoe zullen wij spreken tot iemand die in de wieg is, een kind?"
30
Hij zeide: "Voorwaar, ik ben de dienaar Gods. Hij heeft mij het Boek gegeven en mij tot een profeet gemaakt.
31
En Hij heeft mij gezegend waar ik ook zij, en heeft mij het gebed en de aalmoes opgelegd zolang ik leef,
32
en eerbiedsaam jegens mijn moeder, en Hij heeft mij niet gemaakt tot een tiran, ellendig.
33
En vrede zij mij den dag dat ik geboren werd, en den dag dat ik sterf, en den dag dat ik levend word opgewekt."
34
Dat is Jezus zoon van Maria — het woord der waarheid, waarover zij twisten.
35
Het is niet aan God dat Hij een zoon zou nemen. Verheven zij Hij! Wanneer Hij een zaak verordent, zegt Hij er slechts toe: "Wees!" en het is.
36
"En voorwaar, God is mijn Heer en uw Heer, aanbidt Hem dus. Dit is een recht pad."
37
Toen verschilden de groepen onder elkander. Wee dus degenen die hebben verhuld, vanwege de betuiging van een geweldige Dag.
38
Hoe goed zullen zij horen en hoe goed zullen zij zien op den Dag dat zij tot Ons komen! Doch de onrechtvaardigen zijn heden in klaarblijkelijke dwaling.
39
En waarschuw hen voor den Dag der Benauwing, wanneer de zaak beslist is, terwijl zij in achteloosheid verkeren en niet geloven.
40
Voorwaar, Wij zijn het Die de aarde erven en allen die daarop zijn, en tot Ons zullen zij worden teruggevoerd.
41
En vermeld in het Boek Abraham. Voorwaar, hij was een man van waarheid, een profeet.
42
Toen hij tot zijn vader zeide: "O mijn vader, waarom aanbidt gij hetgeen niet hoort en niet ziet en u niets baat?
43
O mijn vader, voorwaar er is tot mij gekomen van kennis hetgeen niet tot u is gekomen. Volg mij dus; ik zal u leiden op een effen pad.
44
O mijn vader, aanbid den Tegenstander niet. Voorwaar, de Tegenstander is altijd den Albarmhartige ongehoorzaam.
45
O mijn vader, voorwaar ik vrees dat u een kastijding van den Albarmhartige zal treffen, zodat gij een vriend des Tegenstanders wordt."
46
Hij zeide: "Wendt gij u af van mijn goden, o Abraham? Indien gij niet ophoudt, zal ik u voorzeker stenigen. Vertrek dus van mij voor een lange wijle."
47
Hij zeide: "Vrede zij u. Ik zal vergiffenis voor u vragen aan mijn Heer. Voorwaar, Hij is altijd genadig jegens mij.
48
En ik zal mij terugtrekken van u en van hetgeen gij aanroept naast God, en ik zal mijn Heer aanroepen. Het kan zijn dat ik niet, in mijn smeekbede tot mijn Heer, ongelukkig zal zijn."
49
Toen hij zich dan van hen had teruggetrokken en van hetgeen zij aanbaden naast God, schonken Wij hem Izaäk en Jacob, en elk maakten Wij een profeet.
50
En Wij schonken hun van Onze barmhartigheid, en Wij kenden hun een tong van waarheid toe, verheven.
51
En vermeld in het Boek Mozes. Voorwaar, hij was een oprecht gemaakte, en hij was een boodschapper, een profeet.
52
En Wij riepen hem van de rechterzijde des Bergs, en brachten hem nabij in gemeenschap.
53
En Wij schonken hem van Onze barmhartigheid zijn broeder Aäron, een profeet.
54
En vermeld in het Boek Ismaël. Voorwaar, hij was trouw aan zijn belofte, en hij was een boodschapper, een profeet.
55
En hij placht zijn huisgezin het gebed en de aalmoes aan te bevelen, en hij was welgevallig in het oog zijns Heren.
56
En vermeld in het Boek Idries. Voorwaar, hij was een man van waarheid, een profeet.
57
En Wij verhieven hem tot een hoge staat.
58
Dezen zijn zij op wie God Zijn zegen heeft geschonken, van onder de profeten, van het nageslacht van Adam, en van hen die Wij met Noach hebben gedragen, en van het nageslacht van Abraham en Israël, en van hen die Wij hebben geleid en gekozen. Wanneer de tekenen des Albarmhartigen hun werden voorgedragen, vielen zij neder in aanbidding en geween.
59
Toen volgde na hen een opvolging die het gebed verwaarloosde en de lusten volgde. Zij zullen het verderf ontmoeten,
60
behalve hij die berouw heeft en gelooft en het goede doet. Dezen zullen de Tuin binnentreden en zullen in niets worden benadeeld —
61
Tuinen van Eden, die de Albarmhartige Zijn dienaren in het verborgene heeft beloofd. Voorwaar, Zijn belofte wordt altijd vervuld.
62
Zij zullen daarin geen ijdel gepraat horen, doch slechts vrede. En zij zullen hun voorziening daarin des morgens en des avonds hebben.
63
Dat is de Tuin die Wij als erfdeel geven aan hen van Onze dienaren die godvrezend zijn.
64
"En wij dalen niet neder dan op het gebod uws Heren. Zijn is wat vóór ons is en wat achter ons is en wat daartussen is. En uw Heer is nimmer vergeetachtig."
65
Heer der hemelen en der aarde en wat daartussen is. Aanbidt Hem dus en weest standvastig in Zijn aanbidding. Kent gij iemand die Zijn naamgenoot is?
66
En de mens zegt: "Wanneer ik dood ben, zal ik dan waarlijk levend worden voortgebracht?"
67
Herinnert de mens zich niet dat Wij hem voordien schiepen, toen hij niets was?
68
Dus bij uw Heer, Wij zullen hen voorzeker vergaderen en de tegenstanders, dan zullen Wij hen voorzeker rondom het Hellevuur brengen op hun knieën.
69
Dan zullen Wij voorzeker uit elke groep uittrekken wie van hen het onbeschaamdst was jegens den Albarmhartige.
70
Dan waarlijk zijn Wij het best gewaar van hen die het meest verdienen daarin te branden.
71
En er is niemand onder u die er niet langs zal gaan. Dat is op uw Heer een vastgesteld besluit.
72
Dan zullen Wij hen redden die godvrezend waren, en Wij zullen de onrechtvaardigen daarin laten op hun knieën.
73
En wanneer Onze duidelijke tekenen hun worden voorgedragen, zeggen zij die hebben verhuld tot hen die geloven: "Welke der twee partijen is beter in rang en schoner in vergadering?"
74
En hoevele geslachten hebben Wij vóór hen vernietigd, die schoner waren in bezittingen en in uiterlijk vertoon!
75
Zeg: "Wie in dwaling is, laat den Albarmhartige voor hem een verlenging uitstrekken, totdat, wanneer zij zien hetgeen hun beloofd is — hetzij de kastijding of het Uur — dan zullen zij weten wie slechter is in rang en zwakker in krachten."
76
En God vermeerdert hen die geleid worden in leiding. En de bestendige goede werken zijn beter bij uw Heer als beloning en beter als terugkeer.
77
Hebt gij hem gezien die Onze tekenen heeft verhuld en zegt: "Mij zal voorzeker rijkdom en kinderen worden gegeven"?
78
Heeft hij het verborgene doorgrond, of heeft hij met den Albarmhartige een verbond gesloten?
79
Neen! Wij zullen schrijven wat hij zegt en Wij zullen de kastijding voor hem verlengen met een verlenging.
80
En Wij zullen van hem erven wat hij zegt, en hij zal tot Ons komen, alleen.
81
En zij hebben goden genomen naast God, opdat zij voor hen een bron van kracht mogen zijn.
82
Neen! Zij zullen hun aanbidding loochenen en zullen tegen hen tegenstanders zijn.
83
Ziet gij niet dat Wij de tegenstanders hebben gezonden op hen die verhullen, hen aanhitsend met aanhitsing?
84
Haast u dus niet tegen hen. Wij tellen slechts voor hen een telling.
85
Op den Dag waarop Wij de godvrezenden tot den Albarmhartige zullen vergaderen als een gezantschap,
86
en Wij de zondaren naar het Hellevuur zullen drijven als een kudde naar het water,
87
zullen zij geen voorspraak bezitten, behalve hij die met den Albarmhartige een verbond heeft gesloten.
88
En zij zeggen: "De Albarmhartige heeft een zoon genomen."
89
Gij hebt waarlijk iets monsterachtigs voortgebracht,
90
waardoor de hemelen welhaast vaneen scheuren en de aarde splijt en de bergen in puin neerstorten,
91
dat zij den Albarmhartige een zoon toeschrijven.
92
En het betaamt den Albarmhartige niet dat Hij een zoon zou nemen.
93
Er is niemand in de hemelen en op de aarde die niet tot den Albarmhartige komt als een dienaar.
94
Hij heeft hen waarlijk geteld en genummerd met een nummering.
95
En elk van hen zal tot Hem komen op den Dag der Opstanding, alleen.
96
Voorwaar, zij die geloven en rechtvaardige werken doen — de Albarmhartige zal hun liefde toewijzen.
97
Dus hebben Wij het gemakkelijk gemaakt door uw tong, opdat gij daarmee blijde tijdingen moogt brengen aan de godvrezenden en daarmee een twistziek volk moogt waarschuwen.
98
En hoevele geslachten hebben Wij vóór hen vernietigd! Bespeurt gij iemand van hen, of hoort gij van hen ook maar een fluistering?
Commentary

Aantekeningen bij Soera 19 — Marjam (Maria)

Algemene waarnemingen

Marjam is de meest intieme soera — het gevoelsregister is persoonlijk, familair, teder. Zij opent met Zacharias’ gefluisterd gebed en doorloopt een reeks geboorte- en profetische verhalen, verbonden door het barmhartigheidsthema. Het woord ar-Rahmaan verschijnt zestien maal — meer per vers dan in enige andere soera behalve Ar-Rahmaan (55) zelf.

Belangrijkste stamontdekkingen

Stam ر-ح-م (r-h-m) — barmhartigheid als ruggengraat

Barmhartigheid (rahma) en baarmoeder (rahim) delen dezelfde stam. De soera die draait om Maria’s baarmoeder en haar wonderbaarlijke vrucht is tegelijkertijd een soera over goddelijke barmhartigheid die lichamelijk gestalte krijgt.

  • V.2: “Een vermelding der barmhartigheid uws Heren jegens Zijn dienaar Zacharias.”
  • V.21: Jezus als “een teken voor de mensen en een barmhartigheid van Ons.”
  • V.96: “De Albarmhartige zal hun liefde toewijzen” — de soera sluit met barmhartigheid die liefde wordt.

Het boog: barmhartigheid -> baarmoeder -> geboorte -> profeten -> liefde.

Stam ع-ب-د (‘a-b-d) — dienaar (v.30)

Jezus’ eerste woorden uit de wieg: “Ik ben de dienaar Gods” (innie ‘abdoellaah). Dienaarschap is het gedeelde station aller profeten — hetzelfde woord voor Zacharias (v.2) en Mohammed (18:1).

Stam و-ل-د (w-l-d) — zoonschap en de kosmische breuk (vv.88-92)

De bewering dat God “een zoon heeft genomen” (v.88) veroorzaakt de heftigste beelden der soera: de hemelen scheuren bijna, de aarde splijt, de bergen storten in. De soera die het tederst de menselijke geboorte beschrijft, verwerpt het hevigst de metaforische uitbreiding van geboorte tot God. Menselijke geboorte is heilig; goddelijk “verwekken” is een categoriefout die de kosmos niet verdragen kan.

Stam ح-ن-ن (h-n-n) — tederheid (v.13)

Jahja ontvangt hanaan (tederheid) — dit zeldzame woord verschijnt slechts hier in de Koran. Profeetschap in deze soera is teder, niet triomfantelijk.

Versbijzonderheden

  • Vv.16-26: Maria’s geboortesequentie is opmerkelijk lichamelijk: zij trekt zich terug, ontvangt de Geest, wordt door weeen tot een palmboom gedreven. V.23: “Was ik maar gestorven voor dit” — haar lijden wordt niet onderdrukt. Dan de stem “van onder haar”: “Treur niet; uw Heer heeft onder u een beekje geplaatst.” Het woord djanie (rijp, v.25) weerklinkt als de j-n-n-stam: de vrucht van het verborgene.
  • V.30: Elk element van Jezus’ verklaring wijst weg van goddelijkheid: ontvangen, niet bezitten; gezegend door Gods wil, niet uit zichzelf.
  • V.34: “Dat is Jezus zoon van Maria — het woord der waarheid, waarover zij twisten.” De twist duurt voort; de Koran lost het niet op met een dogmatische formule maar benoemt het als waarheid.
  • Vv.41-58: De profetische litanie — Abraham, Mozes, Ismail, Idries — elk in teder portret. Geen wetgevers maar vertrouwelingen Gods.

Integratieve verbanden

  • Ar-Rahmaan in Marjam verhoudt zich tot Soera 55: Marjam is het persoonlijke, intieme gezicht der barmhartigheid; Ar-Rahmaan het kosmische.
  • V.30 “Ik ben de dienaar Gods” verhoudt zich tot 5:116-117 — dezelfde christologische positie.
  • V.25 “rijpe dadels” (djanie) verhoudt zich tot 55:54 “de oogst (djana) der twee verborgen Rijken.”
  • Vv.88-92 hemelscheuring verhoudt zich tot 55:37 “rozig geschilderde” hemel — de hemel neemt deel aan het goddelijk drama.
  • V.96 barmhartigheid wordt liefde verhoudt zich tot 55:60 “Is er voor het Goede andere beloning dan het Goede?”
20
Taa-Haa Taa-Haa
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Taa, Haa.
2
Wij hebben de Voordracht niet op u nedergezonden opdat gij ellendig zoudt zijn,
3
doch slechts als een herinnering voor hem die vreest,
4
een nederzending van Hem Die de aarde en de verheven hemelen schiep —
5
de Albarmhartige, op den Troon gevestigd.
6
Hem behoort wat in de hemelen is en wat op de aarde is, en wat daartussen is, en wat onder den grond is.
7
En indien gij hardop het woord spreekt, dan voorwaar Hij kent het geheim en wat nog verborgener is.
8
God — er is geen god dan Hij; Hem behoren de schoonste namen.
9
En is het verhaal van Mozes tot u gekomen?
10
Toen hij een vuur zag en tot zijn huisgezin zeide: "Wacht; voorwaar, ik bespeur een vuur; wellicht kan ik u daarvan een brand brengen, of bij het vuur leiding vinden."
11
En toen hij erbij kwam, werd hij geroepen: "O Mozes!
12
Voorwaar, Ik ben uw Heer; doe dus uw sandalen uit; voorwaar, gij zijt in het heilige dal van Toewa.
13
En Ik heb u gekozen; luister dus naar hetgeen geopenbaard wordt.
14
Voorwaar, Ik ben God — er is geen god dan Ik; aanbidt Mij dus, en onderhoudt het gebed tot Mijn gedachtenis.
15
Voorwaar, het Uur komt — Ik verberg het bijna — opdat elke ziel moge worden vergolden voor hetgeen zij nastreeft.
16
Laat dus niet hij die er niet in gelooft en zijn begeerte volgt, u ervan afwenden, opdat gij niet vergaat.
17
En wat is dat in uw rechterhand, o Mozes?"
18
Hij zeide: "Het is mijn staf; ik leun erop, en ik sla er bladeren mee neder voor mijn schapen, en ik heb er andere gebruiken voor."
19
Hij zeide: "Werp hem neder, o Mozes."
20
Dus wierp hij hem neder, en zie, het was een slang, kruipend.
21
Hij zeide: "Neem hem, en vrees niet; Wij zullen hem in zijn vorige staat terugbrengen.
22
En druk uw hand tegen uw zijde; zij zal wit te voorschijn komen, zonder gebrek — een ander teken,
23
opdat Wij u van Onze grotere tekenen mogen tonen.
24
Ga tot Farao; voorwaar, hij is buitensporig geworden."
25
Hij zeide: "Mijn Heer, verruim voor mij mijn borst,
26
en vergemakkelijk voor mij mijn taak,
27
en ontknoop een knoop van mijn tong,
28
opdat zij mijn rede mogen verstaan.
29
En wijs mij een helper aan uit mijn huisgezin —
30
Aäron, mijn broeder.
31
Versterk mijn rug door hem,
32
en maak hem een deelgenoot in mijn zaak,
33
opdat wij U veel mogen verheerlijken,
34
en U veel mogen gedenken.
35
Voorwaar, Gij zijt altijd Ziende van ons."
36
Hij zeide: "Uw verzoek is u ingewilligd, o Mozes.
37
En voorwaar, Wij betoonden u een andere maal gunst,
38
toen Wij aan uw moeder openbaarden hetgeen geopenbaard werd:
39
'Leg hem in de kist en werp haar in de rivier, en de rivier zal haar op den oever werpen; een vijand van Mij en een vijand van hem zal hem nemen.' En Ik wierp liefde van Mij op u, en opdat gij mocht worden grootgebracht onder Mijn oog.
40
Toen uw zuster heenging en zeide: 'Zal ik u wijzen naar iemand die hem kan zogen?' Dus brachten Wij u terug naar uw moeder opdat haar oog mocht worden gekoeld en zij niet zou treuren. En gij dooddet een ziel, en Wij redden u uit smart, en Wij beproefden u met beproevingen. Toen verbleeft gij jaren onder het volk van Midjan; toen kwaamt gij volgens een besluit, o Mozes.
41
En Ik heb u gevormd voor Mijzelve.
42
Ga, gij en uw broeder, met Mijn tekenen, en weest niet traag in Mijn gedachtenis.
43
Gaat, beiden, tot Farao; voorwaar, hij is buitensporig geworden.
44
En spreekt tot hem een zacht woord, opdat hij wellicht moge gedenken of vrezen."
45
Zij zeiden: "Onze Heer, voorwaar, wij vrezen dat hij tegen ons verhaasten moge, of dat hij buitensporig moge worden."
46
Hij zeide: "Vreest niet; voorwaar, Ik ben met u beiden, horend en ziend.
47
Gaat dus tot hem en zegt: 'Voorwaar, wij zijn de boodschappers uws Heren; zend dus de Kinderen Israëls met ons en kwel hen niet. Wij zijn tot u gekomen met een teken van uw Heer, en vrede zij over hem die de leiding volgt.
48
Voorwaar, het is ons geopenbaard dat kastijding rust op hem die loochent en zich afwendt.'"
49
Hij zeide: "En wie is uw Heer, o Mozes?"
50
Hij zeide: "Onze Heer is Hij Die aan alle dingen hun schepping gaf, en hen dan leidde."
51
Hij zeide: "Hoe is het dan met de vroegere geslachten?"
52
Hij zeide: "De kennis daarvan is bij mijn Heer in een Boek; mijn Heer dwaalt niet, noch vergeet Hij —
53
Hij Die voor u de aarde tot een wieg heeft gemaakt en er paden doorheen voor u heeft gevlochten, en water van den hemel nederzond." En daarmee brachten Wij allerlei paren van planten voort.
54
Eet en weidt uw vee. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor hen die verstand bezitten.
55
Daaruit schiepen Wij u, en daarin zullen Wij u terugbrengen, en daaruit zullen Wij u een tweede maal voortbrengen.
56
En voorwaar, Wij toonden hem Onze tekenen, alle, doch hij loochende en weigerde.
57
Hij zeide: "Zijt gij gekomen om ons uit ons land te verdrijven door uw tovenarij, o Mozes?
58
Dan zullen wij u een tovenarij brengen als deze; stel dus tussen ons en u een afspraak vast die wij niet zullen falen — noch wij noch gij — op een overeengekomen plaats."
59
Hij zeide: "Uw afspraak is de Dag des Sieraads, en laat het volk des voormiddags worden vergaderd."
60
Dus wendde Farao zich af en vergaderde zijn list, toen kwam hij.
61
Mozes zeide tot hen: "Wee u! Smeedt geen leugen tegen God, opdat Hij u niet vernietigt door een kastijding; en hij die smeedt heeft gefaald."
62
Dus twistten zij onder elkander hun zaak en hielden hun beraad geheim.
63
Zij zeiden: "Deze twee zijn tovenaars die u uit uw land willen verdrijven door hun tovenarij en uw ideale weg willen wegnemen.
64
Vergadert dus uw list, komt dan in een rij; en hij die heden de overhand behaalt zal voorspoed hebben."
65
Zij zeiden: "O Mozes, werpt gij of zullen wij de eersten zijn die werpen?"
66
Hij zeide: "Neen, werpt gij." En zie, hun touwen en hun staven schenen hem, door hun tovenarij, te kruipen.
67
Dus vatte Mozes een vrees in zichzelve op.
68
Wij zeiden: "Vrees niet; voorwaar, gij zijt de hoogste.
69
En werp wat in uw rechterhand is; het zal verslinden hetgeen zij hebben gewrocht. Hetgeen zij hebben gewrocht is slechts de list van een tovenaar, en de tovenaar heeft geen voorspoed waar hij ook komt."
70
Toen werden de tovenaars neergeworpen in aanbidding; zij zeiden: "Wij geloven in den Heer van Aäron en Mozes."
71
Hij zeide: "Gij gelooft in hem vóór ik u verlof geef? Voorwaar, hij is uw meester die u de tovenarij onderwees. Ik zal dus uw handen en uw voeten aan wisselende zijden afhouwen, en ik zal u kruisigen aan de stammen der palmen, en gij zult weten wie van ons strenger is in kastijding en bestendiger."
72
Zij zeiden: "Wij zullen u niet verkiezen boven de duidelijke bewijzen die tot ons zijn gekomen, noch boven Hem Die ons schiep. Besluit dus wat gij wilt besluiten; gij kunt slechts besluiten voor dit wereldse leven.
73
Voorwaar, wij geloven in onzen Heer, opdat Hij ons onze zonden moge vergeven en hetgeen gij ons aan tovenarij hebt opgedrongen. En God is beter en bestendiger."
74
Voorwaar, wie tot zijn Heer komt als een schuldige — voorwaar, voor hem is het Hellevuur, waarin hij niet sterft noch leeft.
75
En wie tot Hem komt als gelovige, rechtvaardige werken hebbende gedaan — voor dezen zijn de verheven rangen:
76
Tuinen van Eden waaronder rivieren stromen, eeuwig daarin verblijvend; en dat is de vergelding voor hem die zich reinigt.
77
En voorwaar, Wij openbaarden aan Mozes: "Reis bij nacht met Mijn dienaren, en sla voor hen een droog pad door de zee, niet vrezend ingehaald te worden, noch bevreesd zijnde."
78
Toen achtervolgde Farao hen met zijn heerscharen, en daar bedekte hen van de zee wat hen bedekte.
79
En Farao leidde zijn volk op een dwaalspoor, en leidde hen niet.
80
O Kinderen Israëls, Wij redden u van uw vijand, en Wij sloten een verbond met u aan de rechterzijde des Bergs, en Wij zonken op u het manna en de kwartels neder.
81
Eet van de goede dingen die Wij u hebben geschonken, en overtreedt daarin niet, opdat Mijn toorn niet op u neerdaalt; en hij op wie Mijn toorn neerdaalt is waarlijk gevallen.
82
En voorwaar, Ik ben het meest Vergevend jegens hem die berouw heeft en gelooft en het goede werkt, en dan geleid wordt.
83
"En wat heeft u doen verhaasten van uw volk vandaan, o Mozes?"
84
Hij zeide: "Zij zijn op mijn spoor, en ik haastte mij tot U, mijn Heer, opdat Gij tevreden mocht zijn."
85
Hij zeide: "Voorwaar, Wij hebben uw volk na u beproefd, en de Samaritaan heeft hen op een dwaalspoor geleid."
86
Dus keerde Mozes tot zijn volk terug, vertoornd en bedroefd. Hij zeide: "O mijn volk, beloofde uw Heer u niet een goede belofte? Was het verbond u dan te lang, of wenste gij dat toorn van uw Heer op u zou neerdalen, zodat gij mijn afspraak faalde?"
87
Zij zeiden: "Wij braken uw afspraak niet uit eigen wil, doch wij waren beladen met lasten van de sieraden des volks, en wij wierpen ze, en aldus wierp de Samaritaan."
88
Toen bracht hij voor hen een kalf voort — een lichaam dat loeiede — en zij zeiden: "Dit is uw god en de god van Mozes, doch hij is hem vergeten."
89
Zien zij dan niet dat het hun geen woord teruggeeft, en voor hen noch schade noch baat bezit?
90
En voorwaar, Aäron had hun voordien gezegd: "O mijn volk, gij wordt daardoor slechts beproefd; en voorwaar, uw Heer is de Albarmhartige, volgt mij dus en gehoorzaamt mijn gebod."
91
Zij zeiden: "Wij zullen niet ophouden het aan te kleven totdat Mozes tot ons terugkeert."
92
Hij zeide: "O Aäron, wat weerhield u, toen gij hen dwalend zaagt,
93
dat gij mij niet volgdet? Hebt gij dan mijn gebod ongehoorzaamd?"
94
Hij zeide: "O zoon mijner moeder, grijp mij niet bij mijn baard noch bij mijn hoofd. Voorwaar, ik vreesde dat gij zoudt zeggen: 'Gij hebt verdeeldheid gezaaid onder de Kinderen Israëls, en gij gaaft niet acht op mijn woord.'"
95
Hij zeide: "En wat is uw zaak, o Samaritaan?"
96
Hij zeide: "Ik bespeurde wat zij niet bespeurden, en ik greep een handvol van het spoor des Boodschappers en wierp het; en aldus verleidde mijn ziel mij."
97
Hij zeide: "Ga dan; en voorwaar, het is voor u in het leven te zeggen: 'Geen aanraking.' En voorwaar, voor u is een afspraak die gij niet zult falen. En kijk naar uw god aan wie gij hebt gekleefd; wij zullen hem verbranden en dan volkomen verstrooien in de zee."
98
Uw God is slechts God, naast Wie er geen god is. Hij omvat alle dingen in kennis.
99
Aldus verhalen Wij u van de berichten van hetgeen voorbij is gegaan. En Wij hebben u uit Onze tegenwoordigheid een Gedachtenis gegeven.
100
Wie zich ervan afwendt, voorwaar hij zal een last dragen op den Dag der Opstanding,
101
eeuwig daarin verblijvend; en kwaad is het voor hen op den Dag der Opstanding als een last.
102
Den dag waarop de Bazuin zal worden geblazen, en Wij de schuldigen op die dag zullen vergaderen, blauwogig.
103
Zij zullen onder elkander fluisteren: "Gij hebt slechts tien vertoefd."
104
Wij weten het best wat zij zeggen, wanneer de voorbeeldigste onder hen in gedrag zal zeggen: "Gij hebt slechts een dag vertoefd."
105
En zij vragen u over de bergen; zeg dus: "Mijn Heer zal hen volkomen verstrooien,
106
en Hij zal hen tot een vlak veld maken,
107
waarin gij geen kromming noch welving ziet."
108
Op die dag zullen zij den roeper volgen in wie geen kromming is, en de stemmen zullen gedempt zijn voor den Albarmhartige, en gij zult niets horen dan een gemurmel.
109
Op die dag zal de voorspraak niet baten, behalve hem die de Albarmhartige heeft toegestaan en wiens woord Hem behaagt.
110
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is, en zij omvatten Hem niet in kennis.
111
En de aangezichten zullen vernederd zijn voor den Levende, den Zelfbestaande; en hij die onrechtvaardigheid draagt heeft waarlijk gefaald.
112
En wie rechtvaardige werken doet en een gelovige is, hij zal noch onrecht noch verkorting vrezen.
113
En aldus hebben Wij het nedergezonden als een Arabische Voordracht, en hebben daarin gewend van waarschuwingen, opdat zij wellicht godvrezend mogen zijn, of het een herinnering in hen moge opwekken.
114
Verheven dus is God, de Koning, de Waarheid. En verhaast u niet met de Voordracht vóór haar openbaring aan u is voltooid, en zeg: "Mijn Heer, vermeerder mij in kennis."
115
En voorwaar, Wij sloten voordien een verbond met Adam, doch hij vergat, en Wij vonden in hem geen vastberadenheid.
116
En toen Wij tot de engelen zeiden: "Werpt u neder voor Adam," wierpen zij zich neder, behalve Iblies; hij weigerde.
117
Dus zeiden Wij: "O Adam, voorwaar, deze is een vijand voor u en voor uw echtgenote; laat hem u beiden dus niet verdrijven uit de Tuin, opdat gij niet ellendig wordt.
118
Voorwaar, het is voor u dat gij daarin niet hongert, noch naakt zijt,
119
en dat gij daarin niet dorst, noch aan de zon zijt blootgesteld."
120
Toen fluisterde de duivel hem in; hij zeide: "O Adam, zal ik u de boom der eeuwigheid tonen en een koninkrijk dat niet vergaat?"
121
Dus aten zij ervan, en hun schaamdelen werden hun onthuld, en zij begonnen op zich bladeren van de Tuin te naaien. En Adam was zijn Heer ongehoorzaam, en zo dwaalde hij.
122
Toen koos zijn Heer hem en wendde Zich tot hem en leidde hem.
123
Hij zeide: "Daalt af van haar, allen, de een voor de ander een vijand. En indien er tot u van Mij leiding komt, dan wie Mijn leiding volgt zal niet dwalen noch ellendig zijn.
124
En wie zich afwendt van Mijn Gedachtenis, voorwaar voor hem is een benauwd leven, en Wij zullen hem vergaderen op den Dag der Opstanding, blind."
125
Hij zal zeggen: "Mijn Heer, waarom hebt Gij mij blind vergaderd, terwijl ik placht te zien?"
126
Hij zal zeggen: "Evenzo; Onze tekenen kwamen tot u, en gij vergat ze; en evenzo wordt gij heden vergeten."
127
En aldus vergelden Wij hem die buitensporig is en niet gelooft in de tekenen zijns Heren; en de kastijding van het Hiernamaals is strenger en bestendiger.
128
Heeft het hen niet geleid, hoevele geslachten Wij vóór hen hebben vernietigd, in wier woningen zij wandelen? Voorwaar, daarin zijn tekenen voor hen die verstand bezitten.
129
En ware het niet om een woord dat reeds van uw Heer was uitgegaan, het zou bindend zijn geweest, en een vastgestelde termijn.
130
Draag dus geduldig hetgeen zij zeggen, en verheerlijk met den lof uws Heren vóór het opgaan der zon en vóór haar ondergaan, en in de nachtwaken verheerlijk Hem, en aan de einden van den dag, opdat gij wellicht tevreden moogt zijn.
131
En richt uw ogen niet op hetgeen Wij allerlei paren van hen hebben gegeven om van te genieten — de bloesem van het wereldse leven — opdat Wij hen daardoor mogen beproeven. En de voorziening uws Heren is beter en bestendiger.
132
En beveel uw huisgezin het gebed, en wees standvastig daarin. Wij vragen u geen voorziening; Wij voorzien u. En het einde is voor de godsvrucht.
133
En zij zeggen: "Waarom brengt hij ons geen teken van zijn Heer?" Is hun niet het duidelijke bewijs van hetgeen in de vroegere schriften staat gekomen?
134
En hadden Wij hen vernietigd met een kastijding voordien, zouden zij hebben gezegd: "Onze Heer, waarom zondt Gij ons geen boodschapper, opdat wij Uw tekenen hadden mogen volgen vóór wij werden vernederd en onteerd?"
135
Zeg: "Een ieder wacht; wacht dus. En gij zult weten wie de gezellen zijn van het effen pad, en wie geleid wordt."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 20 — Taa-Haa

Algemene opmerkingen

De soera opent met een intieme, persoonlijke aansporing: “Wij hebben de Voordracht niet op u nedergezonden opdat gij ellendig zoudt zijn” (v.2). Vervolgens ontvouwt zich het langste aaneengesloten Mozesverhaal in de gehele Voordracht (vv.9–98), van het brandende braambos tot het gouden kalf. De plaatsing na de soera der Nachtelijke Reis (17) versterkt de parallel tussen Muhammad en Mozes.

Sleutelvertalingen

“Voordracht” voor القرآن (al-Qur’aan)

In v.2 is de Voordracht uitdrukkelijk geen bron van ellende maar “een herinnering voor hem die vreest” (v.3). In v.113 is zij “een Arabische Voordracht” met waarschuwingen “opdat zij wellicht godvrezend mogen zijn.” De Voordracht is geneesmiddel, niet last.

“Gedachtenis” voor ذكر (dhikr)

In v.99: “Wij hebben u uit Onze tegenwoordigheid een Gedachtenis gegeven.” En in v.124: “wie zich afwendt van Mijn Gedachtenis, voor hem is een benauwd leven.” De Gedachtenis is de levende herinnering aan God — wie haar vergeet, verstikt.

v.12: Doe uw sandalen uit

“Doe dus uw sandalen uit; voorwaar, gij zijt in het heilige dal van Toewa.” Stam خ-ل-ع: uittrekken, ontbloten. Het gebod om de sandalen af te leggen markeert de drempel tussen het wereldse en het heilige. De diepere betekenis — het afleggen van bedekkingen — resoneert met het verhullingsthema (k-f-r): om God te naderen, moet men onbedekt zijn.

v.39: Liefde van God

“Ik wierp liefde van Mij op u” — Gods persoonlijke toewijding aan Mozes. Het Arabische محبة (mahabbah) duidt op een liefde die van God uitgaat naar de mens, niet omgekeerd. De opvoeding van Mozes “onder Mijn oog” (v.39) maakt de profetische vorming tot een intiem goddelijk project.

v.114: Vermeerder mij in kennis

“Mijn Heer, vermeerder mij in kennis” (رب زدني علمًا) — het enige gebed in de Voordracht waarin de Profeet wordt opgedragen om meer van iets te vragen. Niet meer rijkdom, macht of volgelingen — kennis. De stam ع-ل-م doordrenkt de Voordracht (meer dan 800 maal), maar dit vers maakt het streven naar kennis tot een goddelijk bevolen gebed.

vv.115–123: Adam en de Tuin

Het Adamverhaal (vv.115–123) vat de menselijke conditie samen: een verbond (v.115), vergeetachtigheid (v.115), de boom der eeuwigheid als verleiding (v.120), de onthulling van de schaamdelen (v.121), berouw (v.122), en de nederdaling met de belofte van leiding (v.123). Adam is niet vervloekt maar gekozen (v.122): “Toen koos zijn Heer hem.”

v.5: De Albarmhartige op den Troon

“De Albarmhartige, op den Troon gevestigd” — dezelfde formulering als in 7:54, 10:3, 13:2, 25:59 en 32:4. De troonvestiging is een structureel refrein dat zes soera’s verbindt.

Integratieve verbanden

  • v.12 (heilige grond) ↔ 27:8 en 28:30: drie versies van Mozes’ ontmoeting met het goddelijke vuur
  • v.114 (vermeerder mij in kennis) ↔ 96:1 (lees!): kennis als kern van openbaring
  • v.5 (Troon des Albarmhartigen) ↔ 7:54, 10:3, 25:59: het doorlopende Troonmotief
  • v.124 (benauwd leven bij het afwenden) ↔ 10:62–64: de vrienden Gods kennen geen vrees
21
Al-Anbiyaa De Profeten
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
De afrekening der mensen is nabij gekomen, toch wenden zij zich in achteloosheid af.
2
Er komt geen nieuwe herinnering tot hen van hun Heer of zij luisteren ernaar terwijl zij spelen,
3
hun harten afgeleid. En zij die onrecht doen overleggen in het geheim: "Is deze iets anders dan een sterveling als gij zelven? Zult gij dan tot tovenarij gaan terwijl gij ziet?"
4
Hij zeide: "Mijn Heer kent het woord in den hemel en op de aarde, en Hij is de Alhorende, de Alwetende."
5
Neen, zij zeggen: "Verwarde dromen! Neen, hij heeft het verzonnen! Neen, hij is een dichter! Laat hem ons dan een teken brengen, gelijk de vroegeren werden gezonden."
6
Geen stad geloofde vóór hen die Wij vernietigden. Zullen zij dan geloven?
7
En Wij zonden vóór u niet dan mannen aan wie Wij openbaarden. Vraagt dus de lieden der Herinnering, indien gij het niet weet.
8
En Wij maakten hen niet tot lichamen die geen voedsel aten, noch waren zij onsterfelijk.
9
Toen vervulden Wij hun de belofte, en Wij redden hen en wie Wij wilden, en Wij vernietigden de buitensporigen.
10
Voorwaar, Wij hebben tot u een Boek nedergezonden waarin uw herinnering is. Zult gij dan niet begrijpen?
11
En hoevele steden die onrechtvaardig waren hebben Wij verpletterd, en na haar een ander volk doen oprijzen!
12
En toen zij Onze kracht bespeurden, zie, vluchtten zij ervan.
13
"Vlucht niet, doch keert terug tot hetgeen waarin u gemak was gegeven, en tot uw woningen, opdat gij moogt worden ondervraagd."
14
Zij zeiden: "Wee ons! Voorwaar, wij waren onrechtvaardigen."
15
En dat hield niet op hun roep te zijn totdat Wij hen maakten als gemaaid koren, stilgelegd.
16
En Wij schiepen den hemel en de aarde en wat daartussen is niet als spel.
17
Hadden Wij een tijdverdrijf willen nemen, Wij zouden het uit Onze tegenwoordigheid hebben genomen, indien Wij dat zouden doen.
18
Neen, Wij slingeren de waarheid tegen de valsheid, en zij verplettert haar, en zie, zij vergaat. En wee u om hetgeen gij toeschrijft.
19
En Hem behoort al wie in de hemelen en op de aarde is. En zij die bij Hem zijn, zijn niet te hoogmoedig om Hem te aanbidden, noch worden zij moede.
20
Zij verheerlijken Hem bij nacht en bij dag; zij verflaauwen niet.
21
Of hebben zij goden van de aarde genomen die de doden doen opstaan?
22
Waren er daarin goden naast God, zij zouden verdorven zijn. Verheven dus zij God, Heer des Troons, boven hetgeen zij toeschrijven.
23
Hij wordt niet ondervraagd over hetgeen Hij doet, doch zij worden ondervraagd.
24
Of hebben zij goden naast Hem genomen? Zeg: "Brengt uw bewijs! Dit is de herinnering van hen die met mij zijn, en de herinnering van hen die vóór mij waren." Neen, de meesten hunner kennen de waarheid niet, en zij wenden zich af.
25
En Wij zonden vóór u geen boodschapper of Wij openbaarden hem: "Er is geen god dan Ik, aanbidt Mij dus."
26
En zij zeggen: "De Albarmhartige heeft een zoon genomen." Verheven zij Hij! Neen, zij zijn geëerde dienaren.
27
Zij gaan Hem niet voor in spreken, en zij handelen naar Zijn gebod.
28
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is, en zij spreken geen voorspraak dan voor hem die Hij goedkeurt, en zij beven in ontzag voor Hem.
29
En wie van hen zou zeggen: "Voorwaar, ik ben een god naast Hem" — die zullen Wij vergelden met het Hellevuur. Aldus vergelden Wij de onrechtvaardigen.
30
Hebben zij die verhullen niet gezien dat de hemelen en de aarde een verbonden geheel waren, en Wij hen toen scheidden? En Wij maakten uit water elk levend ding. Zullen zij dan niet geloven?
31
En Wij plaatsten op de aarde vaste bergen opdat zij niet met hen zou schommelen, en Wij plaatsten daarin brede wegen, opdat zij wellicht geleid mochten worden.
32
En Wij maakten den hemel een bewaakt baldakijn, toch wenden zij zich af van zijn tekenen.
33
En Hij is het Die den nacht en den dag schiep, en de zon en de maan — elk in een baan, zwemmend.
34
En Wij verleenden aan geen sterveling vóór u onsterfelijkheid. Indien gij sterft, zouden zij dan onsterfelijk zijn?
35
Elke ziel zal den dood proeven. En Wij beproeven u met kwaad en met goed als een beproeving. En tot Ons zult gij worden teruggevoerd.
36
En wanneer zij die verhullen u zien, nemen zij u slechts in bespotting: "Is dit hij die uw goden noemt?" En zij, omtrent de vermelding des Albarmhartigen, zijn degenen die verhullen.
37
De mens is geschapen uit haast. Ik zal u Mijn tekenen tonen, verhaast Mij dus niet.
38
En zij zeggen: "Wanneer is deze belofte, indien gij waarachtig zijt?"
39
Indien zij die verhullen maar den tijd wisten waarop zij het Vuur niet van hun aangezichten noch van hun ruggen zullen kunnen afweren, noch zullen zij worden geholpen!
40
Neen, het zal plotseling over hen komen en hen verbijsteren, en zij zullen het niet kunnen afweren, noch zullen zij worden gespaard.
41
En voorwaar, boodschappers vóór u werden bespot, en hetgeen waarmee zij spotten omvatte hen die ermee spotten.
42
Zeg: "Wie bewaakt u bij nacht en bij dag voor den Albarmhartige?" Neen, zij wenden zich af van de gedachtenis huns Heren.
43
Of hebben zij goden die hen beschermen tegen Ons? Zij kunnen zichzelven niet helpen, noch worden zij door Ons vergezeld.
44
Neen, Wij gaven dezen en hun vaderen genot totdat het leven lang voor hen werd. Zien zij dan niet dat Wij het land betreden, het verminderend van zijn grenzen? Zijn zij het dan die zullen zegevieren?
45
Zeg: "Ik waarschuw u slechts door de openbaring." Doch de doven horen den roep niet wanneer zij worden gewaarschuwd.
46
En indien een ademtocht van de kastijding uws Heren hen aanraakt, zullen zij voorzeker zeggen: "Wee ons! Voorwaar, wij waren onrechtvaardigen."
47
En Wij stellen de rechtvaardige weegschalen op voor den Dag der Opstanding, en geen ziel wordt in iets onrecht aangedaan. En al is het het gewicht van een mosterdzaadje, Wij brengen het voort. En Wij zijn voldoende als rekenaars.
48
En voorwaar, Wij gaven Mozes en Aäron het Onderscheid, en een licht en een herinnering voor de godvrezenden —
49
degenen die hun Heer vrezen in het verborgene, en die bevreesd zijn voor het Uur.
50
En dit is een gezegende Herinnering die Wij hebben nedergezonden. Zult gij haar dan loochenen?
51
En voorwaar, Wij gaven Abraham zijn rechtheid voorheen, en Wij waren Wetend van hem,
52
toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: "Wat zijn deze beelden aan wie gij u wijdt?"
53
Zij zeiden: "Wij vonden onze vaderen hen aanbiddend."
54
Hij zeide: "Voorwaar, gij en uw vaderen zijn in klaarblijkelijke dwaling geweest."
55
Zij zeiden: "Zijt gij tot ons gekomen met de waarheid, of zijt gij van hen die spelen?"
56
Hij zeide: "Neen, uw Heer is de Heer der hemelen en der aarde, Die hen schiep, en ik ben van hen die daarvan getuigen."
57
"En, bij God, ik zal voorzeker een plan beramen tegen uw afgoden nadat gij uw rug hebt gekeerd."
58
Dus maakte hij hen tot brokstukken, behalve den voornaamste hunner, opdat zij wellicht tot hem mochten terugkeren.
59
Zij zeiden: "Wie heeft dit onzen goden aangedaan? Voorwaar, hij behoort tot de onrechtvaardigen."
60
Zij zeiden: "Wij hoorden een jongeling hen noemen; hij heet Abraham."
61
Zij zeiden: "Brengt hem dan voor de ogen des volks, opdat zij wellicht mogen getuigen."
62
Zij zeiden: "Zijt gij het die dit onzen goden hebt aangedaan, o Abraham?"
63
Hij zeide: "Neen, deze hun voornaamste heeft het gedaan. Vraagt hun dus, indien zij kunnen spreken."
64
Toen keerden zij in zichzelven en zeiden: "Voorwaar, gij zelven zijt de onrechtvaardigen."
65
Toen werden zij op hun hoofden gekeerd: "Gij weet wel dat dezen niet spreken."
66
Hij zeide: "Aanbidt gij dan naast God hetgeen u niet het minst baat, noch u schaadt?"
67
"Schande over u en over hetgeen gij aanbidt naast God! Zult gij dan niet begrijpen?"
68
Zij zeiden: "Verbrandt hem, en helpt uw goden, indien gij wilt handelen."
69
Wij zeiden: "O vuur! Wees koelte en vrede voor Abraham."
70
En zij wensten een plan tegen hem te beramen, en Wij maakten hen de grootste verliezers.
71
En Wij redden hem en Lot naar het land dat Wij voor de werelden hebben gezegend.
72
En Wij schonken hem Izaäk, en Jacob als geschenk; en elk maakten Wij rechtvaardig.
73
En Wij maakten hen leiders die leiden op Ons gebod, en Wij openbaarden hun het doen van goede werken en het onderhouden van het gebed en het geven van aalmoezen. En zij waren aanbidders van Ons.
74
En aan Lot gaven Wij het oordeel en de kennis, en Wij redden hem uit de stad die gruweldaden verrichtte. Voorwaar, zij waren een volk van kwaad, goddeloos.
75
En Wij lieten hem toe tot Onze barmhartigheid. Voorwaar, hij behoorde tot de rechtvaardigen.
76
En Noach, toen hij voorheen riep, en Wij hem antwoordden en hem en zijn huisgezin redden uit de grote nood.
77
En Wij hielpen hem tegen het volk dat Onze tekenen loochende. Voorwaar, zij waren een volk van kwaad; dus verdronken Wij hen allen tezamen.
78
En David en Salomo, toen zij oordeelden over de bezaaiing, toen de schapen des volks daarin des nachts afdwaalden; en Wij waren getuigen van hun oordeel.
79
En Wij deden Salomo het begrijpen. En aan elk gaven Wij het oordeel en de kennis. En Wij onderwierpen de bergen met David om Ons te verheerlijken, en de vogels. En Wij waren de verrichters daarvan.
80
En Wij leerden hem het maken van klederen voor u, om u te beschermen tegen uw geweld. Zult gij dan dankbaar zijn?
81
En voor Salomo den wind, onstuimig, lopend op zijn gebod naar het land dat Wij hebben gezegend. En Wij waren Wetend van alle dingen.
82
En van de duivelen waren er die voor hem doken en werk verrichtten anders dan dat. En Wij waren hun bewakers.
83
En Job, toen hij zijn Heer aanriep: "Voorwaar, schade heeft mij getroffen, en Gij zijt de Barmhartigste dergenen die barmhartigheid betonen."
84
En Wij antwoordden hem en namen weg wat hem kwelde, en Wij gaven hem zijn huisgezin en het gelijke daarvan erbij — een barmhartigheid van Ons en een herinnering voor de aanbidders.
85
En Ismaël en Idries en Dhoel-Kifl — elk was van de geduldigen.
86
En Wij lieten hen toe tot Onze barmhartigheid. Voorwaar, zij behoorden tot de rechtvaardigen.
87
En hij van den walvis, toen hij vertrok in toorn en meende dat Wij niet over hem zouden besluiten. Toen riep hij uit in de duisternissen: "Er is geen god dan Gij! Verheven zijt Gij! Voorwaar, ik was van de onrechtvaardigen."
88
En Wij antwoordden hem en redden hem uit de benauwenis. En aldus redden Wij de gelovigen.
89
En Zacharias, toen hij zijn Heer aanriep: "Mijn Heer! Laat mij niet eenzaam, en Gij zijt de beste der erfgenamen."
90
En Wij antwoordden hem en schonken hem Johannes, en Wij maakten zijn vrouw geschikt voor hem. Voorwaar, zij plachten te wedijveren in goede werken en Ons aan te roepen in verlangen en in ontzag, en zij waren ootmoedig voor Ons.
91
En zij die haar kuisheid bewaakte — en Wij bliezen in haar van Onze Geest, en Wij maakten haar en haar zoon een teken voor de werelden.
92
Voorwaar, deze uw gemeenschap is één gemeenschap, en Ik ben uw Heer, aanbidt Mij dus.
93
Doch zij hebben hun zaak onder hen verbroken; allen zullen tot Ons terugkeren.
94
Wie dan rechtvaardige werken doet terwijl hij een gelovige is, er zal geen ondankbaarheid zijn voor zijn streven, en voorwaar Wij tekenen het voor hem op.
95
En het is verboden voor een stad die Wij hebben vernietigd dat zij niet zullen terugkeren,
96
totdat, wanneer Gog en Magog worden geopend, en zij van elke hoogte voortsnellen,
97
en de ware belofte nabij komt, en zie, de ogen dergenen die verhullen staren star: "Wee ons! Voorwaar, wij waren in achteloosheid hieromtrent. Neen, wij waren onrechtvaardigen."
98
Voorwaar, gij en hetgeen gij aanbidt naast God zijn de brandstof van het Hellevuur. Gij zult ertoe komen.
99
Waren dezen goden geweest, zij zouden er niet toe zijn gekomen. En allen zullen daarin eeuwig verblijven.
100
Voor hen is daarin gekreun, en daarin horen zij niet.
101
Voorwaar, zij voor wie het schoonste van Ons is voorgegaan — dezen worden er verre van gehouden.
102
Zij horen er niet het geringste geluid van, en zij verblijven in hetgeen hun zielen begeren, eeuwig.
103
De grote verschrikking zal hen niet bedroeven, en de engelen zullen hen ontmoeten: "Dit is uw Dag die u was beloofd."
104
Op den Dag waarop Wij den hemel zullen oprollen als het oprollen der boekrol voor boeken. Gelijk Wij de eerste schepping begonnen, zo zullen Wij haar herhalen — een belofte die op Ons rust. Voorwaar, Wij zijn de verrichters daarvan.
105
En voorwaar, Wij hebben in de Psalmen geschreven, na de Herinnering, dat de aarde zal worden geërfd door Mijn rechtvaardige dienaren.
106
Voorwaar, hierin is een boodschap voor een volk dat aanbidt.
107
En Wij hebben u niet gezonden dan als een barmhartigheid voor de werelden.
108
Zeg: "Het is mij slechts geopenbaard dat uw God Eén God is. Zult gij u dan onderwerpen?"
109
En indien zij zich afwenden, zeg dan: "Ik heb u gelijkelijk verkondigd, en ik weet niet of hetgeen u beloofd wordt nabij of ver is."
110
Voorwaar, Hij weet wat hardop wordt gesproken, en Hij weet wat gij verbergt.
111
En ik weet het niet; wellicht is het een beproeving voor u en een genot voor een wijle.
112
Hij zeide: "Mijn Heer, oordeel met waarheid!" En onze Heer is de Albarmhartige, Wiens hulp wordt ingeroepen tegen hetgeen gij toeschrijft.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 21 — Al-Anbijaa (De Profeten)

Algemene opmerkingen

Deze soera bevat de dichtste profetische catalogus van de gehele Voordracht: Mozes, Aäron, Abraham, Izaäk, Jacob, Lot, Noach, David, Salomo, Job, Ismaël, Idries, Dhoel-Kifl, Jona, Zacharias, Maria en Jezus — allen in snel tempo behandeld (vv.48–91). De eenheid van alle openbaring is het dragende thema.

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.30: “Hebben zij die verhullen niet gezien dat de hemelen en de aarde een verbonden geheel waren?” Het verhullen sluit de ogen voor het kosmische bewijs. In v.36 nemen de verhullenden de Profeet “slechts in bespotting” — de bespotting is een vorm van bedekking.

“Herinnering” voor ذكر (dhikr)

De stam ذ-ك-ر verschijnt herhaaldelijk (vv.2, 7, 10, 24): de Voordracht is een ذِكْر — een herinnering aan wat de mensheid reeds weet (vgl. 7:172, het oerverbond). Openbaring brengt geen nieuwe informatie maar wekt slapende kennis.

v.30: Het verbonden geheel

“De hemelen en de aarde waren een verbonden geheel, en Wij hen toen scheidden. En Wij maakten uit water elk levend ding.” Stam رَتْق (sluiten, verzegelen) en فَتْق (openscheuren) beschrijven een oertoestand van eenheid die uiteenbarst — treffend parallel met de oerknal. Het vers vervolgt met de wateroorsprong van alle leven.

v.92: Eén gemeenschap

“Voorwaar, deze uw gemeenschap is één gemeenschap, en Ik ben uw Heer.” Dit vers weerklinkt nagenoeg identiek in 23:52. De eenheid der profetische gemeenschap wordt tweemaal in dezelfde bewoordingen uitgesproken — de herhaling is geen toeval maar structurele nadruk.

v.104: Het oprollen der boekrol

“Op den Dag waarop Wij den hemel zullen oprollen als het oprollen der boekrol voor boeken.” De hemel als perkament dat wordt opgerold — het einde der wereld is een literaire handeling. Gelijk de schepping begon, zo zal zij worden herhaald: “een belofte die op Ons rust.”

v.105: De Psalmen en de erfenis der aarde

“Wij hebben in de Psalmen geschreven, na de Herinnering, dat de aarde zal worden geërfd door Mijn rechtvaardige dienaren.” De Voordracht bevestigt de continuïteit met eerdere schriften — de Psalmen worden als goddelijke bron erkend. De belofte dat de rechtvaardigen de aarde erven echoot Psalm 37:29.

v.107: Barmhartigheid voor de werelden

“Wij hebben u niet gezonden dan als een barmhartigheid voor de werelden.” Stam ر-ح-م (barmhartigheid/baarmoeder) gecombineerd met عالمين (werelden, meervoud) maakt deze barmhartigheid universeel. Het meervoud “werelden” is hetzelfde als in 1:2 (Heer der werelden) — de barmhartigheid van de Profeet weerspiegelt het Heerschap Gods.

Integratieve verbanden

  • v.30 (hemel en aarde gescheiden) ↔ 55:19–20 (de twee zeeën): scheiding en verbinding als goddelijk ontwerp
  • v.107 (barmhartigheid voor de werelden) ↔ 55:1–2 (de Albarmhartige onderwees de Voordracht)
  • v.92 (één gemeenschap) ↔ 23:52: identieke bewoordingen in twee soera’s
  • v.87 (Jona in de duisternissen) ↔ 10:98 (het volk van Jona): de enige stad die geloofde
22
Al-Hadj De Bedevaart
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O mensen! Vreest uw Heer. Voorwaar, de aardbeving van het Uur is een geweldige zaak.
2
Op den Dag dat gij haar aanschouwt, zal elke zogende moeder vergeten wat zij zoogde, en elke draagster van last haar last neerleggen, en gij zult de mensen dronken zien, doch zij zijn niet dronken; maar de kastijding Gods is streng.
3
En onder de mensen is hij die twist over God zonder kennis, en elken opstandigen duivel volgt.
4
Het is tegen hem besloten dat wie hem bevriend, hij hem zal doen dwalen en hem leiden tot de kastijding der Vlam.
5
O mensen! Indien gij in twijfel zijt omtrent de Opstanding, dan voorwaar Wij schiepen u uit stof, dan uit een druppel, dan uit een aanklevend klompje, dan uit een klomp vlees, gevormd en ongevormd, opdat Wij het u duidelijk mogen maken. En Wij doen wat Wij willen in de schoten verblijven tot een vastgestelde termijn; dan brengen Wij u voort als zuigelingen; opdat gij dan uw rijpheid moogt bereiken. En van u zijn er die worden doen sterven, en van u zijn er die worden teruggebracht tot den beklagenswaardigsten leeftijd, opdat hij niets moge weten na geweten te hebben. En gij ziet de aarde dor; wanneer Wij dan water erop nederzenden, roert zij zich en zwelt en brengt elk schoon paar voort.
6
Dat is omdat God, Hij is de Waarheid, en omdat Hij de doden levend maakt, en omdat Hij macht heeft over alle dingen,
7
en omdat het Uur komt — geen twijfel eraan — en omdat God hen die in de graven zijn doet opstaan.
8
En onder de mensen is hij die twist over God zonder kennis, en zonder leiding, en zonder een verlichtend Boek,
9
zijn zijde wendend om af te leiden van het pad Gods. Voor hem is in deze wereld schande, en Wij zullen hem op den Dag der Opstanding de kastijding der verbranding doen proeven.
10
"Dat is voor hetgeen uw handen hebben voorgezonden, en omdat God niet onrechtvaardig is jegens Zijn dienaren."
11
En onder de mensen is hij die God aanbidt op een rand. Indien hem goed overkomt, is hij er gerust mee; en indien hem een beproeving overkomt, keert hij zich op zijn aangezicht. Hij verliest deze wereld en het Hiernamaals. Dat is het klaarblijkelijke verlies.
12
Hij roept naast God aan hetgeen hem niet schaadt en hetgeen hem niet baat. Dat is de verre dwaling.
13
Hij roept hem aan wiens schade nader is dan zijn baat. Waarlijk kwaad is de beschermer, en waarlijk kwaad is de metgezel.
14
Voorwaar, God zal hen die geloven en rechtvaardige werken doen toelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen. Voorwaar, God doet wat Hij bedoelt.
15
Wie meent dat God hem niet zal helpen in deze wereld en het Hiernamaals, laat hem een touw spannen naar den hemel, het dan afsnijden; en laat hem dan zien of zijn plan wegneemt hetgeen hem vertoornt.
16
En aldus hebben Wij het nedergezonden als duidelijke tekenen, en omdat God leidt wie Hij bedoelt.
17
Voorwaar, zij die geloven, en zij die joden zijn, en de Sabiërs, en de christenen, en de Magiërs, en zij die deelgenoten toekennen — voorwaar, God zal tussen hen beslissen op den Dag der Opstanding. Voorwaar, God is Getuige over alle dingen.
18
Hebt gij niet gezien dat voor God zich nederbuigt al wie in de hemelen is en al wie op de aarde is, en de zon en de maan en de sterren en de bergen en de bomen en de dieren, en velen der mensen? En velen zijn er op wie de kastijding is gerechtvaardigd. En wie God vernedert, er is niemand die hem kan eren. Voorwaar, God doet wat Hij wil.
19
Dezen zijn twee tegenstanders die twisten over hun Heer. Wat hen betreft die verhullen, klederen van vuur zijn voor hen uitgesneden; kokend water wordt over hun hoofden gegoten.
20
Waardoor hetgeen in hun buiken is en hun huiden wordt gesmolten.
21
En voor hen zijn knotsen van ijzer.
22
Telkens wanneer zij wensen er uit te komen, uit benauwenis, worden zij erin teruggebracht: "Proeft de kastijding der verbranding!"
23
Voorwaar, God zal hen die geloven en rechtvaardige werken doen toelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen, waarin zij getooid worden met armbanden van goud en parels, en hun klederen daarin zijn zijde.
24
En zij zijn geleid tot het goede woord, en zij zijn geleid tot het pad van den Geprezene.
25
Voorwaar, zij die verhullen en afwenden van het pad Gods en de Heilige Moskee — die Wij voor de mensen gelijkelijk hebben bestemd, den bewoner erin en den bezoeker — en wie daarin ontheiliging zoekt met onrecht, hem zullen Wij een pijnlijke kastijding doen proeven.
26
En toen Wij voor Abraham de plaats des Huizes bestemden: "Ken Mij geen deelgenoot toe, en reinig Mijn Huis voor hen die het omwandelen, en hen die staan, en hen die buigen en zich nederwerpen."
27
"En verkondig onder de mensen de Bedevaart. Zij zullen tot u komen te voet en op elk mager beest; zij zullen komen uit elke diepe kloof,
28
opdat zij baten voor zichzelven mogen aanschouwen, en den Naam Gods mogen noemen op vastgestelde dagen over hetgeen Hij hun heeft geschonken van het vee. Eet dus daarvan en voedt den ellendigen arme."
29
"Laat hen dan een einde maken aan hun onverzorgdheid, en laat hen hun geloften vervullen, en laat hen het Aloude Huis omwandelen."
30
Aldus is het. En wie de heilige dingen Gods grootmaakt, het is beter voor hem bij zijn Heer. En het vee is u wettig gemaakt, behalve hetgeen u wordt voorgedragen. Mijdt dus de gruwel der afgoden, en mijdt valse rede,
31
geneigd tot God, Hem geen deelgenoot toekennend. En wie God deelgenoten toekent, het is alsof hij van den hemel is gevallen en de vogels hem hadden weggerukt, of de wind hem naar een verre plaats had geblazen.
32
Aldus is het. En wie de riten Gods grootmaakt — voorwaar, het is uit de godsvrucht der harten.
33
Daarin zijn baten voor u tot een vastgestelde termijn; dan is hun offerplaats bij het Aloude Huis.
34
En voor elke gemeenschap hebben Wij een rite bestemd, opdat zij den Naam Gods mogen noemen over hetgeen Hij hun heeft geschonken van het vee. Uw God is dus Eén God; wijdt u dus Hem toe. En geef blijde tijdingen aan de ootmoedigen,
35
wier harten beven wanneer God wordt genoemd, en die geduldig zijn onder hetgeen hen treft, en die het gebed onderhouden, en die besteden van hetgeen Wij hun hebben geschonken.
36
En de offerkamelen — Wij hebben hen voor u gemaakt tot de riten Gods. Daarin is goed voor u. Noemt dus den Naam Gods over hen wanneer zij in rijen staan. En wanneer zij op hun zijden vallen, eet ervan en voedt den tevredene en den smeekende. Aldus hebben Wij hen aan u onderworpen, opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
37
Hun vlees bereikt God niet, noch hun bloed, doch de godsvrucht van u bereikt Hem. Aldus heeft Hij hen aan u onderworpen, opdat gij God moogt grootmaken omdat Hij u heeft geleid. En geef blijde tijdingen aan hen die goed doen.
38
Voorwaar, God verdedigt hen die geloven. Voorwaar, God bemint geen verraderlijken ondankbare.
39
Verlof is gegeven aan hen die worden bestreden, omdat hun onrecht is aangedaan. En voorwaar, God is bij machte hun de overwinning te geven —
40
degenen die uit hun woningen zijn verdreven zonder recht, behalve dat zij zeggen: "Onze Heer is God." En ware het niet dat God sommige mensen door middel van anderen afweert, kloosters en kerken en gebedshuizen en moskeeën, waarin de Naam Gods veelvuldig wordt genoemd, zouden zijn afgebroken. En voorzeker God helpt hem die Hem helpt. Voorwaar, God is Sterk, Machtig —
41
degenen die, indien Wij hen vestigen in het land, het gebed onderhouden en de aalmoes betalen en het goede gebieden en het kwade verbieden. En aan God behoort het einde aller zaken.
42
En indien zij u loochenen, dan loochenden vóór hen het volk van Noach, en Aad en Thamoed,
43
en het volk van Abraham en het volk van Lot,
44
en de bewoners van Midjan. En Mozes werd geloochend. En Ik verleende uitstel aan hen die verhulden; toen greep Ik hen. En hoe was Mijn mishagen!
45
En hoevele steden hebben Wij vernietigd terwijl zij onrecht deden, en zij ligt gevallen op haar torentjes, en hoeveel een verlaten bron en een verheven paleis!
46
Zijn zij dan niet over de aarde gereisd, opdat zij harten mochten hebben om mee te begrijpen, of oren om mee te horen? Voorwaar, het zijn niet de ogen die blind zijn, doch blind zijn de harten die in de borsten zijn.
47
En zij verzoeken u de kastijding te verhaasten, en God zal niet falen in Zijn belofte. En voorwaar, een dag bij uw Heer is als duizend jaren van hetgeen gij rekent.
48
En hoevele steden heb Ik uitstel verleend terwijl zij onrecht deden; toen greep Ik hen. En tot Mij is de bestemming.
49
Zeg: "O mensen! Ik ben slechts voor u een duidelijk waarschuwer."
50
Zij die dan geloven en rechtvaardige werken doen — voor hen is vergiffenis en een edelmoedige voorziening.
51
En zij die strijden tegen Onze tekenen om hen te verijdelen — dezen zijn de gezellen der Vlam.
52
En Wij zonden vóór u geen boodschapper of profeet of wanneer hij voordroeg, de duivel wierp in zijn voordracht. Dan wist God uit hetgeen de duivel wierp; dan bevestigt God Zijn tekenen. En God is Alwetend, Alwijs —
53
opdat Hij hetgeen de duivel wierp tot een beproeving moge maken voor hen in wier harten een ziekte is en wier harten verhard zijn. En voorwaar, de onrechtvaardigen zijn in een ver schisma.
54
En opdat zij die kennis is gegeven mogen weten dat het de waarheid is van uw Heer, en erin mogen geloven, en hun harten ootmoedig mogen zijn voor Hem. En voorwaar, God leidt hen die geloven tot een recht pad.
55
En zij die verhullen zullen niet ophouden in twijfel erover te zijn totdat het Uur plotseling over hen komt, of er over hen de kastijding komt van een onvruchtbaren Dag.
56
De heerschappij op die Dag behoort aan God. Hij zal tussen hen oordelen. Zij die dan geloven en rechtvaardige werken doen zullen in de Tuinen der Verrukking zijn.
57
En zij die verhullen en Onze tekenen loochenen — voor hen is een vernederende kastijding.
58
En zij die uitwijken op den weg Gods en dan worden gedood of sterven — God zal hun voorzeker een goede voorziening geven. En voorwaar, God, Hij is de beste der voorzieners.
59
Hij zal hen voorzeker toelaten langs een ingang waarmee zij wel tevreden zullen zijn. En voorwaar, God is Alwetend, Verdraagzaam.
60
Aldus is het. En wie vergeldtmet het gelijke van hetgeen waarmee hij werd getroffen, en dan onrecht wordt aangedaan — God zal hem voorzeker helpen. Voorwaar, God is Vergevend, Alvergevend.
61
Dat is omdat God den nacht doet overgaan in den dag, en den dag doet overgaan in den nacht, en omdat God Alhorend, Alziend is.
62
Dat is omdat God, Hij is de Waarheid, en omdat hetgeen zij aanroepen naast Hem valsheid is, en omdat God, Hij is de Verhevene, de Grote.
63
Hebt gij niet gezien dat God water van den hemel nederzendt, en de aarde groen wordt? Voorwaar, God is Fijnzinnig, Algewaar.
64
Hem behoort al wat in de hemelen is en al wat op de aarde is. En voorwaar, God, Hij is de Zelfgenoegzame, de Geprezene.
65
Hebt gij niet gezien dat God aan u heeft onderworpen al wat op de aarde is, en de schepen die op de zee varen bij Zijn gebod? En Hij houdt den hemel tegen van op de aarde te vallen dan met Zijn verlof. Voorwaar, God is jegens de mensen Goedertieren, Barmhartig.
66
En Hij is het Die u leven gaf, u dan doet sterven, u dan leven geeft. Voorwaar, de mens is altijd ondankbaar.
67
Voor elke gemeenschap hebben Wij een rite bestemd die zij waarnemen. Laat hen dus niet met u twisten in de zaak. En roep tot uw Heer. Voorwaar, gij zijt op de rechte leiding.
68
En indien zij met u twisten, zeg dan: "God weet het best wat gij doet."
69
God zal tussen u oordelen op den Dag der Opstanding omtrent hetgeen waarin gij placht te verschillen.
70
Weet gij niet dat God weet al wat in den hemel en op de aarde is? Voorwaar, dat is in een Boek. Voorwaar, dat is voor God gemakkelijk.
71
En zij aanbidden naast God datgene waarvoor Hij geen gezag heeft nedergezonden en datgene waarvan zij geen kennis hebben. En voor de onrechtvaardigen is er geen helper.
72
En wanneer Onze duidelijke tekenen hun worden voorgedragen, herkent gij in de aangezichten dergenen die verhullen de ontkenning. Zij vallen bijna aan op hen die hun Onze tekenen voordragen. Zeg: "Zal ik u inlichten over hetgeen erger is dan dat? Het Vuur — God heeft het beloofd aan hen die verhullen. En kwaad is de bestemming."
73
O mensen! Een gelijkenis is geslagen, luistert er dus naar. Voorwaar, zij op wie gij naast God roept zullen nimmer een vlieg scheppen, al kwamen zij daarvoor tezamen. En indien de vlieg iets van hen wegrukt, zouden zij het niet van haar kunnen terugwinnen. Zwak is de zoeker en het gezochte.
74
Zij meten God niet Zijn ware maat. Voorwaar, God is Sterk, Machtig.
75
God kiest uit de engelen boodschappers, en uit de mensen. Voorwaar, God is Alhorend, Alziend.
76
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is. En tot God worden alle zaken teruggevoerd.
77
O gij die gelooft! Buigt u neder en werpt u neder en aanbidt uw Heer, en doet het goede, opdat gij wellicht moogt voorspoed hebben.
78
En strijdt in God met de strijd die Hem toekomt. Hij heeft u gekozen en heeft u in het geloof geen moeilijkheid opgelegd — het geloof van uw vader Abraham. Hij noemde u Toegewijden voorheen en hierin, opdat de Boodschapper een getuige over u moge zijn, en opdat gij getuigen moogt zijn over de mensen. Onderhoudt dus het gebed en betaalt de aalmoes en houdt vast aan God. Hij is uw Meester. En voortreffelijk is de Meester, en voortreffelijk is de Helper.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 22 — Al-Hadj (De Bedevaart)

Algemene opmerkingen

Een soera die het kosmische (de aardbeving van het Uur, v.1) verbindt met het rituele (de bedevaart, vv.26–37) en het interreligieuze (de bescherming van alle gebedshuizen, v.40). De soera bevat de breedste opsomming van religieuze gemeenschappen in de Voordracht (v.17) en de sterkste grondslag voor interreligieuze coëxistentie (v.40).

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.19: “zij die verhullen, klederen van vuur zijn voor hen uitgesneden.” De beeldspraak is treffend: wie de waarheid bedekt, krijgt zelf een kleed — maar van vuur. De bedekking keert zich om. In v.55: “zij die verhullen zullen niet ophouden in twijfel te zijn.”

“Toegewijden” voor مسلمين (moeslimien)

In v.78: “Hij noemde u Toegewijden voorheen en hierin” — en het is Abraham die deze naam geeft. De identiteit “moslim” begint niet bij Muhammad maar bij Abraham. “Toegewijden” vangt het actieve karakter: niet een passief label maar een levende toewijding.

“Geprezene” voor حميد (hamied)

In v.24: “zij zijn geleid tot het pad van den Geprezene.” De stam ح-م-د (prijzen) verbindt dit met de naam Ahmad/Muhammad — het pad van de Geprezene is het pad van de Lofwaardige.

v.17: Zes religieuze gemeenschappen

“Zij die geloven, en zij die joden zijn, en de Sabiërs, en de christenen, en de Magiërs, en zij die deelgenoten toekennen.” Dit is de uitgebreidste lijst van religieuze groepen in de Voordracht — breder dan de vier in 2:62. God zal “tussen hen beslissen” — het oordeel is Zijn, niet het onze.

v.40: De bescherming van alle gebedshuizen

“Kloosters en kerken en gebedshuizen en moskeeën, waarin de Naam Gods veelvuldig wordt genoemd, zouden zijn afgebroken.” De Voordracht gebiedt uitdrukkelijk de bescherming van ALLE gebedshuizen, niet slechts moskeeën. De volgorde (christelijke kloosters eerst, moskeeën laatst) plaatst islamitische instellingen naast, niet boven andere.

v.46: Blinde harten

“Het zijn niet de ogen die blind zijn, doch blind zijn de harten die in de borsten zijn.” Het fysieke gezichtsvermogen is niet de maatstaf — de blindheid die telt is de blindheid des harten. Dit vers resoneert met het verhullingsthema: de ogen kunnen open zijn terwijl het hart bedekt blijft.

v.73: De vlieg

“Zij op wie gij naast God roept zullen nimmer een vlieg scheppen, al kwamen zij daarvoor tezamen.” Een ontnuchterende gelijkenis: de vermeende deelgenoten kunnen het kleinste schepsel niet maken, laat staan wat de vlieg van hen wegrukt terugwinnen.

v.78: Het geloof van Abraham

“Het geloof van uw vader Abraham. Hij noemde u Toegewijden.” Stam ح-ن-ف: neigen, afwenden van afgodendienst. Een hanief is iemand die zich afwendt van veelgodendom naar de Ene God. Abraham is het oerbeeld — en de naamgeving “Toegewijden” is van hem.

Integratieve verbanden

  • v.40 (bescherming aller gebedshuizen) ↔ 2:62 (zij die geloven, joden, christenen, Sabiërs)
  • v.17 (zes religieuze gemeenschappen) ↔ 5:69: parallelle opsommingen
  • v.78 (geloof van Abraham) ↔ 2:128–131 en 3:67: Abraham als oervorm der Toewijding
  • v.47 (een dag als duizend jaren) ↔ 70:4: Gods tijdmaat verschilt van de menselijke
23
Al-Moe'minoen De Gelovigen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Voorwaar, de gelovigen hebben voorspoed gehad —
2
degenen die in hun gebed ootmoedig zijn,
3
en degenen die zich van ijdel gepraat afwenden,
4
en degenen die werkzaam zijn in het geven van aalmoezen,
5
en degenen die hun kuisheid bewaren,
6
behalve met hun echtgenoten of hetgeen hun rechterhand bezit, want voorwaar zij zijn niet laakbaar;
7
doch wie daarboven zoekt, dezen zijn de overtreders —
8
en degenen die van hun toevertrouwde goederen en hun verbond de bewaarders zijn,
9
en degenen die over hun gebeden de wacht houden.
10
Dezen zijn de erfgenamen
11
die het Paradijs zullen erven; daarin eeuwig verblijvend.
12
En voorwaar, Wij schiepen den mens uit een uittreksel van klei;
13
dan plaatsten Wij hem als een druppel in een veilige rustplaats;
14
dan schiepen Wij uit de druppel een aanklevend klompje, dan schiepen Wij uit het aanklevende klompje een klomp, dan schiepen Wij uit den klomp beenderen, dan bekleedden Wij de beenderen met vlees; dan brachten Wij hem voort als een andere schepping. Gezegend dus zij God, de beste der scheppers!
15
Dan voorwaar, daarna zult gij sterven.
16
Dan voorwaar, op den Dag der Opstanding zult gij worden opgewekt.
17
En voorwaar, Wij schiepen boven u zeven paden, en Wij zijn niet achteloos omtrent de schepping.
18
En Wij zenden water van den hemel neder naar maat, en Wij doen het zich vestigen in de aarde; en voorwaar, Wij zijn bij machte het weg te nemen.
19
Dan brengen Wij daarmee voor u tuinen voort van dadelpalmen en wijnstokken; daarin zijn voor u overvloedige vruchten, en daarvan eet gij.
20
En een boom die voortkomt uit den berg Sinaï, die groeit met olie en een kruiderij voor hen die eten.
21
En voorwaar, in het vee is een les voor u. Wij geven u te drinken van hetgeen in hun buiken is, en daarin zijn vele baten voor u, en ervan eet gij.
22
En op hen en op de schepen wordt gij gedragen.
23
En voorwaar, Wij zonden Noach tot zijn volk, en hij zeide: "O mijn volk! Aanbidt God. Gij hebt geen god anders dan Hij. Zult gij dan niet godvrezend zijn?"
24
En de raad dergenen die verhulden uit zijn volk zeide: "Deze is niets dan een sterveling als gij; hij wenst zich boven u te verheffen. En had God gewild, Hij zou engelen hebben nedergezonden. Wij hebben hiervan niet gehoord onder onze voorvaderen."
25
"Hij is niets dan een man in wie waanzin is; wacht hem dus een wijle af."
26
Hij zeide: "Mijn Heer! Help mij, want zij loochenen mij."
27
Toen openbaarden Wij hem: "Bouw het schip onder Onze ogen en Onze openbaring. En wanneer Ons gebod komt en de oven overkookt, laad daarin dan van elke soort twee, een paar, en uw huisgezin, behalve hem tegen wie het woord reeds is uitgegaan van onder hen. En richt u niet tot Mij omtrent hen die onrecht hebben gedaan. Voorwaar, zij zullen worden verdronken."
28
"En wanneer gij gevestigd zijt, gij en zij die met u zijn, op het schip, zeg dan: 'Lof zij God, Die ons heeft gered van het onrechtvaardige volk.'"
29
"En zeg: 'Mijn Heer! Doe mij landen op een gezegende landingsplaats, en Gij zijt de beste van hen die doen landen.'"
30
Voorwaar, daarin zijn tekenen, en voorwaar Wij stellen altijd op de proef.
31
Toen verwekten Wij na hen een ander geslacht.
32
En Wij zonden onder hen een boodschapper van henzelf: "Aanbidt God. Gij hebt geen god anders dan Hij. Zult gij dan niet godvrezend zijn?"
33
En de raad van zijn volk, degenen die verhulden en de ontmoeting met het Hiernamaals loochenden, en wie Wij gemak hadden gegeven in het leven dezer wereld, zeide: "Deze is niets dan een sterveling als gij. Hij eet van hetgeen gij eet, en drinkt van hetgeen gij drinkt."
34
"En indien gij een sterveling als u gehoorzaamt, dan zijt gij voorwaar verliezers."
35
"Belooft hij u dat wanneer gij dood zijt en tot stof en beenderen zijt geworden, dat gij zult worden voortgebracht?"
36
"Ver, ver is hetgeen u beloofd wordt!"
37
"Er is niets dan ons leven in deze wereld; wij sterven en wij leven, en wij zullen niet worden opgewekt."
38
"Hij is niets dan een man die een leugen heeft verzonnen tegen God, en wij zijn niet in hem gelovend."
39
Hij zeide: "Mijn Heer! Help mij, want zij loochenen mij."
40
Hij zeide: "Binnen korte tijd zullen zij voorzeker berouw hebben."
41
Toen greep hen de Roep in waarheid, en Wij maakten hen als afval. Weg dus met het onrechtvaardige volk!
42
Toen verwekten Wij na hen andere geslachten.
43
Geen gemeenschap kan haar termijn voorbijstreven, noch achterblijven.
44
Toen zonden Wij Onze boodschappers achtereenvolgens. Telkens wanneer haar boodschapper tot een gemeenschap kwam, loochenden zij hem. Dus deden Wij hen elkander opvolgen, en Wij maakten hen tot verhalen. Weg dus met een volk dat niet gelooft!
45
Toen zonden Wij Mozes en zijn broeder Aäron met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag
46
tot Farao en zijn raad. Doch zij waren hoogmoedig, en zij waren een hovaardig volk.
47
En zij zeiden: "Zullen wij geloven in twee stervelingen als wij, wier volk ons dienaren zijn?"
48
Dus loochenden zij hen, en zij behoorden tot hen die vernietigd werden.
49
En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek, opdat zij wellicht geleid mochten worden.
50
En Wij maakten den zoon van Maria en zijn moeder een teken, en Wij gaven hun onderdak op een hoogte, een plaats van rust en een vloeiende bron.
51
O gij boodschappers! Eet van de goede dingen, en doet hetgeen recht is. Voorwaar, Ik ben Wetend van hetgeen gij doet.
52
En voorwaar, deze uw gemeenschap is één gemeenschap, en Ik ben uw Heer, vreest Mij dus.
53
Doch zij hebben hun zaak onder hen verbroken in boeken; elke groep zich verheugend in hetgeen bij hen is.
54
Laat hen dus in hun vloed van verwarring voor een wijle.
55
Menen zij dat omdat Wij hun rijkdom en zonen uitbreiden,
56
Wij voor hen goede dingen verhaasten? Neen, doch zij beseffen het niet.
57
Voorwaar, zij die bevreesd zijn uit ontzag voor hun Heer,
58
en zij die geloven in de tekenen huns Heren,
59
en zij die hun Heer geen deelgenoot toekennen,
60
en zij die geven wat zij geven terwijl hun harten beven dat zij tot hun Heer terugkeren —
61
dezen haasten zich in goede werken, en zij zijn daarin de voorsten.
62
En Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. En bij Ons is een Boek dat de waarheid spreekt, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
63
Neen, hun harten zijn in een vloed van verwarring hieromtrent, en zij hebben daden daarnaast die zij verrichten.
64
Totdat, wanneer Wij de weelderigen onder hen met kastijding grijpen, zie, zij schreeuwen het uit.
65
"Schreeuwt heden niet. Voorwaar, van Ons zult gij niet worden geholpen."
66
"Voorwaar, Mijn tekenen werden u voorgedragen, en gij placht op uw hielen terug te keren,
67
er hoogmoedig over zijnde, des nachts onzin kletsend, het verlatend."
68
Hebben zij dan niet over het woord nagedacht? Of is er tot hen gekomen wat niet tot hun voorvaderen kwam?
69
Of herkennen zij hun boodschapper niet, en loochenen zij hem dus?
70
Of zeggen zij: "In hem is waanzin"? Neen, hij heeft hun de waarheid gebracht, en de meesten hunner zijn de waarheid afkerig.
71
En had de waarheid hun begeerten gevolgd, de hemelen en de aarde en al wie daarin is zouden verdorven zijn. Neen, Wij hebben hun hun herinnering gebracht, doch van hun herinnering wenden zij zich af.
72
Of vraagt gij hun een schatting? De schatting uws Heren is beter, en Hij is de beste der voorzieners.
73
En voorwaar, gij roept hen tot een recht pad.
74
En voorwaar, zij die niet geloven in het Hiernamaals wijken af van het pad.
75
En zelfs indien Wij Ons over hen ontfermden en hetgeen aan kwelling op hen is wegnamen, zouden zij volharden in hun overtreding, blindelings ronddwalend.
76
En voorwaar, Wij grepen hen met kastijding, toch vernederden zij zich niet voor hun Heer, noch smeken zij,
77
totdat, wanneer Wij op hen een poort van strenge kastijding openen, zie, zij zijn erin ten einde raad.
78
En Hij is het Die voor u het gehoor en het gezicht en de harten heeft voortgebracht. Weinig geeft gij dank!
79
En Hij is het Die u op de aarde heeft vermenigvuldigd, en tot Hem zult gij worden vergaderd.
80
En Hij is het Die leven geeft en doet sterven, en Zijn is de afwisseling van den nacht en den dag. Zult gij dan niet begrijpen?
81
Neen, zij zeggen het gelijke van hetgeen de ouden zeiden.
82
Zij zeggen: "Wanneer wij dood zijn en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan voorwaar worden opgewekt?"
83
"Voorwaar, ons is dit beloofd, ons en onzen vaderen, voorheen. Dit is niets dan fabelen der ouden."
84
Zeg: "Wiens is de aarde en al wie daarop is, indien gij het weet?"
85
Zij zullen zeggen: "Gods." Zeg: "Zult gij dan niet gedenken?"
86
Zeg: "Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer van den Geweldigen Troon?"
87
Zij zullen zeggen: "Gods." Zeg: "Zult gij dan niet godvrezend zijn?"
88
Zeg: "In wiens hand is de heerschappij over alle dingen, en Hij beschermt en er wordt niet tegen Hem beschermd, indien gij het weet?"
89
Zij zullen zeggen: "Gods." Zeg: "Hoe wordt gij dan betoverd?"
90
Neen, Wij hebben hun de waarheid gebracht, en voorwaar zij zijn leugenaars.
91
God heeft geen zoon genomen, noch is er enige god met Hem. Dan zou elke god hebben weggenomen wat hij schiep, en sommigen hunner zouden boven anderen zijn opgerezen. Verheven zij God, boven hetgeen zij toeschrijven!
92
Kenner van het verborgene en het zichtbare! Verheven is Hij boven hetgeen zij Hem toekennen.
93
Zeg: "Mijn Heer! Indien Gij mij zoudt tonen hetgeen hun beloofd wordt,
94
mijn Heer, plaats mij dan niet onder het onrechtvaardige volk."
95
En voorwaar, Wij zijn bij machte u te tonen hetgeen Wij hun beloven.
96
Weer het kwaad af met hetgeen beter is. Wij weten het best wat zij toeschrijven.
97
En zeg: "Mijn Heer! Ik neem mijn toevlucht tot U voor de inblazingen der duivelen."
98
"En ik neem mijn toevlucht tot U, mijn Heer, opdat zij niet bij mij tegenwoordig zijn."
99
Totdat, wanneer de dood tot één hunner komt, hij zegt: "Mijn Heer! Zend mij terug,
100
opdat ik goed moge doen in hetgeen ik heb achtergelaten." Neen! Het is slechts een woord dat hij spreekt. En achter hen is een barrière tot den Dag waarop zij worden opgewekt.
101
En wanneer de Bazuin wordt geblazen, zal er geen verwantschap tussen hen zijn op die Dag, noch zullen zij elkander ondervragen.
102
Zij dan wier weegschalen zwaar zijn — dezen zijn de voorspoedigen.
103
En zij wier weegschalen licht zijn — dezen zijn zij die hun zielen hebben verloren; in het Hellevuur verblijven zij eeuwig.
104
Het Vuur verbrandt hun aangezichten, en daarin vertrekken zij de mond.
105
"Werden Mijn tekenen u niet voorgedragen, en gij placht ze te loochenen?"
106
Zij zeggen: "Onze Heer! Onze ellendigheid overwon ons, en wij waren een verdwaald volk."
107
"Onze Heer! Breng ons eruit voort. En indien wij terugkeren, dan voorwaar zijn wij onrechtvaardigen."
108
Hij zegt: "Weest veracht daarin, en spreekt niet tot Mij."
109
"Voorwaar, er was een groep Mijner dienaren die zeide: 'Onze Heer! Wij geloven; vergeef ons dus en ontferm U over ons, en Gij zijt de beste dergenen die barmhartigheid betonen.'"
110
"Doch gij naamt hen in bespotting totdat zij u Mijn gedachtenis deden vergeten, en gij placht hen uit te lachen."
111
"Voorwaar, Ik heb hen heden beloond omdat zij geduldig waren — voorwaar zij, zij zijn de triomfanten."
112
Hij zegt: "Hoelang vertoefdet gij op de aarde, in aantal jaren?"
113
Zij zeggen: "Wij vertoefden een dag, of een deel van een dag. Vraagt het dus den tellers."
114
Hij zegt: "Gij vertoefdet slechts weinig, indien gij het maar had geweten."
115
"Meendet gij dan dat Wij u tevergeefs schiepen, en dat gij tot Ons niet zoudt worden teruggevoerd?"
116
Verheven dus is God, de Soeverein, de Waarheid! Er is geen god dan Hij, de Heer van den Edelen Troon.
117
En wie naast God een andere god aanroept, waarvan hij geen bewijs heeft — dan is zijn afrekening bij zijn Heer. Voorwaar, zij die verhullen zullen geen voorspoed hebben.
118
En zeg: "Mijn Heer! Vergeef en ontferm U, en Gij zijt de beste dergenen die barmhartigheid betonen."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 23 — Al-Moe’minoen (De Gelovigen)

Algemene opmerkingen

De soera opent met het portret van de geslaagde gelovige (vv.1–11) en sluit af met de vraag: “Meendet gij dan dat Wij u tevergeefs schiepen?” (v.115). Tussen deze twee polen ontvouwt zich een reeks profetenverhalen en een gedetailleerde beschrijving van de embryonale ontwikkeling (vv.12–14).

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.24 beschrijft de raad “dergenen die verhulden” de Profeet als een gewone sterveling. In v.117: “zij die verhullen zullen geen voorspoed hebben.” Het verhullen is het consistent bedekken van de waarheid, zelfs wanneer de bewijzen overweldigend zijn.

“verborgene” voor غيب (ghajb)

In v.92: “Kenner van het verborgene en het zichtbare!” God kent zowel het zichtbare als het verborgene — de twee sferen die de Voordracht doorlopend tegenover elkaar plaatst.

vv.1–11: Het profiel van de gelovige

De geslaagde gelovigen zijn: ootmoedig in het gebed, zich afkerend van ijdel gepraat, werkzaam in het geven van aalmoezen, hun kuisheid bewarend, hun toevertrouwde goederen en verbond honend, over hun gebeden de wacht houdend. Zij zijn “de erfgenamen die het Paradijs zullen erven” (vv.10–11). Stam و-ر-ث (erven) impliceert een reeds bestaand recht — de gelovigen verdienen het Paradijs niet door handel maar erven wat altijd al het hunne was.

vv.12–14: De scheppingsfasen

Zeven stadia: uittreksel van klei > druppel > aanklevend klompje > klomp > beenderen > bekleed met vlees > “een andere schepping.” Het laatste stadium — “een andere schepping” (خلقًا آخر) — duidt op iets categorisch anders: bewustzijn, ziel, het vermogen tot spreken (vgl. 55:3–4). De fysieke ontwikkeling mondt uit in een geestelijke sprong.

v.14: Gezegend zij God, de beste der scheppers

“فَتَبَارَكَ اللَّهُ أَحْسَنُ الْخَالِقِينَ” — het meervoud “scheppers” (خالقين) erkent het menselijke scheppingsvermogen terwijl het God bevestigt als de beste onder allen die scheppen.

v.52: Eén gemeenschap

“Voorwaar, deze uw gemeenschap is één gemeenschap, en Ik ben uw Heer, vreest Mij dus.” Nagenoeg identiek aan 21:92 — de eenheid der profetische gemeenschap herhaald in dezelfde bewoordingen.

v.96: Het kwaad afweren met het betere

“Weer het kwaad af met hetgeen beter is.” Geen vergelding maar transformatie — het kwade wordt niet met gelijke munt terugbetaald maar met iets beters overwonnen. Dit beginsel verbindt met 41:34 (de vijand wordt een hartsvriend).

v.100: De barrière (barzach)

“Achter hen is een barrière tot den Dag waarop zij worden opgewekt.” Het Arabische بَرْزَخ (barzach) — dezelfde term als in 25:53 en 55:20 — duidt hier op de scheidswand tussen dit leven en het hiernamaals. De barzach is onoverbrugbaar: er is geen terugkeer na de dood.

Integratieve verbanden

  • v.52 (één gemeenschap) ↔ 21:92: identieke bewoordingen
  • vv.12–14 (embryologie) ↔ 22:5: parallelle beschrijving, hier gedetailleerder
  • v.100 (barzach) ↔ 25:53 en 55:20: de barrière als terugkerend metafysisch begrip
  • v.115 (niet tevergeefs geschapen) ↔ 38:27: de schepping heeft zin en doel
24
An-Noer Het Licht
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Een soerah die Wij hebben nedergezonden en verplicht gesteld, en Wij hebben daarin duidelijke tekenen nedergezonden, opdat gij acht moogt slaan.
2
De overspelige vrouw en de overspelige man — geselt elk hunner honderd slagen, en laat geen medelijden met hen u grijpen op den weg Gods, indien gij gelooft in God en den Laatsten Dag; en laat een groep der gelovigen hun kastijding aanschouwen.
3
De overspelige man huwt niet dan een overspelige vrouw of een vrouw die deelgenoten toekent, en de overspelige vrouw — niemand huwt haar dan een overspelige man of iemand die deelgenoten toekent. En dat is den gelovigen verboden.
4
En zij die kuise vrouwen beschuldigen en dan niet vier getuigen brengen — geselt hen tachtig slagen en aanvaardt hun getuigenis nimmer. En dezen zijn de goddelozen,
5
behalve zij die daarna berouw hebben en zich beteren, want voorwaar God is Vergevend, Barmhartig.
6
En zij die hun echtgenoten beschuldigen en geen getuigen hebben dan zichzelven — de getuigenis van één hunner zal vier getuigenissen zijn bij God dat hij waarlijk van de waarachtigen is,
7
en de vijfde dat de vloek Gods op hem zij indien hij van de leugenaars is.
8
En het zal de kastijding van haar afwenden dat zij vier getuigenissen bij God aflegt dat hij waarlijk van de leugenaars is,
9
en de vijfde dat de toorn Gods op haar zij indien hij van de waarachtigen is.
10
En ware het niet om de gunst Gods over u en Zijn barmhartigheid, en dat God Berouwaanvaardend, Wijs is...
11
Voorwaar, zij die de laster voortbrachten zijn een bende onder u. Acht het niet een kwaad voor u; neen, het is een goed voor u. Voor een ieder van hen is hetgeen hij aan zonde heeft verworven, en hij onder hen die het grootste deel ervan op zich nam — voor hem is een grote kastijding.
12
Waarom dachten, toen gij het hoorde, de gelovige mannen en gelovige vrouwen niet het goede van hun eigen volk en zeiden: "Dit is een klaarblijkelijke laster"?
13
Waarom brachten zij er niet vier getuigen van? En toen zij de getuigen niet brachten, dan zijn dezen, in het oog Gods, de leugenaars.
14
En ware het niet om de gunst Gods over u en Zijn barmhartigheid in deze wereld en het Hiernamaals, u zou hebben getroffen, voor hetgeen waarin gij dompeldet, een grote kastijding.
15
Toen gij het op uw tongen ontvingt en met uw monden zeidet waarvan gij geen kennis hadt, en gij het een geringe zaak achtte, toch was het, in het oog Gods, een geweldige zaak.
16
En waarom zeidet gij niet, toen gij het hoorde: "Het is niet aan ons hierover te spreken. Verheven zijt Gij! Dit is een grote laster."
17
God vermaant u dat gij niet terugkeert tot het gelijke daarvan, nimmer, indien gij gelovigen zijt.
18
En God maakt u de tekenen duidelijk; en God is Wetend, Wijs.
19
Voorwaar, zij die beminnen dat onzedelijkheid zich verspreide onder hen die geloven — voor hen is een pijnlijke kastijding in deze wereld en het Hiernamaals. En God weet en gij weet niet.
20
En ware het niet om de gunst Gods over u en Zijn barmhartigheid, en dat God Teder, Barmhartig is...
21
O gij die gelooft! Volgt niet de voetstappen van den Duivel. En wie de voetstappen van den Duivel volgt — voorwaar hij gebiedt onzedelijkheid en hetgeen verwerpelijk is. En ware het niet om de gunst Gods over u en Zijn barmhartigheid, niet één uwer zou ooit zijn gereinigd; doch God reinigt wie Hij wil. En God is Horend, Wetend.
22
En laat hen van gunst onder u en van overvloed niet zweren dat zij niet zullen geven aan verwanten en de behoeftigen en hen die zijn uitgeweken op den weg Gods; en laat hen vergeven en vergoelijken. Bemint gij niet dat God u moge vergeven? En God is Vergevend, Barmhartig.
23
Voorwaar, zij die kuise, achteloze, gelovige vrouwen beschuldigen zijn vervloekt in deze wereld en het Hiernamaals, en voor hen is een grote kastijding,
24
op den Dag waarop hun tongen en hun handen en hun voeten tegen hen zullen getuigen omtrent hetgeen zij plachten te doen.
25
Op die Dag zal God hun hun ware vergelding ten volle betalen, en zij zullen weten dat God — Hij is de Klaarblijkelijke Waarheid.
26
De onreine vrouwen zijn voor de onreine mannen, en de onreine mannen voor de onreine vrouwen; en de goede vrouwen zijn voor de goede mannen, en de goede mannen voor de goede vrouwen. Dezen zijn onschuldig verklaard van hetgeen zij zeggen. Voor hen is vergiffenis en een edelmoedige voorziening.
27
O gij die gelooft! Treedt geen huizen binnen anders dan de uwe totdat gij u bekend hebt gemaakt en hun bewoners hebt gegroet. Dat is beter voor u, opdat gij acht moogt slaan.
28
En indien gij er niemand in vindt, treedt ze niet binnen totdat u verlof wordt gegeven. En indien tot u wordt gezegd: "Keert terug," keert dan terug. Het is reiner voor u. En God is Wetend van hetgeen gij doet.
29
Er is geen blaam op u dat gij onbewoonde huizen binnentreedt waarin een voorziening voor u is. En God weet wat gij openbaart en wat gij verbergt.
30
Zeg tot de gelovige mannen dat zij hun blik neerslaan en hun openingen bewaken. Dat is reiner voor hen. Voorwaar, God is Gewaar van hetgeen zij vervaardigen.
31
En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun blik neerslaan en hun openingen bewaken en hun sieraad niet tonen behalve hetgeen daarvan zichtbaar is, en laat hen haar bedekkingen over hun boezem trekken; en laat hen haar sieraad niet tonen dan aan hun echtgenoten, of hun vaderen, of de vaderen hunner echtgenoten, of hun zonen, of de zonen hunner echtgenoten, of hun broeders, of de zonen hunner broeders, of de zonen hunner zusters, of hun vrouwen, of hetgeen hun rechterhand bezit, of zulke mannen als hen bijstaan die geen begeerte hebben, of kinderen die nog niet gewaar zijn van de verborgen zijden der vrouwen. En laat hen niet met hun voeten stampen om bekend te maken hetgeen zij verbergen van hun sieraad. En wendt u tezamen tot God, o gij gelovigen, opdat gij moogt voorspoed hebben.
32
En huwt de ongehuwden onder u en de rechtschapenen onder uw dienaren en uw dienstmaagden. Indien zij arm zijn, God zal hen verrijken van Zijn gunst. En God is Alomvattend, Wetend.
33
En laat hen die niet de middelen vinden om te huwen kuis blijven totdat God hen verrijkt van Zijn gunst. En zij die een vrijbrief zoeken van onder hetgeen uw rechterhand bezit — schrijft hun die indien gij goed in hen kent, en geeft hun van de rijkdom Gods die Hij u heeft gegeven. En dwingt uw jonge vrouwen niet tot ontucht, indien zij kuisheid begeren, opdat gij het vluchtige gewin van het leven dezer wereld moogt zoeken. En wie hen dwingt — dan voorwaar God is, na hun dwang, Vergevend, Barmhartig.
34
En voorwaar Wij hebben tot u tekenen nedergezonden die de dingen duidelijk maken, en een gelijkenis van hen die vóór u voorbijgingen, en een vermaning voor de godvrezenden.
35
God is het Licht der hemelen en der aarde. De gelijkenis van Zijn licht is als een nis waarin een lamp is. De lamp is in een glas. Het glas is alsof het een stralende ster ware, ontstoken van een gezegende boom, een olijf, noch van het Oosten noch van het Westen, wier olie welhaast licht zou geven al raakte het vuur haar niet. Licht op Licht. God leidt tot Zijn licht wie Hij wil. En God stelt gelijkenissen op voor de mensen. En God is van alle dingen Wetend.
36
In huizen die God heeft vergund te worden verheven en waarin Zijn naam wordt herdacht — daarin verheerlijken Hem des morgens en des avonds
37
mannen die noch handel noch koopmanschap afleidt van de gedachtenis Gods en het onderhouden van het gebed en het geven van aalmoezen; zij vrezen een Dag waarop de harten en de ogen zullen worden omgewend,
38
opdat God hen moge vergelden voor het beste van hetgeen zij deden en hen moge vermeerderen van Zijn gunst. En God geeft voorziening aan wie Hij wil zonder maat.
39
En zij die hebben verhuld — hun daden zijn als een luchtspiegeling in een woestijnvlakte, die de dorstige voor water houdt, totdat, wanneer hij erbij komt, hij het niets vindt, en hij God bij zich vindt, en Hij hem zijn afrekening ten volle betaalt. En God is snel in afrekening.
40
Of als duisternissen in een bodemloze zee, bedekt door een golf, waarboven een golf, waarboven wolken — duisternissen boven elkander. Wanneer hij zijn hand uitsteekt, kan hij haar nauwelijks zien. En hij aan wie God geen licht toewijst, voor hem is er geen licht.
41
Hebt gij niet gezien dat voor God verheerlijkt al wie in de hemelen en op de aarde is, en de vogels in gelederen? Een ieder kent zijn gebed en zijn verheerlijking. En God is Wetend van hetgeen zij doen.
42
En aan God behoort de heerschappij der hemelen en der aarde, en tot God is de reis.
43
Hebt gij niet gezien dat God de wolken drijft, ze dan samenvoegt, ze dan tot een hoop maakt, en gij den regen ziet uitgaan uit hun midden? En Hij zendt van den hemel neder, uit bergen daarin, hagel, en treft ermee wie Hij wil en wendt het af van wie Hij wil. De flits van zijn bliksem neemt welhaast het gezicht weg.
44
God wendt den nacht en den dag om. Voorwaar, daarin is een les voor hen die gezicht bezitten.
45
En God schiep elk schepsel uit water. Onder hen is dat wat op zijn buik gaat, en onder hen is dat wat op twee benen loopt, en onder hen is dat wat op vier loopt. God schept wat Hij wil. Voorwaar, God heeft macht over alle dingen.
46
Voorwaar, Wij hebben duidelijk makende tekenen nedergezonden. En God leidt wie Hij wil tot een recht pad.
47
En zij zeggen: "Wij geloven in God en in den Boodschapper en wij gehoorzamen." Dan keert een groep hunner zich daarna af. En dezen zijn geen gelovigen.
48
En wanneer zij tot God en Zijn Boodschapper worden geroepen opdat hij tussen hen moge oordelen, zie, een groep hunner keert zich af.
49
En indien het recht aan hun zijde is, komen zij tot hem, onderdanig.
50
Is er in hun harten een ziekte, of twijfelen zij, of vrezen zij dat God en Zijn Boodschapper onrechtvaardig met hen zullen handelen? Neen, dezen zijn de onrechtvaardigen.
51
Het zeggen der gelovigen, wanneer zij tot God en Zijn Boodschapper worden geroepen opdat hij tussen hen moge oordelen, is slechts dat zij zeggen: "Wij horen en wij gehoorzamen." En dezen zijn degenen die voorspoed hebben.
52
En wie God en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, en God vreest en Hem indachtig is — dezen zijn de triomfanten.
53
En zij zweren bij God hun plechtigste eden dat indien gij hun gebiedt zij voorzeker zullen uittrekken. Zeg: "Zweert niet. Gehoorzaamheid is bekend." Voorwaar, God is Gewaar van hetgeen gij doet.
54
Zeg: "Gehoorzaamt God en gehoorzaamt den Boodschapper." Indien zij zich dan afwenden, op hem rust slechts hetgeen waarmee hij werd belast, en op u hetgeen waarmee gij belast zijt. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij recht geleid zijn. En op den Boodschapper rust niets dan de duidelijke overbrenging.
55
God heeft hen onder u beloofd die geloven en rechtvaardige werken doen dat Hij hen voorzeker tot opvolgers op de aarde zal maken, gelijk Hij hen die vóór hen waren tot opvolgers maakte, en dat Hij voorzeker voor hen hun weg zal bevestigen die Hij voor hen heeft goedgekeurd, en dat Hij voorzeker voor hen, na hun vrees, veiligheid zal verwisselen. Zij aanbidden Mij en kennen Mij geen deelgenoot toe. En wie daarna verhult — dezen zijn de goddelozen.
56
En onderhoudt het gebed en geeft de aalmoezen en gehoorzaamt den Boodschapper, opdat u barmhartigheid moge worden getoond.
57
Meent niet dat zij die hebben verhuld in staat zijn God op de aarde te verijdelen. En hun verblijfplaats zal het Vuur zijn — en ellendig waarlijk is de bestemming.
58
O gij die gelooft! Laat hen die uw rechterhand bezit en hen onder u die de rijpheid nog niet hebben bereikt u om verlof vragen op drie tijden: vóór het morgengebed, en wanneer gij uw klederen aflegt bij de middaghitte, en na het avondgebed. Drie tijden van afzondering voor u. Er is geen blaam op u noch op hen daarbuiten. Zij gaan onder u rond, sommigen uwer de anderen dienend. Aldus maakt God u de tekenen duidelijk. En God is Wetend, Wijs.
59
En wanneer de kinderen onder u de rijpheid bereiken, laat hen dan om verlof vragen gelijk hen vóór hen om verlof vroegen. Aldus maakt God u Zijn tekenen duidelijk. En God is Wetend, Wijs.
60
En de bejaarden onder de vrouwen die geen verwachting van het huwelijk hebben — er is geen blaam op hen dat zij hun bovenkleding afleggen, zonder sieraad te tonen. En dat zij ingetogenheid bewaren is beter voor hen. En God is Horend, Wetend.
61
Er is geen blaam op den blinde, noch is er blaam op den kreupele, noch is er blaam op den zieke, noch op u zelven dat gij eet uit uw eigen huizen, of de huizen uwer vaderen, of de huizen uwer moeders, of de huizen uwer broeders, of de huizen uwer zusters, of de huizen van de broeders uwer vaderen, of de huizen van de zusters uwer vaderen, of de huizen van de broeders uwer moeders, of de huizen van de zusters uwer moeders, of die waarvan gij de sleutels bezit, of van uw vrienden. Er is geen blaam op u dat gij tezamen of afzonderlijk eet. En wanneer gij huizen binnentreedt, groet elkander met een groet van God, gezegend en goed. Aldus maakt God u de tekenen duidelijk, opdat gij moogt begrijpen.
62
De gelovigen zijn slechts degenen die geloven in God en Zijn Boodschapper, en wanneer zij met hem bijeen zijn bij een zaak van gemeenschappelijk belang, niet weggaan totdat zij zijn verlof hebben gevraagd. Voorwaar, zij die uw verlof vragen — dezen zijn zij die geloven in God en Zijn Boodschapper. Wanneer zij u dan om verlof vragen voor een zaak van hen, geef dan verlof aan wie gij wilt van hen en vraag vergiffenis van God voor hen. Voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
63
Maakt het roepen des Boodschappers onder u niet als het roepen van één uwer tot een ander. God kent degenen uwer die heimelijk wegsluipen. Laat dus hen die tegen Zijn gebod ingaan op hun hoede zijn dat hen een beproeving treffe of een pijnlijke kastijding hen treffe.
64
Ziet! Voorwaar, aan God behoort al wat in de hemelen en op de aarde is. Hij weet wel waarmee gij bezig zijt. En op den Dag waarop zij tot Hem worden teruggevoerd, zal Hij hen inlichten over hetgeen zij deden. En God is van alle dingen Wetend.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 24 — An-Noer (Het Licht)

Algemene opmerkingen

An-Noer opent met strenge wetsbepalingen (overspel, laster) en wendt zich dan tot het Lichtvers (v.35), een der meest mystieke gedeelten in welke schriftuur ook. De beweging van uiterlijk gedrag naar innerlijke werkelijkheid — van zahir naar batin — is opzettelijk. De zedigheidverzen (vv.30–31) vormen de brug.

vv.30–31: De zedigheidverzen

v.30 — Mannen eerst

“Zeg tot de gelovige mannen dat zij hun blik verlagen en hun openingen hoeden.”

Cruciaal: het gebod aan MANNEN komt EERST. De zedigheideis begint met mannen die hun blik beheersen.

  • يَغُضُّوا — stam غ-ض-ض: verlagen, dempen, matigen. Hetzelfde als het dempen van licht of het verlagen van de stem (31:19).
  • فُرُوجَهُمْ — stam ف-ر-ج: openen, openingen. Letterlijk “hun openingen.” Stamlezing: al hun openingen — wat zij aan de wereld blootstellen.

v.31 — Vrouwen: hetzelfde gebod met toevoeging

Vrouwen ontvangen dezelfde twee geboden (blik verlagen, openingen hoeden), plus specifieke bepalingen:

“Laat hen hun bedekkingen over hun boezem trekken” — drie cruciale stammen:

  • يَضْرِبْنَ — stam ض-ر-ب (d-r-b). Dezelfde stam als het omstreden 4:34. Hier betekent het ondubbelzinnig “trekken, uitspreiden” — vrouwen TREKKEN hun bedekkingen over hun boezem. Dit bewijst dat d-r-b de betekenis draagt van “uiteenzetten / trekken” en ondersteunt krachtig de lezing “zondert hen af” in 4:34.
  • خُمُر (khumoer) — stam خ-م-ر: bedekken, verhullen, gisten. Dezelfde stam als خَمْر (wijn). Sluiers en wijn delen een stam: beide bedekken — de een het lichaam, de ander het verstand. De bedekking zelf is neutraal; het doel bepaalt de waarde.
  • جُيُوب (djoejoenb) — stam ج-ي-ب: opening, boezem, halslijn. De aanwijzing is bedekkingen over de boezem te trekken — NIET over het hoofd of haar. Het woord voor hoofd (رَأْس) komt niet voor. Het woord voor haar (شَعْر) komt niet voor.

v.60: Het contextuele bewijs

Oudere vrouwen mogen hun kleding afleggen. Als de bedekking een absoluut geestelijk gebod ware (als gebed of vasten), kon zij niet voor ouderen versoepeld worden. De Voordracht zelf toont de contextuele aard der zedigheidregels aan.

v.33: Geen dwang — in geloof noch lichaam

“Dwingt uw jonge vrouwen niet tot ontucht” — stam ك-ر-ه (k-r-h): dwingen. DEZELFDE WORTEL als إِكْرَاه in 2:256: “Er is geen dwang in de godsdienst.” Het anti-dwangbeginsel geldt voor ZOWEL geloof als lichaam. De stam is dezelfde omdat het beginsel hetzelfde is.

v.35: Het Lichtvers (Aayat an-Noer)

De structuur van het Licht — laag voor laag

Het vers bouwt een gelijkenis op van geneste houders, elk stralender:

  1. مِشْكَاة — een nis in de muur. De buitenste houder. Donker, verzonken.
  2. مِصْبَاح — een lamp in de nis. Stam ص-ب-ح: ochtend, dageraad. De lamp IS de dageraad.
  3. زُجَاجَة — glas rondom de lamp. Doorzichtig, beschermend, versterkend.
  4. كَوْكَب دُرِّيّ — een stralende ster. Het glas is ZO lichtgevend dat het op een ster lijkt.
  5. شَجَرَة مُبَارَكَة زَيْتُونَة — een gezegende boom, een olijf. De brandstofbron.
  6. لَا شَرْقِيَّة وَلَا غَرْبِيَّة — noch van het Oosten noch van het Westen. De boom overstijgt richtingbegrenzing — hij is universeel. Echo van 55:17 “Heer der twee Oosten en Heer der twee Westen” en 2:115 “waarheen gij u ook wendt, daar is het Gelaat Gods.”
  7. Olie die bijna licht geeft zonder dat vuur haar raakt — de brandstof is ZO zuiver dat zij BIJNA uit zichzelf straalt. De aangeboren ontvankelijkheid voor waarheid.
  8. نُورٌ عَلَىٰ نُورٍ — “Licht op Licht.” Licht gelaagd op licht — voortschrijdende openbaring zelf.

De geestelijke lezing

  • De nis = de stoffelijke wereld
  • De lamp = de Manifestatie Gods, die dageraad brengt
  • Het glas = het gelouterde mensenhart, doorzichtig, het licht versterkend
  • De olijfboom = de eeuwige bron van leiding, boven Oost en West
  • De olie = het aangeboren vermogen tot waarheid in elke ziel
  • Licht op Licht = openbaring op openbaring, elk bouwend op de vorige

Stamverbanden

  • نُور (licht) en نَار (vuur) delen de stam ن-و-ر met een klinkerwissel. Licht en vuur komen uit dezelfde bron — wat verlicht, kan ook branden. Vgl. 55:15 “schiep de verschijning uit de stroom des vuurs.”
  • يَضْرِبُ اللَّهُ الْأَمْثَالَ — “God zet gelijkenissen uiteen.” Wederom ض-ر-ب: God zet uiteen, vrouwen trekken bedekkingen, 4:34 behelst afzondering. De kernbetekenis is “uiteenzetten.”

Integratieve verbanden

  • v.31 yadribna (d-r-b) ↔ 4:34 wadriboehunna (d-r-b): dezelfde stam voor een zacht, beschermend gebaar bewijst dat het geen geweld hoeft te betekenen
  • v.31 khumoer (kh-m-r, bedekking) ↔ khamr (kh-m-r, wijn): bedekking van lichaam en beneveling van geest delen één stam
  • v.33 ikraah (dwang van lichaam) ↔ 2:256 ikraah (dwang van geloof): het anti-dwangbeginsel is één
  • v.35 “noch Oost noch West” ↔ 55:17 “twee Oosten en twee Westen”: goddelijk licht overstijgt richting
  • v.35 “Licht op Licht” ↔ 9:32 “zij willen het licht Gods uitblazen”: At-Tawba beschrijft de vruchteloze poging tegen wat An-Noer als onuitblusbaar beschrijft
  • v.60 ouderen leggen kleding af ↔ de contextuele aard van alle sociale wetgeving der Voordracht
25
Al-Foerqaan Het Onderscheid
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Gezegend is Hij Die het Onderscheid nederzond op Zijn dienaar, opdat hij een waarschuwer moge zijn voor de werelden,
2
Hij aan Wie de heerschappij der hemelen en der aarde behoort, Die geen zoon heeft genomen en geen deelgenoot heeft in de heerschappij, en Die alle dingen schiep en hen met een juiste maat mat.
3
Toch hebben zij naast Hem goden genomen die niets scheppen en zelve geschapen zijn, en die voor zichzelven noch schade noch baat bezitten, en noch dood noch leven noch opstanding bezitten.
4
En zij die verhullen zeggen: "Dit is niets dan een leugen die hij heeft verzonnen, en andere mensen hebben hem daarin geholpen." Zij zijn gekomen met onrechtvaardigheid en valsheid.
5
En zij zeggen: "Fabelen der ouden die hij heeft laten opschrijven; en zij worden hem des morgens en des avonds gedicteerd."
6
Zeg: "Hij heeft het nedergezonden Die het geheim kent der hemelen en der aarde. Voorwaar, Hij is altijd Vergevend, Barmhartig."
7
En zij zeggen: "Wat scheelt deze Boodschapper dat hij voedsel eet en op de markten wandelt? Waarom is er geen engel tot hem nedergezonden, om met hem een waarschuwer te zijn?
8
Of waarom is hem geen schat toegeworpen, of waarom heeft hij geen tuin waarvan hij kan eten?" En de onrechtvaardigen zeggen: "Gij volgt niets dan een betoverd man."
9
Ziet hoe zij gelijkenissen voor u slaan en dwalen, en geen weg kunnen vinden.
10
Gezegend is Hij Die, indien Hij wilde, u beter had kunnen geven dan dat — tuinen waaronder rivieren stromen — en u paleizen had kunnen geven.
11
Neen, doch zij loochenen het Uur; en Wij hebben voor hem die het Uur loochent een Vlam bereid.
12
Wanneer het hen van verre ziet, horen zij zijn woede en zijn gebrul.
13
En wanneer zij in een nauwe plek ervan worden geworpen, samengebonden, roepen zij daarbij om vernietiging.
14
Roept heden niet om één vernietiging, maar roept om vele vernietigingen!
15
Zeg: "Is dat beter, of de Tuin der Eeuwigheid die den godvrezenden is beloofd? Zij is voor hen een vergelding en een reis."
16
Voor hen is daarin al wat zij willen, eeuwig verblijvend; het is op uw Heer een belofte waarom gevraagd wordt.
17
En op den Dag waarop Hij hen en hetgeen zij aanbidden naast God zal vergaderen, en Hij zal zeggen: "Waart gij het die deze Mijn dienaren op een dwaalspoor brachtet, of dwaalden zij van den weg?"
18
Zij zullen zeggen: "Verheven zijt Gij! Het was niet aan ons naast U beschermers te nemen; doch Gij gaaft hun en hun vaderen genot totdat zij de Herinnering vergaten en een verloren volk waren."
19
"Zij hebben u geloochend in hetgeen gij zegt; gij kunt het dus niet afwenden noch bijstand vinden." En wie onder u onrecht doet, hem zullen Wij een grote kastijding doen proeven.
20
En Wij zonden vóór u geen boodschappers of voorwaar zij aten voedsel en wandelden op de markten. En Wij hebben sommigen uwer tot een beproeving voor anderen gemaakt: zult gij geduldig zijn? En uw Heer is altijd Ziende.
21
En zij die geen ontmoeting met Ons verwachten zeggen: "Waarom zijn de engelen niet tot ons nedergezonden, of waarom zien wij onzen Heer niet?" Zij zijn waarlijk hoogmoedig in zichzelven en zeer onbeschaamd geworden.
22
Op den Dag waarop zij de engelen zien, zullen er geen blijde tijdingen zijn die Dag voor de schuldigen, en zij zullen zeggen: "Een verboden barrière!"
23
En Wij zullen ons wenden tot hetgeen zij aan daden hebben verricht en het tot verstrooid stof maken.
24
De gezellen der Tuin zijn op die Dag in een betere rang en een schonere rustplaats.
25
En op den Dag waarop de hemel vaneen zal scheuren met de wolken, en de engelen worden nedergezonden, een grote nederdaling,
26
de heerschappij op die Dag, in waarheid, zal des Albarmhartigen zijn; en het zal een moeilijke Dag zijn voor hen die verhullen.
27
En op den Dag waarop de onrechtvaardige op zijn handen zal bijten, zeggend: "Ware ik maar met den Boodschapper een weg gegaan!
28
Wee mij! Ware ik maar niet die-en-die als vriend genomen!
29
Hij leidde mij af van de Herinnering nadat zij tot mij was gekomen. En de duivel is altijd een verlater des mensen."
30
En de Boodschapper zegt: "O mijn Heer! Voorwaar, mijn volk heeft deze Voordracht als een verlaten zaak genomen."
31
En aldus hebben Wij voor elken profeet een vijand aangewezen uit de schuldigen; doch uw Heer is voldoende als Gids en Helper.
32
En zij die verhullen zeggen: "Waarom is de Voordracht niet in één keer op hem nedergezonden?" Aldus, opdat Wij daardoor uw hart mogen versterken; en Wij hebben haar gereciteerd, een recitering.
33
En zij brengen u geen gelijkenis of Wij brengen u de waarheid en een betere uiteenzetting.
34
Zij die op hun aangezichten worden vergaderd naar het Hellevuur, dezen zijn de slechtsten in rang en de verst afgedwaalden van den weg.
35
En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek en wezen hem zijn broeder Aäron toe als helper.
36
En Wij zeiden: "Gaat tot het volk dat Onze tekenen heeft geloochend." Toen vernietigden Wij hen volkomen.
37
En het volk van Noach, toen zij de boodschappers loochenden, verdronken Wij hen en maakten hen een teken voor de mensen. En Wij hebben voor de onrechtvaardigen een pijnlijke kastijding bereid.
38
En Aad en Thamoed en de gezellen van den Bron en vele geslachten daartussen.
39
En voor elk sloegen Wij gelijkenissen, en elk vernietigden Wij volkomen.
40
En voorwaar, zij zijn gekomen bij de stad die met een kwade regen werd beregend. Hebben zij haar niet gezien? Neen, doch zij hopen niet op een opstanding.
41
En wanneer zij u zien, nemen zij u slechts in bespotting: "Is dit degene die God als boodschapper heeft gezonden?
42
Hij had ons bijna van onze goden afgeleid, waren wij niet standvastig in hen gebleven." En zij zullen weten, wanneer zij de kastijding zien, wie het verst is afgedwaald van den weg.
43
Hebt gij hem gezien die zijn begeerte als zijn god neemt? Zoudt gij dan een bewaker over hem zijn?
44
Of meent gij dat de meesten hunner horen of begrijpen? Zij zijn slechts als vee; neen, zij zijn verder afgedwaald van den weg.
45
Hebt gij niet gezien hoe uw Heer de schaduw heeft uitgestrekt? En had Hij gewild, Hij had haar stil kunnen maken. Dan maakten Wij de zon een gids daartoe.
46
Dan trokken Wij haar tot Ons terug, een gemakkelijke terugtrekking.
47
En Hij is het Die den nacht tot een kleed voor u heeft gemaakt, en den slaap een rust, en den dag een oprijzing.
48
En Hij is het Die de winden zendt als blijde tijdingen vóór Zijn barmhartigheid; en Wij zenden van den hemel rein water neder,
49
opdat Wij daarmee een dood land mogen doen herleven en het te drinken geven — van hetgeen Wij hebben geschapen — aan vee en vele mensen.
50
En voorwaar, Wij hebben het onder hen verdeeld, opdat zij mogen gedenken; doch de meesten der mensen weigeren alles behalve ondankbaarheid.
51
En hadden Wij gewild, Wij zouden in elke stad een waarschuwer hebben opgewekt.
52
Gehoorzaamt dus niet hen die verhullen, en strijdt tegen hen daarmee met een grote strijd.
53
En Hij is het Die de twee zeeën heeft losgelaten, de ene zoet, fris, en de andere zout, bitter; en Hij heeft tussen hen een barrière geplaatst en een verboden scheiding.
54
En Hij is het Die uit water een sterveling schiep en hem maakte tot verwanten door bloed en door huwelijk. En uw Heer is altijd Machtig.
55
Toch aanbidden zij naast God hetgeen hun niet baat noch schaadt; en hij die verhult is altijd een helper tegen zijn Heer.
56
En Wij hebben u niet gezonden dan als een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer.
57
Zeg: "Ik vraag u er geen loon voor, behalve dat wie wil een weg moge nemen tot zijn Heer."
58
En stel uw vertrouwen op den Levende Die niet sterft, en verheerlijk Zijn lof. En Hij is voldoende als Gewaar van de zonden Zijner dienaren,
59
Die de hemelen en de aarde en hetgeen daartussen is schiep in zes dagen, Zich dan vestigde op den Troon, de Albarmhartige. Vraagt dus aan Hem, want Hij is Gewaar.
60
En wanneer tot hen wordt gezegd: "Werpt u neder voor den Albarmhartige," zeggen zij: "En wat is de Albarmhartige? Zullen wij ons nederwerpen voor hetgeen gij ons gebiedt?" En het vermeerdert hen in afkeer.
61
Gezegend is Hij Die aan den hemel sterrenbeelden heeft geplaatst en daarin een lamp en een lichtgevende maan heeft gezet.
62
En Hij is het Die den nacht en den dag tot een opvolging heeft gemaakt voor hem die wil gedenken of dankbaar wil zijn.
63
En de dienaren des Albarmhartigen zijn zij die op de aarde wandelen in ootmoed, en wanneer de onwetenden hen aanspreken, zeggen zij: "Vrede!"
64
En zij die den nacht doorbrengen voor hun Heer, zich nederwerpend en staande,
65
en zij die zeggen: "Onze Heer! Wend van ons af de kastijding van het Hellevuur; voorwaar, zijn kastijding is een blijvende kwelling.
66
Voorwaar, het is kwaad als standplaats en als rustplaats."
67
En zij die, wanneer zij besteden, noch verkwistend noch gierig zijn, doch daartussen een rechtvaardige stand houden.
68
En zij die naast God geen andere god aanroepen, noch de ziel doden die God heeft verboden behalve met recht, noch ontucht plegen. En wie dat doet zal de straf ontmoeten.
69
De kastijding zal hem worden verdubbeld op den Dag der Opstanding, en hij zal daarin vernederd verblijven,
70
behalve hij die berouw heeft en gelooft en een rechtvaardige daad werkt; dezen, God zal hun kwade daden omzetten in goede daden. En God is altijd Vergevend, Barmhartig.
71
En wie berouw heeft en het goede werkt, voorwaar hij keert tot God in oprecht berouw.
72
En zij die geen valse getuigenis afleggen en, wanneer zij langs ijdelheid gaan, met waardigheid voorbijgaan.
73
En zij die, wanneer zij herinnerd worden aan de tekenen huns Heren, er niet doof en blind bij neervallen.
74
En zij die zeggen: "Onze Heer! Schenk ons van onze echtgenoten en ons nageslacht de vertroosting der ogen, en maak ons leiders der godvrezenden."
75
Dezen zullen beloond worden met de bovenkamer omdat zij geduldig waren, en zij zullen daarin ontmoet worden met een groet en vrede,
76
om daarin te verblijven. Schoon is zij als standplaats en als rustplaats.
77
Zeg: "Mijn Heer zou Zich niet om u bekommeren ware het niet om uw smeekbede. Doch gij hebt geloochend, dus zal het bindend zijn."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 25 — Al-Foerqaan (Het Onderscheid)

Algemene opmerkingen

De soera opent met het Onderscheid (الفرقان, al-foerqaan) — niet een boek maar een vermogen: het onderscheidingsvermogen tussen waarheid en valsheid. De soera sluit af met het schoonste portret van de “dienaren des Albarmhartigen” (vv.63–76) — gedefinieerd door gedrag, niet door geloofsbelijdenis.

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.4: “zij die verhullen zeggen: ‘Dit is niets dan een leugen.’” In v.26: “de heerschappij op die Dag zal des Albarmhartigen zijn; en het zal een moeilijke Dag zijn voor hen die verhullen.” Het verhullen is de rode draad die tegenover het Onderscheid staat — wie bedekt, kan niet onderscheiden.

“Voordracht” voor القرآن (al-Qur’aan)

In v.30: “mijn volk heeft deze Voordracht als een verlaten zaak genomen” — de klacht van de Boodschapper. In v.32 wordt de geleidelijke openbaring verdedigd: “opdat Wij daardoor uw hart mogen versterken; en Wij hebben haar gereciteerd, een recitering.” Het woord ترتيل (tartiel) — de gemeten, ritmische voordracht — beschrijft de wijze waarop de Voordracht moet worden ontvangen: langzaam, indringend, niet alles tegelijk.

“Onderscheid” voor الفرقان (al-foerqaan)

Stam ف-ر-ق: scheiden, onderscheiden. Het Onderscheid is niet een statisch document maar een werkend instrument — het vermogen om waarheid van valsheid te schiften. Dezelfde stam verschijnt in 8:29 als iets dat God aan de godvrezenden schenkt.

v.53: De twee zeeën

“De ene zoet, fris, en de andere zout, bitter; en Hij heeft tussen hen een barrière geplaatst en een verboden scheiding.” De twee zeeën verschijnen in 55:19–20 en 35:12 — de barrière (بَرْزَخ, barzach) is een metafysisch kernbegrip dat door meerdere soera’s loopt.

v.54: Uit water geschapen

“Hij is het Die uit water een sterveling schiep en hem maakte tot verwanten door bloed en door huwelijk.” Stam خ-ل-ق (scheppen) en de wateroorsprong echoten 21:30 — alle leven komt voort uit water.

v.70: De alchemie van berouw

“God zal hun kwade daden omzetten in goede daden.” Stam ب-د-ل: verwisselen, omzetten. Dit is geen uitwissing maar transformatie — de substantie der zonde wordt omgezet in deugd. Het is alchemie, geen boekhouding. De kwade daden worden, wanneer berouwen, het ruwe materiaal van het goede.

vv.63–76: De dienaren des Albarmhartigen

Het slotportret definieert de dienaren door hun handelen: ootmoed (v.63), nachtelijke devotie (v.64), gematigdheid in besteden (v.67), waarachtigheid (v.72), niet doof en blind neervallen bij herinnering aan de tekenen (v.73). Hun identiteit is relationeel — zij zijn dienaren van de Albarmhartige, gedefinieerd door de barmhartigheid die zij weerspiegelen.

v.43: De begeerte als afgod

“Hebt gij hem gezien die zijn begeerte als zijn god neemt?” Dezelfde uitdrukking als in 45:23. De innerlijke afgod der persoonlijke begeerte is de gevaarlijkste vorm van veelgodendom (sjirk) — subtieler dan stenen beelden.

Integratieve verbanden

  • v.53 (twee zeeën met barrière) ↔ 55:19–20 en 35:12: de barzach als doorlopend motief
  • v.32 (tartiel, geleidelijke openbaring) ↔ 17:106: de Voordracht in fasen
  • v.43 (begeerte als god) ↔ 45:23: identieke uitdrukking
  • v.70 (kwade daden omgezet) ↔ 11:114 (goede daden verdrijven kwade): het transformatiebeginsel
26
Asj-Sjoe'araa De Dichters
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Taa, Sien, Miem.
2
Dit zijn de tekenen van het duidelijke Boek.
3
Wellicht zult gij u zelven vernietigen omdat zij geen gelovigen zijn.
4
Indien Wij willen, kunnen Wij op hen van den hemel een teken nederzenden, en hun nekken zullen ervoor gebogen blijven.
5
En er komt tot hen geen nieuwe herinnering van den Albarmhartige of zij wenden zich ervan af.
6
Dus hebben zij geloochend; dan zullen tot hen berichten komen van hetgeen waarmee zij plachten te spotten.
7
Hebben zij niet gekeken naar de aarde, hoeveel Wij daarin van elk edel paar hebben doen groeien?
8
Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
9
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
10
En toen uw Heer Mozes riep: "Ga tot het onrechtvaardige volk —
11
het volk van Farao. Zullen zij niet vrezen?"
12
Hij zeide: "Mijn Heer, voorwaar, ik vrees dat zij mij zullen loochenen,
13
en mijn borst zal benauwt worden en mijn tong zal niet losraken; zend dus om Aäron.
14
En zij hebben een aanklacht tegen mij, dus vrees ik dat zij mij zullen doden."
15
Hij zeide: "Neen! Gaat, beiden, met Onze tekenen; voorwaar, Wij zijn met u, luisterend.
16
Gaat dus tot Farao en zegt: 'Voorwaar, wij zijn de boodschapper van den Heer der werelden:
17
Zend met ons de Kinderen Israëls.'"
18
Hij zeide: "Hebben wij u niet onder ons grootgebracht als een kind, en gij vertoefdet onder ons jaren uws levens?
19
En gij deedt die daad van u die gij deedt, en gij behoort tot hen die verhullen."
20
Hij zeide: "Ik deed het toen, en ik was van hen die dwalen.
21
Dus vluchtte ik van u toen ik u vreesde; toen schonk mijn Heer mij het oordeel en maakte mij tot een der boodschappers.
22
En is dit een gunst die gij mij verwijt — dat gij de Kinderen Israëls hebt geknecht?"
23
Farao zeide: "En wat is de Heer der werelden?"
24
Hij zeide: "Heer der hemelen en der aarde en hetgeen daartussen is, indien gij zeker zoudt willen zijn."
25
Hij zeide tot hen om hem heen: "Hoort gij niet?"
26
Hij zeide: "Uw Heer en de Heer uwer vaderen van ouds."
27
Hij zeide: "Voorwaar, uw boodschapper die tot u is gezonden is bezeten."
28
Hij zeide: "Heer van het oosten en het westen en hetgeen daartussen is, indien gij zoudt willen begrijpen."
29
Hij zeide: "Indien gij een god neemt buiten mij, zal ik u tot de gevangenen maken."
30
Hij zeide: "Zelfs indien ik u iets klaarblijkelijks breng?"
31
Hij zeide: "Breng het dan, indien gij van de waarachtigen zijt."
32
Dus wierp hij zijn staf neder, en zie, zij was een klaarblijkelijke slang.
33
En hij trok zijn hand voort, en zie, zij was wit voor de aanschouwers.
34
Hij zeide tot de hoofden om hem heen: "Voorwaar, deze is een geleerd tovenaar
35
die u uit uw land wil verdrijven door zijn tovenarij. Wat gebiedt gij dus?"
36
Zij zeiden: "Stel hem en zijn broeder uit, en zend in de steden verzamelaars
37
die tot u elken geleerden tovenaar zullen brengen."
38
Dus werden de tovenaars vergaderd voor den vastgestelden tijd van een bekende dag,
39
en tot het volk werd gezegd: "Zult gij u vergaderen,
40
opdat wij wellicht de tovenaars mogen volgen indien zij de overwinnaars zijn?"
41
En toen de tovenaars kwamen, zeiden zij tot Farao: "Is er waarlijk een beloning voor ons indien wij de overwinnaars zijn?"
42
Hij zeide: "Ja, en gij zult dan behoren tot hen die dichtbij worden gebracht."
43
Mozes zeide tot hen: "Werpt hetgeen gij zult werpen."
44
Dus wierpen zij hun touwen en hun staven en zeiden: "Bij de macht van Farao, voorwaar, wij zijn de overwinnaars."
45
Toen wierp Mozes zijn staf, en zie, zij verslond hetgeen zij hadden verzonnen.
46
En de tovenaars werden neergeworpen, zich nederwerpend.
47
Zij zeiden: "Wij geloven in den Heer der werelden,
48
den Heer van Mozes en Aäron."
49
Hij zeide: "Gij gelooft in hem vóór ik u verlof geef? Voorwaar, hij is uw meester die u de tovenarij onderwees; dus zult gij het te weten komen. Ik zal uw handen en uw voeten aan wisselende zijden afhouwen, en ik zal u kruisigen, allen."
50
Zij zeiden: "Geen schade; voorwaar, tot onzen Heer zullen wij terugkeren.
51
Voorwaar, wij hopen dat onze Heer ons onze zonden moge vergeven, aangezien wij de eersten der gelovigen zijn."
52
En Wij openbaarden aan Mozes: "Reis bij nacht met Mijn dienaren; voorwaar, gij zult worden achtervolgd."
53
Toen zond Farao in de steden verzamelaars:
54
"Voorwaar, dezen zijn slechts een kleine bende,
55
en voorwaar, zij doen ons toornen,
56
en voorwaar, wij zijn een heir op de wacht."
57
Dus brachten Wij hen voort uit tuinen en bronnen,
58
en schatten en een edele standplaats.
59
Aldus was het; en Wij deden de Kinderen Israëls hen erven.
60
En zij achtervolgden hen bij zonsopgang.
61
En toen de twee heiren elkander zagen, zeiden de gezellen van Mozes: "Voorwaar, wij worden ingehaald."
62
Hij zeide: "Neen! Voorwaar, met mij is mijn Heer; Hij zal mij leiden."
63
Dus openbaarden Wij aan Mozes: "Sla de zee met uw staf." En zij spleet, en elk deel was als een grote berg.
64
En Wij brachten de anderen daar dichtbij.
65
En Wij redden Mozes en hen die met hem waren, allen.
66
Toen verdronken Wij de anderen.
67
Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
68
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
69
En draag hun voor de berichten van Abraham,
70
toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: "Wat aanbidt gij?"
71
Zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden, en wij kleven aan hen."
72
Hij zeide: "Horen zij u wanneer gij roept,
73
of baten zij u, of schaden?"
74
Zij zeiden: "Neen, doch wij vonden onze vaderen aldus doend."
75
Hij zeide: "Hebt gij dan gezien hetgeen gij hebt aanbeden —
76
gij en uw vaderen van ouds?
77
Want voorwaar, zij zijn mij een vijand, behalve de Heer der werelden,
78
Die mij schiep, en Hij leidt mij,
79
en Die mij voedt en mij te drinken geeft,
80
en wanneer ik ziek ben, geneest Hij mij,
81
en Die mij doet sterven, mij dan leven geeft,
82
en Die, ik hoop, mij mijn zonde op den Dag des Oordeels zal vergeven.
83
Mijn Heer, schenk mij het oordeel, en voeg mij bij de rechtvaardigen,
84
en maak voor mij een tong van waarheid onder de lateren,
85
en maak mij van de erfgenamen van de Tuin der Gelukzaligheid,
86
en vergeef mijn vader; voorwaar, hij behoorde tot hen die dwalen.
87
En onteer mij niet op den Dag waarop zij worden opgewekt —
88
den dag waarop noch rijkdom noch zonen baten,
89
behalve hij die tot God komt met een zuiver hart."
90
En de Tuin zal dicht bij de godvrezenden worden gebracht,
91
en de Vlam zal worden voortgebracht voor de dwalenden.
92
En tot hen zal worden gezegd: "Waar is hetgeen gij placht te aanbidden
93
naast God? Helpen zij u, of helpen zij zichzelven?"
94
Dan zullen zij erin worden getuimeld — zij en de dwalenden,
95
en de heerscharen van Iblies, allen.
96
Zij zullen zeggen, terwijl zij erin twisten:
97
"Bij God, voorwaar, wij waren in klaarblijkelijke dwaling
98
toen wij u gelijkstelden met den Heer der werelden.
99
En niemand leidde ons op een dwaalspoor dan de schuldigen.
100
Dus hebben wij geen voorsprekers,
101
noch een nabije vriend.
102
Hadden wij maar een terugkeer, opdat wij van de gelovigen mochten zijn."
103
Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
104
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
105
Het volk van Noach loochende de boodschappers,
106
toen hun broeder Noach tot hen zeide: "Zult gij niet vrezen?
107
Voorwaar, ik ben voor u een getrouw boodschapper.
108
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
109
En ik vraag u er geen beloning voor; mijn beloning rust slechts op den Heer der werelden.
110
Vreest dus God en gehoorzaamt mij."
111
Zij zeiden: "Zullen wij in u geloven terwijl de laagsten u volgen?"
112
Hij zeide: "En wat is mijn kennis van hetgeen zij plachten te doen?
113
Hun afrekening rust slechts op mijn Heer, indien gij het maar bespeurdet.
114
En ik ben niet iemand om de gelovigen weg te drijven.
115
Ik ben slechts een duidelijk waarschuwer."
116
Zij zeiden: "Indien gij niet ophoudt, o Noach, zult gij van de gestenigd worden."
117
Hij zeide: "Mijn Heer, voorwaar, mijn volk heeft mij geloochend.
118
Oordeel dus tussen mij en hen met een oordeel, en red mij en hen die met mij zijn van de gelovigen."
119
Dus redden Wij hem en hen die met hem waren in het beladen schip.
120
Toen verdronken Wij daarna de overigen.
121
Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
122
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
123
Aad loochende de boodschappers,
124
toen hun broeder Hoed tot hen zeide: "Zult gij niet vrezen?
125
Voorwaar, ik ben voor u een getrouw boodschapper.
126
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
127
En ik vraag u er geen beloning voor; mijn beloning rust slechts op den Heer der werelden.
128
Bouwt gij op elke hoogte een baken, u vermakend,
129
en neemt gij voor u zelven bouwwerken, opdat gij wellicht eeuwig moogt verblijven?
130
En wanneer gij grijpt, grijpt gij als tirannen.
131
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
132
En vreest Hem Die u heeft voorzien van hetgeen gij weet —
133
u voorzien heeft van vee en zonen,
134
en tuinen en bronnen.
135
Voorwaar, ik vrees voor u de kastijding van een machtige dag."
136
Zij zeiden: "Het is ons gelijk of gij vermaant of niet van hen zijt die vermanen.
137
Dit is niets dan het gebruik der ouden.
138
En wij zullen niet worden gekastijd."
139
Dus loochenden zij hem, en Wij vernietigden hen. Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
140
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
141
Thamoed loochende de boodschappers,
142
toen hun broeder Saalih tot hen zeide: "Zult gij niet vrezen?
143
Voorwaar, ik ben voor u een getrouw boodschapper.
144
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
145
En ik vraag u er geen beloning voor; mijn beloning rust slechts op den Heer der werelden.
146
Zult gij veilig worden gelaten in hetgeen hier is,
147
te midden van tuinen en bronnen,
148
en gewassen en palmen wier vrucht zacht is?
149
En gij houwt uit de bergen huizen, uitgelaten.
150
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
151
En gehoorzaamt niet het gebod der buitensporigen,
152
die verderf werken op de aarde en niet hervormen."
153
Zij zeiden: "Gij behoort slechts tot de betoverden.
154
Gij zijt slechts een sterveling als wij; breng dus een teken, indien gij van de waarachtigen zijt."
155
Hij zeide: "Dit is een kamelin; voor haar is een beurt van drinken, en voor u de beurt van een bekende dag.
156
En raakt haar niet aan met kwaad, opdat de kastijding van een machtige dag u niet grijpe."
157
Doch zij verlamden haar, en toen hadden zij berouw.
158
Dus greep hen de kastijding. Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
159
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
160
Het volk van Lot loochende de boodschappers,
161
toen hun broeder Lot tot hen zeide: "Zult gij niet vrezen?
162
Voorwaar, ik ben voor u een getrouw boodschapper.
163
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
164
En ik vraag u er geen beloning voor; mijn beloning rust slechts op den Heer der werelden.
165
Nadert gij de mannen der werelden,
166
en laat hetgeen uw Heer voor u schiep van uw echtgenoten? Neen, gij zijt een overtredend volk."
167
Zij zeiden: "Indien gij niet ophoudt, o Lot, zult gij van de verdrevenen zijn."
168
Hij zeide: "Voorwaar, ik ben van hen die uw daad verafschuwen.
169
Mijn Heer, red mij en mijn huisgezin van hetgeen zij doen."
170
Dus redden Wij hem en zijn huisgezin, allen,
171
behalve een oude vrouw onder hen die achterbleven.
172
Toen vernietigden Wij de anderen.
173
En Wij regende op hen een regen; en kwaad was de regen dergenen die gewaarschuwd werden.
174
Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
175
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
176
De bewoners van het Struikgewas loochenden de boodschappers,
177
toen Sjoe'ajb tot hen zeide: "Zult gij niet vrezen?
178
Voorwaar, ik ben voor u een getrouw boodschapper.
179
Vreest dus God en gehoorzaamt mij.
180
En ik vraag u er geen beloning voor; mijn beloning rust slechts op den Heer der werelden.
181
Geeft volle maat, en weest niet van hen die verlies veroorzaken.
182
En weegt met de rechte weegschaal.
183
En benadeelt de mensen niet van hun dingen, en werkt geen verderf op de aarde.
184
En vreest Hem Die u schiep en de vroegere geslachten."
185
Zij zeiden: "Gij behoort slechts tot de betoverden.
186
En gij zijt slechts een sterveling als wij, en wij achten u van de leugenaars.
187
Doe dus een brokstuk van den hemel op ons vallen, indien gij van de waarachtigen zijt."
188
Hij zeide: "Mijn Heer weet het best hetgeen gij doet."
189
Dus loochenden zij hem, en de kastijding van den dag der schaduw greep hen. Voorwaar, het was de kastijding van een machtige dag.
190
Voorwaar, daarin is een teken; doch de meesten hunner zijn geen gelovigen.
191
En voorwaar, uw Heer — Hij is de Machtige, de Barmhartige.
192
En voorwaar, het is de openbaring van den Heer der werelden.
193
De Getrouwe Geest heeft het neergebracht
194
op uw hart, opdat gij moogt zijn van de waarschuwers,
195
in een duidelijke Arabische tong.
196
En voorwaar, het is in de schriften der ouden.
197
Is het niet een teken voor hen dat de geleerden der Kinderen Israëls het kennen?
198
En hadden Wij het nedergezonden op sommige der vreemdelingen,
199
en hij het hun had voorgedragen, zouden zij er niet in hebben geloofd.
200
Aldus hebben Wij het gevlochten in de harten der schuldigen.
201
Zij geloven er niet in totdat zij de pijnlijke kastijding zien.
202
En zij zal plotseling over hen komen, en zij beseffen het niet.
203
En zij zullen zeggen: "Zal ons uitstel worden verleend?"
204
Is het dan Onze kastijding die zij zoeken te verhaasten?
205
Hebt gij gezien, indien Wij hun genot geven gedurende jaren,
206
en dan tot hen komt hetgeen hun beloofd was —
207
wat zal hun dan baten hetgeen hun te genieten was gegeven?
208
En Wij hebben geen stad vernietigd of zij had waarschuwers,
209
als een herinnering; en Wij waren geen onrechtvaardigen.
210
En de duivelen hebben het niet neergebracht.
211
Het betaamt hun niet, noch hebben zij de macht.
212
Voorwaar, zij zijn belet te horen.
213
Roep dus naast God geen andere god aan, opdat gij niet van de gekasstijden zijt.
214
En waarschuw uw naaste verwanten,
215
en verlaag uw vleugel voor hen die u volgen van de gelovigen.
216
En indien zij u ongehoorzamen, zeg: "Voorwaar, ik ben onschuldig aan hetgeen gij doet."
217
En stel uw vertrouwen op den Machtige, den Barmhartige,
218
Die u ziet wanneer gij staat,
219
en uw kering onder hen die zich nederwerpen.
220
Voorwaar, Hij is de Hoorder, de Wetende.
221
Zal ik u inlichten op wie de duivelen neerdalen?
222
Zij dalen neder op elken zondigen verzinner.
223
Zij luisteren, en de meesten hunner zijn leugenaars.
224
En de dichters — de dwalenden volgen hen.
225
Hebt gij niet gezien dat zij dwalen in elk dal,
226
en dat zij zeggen hetgeen zij niet doen?
227
Behalve zij die geloven en rechtvaardige werken doen en God veelvuldig gedenken, en zichzelven verdedigen nadat hun onrecht is aangedaan. En zij die onrecht doen zullen te weten komen welke wending zij zullen worden gewend.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 26 — Asj-Sjoe’araa’ (De Dichters)

Algemene opmerkingen

Zeven profeten — Mozes, Abraham, Noach, Hoed, Saalih, Lot, Sjoaib — elk gevolgd door “uw Heer is de Machtige, de Barmhartige.” Het refrein schept een liturgisch ritme gelijk aan dat van Soera 55.

Stamanalyse

vv.192–196: Stam ن-ز-ل (n-z-l) — “de nederzending des Heren der werelden”

De Voordracht daalt neer via de Betrouwbare Geest op het hart des Profeets, in een helder Arabisch. De aanspraak dat zij “in de geschriften der ouden” (زُبُر الأَوَّلِينَ) staat, bevestigt niet nieuwheid maar continuïteit — dezelfde boodschap in nieuwe gedaante.

vv.224–227: Stam ش-ع-ر (sj-ayn-r) — “de dichters”

De soera veroordeelt dichters die in elk dal dwalen en zeggen wat zij niet doen — doch v.227 maakt een beslissende uitzondering: “behalve degenen die geloven.” Dichtkunst wordt niet veroordeeld, slechts dichtkunst los van waarheid. De stam ش-ع-ر betekent ook “waarnemen” — ware dichters zijn waarnemers der werkelijkheid.

v.107: Stam أ-م-ن (alif-m-n) — “betrouwbare boodschapper”

Elke profeet stelt zich voor als رَسُولٌ أَمِينٌ. De Betrouwbare Geest (v.193) en de betrouwbare boodschapper delen dezelfde stam — de keten van overdracht van God naar mens wordt gekenmerkt door betrouwbaarheid.

Integratieve verbanden

  • v.196 “in de geschriften der ouden” ↔ 2:41, 3:3, 5:48: voortschrijdende openbaring — elke openbaring bevestigt en beschermt de vorige.
  • vv.224–227 dichters ↔ 36:69 en 69:41: de Voordracht onderscheidt zich stelselmatig van menselijke letterkundige voortbrengselen.
27
An-Naml De Mier
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Taa, Sien. Dit zijn de tekenen der Voordracht en een duidelijk Boek,
2
een leiding en blijde tijdingen voor de gelovigen,
3
die het gebed onderhouden en de aalmoezen geven, en die in het Hiernamaals zeker zijn.
4
Voorwaar, zij die niet geloven in het Hiernamaals — Wij hebben hun daden hun schoon gemaakt, en zij dwalen blindelings.
5
Dezen zijn zij voor wie het kwaad der kastijding is, en in het Hiernamaals zijn zij de grootste verliezers.
6
En voorwaar, gij ontvangt de Voordracht van Een Wijze, Alwetende.
7
Toen Mozes tot zijn huisgezin zeide: "Voorwaar, ik bespeur een vuur. Ik zal u ervan berichten brengen, of ik zal u een brandende fakkel brengen, opdat gij u moogt warmen."
8
En toen hij erbij kwam, werd hij geroepen: "Gezegend is hij die in het vuur is en hij die eromheen is. En verheven zij God, Heer der werelden!"
9
"O Mozes! Voorwaar, Ik ben het, God, de Machtige, de Wijze."
10
"En werp uw staf neder." En toen hij haar zag kronkelen alsof zij een slang ware, wendde hij zich om in vlucht en keek niet terug. "O Mozes! Vrees niet. Voorwaar, de boodschappers vrezen niet in Mijn tegenwoordigheid,
11
behalve hij die onrecht heeft gedaan, dan het goede na het kwade verwisselt; want voorwaar Ik ben Alvergevend, Meest Barmhartig."
12
"En steek uw hand in uw boezem; zij zal wit te voorschijn komen, zonder gebrek — onder negen tekenen tot Farao en zijn volk. Voorwaar, zij zijn een goddeloos volk."
13
En toen Onze tekenen tot hen kwamen, duidelijk te zien, zeiden zij: "Dit is klaarblijkelijke tovenarij."
14
En zij loochenden ze, hoewel hun zielen ervan overtuigd waren, onrechtvaardig en hovaardig. Aanschouwt dan hoe het einde was der verdervenden.
15
En voorwaar, Wij gaven David en Salomo kennis, en zij zeiden: "Lof zij God, Die ons heeft verkozen boven velen Zijner gelovige dienaren."
16
En Salomo erfde David, en zeide: "O mensen! Ons is de spraak der vogels onderwezen, en ons is van alle dingen gegeven. Voorwaar, dit is de klaarblijkelijke gunst."
17
En voor Salomo werden vergaderd zijn heerscharen van schimmen en mensen en vogels, en zij werden opgesteld.
18
Totdat, toen zij kwamen bij het Dal der Mieren, een mier zeide: "O gij mieren! Gaat uw woningen binnen, opdat Salomo en zijn heerscharen u niet verpletteren terwijl zij het niet beseffen."
19
En hij glimlachte, lachend om haar rede, en zeide: "Mijn Heer! Geef mij in dat ik dankbaar zij voor Uw gunst die Gij mij en mijn ouders hebt geschonken, en dat ik rechtvaardige werken moge doen die U behagen. En laat mij toe, door Uw barmhartigheid, onder Uw rechtvaardige dienaren."
20
En hij monsterde de vogels en zeide: "Hoe is het dat ik den hop niet zie? Of is hij onder de afwezigen?"
21
"Ik zal hem voorzeker met een strenge kastijding kastijden, of ik zal hem voorzeker slachten, of hij zal mij voorzeker een duidelijk gezag brengen."
22
Doch hij vertoefde niet lang, en zeide: "Ik heb begrepen hetgeen gij niet hebt begrepen, en ik ben tot u gekomen uit Saba met zekere berichten."
23
"Voorwaar, ik vond een vrouw die over hen heerst, en haar is van alle dingen gegeven, en zij heeft een machtige troon."
24
"Ik vond haar en haar volk zich nederwerpend voor de zon in plaats van God, en de Duivel heeft hun daden hun schoon gemaakt en hen van den weg gewend, en zij worden niet geleid —
25
dat zij zich niet nederwerpen voor God, Die het verborgene in de hemelen en op de aarde voortbrengt, en weet hetgeen gij verbergt en hetgeen gij openbaart."
26
"God! Er is geen god dan Hij, de Heer van den Geweldigen Troon."
27
Hij zeide: "Wij zullen zien of gij de waarheid spreekt of van de leugenaars zijt."
28
"Ga met deze brief van mij en werp hem tot hen; trek u dan van hen terug en zie wat zij teruggeven."
29
Zij zeide: "O gij raad! Voorwaar, een edele brief is mij toegeworpen."
30
"Voorwaar, hij is van Salomo, en voorwaar hij luidt: 'In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.'"
31
"'Verheft u niet tegen mij, doch komt tot mij in Toewijding.'"
32
Zij zeide: "O gij raad! Spreekt voor mij uit in mijn zaak. Ik besluit geen zaak totdat gij mij getuigt."
33
Zij zeiden: "Wij bezitten kracht en grote macht. Doch het bevel is het uwe; overweeg dus wat gij wilt bevelen."
34
Zij zeide: "Voorwaar, koningen, wanneer zij een stad binnentrekken, verwoesten haar, en maken de machtigsten van haar volk de laagsten. En aldus doen zij."
35
"En voorwaar, ik zal hun een geschenk zenden, en zien waarmee de boodschappers terugkeren."
36
En toen hij tot Salomo kwam, zeide hij: "Zoudt gij mij met rijkdom willen begunstigen? Hetgeen God mij heeft gegeven is beter dan hetgeen Hij u heeft gegeven. Neen, gij zijt het die zich verheugt in uw geschenk."
37
"Keert tot hen terug! Wij zullen voorzeker met heerscharen over hen komen die zij niet kunnen weerstaan, en wij zullen hen er voorzeker uit verdrijven, vernederd, en zij zullen gedemoemd worden."
38
Hij zeide: "O gij raad! Wie van u zal mij haar troon brengen vóór zij tot mij komt in Toewijding?"
39
Een krachtige der schimmen zeide: "Ik zal hem tot u brengen vóór gij van uw zitplaats opstaat. En voorwaar, ik ben sterk en betrouwbaar daarin."
40
Hij die kennis had van het Boek zeide: "Ik zal hem tot u brengen vóór uw blik tot u terugkeert." En toen hij hem vóór zich geplaatst zag, zeide hij: "Dit is van de gunst mijns Heren, om mij te beproeven of ik dankbaar ben of ondankbaar. En wie dankbaar is, is slechts dankbaar voor zijn eigen ziel; en wie ondankbaar is — voorwaar, mijn Heer is Zelfgenoegzaam, Edelmoedig."
41
Hij zeide: "Vermom haar troon voor haar; wij zullen zien of zij geleid wordt of behoort tot hen die niet geleid worden."
42
En toen zij kwam, werd gezegd: "Is uw troon als deze?" Zij zeide: "Het is alsof hij het is." "En ons was kennis gegeven vóór haar, en wij waren Toegewijden."
43
En hetgeen zij aanbad naast God had haar afgewend. Voorwaar, zij behoorde tot een volk dat verhult.
44
Tot haar werd gezegd: "Treed de voorhof binnen." En toen zij het zag, achtte zij het een poel, en ontblootte haar benen. Hij zeide: "Voorwaar, het is een voorhof geplaveid met glas." Zij zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, ik heb mijzelve onrecht aangedaan, en ik wijd mij toe met Salomo aan God, Heer der werelden."
45
En voorwaar, Wij zonden tot Thamoed hun broeder Saalih: "Aanbidt God." En zie, zij waren twee groepen die twistten.
46
Hij zeide: "O mijn volk! Waarom verhaast gij het kwaad vóór het goede? Zocht gij maar vergiffenis van God, opdat u wellicht barmhartigheid moge worden getoond."
47
Zij zeiden: "Wij voorspellen kwaad van u en van hen die met u zijn." Hij zeide: "Uw voorspelling is bij God. Neen, gij zijt een volk dat beproefd wordt."
48
En er waren in de stad negen benden die verderf werkten in het land en niet verbeterden.
49
Zij zeiden: "Zweert elkander bij God: 'Wij zullen hem voorzeker des nachts aanvallen, hem en zijn huisgezin; dan zullen wij voorzeker tot zijn erfgenaam zeggen: Wij waren niet getuige van de vernietiging van zijn huisgezin, en voorwaar wij zijn waarachtig.'"
50
En zij beraamden een plan, en Wij beraamden een plan, terwijl zij het niet bespeurden.
51
Aanschouwt dan hoe het einde was van hun plan: dat Wij hen vernietigden en hun volk, allen tezamen.
52
En daar staan hun huizen, in puin gevallen omdat zij onrecht deden. Voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat weet.
53
En Wij redden hen die geloofden en godvrezend plachten te zijn.
54
En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: "Begaat gij onzedelijkheid terwijl gij het ziet?"
55
"Nadert gij waarlijk mannen in lust in plaats van vrouwen? Neen, gij zijt een onwetend volk."
56
En het antwoord van zijn volk was niets dan dat zij zeiden: "Verdrijft het huisgezin van Lot uit uw stad. Voorwaar, zij zijn lieden die rein willen blijven."
57
Dus redden Wij hem en zijn huisgezin, behalve zijn vrouw; Wij bestemden haar te zijn van hen die achterbleven.
58
En Wij regende op hen een regen. En kwaad was de regen dergenen die gewaarschuwd werden.
59
Zeg: "Lof zij God, en vrede zij over Zijn dienaren die Hij heeft gekozen. Is God beter, of hetgeen zij Hem toekennen?"
60
Of: Wie schiep de hemelen en de aarde en zond voor u water van den hemel neder? En Wij doen daardoor tuinen der verrukking groeien. Het was niet aan u hun bomen te doen groeien. Is er een god met God? Neen, zij zijn een volk dat afwijkt.
61
Of: Wie maakte de aarde een verblijfplaats en plaatste rivieren erdoorheen en plaatste er vaste bergen op en plaatste een barrière tussen de twee zeeën? Is er een god met God? Neen, de meesten hunner weten het niet.
62
Of: Wie antwoordt den noodlijdende wanneer hij Hem aanroept en het kwaad wegneemt en u opvolgers der aarde maakt? Is er een god met God? Weinig gedenkt gij!
63
Of: Wie leidt u in de duisternissen van het land en de zee, en wie zendt de winden als blijde tijdingen vóór Zijn barmhartigheid? Is er een god met God? Verheven is God boven hetgeen zij Hem toekennen.
64
Of: Wie begint de schepping, herhaalt haar dan, en wie voorziet u van den hemel en de aarde? Is er een god met God? Zeg: "Brengt uw bewijs, indien gij waarachtig zijt."
65
Zeg: "Niemand in de hemelen en op de aarde kent het verborgene dan God. En zij beseffen niet wanneer zij zullen worden opgewekt."
66
Neen, hun kennis schiet tekort omtrent het Hiernamaals. Neen, zij zijn in twijfel erover. Neen, zij zijn er blind voor.
67
En zij die verhullen zeggen: "Wanneer wij tot stof zijn geworden, en onze vaderen, zullen wij dan voorwaar worden voortgebracht?"
68
"Voorwaar, ons is dit beloofd, ons en onzen vaderen, voorheen. Dit is niets dan fabelen der ouden."
69
Zeg: "Reist over de aarde en ziet hoe het einde was der schuldigen."
70
En treur niet over hen, en wees niet benauwd vanwege hetgeen zij beramen.
71
En zij zeggen: "Wanneer is deze belofte, indien gij waarachtig zijt?"
72
Zeg: "Het kan zijn dat iets van hetgeen gij zoekt te verhaasten dicht achter u is."
73
En voorwaar, uw Heer is vol van gunst jegens de mensen, doch de meesten hunner geven geen dank.
74
En voorwaar, uw Heer weet hetgeen hun borsten verbergen en hetgeen zij openbaren.
75
En er is niets verborgen in den hemel en op de aarde of het is in een duidelijk Boek.
76
Voorwaar, deze Voordracht verhaalt den Kinderen Israëls het meeste waarover zij verschillen.
77
En voorwaar, zij is een leiding en een barmhartigheid voor de gelovigen.
78
Voorwaar, uw Heer beslist tussen hen door Zijn oordeel. En Hij is de Machtige, de Alwetende.
79
Vertrouw dus op God. Voorwaar, gij staat op de klaarblijkelijke waarheid.
80
Voorwaar, gij kunt de doden niet doen horen, noch kunt gij de doven den roep doen horen wanneer zij hun rug keren,
81
en gij kunt de blinden niet leiden uit hun dwaling. Gij kunt niemand doen horen dan hen die geloven in Onze tekenen, en zij zijn Toegewijden.
82
En wanneer het woord tegen hen is vervuld, zullen Wij voor hen een schepsel der aarde voortbrengen dat tot hen spreekt: dat de mensen niet zeker plachten te zijn van Onze tekenen.
83
En op den Dag waarop Wij uit elke gemeenschap een heir vergaderen van hen die Onze tekenen loochenden, en zij worden opgesteld,
84
totdat, wanneer zij komen, Hij zegt: "Loochendet gij Mijn tekenen terwijl gij ze niet in kennis omvattet? Of wat was het dat gij placht te doen?"
85
En het woord is tegen hen vervuld omdat zij onrecht deden, en zij spreken niet.
86
Hebben zij niet gezien dat Wij den nacht hebben gemaakt opdat zij daarin mogen rusten, en den dag zichtgevend? Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat gelooft.
87
En op den Dag waarop de Bazuin wordt geblazen, en allen die in de hemelen zijn en allen die op de aarde zijn verschrikt worden, behalve wie God wil. En allen komen tot Hem, vernederd.
88
En gij ziet de bergen, hen vast gevestigd achtend, terwijl zij voorbijgaan als het voorbijgaan van wolken — het handwerk Gods, Die alle dingen heeft vervolmaakt. Voorwaar, Hij is Gewaar van hetgeen gij doet.
89
Wie een goede daad brengt zal beter dan haar hebben, en zij zijn, voor de verschrikking van die Dag, veilig.
90
En wie een kwade daad brengt — hun aangezichten zullen in het Vuur worden gestooten: "Wordt gij vergolden dan voor hetgeen gij placht te doen?"
91
"Mij is slechts bevolen de Heer dezer stad te aanbidden, Die haar heilig heeft gemaakt, en aan Wie alle dingen behoren. En mij is bevolen te zijn van hen die Toegewijd zijn,
92
en dat ik de Voordracht voordraag." Wie dus geleid wordt, wordt slechts geleid voor zijn eigen ziel. En wie dwaalt — zeg dan: "Ik ben slechts van de waarschuwers."
93
En zeg: "Lof zij God! Hij zal u Zijn tekenen tonen en gij zult ze herkennen." En uw Heer is niet achteloos omtrent hetgeen gij doet.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 27 — An-Naml (De Mier)

Algemene opmerkingen

De soera van Salomo: de spraak der vogels, de mier die haar gemeenschap waarschuwt, de koningin van Seba die zich met Salomo toewijdt aan God. Dieren spreken hier als redelijke wezens.

Stamanalyse

v.16: Stam ن-ط-ق (n-th-q) — “de spraak der vogels”

مَنطِقَ الطَّيْرِ — dezelfde stam als مَنْطِق (logica). Salomo hoort niet slechts diergeluiden — hij begrijpt hun logica, hun redelijke communicatie. Dit verheft dierlijke communicatie van geluid tot betoog, in lijn met 6:38 (“gemeenschappen gelijk u”).

v.18: De spraak der mier

De mier richt zich tot haar gemeenschap: يَا أَيُّهَا النَّمْلُ ادْخُلُوا مَسَاكِنَكُمْ — het werkwoord gebruikt de mannelijke meervoudsvorm voor redelijke wezens. De Voordracht verleent de mier redelijke spraak en gemeenschapsbewustzijn. Salomo glimlacht om haar woorden (v.19).

v.40: Stam ع-ل-م (‘ayn-l-m) — “kennis uit het Boek”

Degene met kennis uit het Boek vervoert de troon der koningin ogenblikkelijk — sneller dan de krachtige verschijning (‘ifriet). Kennis uit het Boek overtreft alle stoffelijke en verborgen macht.

Integratieve verbanden

  • v.40 “dit is van de schenkingen mijns Heren, om mij te beproeven” ↔ 28:76–78 (Korach): macht is een beproeving, geen beloning.
  • De koningin van Seba (vv.32–44): een model van vrouwelijk leiderschap — zij raadpleegt haar raad, toetst Salomo, en wijdt zich uiteindelijk toe aan “God, Heer der werelden.”
28
Al-Qasas De Verhalen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Taa, Sien, Miem.
2
Dit zijn de tekenen van het duidelijke Boek.
3
Wij dragen u voor van de berichten van Mozes en Farao in waarheid, voor een volk dat gelooft.
4
Voorwaar, Farao verhief zich in het land en maakte zijn volk tot groepen, een partij onder hen onderdrukkend, hun zonen doodend en hun vrouwen sparend. Voorwaar, hij behoorde tot de verdervenden.
5
En Wij wensten gunst te betonen aan hen die onderdrukt werden in het land, en hen tot leiders te maken, en hen tot de erfgenamen te maken,
6
en hen te vestigen in het land, en Farao en Hamaan en hun heerscharen te tonen hetgeen zij van hen vreesden.
7
En Wij openbaarden aan de moeder van Mozes: "Zoogt hem; en wanneer gij voor hem vreest, werp hem dan in de rivier, en vrees niet en treur niet. Voorwaar, Wij zullen hem tot u herstellen en hem maken tot een der boodschappers."
8
En het huisgezin van Farao nam hem op, opdat hij hun een vijand en een smart mocht zijn. Voorwaar, Farao en Hamaan en hun heerscharen waren zondaars.
9
En de vrouw van Farao zeide: "Een troost des oogs voor mij en voor u. Doodt hem niet; wellicht kan hij ons van nut zijn, of wij kunnen hem als zoon aannemen." En zij bespeurden het niet.
10
En het hart van de moeder van Mozes werd ledig. Zij zou het welhaast hebben onthuld, hadden Wij haar hart niet gesterkt, opdat zij van de gelovigen mocht zijn.
11
En zij zeide tot zijn zuster: "Volg hem." En zij nam hem van verre waar, terwijl zij het niet bespeurden.
12
En Wij hadden hem voedstervrouwen verboden voordien. Dus zeide zij: "Zal ik u wijzen naar een huisgezin dat hem voor u zal grootbrengen en goed voor hem zal zijn?"
13
Dus herstelden Wij hem tot zijn moeder, opdat haar oog mocht worden getroost en zij niet zou treuren, en opdat zij mocht weten dat de belofte Gods waar is, doch de meesten hunner weten het niet.
14
En toen hij zijn rijpheid bereikte en gevestigd was, gaven Wij hem het oordeel en de kennis. En aldus vergelden Wij hen die goed doen.
15
En hij ging de stad binnen op een tijd van achteloosheid van haar volk, en vond daarin twee mannen vechtend — deze van zijn partij en deze van zijn vijand. En hij van zijn partij riep zijn hulp in tegen hem van zijn vijand; dus sloeg Mozes hem en maakte een einde aan hem. Hij zeide: "Dit is van het werk des Duivels. Voorwaar, hij is een klaarblijkelijke misleidende vijand."
16
Hij zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, ik heb mijzelve onrecht aangedaan; vergeef mij dus." En Hij vergaf hem. Voorwaar, Hij is de Alvergevende, de Meest Barmhartige.
17
Hij zeide: "Mijn Heer! Omdat Gij mij Uw gunst hebt geschonken, zal ik nimmer een steun zijn voor de schuldigen."
18
En hij werd in de stad bevreesd, wakend. En zie, hij die den dag tevoren zijn hulp had ingeroepen riep hem weer om hulp. Mozes zeide tot hem: "Voorwaar, gij zijt een klaarblijkelijke onruststoker."
19
En toen hij op het punt stond hem te grijpen die een vijand was voor hen beiden, zeide hij: "O Mozes! Wilt gij mij doden gelijk gij gisteren een ziel dooddet? Gij wenst slechts een tiran te zijn in het land, en gij wenst niet te zijn van de hervormers."
20
En een man kwam van het verste deel der stad, rennend. Hij zeide: "O Mozes! Voorwaar, de raad overlegt over u, om u te doden. Vertrek dus; voorwaar, ik ben u een raadgever."
21
Dus vertrok hij daarvan, bevreesd, wakend. Hij zeide: "Mijn Heer! Red mij van het onrechtvaardige volk."
22
En toen hij zijn aangezicht wendde naar Midjan, zeide hij: "Het kan zijn dat mijn Heer mij zal leiden op den rechten weg."
23
En toen hij aankwam bij het water van Midjan, vond hij daar een schare van mensen die drenkte, en hij vond afgezonderd van hen twee vrouwen die terughielden. Hij zeide: "Wat scheelt u?" Zij zeiden: "Wij kunnen niet drenken totdat de herders hun kudden wegvoeren. En onze vader is een hoogbejaard man."
24
Dus drenkte hij voor hen; toen trok hij zich terug in de schaduw en zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, ik ben behoeftig aan al het goede dat Gij tot mij nederzendt."
25
Toen kwam een van de twee tot hem, beschroomd wandelend. Zij zeide: "Voorwaar, mijn vader roept u, opdat hij u moge belonen omdat gij voor ons hebt gedrenkt." En toen hij tot hem kwam en hem het verhaal vertelde, zeide hij: "Vrees niet. Gij zijt ontkomen aan het onrechtvaardige volk."
26
Een van de twee zeide: "O mijn vader! Neem hem in dienst. Voorwaar, de beste die gij kunt huren is de sterke, de betrouwbare."
27
Hij zeide: "Voorwaar, ik wens u te huwen aan een dezer twee dochters van mij, op voorwaarde dat gij mij acht seizoenen dient. En indien gij er tien volmaakt, het is van uw eigen wil. En ik wens u geen moeilijkheid op te leggen. Gij zult mij, zo God wil, van de rechtschapenen vinden."
28
Hij zeide: "Dat is tussen mij en u. Welke der twee termijnen ik ook vervul, er zal geen onrecht jegens mij zijn. En God is Bewaker over hetgeen wij zeggen."
29
En toen Mozes de termijn had vervuld en reisde met zijn huisgezin, bespeurde hij aan de zijde van den berg een vuur. Hij zeide tot zijn huisgezin: "Wacht. Voorwaar, ik bespeur een vuur. Wellicht kan ik u ervan berichten brengen, of een brand uit het vuur, opdat gij u moogt warmen."
30
En toen hij erbij kwam, werd hij geroepen van den rechteroever van het dal, op de gezegende plek, vanuit den boom: "O Mozes! Voorwaar, Ik ben God, de Heer der werelden."
31
"En: Werp uw staf neder." En toen hij haar zag kronkelen alsof zij een slang ware, wendde hij zich om in vlucht en keek niet terug. "O Mozes! Kom nader en vrees niet. Voorwaar, gij behoort tot de veiligen."
32
"Steek uw hand in uw boezem; zij zal wit te voorschijn komen, zonder gebrek. En trek uw arm dicht tegen u aan uit vrees. Dit zijn dan twee bewijzen van uw Heer, tot Farao en zijn raad. Voorwaar, zij zijn een goddeloos volk."
33
Hij zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, ik heb een ziel onder hen gedood, en ik vrees dat zij mij zullen doden."
34
"En mijn broeder Aäron — hij is welsprekender dan ik in rede. Zend hem dus met mij als een steun om mij te bevestigen. Voorwaar, ik vrees dat zij mij zullen loochenen."
35
Hij zeide: "Wij zullen uw arm versterken met uw broeder, en Wij zullen u beiden gezag geven, zodat zij u niet zullen bereiken. Met Onze tekenen zult gij beiden en zij die u volgen zegevieren."
36
En toen Mozes tot hen kwam met Onze duidelijke tekenen, zeiden zij: "Dit is niets dan verzonnen tovenarij. Wij hebben hiervan nooit gehoord onder onze voorvaderen."
37
En Mozes zeide: "Mijn Heer weet het best wie met leiding komt uit Zijn tegenwoordigheid, en wiens het einde zal zijn van de Verblijfplaats. Voorwaar, onrechtvaardigen zullen geen voorspoed hebben."
38
En Farao zeide: "O gij raad! Ik ken voor u geen god anders dan mij. Ontsteek dus voor mij, o Hamaan, op de klei, en bouw mij een toren, opdat ik moge stijgen tot den god van Mozes. En voorwaar, ik acht hem van de leugenaars."
39
En hij was hoogmoedig, hij en zijn heerscharen, in het land, zonder recht, en zij meenden dat zij niet tot Ons zouden worden teruggevoerd.
40
Dus grepen Wij hem en zijn heerscharen en wierpen hen in de zee. Aanschouwt dan hoe het einde was der onrechtvaardigen.
41
En Wij maakten hen tot leiders die roepen tot het Vuur, en op den Dag der Opstanding zullen zij niet worden geholpen.
42
En Wij deden een vloek hen volgen in deze wereld, en op den Dag der Opstanding zullen zij onder de verfoeiden zijn.
43
En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek, nadat Wij de vroegere geslachten hadden vernietigd, als duidelijke bewijzen voor de mensen en een leiding en een barmhartigheid, opdat zij wellicht mochten gedenken.
44
En gij waart niet aan de westelijke zijde toen Wij aan Mozes het gebod verordenden, en gij waart niet onder de getuigen.
45
Doch Wij verwekten geslachten, en lang waren de tijdperken over hen. En gij waart geen bewoner onder het volk van Midjan, hun Onze tekenen voorlezend; doch Wij waren de zenders.
46
En gij waart niet naast den berg toen Wij riepen. Doch het is een barmhartigheid van uw Heer, opdat gij een volk moogt waarschuwen tot wie geen waarschuwer was gekomen vóór u, opdat zij wellicht mogen gedenken.
47
En opdat niet, indien hen een rampspoed treft vanwege hetgeen hun handen hebben voorgezonden, zij zouden zeggen: "Onze Heer! Waarom hebt Gij ons geen boodschapper gezonden, opdat wij Uw tekenen hadden mogen volgen en van de gelovigen hadden kunnen zijn?"
48
En toen de waarheid tot hen kwam van Ons, zeiden zij: "Waarom is hem niet het gelijke gegeven van hetgeen aan Mozes was gegeven?" Verwierpen zij niet hetgeen aan Mozes voordien was gegeven? Zij zeiden: "Twee toverijen die elkander steunen." En zij zeiden: "Voorwaar, wij verwerpen het geheel."
49
Zeg: "Brengt dan een boek van God dat een betere gids is dan deze twee, en ik zal het volgen, indien gij waarachtig zijt."
50
En indien zij u niet antwoorden, weet dan dat zij niets volgen dan hun begeerten. En wie is verder afgedwaald dan hij die zijn begeerte volgt zonder leiding van God? Voorwaar, God leidt het onrechtvaardige volk niet.
51
En voorwaar, Wij hebben het woord tot hen overgebracht, opdat zij wellicht mogen gedenken.
52
Zij aan wie Wij het Boek gaven vóór het — zij geloven erin.
53
En wanneer het hun wordt voorgedragen, zeggen zij: "Wij geloven erin. Voorwaar, het is de waarheid van onzen Heer. Voorwaar, wij waren, vóór het, van hen die zich toewijdden."
54
Dezen zullen hun beloning tweemaal worden gegeven, omdat zij geduldig waren, en zij weren het kwaad af met het goede, en zij besteden van hetgeen Wij hun hebben geschonken.
55
En wanneer zij ijdel gepraat horen, wenden zij zich ervan af en zeggen: "Ons onze daden, en u uw daden. Vrede zij u. Wij zoeken niet de onwetenden."
56
Voorwaar, gij leidt niet wie gij bemint, doch God leidt wie Hij wil. En Hij weet het best wie geleid worden.
57
En zij zeggen: "Indien wij de leiding met u volgen, zullen wij uit ons land worden weggerukt." Hebben Wij voor hen niet een veilig heiligdom gevestigd, waartoe de vruchten van alle dingen worden gebracht als een voorziening van Ons? Doch de meesten hunner weten het niet.
58
En hoevele steden hebben Wij vernietigd die ondankbaar waren voor hun levensonderhoud! En daar staan hun woningen, onbewoond na hen behalve een weinig. En Wij waren de erfgenamen.
59
En uw Heer zou de steden niet vernietigen totdat Hij naar hun moederstad een boodschapper had gezonden, hun Onze tekenen voorlezend. En Wij zouden de steden niet vernietigen dan dat hun bewoners onrechtvaardigen waren.
60
En al wat u is gegeven is slechts een genot van het leven dezer wereld en een sieraad ervan. En hetgeen bij God is, is beter en bestendiger. Zult gij dan niet begrijpen?
61
Is dan hij aan wie Wij een schone belofte hebben beloofd, en hij zal haar ontvangen, gelijk aan hem die Wij het genot van het leven dezer wereld hebben gegeven, en dan op den Dag der Opstanding zal hij zijn van hen die worden voorgeleid?
62
En op den Dag waarop Hij hen zal roepen en zeggen: "Waar zijn Mijn deelgenoten die gij placht te beweren?"
63
Zij tegen wie het woord is gerechtvaardigd zeggen: "Onze Heer! Dezen zijn zij die wij op een dwaalspoor leidden. Wij leidden hen op een dwaalspoor gelijk wij zelven dwaalden. Wij verklaren onze onschuld voor U. Het waren niet wij die zij aanbaden."
64
En er wordt gezegd: "Roept uw deelgenoten aan." En zij roepen hen aan, doch zij antwoorden hun niet. En zij aanschouwen de kastijding. Waren zij maar geleid geweest!
65
En op den Dag waarop Hij hen zal roepen en zeggen: "Wat antwoorddet gij den boodschappers?"
66
Dan zullen de berichten voor hen verduisterd zijn op die Dag, en zij zullen elkander niet ondervragen.
67
Doch wat hem betreft die berouw heeft en gelooft en het goede doet, het kan zijn dat hij tot de voorspoedigen zal behoren.
68
En uw Heer schept wat Hij wil en kiest. De keus is niet de hunne. Verheven zij God, en verheven is Hij boven hetgeen zij Hem toekennen.
69
En uw Heer weet hetgeen hun borsten verbergen en hetgeen zij openbaren.
70
En Hij is God! Er is geen god dan Hij. Hem zij de lof in het eerste en het laatste. En Zijn is het oordeel, en tot Hem zult gij worden teruggevoerd.
71
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien God den nacht eeuwigdurend voor u maakte tot den Dag der Opstanding, welke god buiten God zou u licht kunnen brengen? Zult gij dan niet horen?"
72
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien God den dag eeuwigdurend voor u maakte tot den Dag der Opstanding, welke god buiten God zou u nacht kunnen brengen waarin gij rust? Zult gij dan niet zien?"
73
En van Zijn barmhartigheid heeft Hij voor u den nacht en den dag gemaakt, opdat gij daarin moogt rusten, en opdat gij van Zijn gunst moogt zoeken, en opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
74
En op den Dag waarop Hij hen zal roepen en zeggen: "Waar zijn Mijn deelgenoten die gij placht te beweren?"
75
En Wij zullen uit elke gemeenschap een getuige voortbrengen, en zeggen: "Brengt uw bewijs." Dan zullen zij weten dat de waarheid aan God behoort, en hetgeen zij plachten te verzinnen zal van hen wegdwalen.
76
Voorwaar, Korach behoorde tot het volk van Mozes, en hij onderdrukte hen. En Wij gaven hem van de schatten waarvan de sleutels een bende sterke mannen zouden hebben belast. Toen zijn volk tot hem zeide: "Wees niet uitgelaten. Voorwaar, God bemint niet de uitgelatenen."
77
"Doch zoek, met hetgeen God u heeft gegeven, de verblijfplaats van het Hiernamaals, en vergeet niet uw deel van deze wereld. En doe goed gelijk God u goed heeft gedaan. En zoek geen verderf op de aarde. Voorwaar, God bemint niet de verdervenden."
78
Hij zeide: "Het is mij slechts gegeven vanwege kennis die ik bezit." Wist hij niet dat God vóór hem van de geslachten had vernietigd hen die machtiger waren dan hij in kracht en groter in vergaring? En de schuldigen worden niet ondervraagd naar hun zonden.
79
En hij ging uit voor zijn volk in zijn praal. Zij die het leven dezer wereld begeerden zeiden: "Ware ons maar het gelijke gegeven van hetgeen aan Korach is gegeven! Voorwaar, hij bezit een groot fortuin."
80
En zij die kennis was gegeven zeiden: "Wee u! De beloning Gods is beter voor hem die gelooft en het goede doet. En niemand zal haar ontvangen dan de geduldigen."
81
Dus deden Wij de aarde hem en zijn woning verzwelgen. En er was geen heir dat hem kon helpen naast God, en hij behoorde niet tot hen die zichzelven konden helpen.
82
En zij die den dag tevoren zijn plaats hadden gewenst begonnen te zeggen: "Ach! God verruimt de voorziening voor wie Hij wil van Zijn dienaren en beperkt haar. Had God ons niet genadig geweest, Hij zou de aarde ons hebben doen verzwelgen. Ach! Zij die verhullen hebben geen voorspoed."
83
Dat is de verblijfplaats van het Hiernamaals. Wij wijzen haar toe aan hen die geen verhevenheid zoeken op de aarde noch verderf. En het einde is voor de godvrezenden.
84
Wie een goede daad brengt zal beter dan haar hebben. En wie een kwade daad brengt — zij die kwade daden doen zullen niet worden vergolden dan voor hetgeen zij plachten te doen.
85
Voorwaar, Hij Die de Voordracht op u heeft verordend zal u voorzeker terugbrengen naar een plaats van terugkeer. Zeg: "Mijn Heer weet het best wie met leiding komt en wie in klaarblijkelijke dwaling is."
86
En gij verwachtte niet dat het Boek tot u zou worden geworpen, behalve als een barmhartigheid van uw Heer. Wees dus geen steun voor hen die verhullen.
87
En laat hen u niet afwenden van de tekenen Gods nadat zij tot u zijn nedergezonden. En roep tot uw Heer, en wees niet van hen die deelgenoten toekennen.
88
En roep naast God geen andere god aan. Er is geen god dan Hij. Alle dingen vergaan behalve Zijn aanschijn. Zijn is het oordeel, en tot Hem zult gij worden teruggevoerd.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 28 — Al-Qasas (De Verhalen)

Algemene opmerkingen

De soera draagt de naam “De Verhalen” (القصص, al-qasas, stam ق-ص-ص: volgen, navertellen) — dezelfde stam als in 12:3 (het schoonste der verhalen). Waar soera 12 één doorlopend verhaal vertelt, weeft soera 28 het Mozesverhaal met hedendaagse Mekkaanse zorgen. Het Mozesverhaal hier (vv.3–43) is het meest persoonlijke portret van Mozes in de Voordracht: zijn kindertijd, zijn vlucht naar Midjan, zijn huwelijk.

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.82: “zij die verhullen hebben geen voorspoed” — na het lot van Korach, wiens rijkdom hem niet kon redden. In v.86: “wees dus geen steun voor hen die verhullen” — het verhullen werkt aanstekelijk; men moet er afstand van houden.

“Voordracht” voor القرآن (al-Qur’aan)

In v.85: “Hij Die de Voordracht op u heeft verordend zal u voorzeker terugbrengen naar een plaats van terugkeer.” De Voordracht is hier verbonden met de belofte van terugkeer — een cyclisch motief.

“toewijdden” voor مسلمين (moeslimien)

In v.53: “wij waren, vóór het, van hen die zich toewijdden” — de Lieden des Boeks die reeds toegewijd waren vóór de komst van deze Voordracht. De toewijding is geen exclusief islamitische categorie.

v.7: De moeder van Mozes

“Wij openbaarden aan de moeder van Mozes: ‘Zoogt hem; en wanneer gij voor hem vreest, werp hem dan in de rivier.’” Het woord “openbaarden” (أَوْحَيْنَا, awhajna) — hetzelfde werkwoord als voor profetische openbaring — wordt hier gebruikt voor de moeder van Mozes. Goddelijke inspiratie reikt verder dan het formele profeetschap.

vv.76–82: Korach — de rijkdom die verzwelgt

Het Korachverhaal is een waarschuwing tegen het vergoden van rijkdom. “Het is mij slechts gegeven vanwege kennis die ik bezit” (v.78) — Korach schrijft zijn fortuin toe aan eigen verdienste, niet aan Gods gunst. De aarde verzwelgt hem (v.81): de materie die hij aanbad, verslindt hem.

v.85: De plaats van terugkeer

“Zal u voorzeker terugbrengen naar een plaats van terugkeer” (معاد, ma’aad). Conventioneel gelezen als de terugkeer naar Mekka, maar de stam ع-و-د (terugkeren) laat een diepere lezing toe: God brengt de Profeet terug naar de oorsprong, de bron, de terugkerende Manifestatie. Elke dispensatie is een معاد — een terugkeer.

v.88: Alles vergaat behalve Zijn Aanschijn

“Alle dingen vergaan behalve Zijn aanschijn” (وَجْهَه, wajhahu). Stam و-ج-ه: gelaat, richting, aanschijn. Dit echoot 55:26–27 nagenoeg letterlijk. Het وَجْه Gods is Zijn blijvende werkelijkheid — alles wat tijdelijk is vergaat, slechts het goddelijke Aanschijn houdt stand.

v.46: Barmhartigheid als zendingsdoel

“Het is een barmhartigheid van uw Heer, opdat gij een volk moogt waarschuwen tot wie geen waarschuwer was gekomen vóór u.” De openbaring is barmhartigheid, niet straf — zelfs de waarschuwing is een gunstbewijs.

Integratieve verbanden

  • v.88 (alles vergaat behalve Zijn Aanschijn) ↔ 55:26–27: nagenoeg identieke bewoordingen
  • v.30 (het brandende braambos) ↔ 20:12 en 27:8: drie versies van dezelfde ontmoeting
  • v.85 (de plaats van terugkeer) ↔ 10:4 en 11:4: het terugkeermotief
  • vv.76–82 (Korach) ↔ 29:39: Korach verschijnt in beide soera’s als waarschuwing
29
Al-Ankaboet De Spin
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Miem.
2
Menen de mensen dat zij zullen worden gelaten te zeggen: "Wij geloven," en dat zij niet zullen worden beproefd?
3
En voorwaar, Wij beproefden hen die vóór hen waren; en God zal voorzeker weten wie waarachtig zijn, en Hij zal voorzeker de leugenaars kennen.
4
Of menen zij die kwade daden verrichten dat zij Ons zullen ontvluchten? Kwaad is wat zij oordelen.
5
Wie hoopt op de ontmoeting met God, dan voorwaar de termijn Gods komt; en Hij is de Horende, de Wetende.
6
En wie strijdt, strijdt slechts voor zijn eigen ziel; voorwaar, God is Zelfgenoegzaam boven de werelden.
7
En zij die geloven en rechtvaardige werken doen, Wij zullen voorzeker hun kwade daden van hen wegnemen en hen voorzeker belonen met het beste van hetgeen zij plachten te doen.
8
En Wij hebben den mens goedheid jegens zijn ouders opgelegd. Doch indien zij met u strijden om u deelgenoten aan Mij toe te kennen waarvan gij geen kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot Mij is uw terugkeer, en Ik zal u inlichten over hetgeen gij placht te doen.
9
En zij die geloven en rechtvaardige werken doen, Wij zullen hen voorzeker toelaten onder de rechtvaardigen.
10
En onder de mensen is hij die zegt: "Wij geloven in God"; wanneer hij dan wordt getroffen op den weg Gods, neemt hij de beproeving der mensen als de kastijding Gods. En indien bijstand komt van uw Heer, zullen zij voorzeker zeggen: "Voorwaar, wij waren met u." Is God niet het best wetend van hetgeen in de borsten der werelden is?
11
En God zal voorzeker hen kennen die geloven, en Hij zal voorzeker de huichelaars kennen.
12
En zij die verhullen zeggen tot hen die geloven: "Volgt onze weg, en wij zullen uw zonden dragen." Zij zullen niets van hun zonden dragen; voorwaar, zij zijn leugenaars.
13
En zij zullen voorzeker hun lasten dragen, en lasten bij hun lasten, en zij zullen voorzeker worden ondervraagd op den Dag der Opstanding over hetgeen zij plachten te verzinnen.
14
En voorwaar, Wij zonden Noach tot zijn volk, en hij verbleef onder hen duizend jaren min vijftig. En de Vloed greep hen terwijl zij onrechtvaardigen waren.
15
Toen redden Wij hem en de gezellen van het schip, en Wij maakten het een teken voor de werelden.
16
En Abraham, toen hij tot zijn volk zeide: "Aanbidt God en vreest Hem. Dat is beter voor u, indien gij het maar wist.
17
Gij aanbidt slechts afgoden naast God, en gij schept een leugen. Voorwaar, zij die gij aanbidt naast God bezitten geen voorziening voor u. Zoekt dus bij God de voorziening en aanbidt Hem en weest Hem dankbaar; tot Hem zult gij worden teruggevoerd."
18
En indien gij loochent, dan hebben naties vóór u geloochend. En op den Boodschapper rust niets dan de duidelijke overbrenging.
19
Hebben zij niet gezien hoe God de schepping voortbrengt, dan haar herhaalt? Voorwaar, dat is voor God gemakkelijk.
20
Zeg: "Reist over de aarde en ziet hoe Hij de schepping voortbracht. Dan brengt God de latere schepping voort. Voorwaar, God is over alle dingen Machtig.
21
Hij kastijdt wie Hij wil en ontfermt Zich over wie Hij wil; en tot Hem zult gij worden gewend.
22
En gij kunt Hem niet verijdelen op de aarde noch in den hemel; en gij hebt, buiten God, geen beschermer en geen helper."
23
En zij die de tekenen Gods en de ontmoeting met Hem verhullen, dezen hebben gewanhoopt aan Mijn barmhartigheid; en dezen, voor hen is een pijnlijke kastijding.
24
En het antwoord van zijn volk was niets dan dat zij zeiden: "Doodt hem of verbrandt hem!" Doch God redde hem uit het vuur. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat gelooft.
25
En hij zeide: "Gij hebt slechts afgoden naast God genomen uit genegenheid tussen u in het leven dezer wereld. Dan zult gij op den Dag der Opstanding elkander verloochenen en elkander vervloeken; en uw verblijfplaats is het Vuur, en gij zult geen helpers hebben."
26
En Lot geloofde hem. En hij zeide: "Voorwaar, ik trek weg naar mijn Heer; voorwaar, Hij is de Machtige, de Wijze."
27
En Wij gaven hem Izaäk en Jacob, en Wij plaatsten onder zijn nakomelingen het profeetschap en het Boek; en Wij gaven hem zijn beloning in deze wereld; en voorwaar, in het Hiernamaals behoort hij tot de rechtvaardigen.
28
En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: "Voorwaar, gij begaat een onzedelijkheid die niemand der werelden vóór u heeft begaan.
29
Nadert gij mannen en snijdt gij den weg af en begaat gij in uw bijeenkomsten het verwerpelijke?" En het antwoord van zijn volk was niets dan dat zij zeiden: "Breng ons de kastijding Gods, indien gij van de waarachtigen zijt."
30
Hij zeide: "Mijn Heer! Sta mij bij tegen het volk dat verderf werkt."
31
En toen Onze boodschappers tot Abraham kwamen met de blijde tijdingen, zeiden zij: "Voorwaar, wij gaan het volk dezer stad vernietigen; voorwaar, haar volk zijn onrechtvaardigen."
32
Hij zeide: "Voorwaar, Lot is daarin." Zij zeiden: "Wij weten beter wie daarin is. Wij zullen hem voorzeker redden en zijn huisgezin, behalve zijn vrouw; zij behoort tot hen die achterblijven."
33
En toen Onze boodschappers tot Lot kwamen, was hij bezorgd om hen en zijn arm was benauwd voor hen. En zij zeiden: "Vrees niet, noch treur; voorwaar, wij zullen u en uw huisgezin redden, behalve uw vrouw; zij behoort tot hen die achterblijven.
34
Voorwaar, wij zenden op het volk dezer stad een toorn van den hemel neder omdat zij plachten goddeloos te handelen."
35
En voorwaar, Wij hebben daarvan een duidelijk teken achtergelaten voor een volk dat begrijpt.
36
En tot Midjan hun broeder Sjoe'ajb. En hij zeide: "O mijn volk! Aanbidt God en ziet uit naar den Laatsten Dag, en werkt geen verderf op de aarde."
37
Doch zij loochenden hem, dus greep hen de aardbeving, en des morgens lagen zij in hun woningen, gevallen.
38
En Aad en Thamoed — en het is u duidelijk uit hun woningen. En de duivel maakte hun daden hun schoon, en wendde hen af van den weg, hoewel zij scherpziende waren.
39
En Korach en Farao en Hamaan — en voorwaar, Mozes kwam tot hen met duidelijke bewijzen, doch zij waren hoogmoedig op de aarde; toch konden zij Ons niet ontvluchten.
40
En elk grepen Wij voor zijn zonde. En van hen was hij op wie Wij een storm van stenen zonden, en van hen was hij die de Roep greep, en van hen was hij die Wij de aarde deden verzwelgen, en van hen was hij die Wij verdronken. En God was het niet Die hun onrecht deed, doch zij deden hun eigen zielen onrecht.
41
De gelijkenis dergenen die beschermers nemen naast God is als de gelijkenis der spin die een huis neemt; en voorwaar, het broosste der huizen is het huis der spin, indien zij het maar wisten.
42
Voorwaar, God weet al wat zij aanroepen naast Hem; en Hij is de Machtige, de Wijze.
43
En deze gelijkenissen, Wij slaan ze voor de mensen; en niemand begrijpt ze dan zij die kennis bezitten.
44
God schiep de hemelen en de aarde in waarheid. Voorwaar, daarin is een teken voor de gelovigen.
45
Draag voor hetgeen u is geopenbaard van het Boek, en onderhoud het gebed. Voorwaar, het gebed weerhoudt van onzedelijkheid en het verwerpelijke; en de gedachtenis Gods is groter. En God weet wat gij doet.
46
En twist niet met de Lieden des Boeks dan op de beste wijze, behalve hen onder hen die onrecht doen. En zegt: "Wij geloven in hetgeen tot ons is nedergezonden en hetgeen tot u is nedergezonden; en onze God en uw God is Eén, en aan Hem Onderwerpen wij ons."
47
En aldus hebben Wij tot u het Boek nedergezonden. En zij aan wie Wij het Boek gaven geloven erin, en onder dezen zijn er die erin geloven; en niemand loochent Onze tekenen dan zij die verhullen.
48
En gij placht voordien geen boek voor te dragen, noch schreef gij het met uw rechterhand; dan zouden de volgers der valsheid hebben getwijfeld.
49
Neen, het zijn duidelijke tekenen in de borsten dergenen die kennis is gegeven; en niemand loochent Onze tekenen dan de onrechtvaardigen.
50
En zij zeggen: "Waarom zijn er geen tekenen op hem nedergezonden van zijn Heer?" Zeg: "De tekenen zijn slechts bij God, en ik ben slechts een duidelijk waarschuwer."
51
Is het hun niet voldoende dat Wij tot u het Boek hebben nedergezonden dat hun wordt voorgedragen? Voorwaar, daarin is een barmhartigheid en een herinnering voor een volk dat gelooft.
52
Zeg: "God is voldoende als Getuige tussen mij en u. Hij weet al wat in de hemelen en op de aarde is. En zij die geloven in valsheid en God verhullen, dezen zijn de verliezers."
53
En zij verzoeken u de kastijding te verhaasten. En ware het niet om een vastgestelde termijn, de kastijding zou over hen gekomen zijn; en zij zal voorzeker plotseling over hen komen, terwijl zij het niet beseffen.
54
Zij verzoeken u de kastijding te verhaasten; en voorwaar, het Hellevuur zal hen die verhullen omvatten,
55
op den Dag waarop de kastijding hen van boven en van onder hun voeten zal bedekken. En Hij zal zeggen: "Proeft hetgeen gij placht te doen."
56
O Mijn dienaren die geloven! Voorwaar, Mijn aarde is wijd; aanbidt Mij dus alleen.
57
Elke ziel zal den dood proeven; dan zult gij tot Ons worden teruggevoerd.
58
En zij die geloven en rechtvaardige werken doen, Wij zullen hen voorzeker vestigen in bovenkamers der Tuin, waaronder rivieren stromen, om daarin te verblijven. Voortreffelijk is de beloning der werkers,
59
degenen die geduldig zijn en hun vertrouwen op hun Heer stellen.
60
En hoeveel schepselen draagt zijn eigen voorziening niet; God voorziet het en u. En Hij is de Horende, de Wetende.
61
En indien gij hun zoudt vragen: "Wie schiep de hemelen en de aarde, en onderwierp de zon en de maan?" zouden zij voorzeker zeggen: "God." Hoe worden zij dan afgewend?
62
God verruimt de voorziening voor wie Hij wil van Zijn dienaren en beperkt haar voor hem. Voorwaar, God is van alle dingen Wetend.
63
En indien gij hun zoudt vragen: "Wie zendt water neder van den hemel en doet de aarde daarmee herleven na haar dood?" zouden zij voorzeker zeggen: "God." Zeg: "Lof zij God!" Doch de meesten hunner hebben geen begrip.
64
En dit leven der wereld is slechts een vermaak en een spel; en voorwaar, de verblijfplaats van het Hiernamaals, zij is het Leven, indien zij het maar wisten.
65
En wanneer zij aan boord gaan van het schip, roepen zij God aan, hun godsdienst oprecht aan Hem wijdend. Wanneer Hij hen dan veilig aan land brengt, zie! zij kennen deelgenoten toe,
66
opdat zij mogen verhullen wat Wij hun hebben gegeven, en opdat zij hun genot mogen nemen. Zij zullen het weldra weten.
67
Hebben zij niet gezien dat Wij een heiligdom veilig hebben gemaakt terwijl rondom hen de mensen worden weggegrist? Geloven zij dan in valsheid en verhullen zij de gunst Gods?
68
En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God, of de waarheid loochent wanneer zij tot hem komt? Is niet in het Hellevuur een verblijfplaats voor hen die verhullen?
69
En zij die in Ons strijden, Wij zullen hen voorzeker leiden op Onze wegen. En voorwaar, God is met de weldoeners.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 29 — Al-Ankaboet (De Spin)

Algemene opmerkingen

De soera opent met de fundamentele vraag: “Menen de mensen dat zij zullen worden gelaten te zeggen: ‘Wij geloven,’ en dat zij niet zullen worden beproefd?” (v.2). Geloof zonder beproeving is geloof zonder bewijs. De soera sluit af met de belofte: “zij die in Ons strijden, Wij zullen hen voorzeker leiden op Onze wegen” (v.69) — leiding als beloning van inspanning, niet als voorwaarde.

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.47: “niemand loochent Onze tekenen dan zij die verhullen.” In v.52: “zij die geloven in valsheid en God verhullen, dezen zijn de verliezers.” Het verhullen van God is het bedekken van de werkelijkheid zelf.

“Toegewijd” voor مسلمين (moeslimien)

In v.46: “onze God en uw God is Eén, en aan Hem Onderwerpen wij ons.” De interreligieuze dialoog is hier het duidelijkst: de gedeelde God is de basis, niet de gedeelde ritus.

v.2: De beproeving als loutering

“Zullen zij niet worden beproefd?” Stam ف-ت-ن: smelten, louteren door vuur, beproeven. De beproeving is geen straf maar zuivering — hetzelfde proces als het smelten van erts (vgl. 13:17). Geloof dat niet getoetst is, is geloof dat niet bewezen is.

v.26: Lot trekt weg naar God

“Ik trek weg naar mijn Heer” (مهاجر إلى ربي). Stam ه-ج-ر: verlaten, emigreren. Lots emigratie is het oerbeeld — niet vluchten van verderf maar bewegen naar het goddelijke. De fysieke migratie belichaamt de geestelijke onthechting. De stam verbindt met de Hidjra van Muhammad.

v.41: Het huis der spin

“De gelijkenis dergenen die beschermers nemen naast God is als de gelijkenis der spin die een huis neemt; en voorwaar, het broosste der huizen is het huis der spin.” Een gelijkenis over valse zekerheid: elk beschermingssysteem dat op iets anders dan God is gebouwd is structureel ondeugdelijk, hoe ingewikkeld het er ook uitziet.

v.46: De interreligieuze richtlijn

“Twist niet met de Lieden des Boeks dan op de beste wijze.” De norm is niet het vermijden van gesprek maar het voeren ervan op de schoonste manier. “Onze God en uw God is Eén” — het gemeenschappelijke fundament is het uitgangspunt.

v.49: Tekenen in de borsten

“Het zijn duidelijke tekenen in de borsten dergenen die kennis is gegeven.” De tekenen zijn niet uitsluitend uitwendig (in de natuur, in het boek) maar ook inwendig — opgeslagen in het hart van de wetenden.

v.64: Het ware Leven

“Dit leven der wereld is slechts een vermaak en een spel; en voorwaar, de verblijfplaats van het Hiernamaals, zij is het Leven.” Stam ح-ي-و (leven) wordt voorbehouden aan het hiernamaals — deze wereld is het spel, de volgende is het echte leven. Een volkomen omkering van de verwachting.

v.69: Strijden in God

“Zij die in Ons strijden, Wij zullen hen voorzeker leiden op Onze wegen.” Stam ج-ه-د (streven, zich inspannen). Leiding is de beloning van inspanning — niet de voorwaarde. De soera sluit de cirkel: de beproeving (v.2) is de weg, de leiding (v.69) is het doel.

Integratieve verbanden

  • v.46 (twist op de beste wijze) ↔ 16:125: dezelfde richtlijn voor interreligieus gesprek
  • v.69 (wie in Ons strijdt wordt geleid) ↔ 22:78: strijden in God
  • v.64 (het Hiernamaals is het Leven) ↔ 87:17: het hiernamaals is beter en bestendiger
  • v.41 (het huis der spin) ↔ 16:68–69 (de bij): dierengelijkenissen als geestelijke spiegel
30
Ar-Roem De Romeinen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Laam, Miem.
2
De Romeinen zijn verslagen
3
in het naaste land; en zij, na hun nederlaag, zullen zegevieren
4
in weinige jaren. Gods is het gebod, vóór en na; en op die Dag zullen de gelovigen zich verheugen
5
in de bijstand Gods. Hij staat bij wie Hij wil; en Hij is de Machtige, de Barmhartige.
6
De belofte Gods. God faalt niet in Zijn belofte, doch de meesten der mensen weten het niet.
7
Zij kennen een uiterlijke schijn van het leven dezer wereld, en van het Hiernamaals zijn zij achteloos.
8
Hebben zij niet in zichzelven nagedacht? God schiep de hemelen en de aarde en wat daartussen is niet dan in waarheid en een vastgestelde termijn. En voorwaar, velen der mensen zijn zij die de ontmoeting met hun Heer verhullen.
9
Zijn zij niet over de aarde gereisd en hebben zij gezien hoe het einde was van hen die vóór hen waren? Zij waren machtiger dan zij in kracht, en zij ploegden de aarde en bouwden daarop meer dan dezen hebben gebouwd; en hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen. En God was het niet Die hun onrecht deed, doch zij deden hun eigen zielen onrecht.
10
Dan was het einde dergenen die het kwaad deden het kwaad, omdat zij de tekenen Gods loochenden en er mee spotten.
11
God brengt de schepping voort, herhaalt haar dan, dan zult gij tot Hem worden teruggevoerd.
12
En op den Dag waarop het Uur komt, zullen de schuldigen verstomd zijn.
13
En zij zullen geen voorsprekers hebben van onder hun deelgenoten, en zij zullen hun deelgenoten verhullen.
14
En op den Dag waarop het Uur komt, op die Dag zullen zij worden gescheiden.
15
Wat hen betreft die geloofden en rechtvaardige werken deden, zij zullen verheugd worden gemaakt in een tuin.
16
En wat hen betreft die verhulden en Onze tekenen en de ontmoeting van het Hiernamaals loochenden, dezen zullen voor de kastijding worden voorgeleid.
17
Verheerlijkt dus God wanneer gij den avond ingaat en wanneer gij den morgen ingaat.
18
En Hem zij lof in de hemelen en op de aarde, en in den namiddag en wanneer gij den middag ingaat.
19
Hij brengt het levende voort uit het dode, en brengt het dode voort uit het levende, en doet de aarde herleven na haar dood. En aldus zult gij worden voortgebracht.
20
En van Zijn tekenen is dat Hij u schiep uit stof, en zie! gij zijt stervelingen, verspreid.
21
En van Zijn tekenen is dat Hij voor u uit u zelven echtgenoten schiep opdat gij rust bij hen moogt vinden, en Hij plaatste tussen u genegenheid en barmhartigheid. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat nadenkt.
22
En van Zijn tekenen is de schepping der hemelen en der aarde, en de verscheidenheid uwer talen en uwer kleuren. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor hen die weten.
23
En van Zijn tekenen is uw slaap bij nacht en bij dag, en uw zoeken van Zijn gunst. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat hoort.
24
En van Zijn tekenen is dat Hij u den bliksem toont, ter vrees en ter hoop, en Hij water van den hemel nederzendt en de aarde daarmee doet herleven na haar dood. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat begrijpt.
25
En van Zijn tekenen is dat de hemel en de aarde bestaan bij Zijn gebod. Wanneer Hij u dan roept met een roep van de aarde, zie! gij komt te voorschijn.
26
En Hem behoort al wie in de hemelen en op de aarde is; allen zijn Hem toegewijd gehoorzaam.
27
En Hij is het Die de schepping voortbrengt, haar dan herhaalt, en het is het gemakkelijkst voor Hem. En Zijn is de verhevenste gelijkenis in de hemelen en op de aarde; en Hij is de Machtige, de Wijze.
28
Hij stelt voor u een gelijkenis op uit u zelven: hebt gij, onder hen die uw rechterhand bezit, deelgenoten in hetgeen Wij u hebben geschonken, zodat gij daarin gelijk zijt, en gij hen vreest zoals gij elkander vreest? Aldus zetten Wij de tekenen uiteen voor een volk dat begrijpt.
29
Neen, zij die onrecht doen volgen hun eigen begeerten zonder kennis. Wie zal dan hem leiden die God doet dwalen? En zij zullen geen helpers hebben.
30
Richt dus uw aangezicht naar de godsdienst, als een man van rein geloof — de natuur Gods naar welke Hij de mensen heeft geschapen. Er is geen verandering in de schepping Gods. Dat is de rechte godsdienst, doch de meesten der mensen weten het niet —
31
u wendend tot Hem; en vreest Hem, en onderhoudt het gebed, en weest niet van hen die deelgenoten toekennen,
32
van hen die hun godsdienst hebben verdeeld en tot groepen zijn geworden, elke partij zich verheugend in hetgeen bij hen is.
33
En wanneer de mensen schade treft, roepen zij hun Heer aan, zich tot Hem wendend; wanneer Hij hen dan van barmhartigheid van Hem doet proeven, zie! een groep hunner kent hun Heer deelgenoten toe,
34
opdat zij mogen verhullen hetgeen Wij hun hebben gegeven. Neemt dan uw genot; gij zult het weldra weten.
35
Of hebben Wij op hen een gezag nedergezonden dat spreekt van hetgeen zij plachten toe te kennen?
36
En wanneer Wij de mensen van barmhartigheid doen proeven, verheugen zij zich erin; en indien hen kwaad treft door hetgeen hun handen voordien hebben gezonden, zie! zij wanhopen.
37
Hebben zij niet gezien dat God de voorziening verruimt voor wie Hij wil en haar beperkt? Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat gelooft.
38
Geeft dus den verwant zijn recht, en den behoeftige, en den reiziger. Dat is het best voor hen die het aanschijn Gods begeren; en dezen zijn de voorspoedigen.
39
En hetgeen gij geeft op woeker, opdat het moge toenemen op de bezittingen der mensen, het neemt niet toe bij God. En hetgeen gij geeft aan aalmoezen, het aanschijn Gods begerende, dezen, zij zijn de vermeerderden.
40
God is het Die u schiep, u dan voorzag, u dan doet sterven, u dan leven geeft. Is er iemand van uw deelgenoten die iets daarvan doet? Verheven zij Hij, en verheven zij Hij boven hetgeen zij Hem toekennen!
41
Verderf is verschenen op het land en de zee door hetgeen de handen der mensen hebben verworven, opdat Hij hen moge doen proeven van hetgeen zij hebben gedaan, opdat zij wellicht mogen terugkeren.
42
Zeg: "Reist over de aarde en ziet hoe het einde was van hen die voordien waren. De meesten hunner waren zij die deelgenoten toekenden."
43
Richt dus uw aangezicht naar de rechte godsdienst vóór er van God een Dag komt die niet kan worden afgewend. Op die Dag zullen zij worden gescheiden.
44
Wie verhult, zijn verhulling is tegen hem; en wie rechtschapenheid werkt, voor hun eigen zielen bereiden zij,
45
opdat Hij hen die geloven en rechtvaardige werken doen moge belonen van Zijn gunst. Voorwaar, Hij bemint niet hen die verhullen.
46
En van Zijn tekenen is dat Hij de winden zendt als brengers van blijde tijdingen, opdat Hij u van Zijn barmhartigheid moge doen proeven, en opdat de schepen mogen varen bij Zijn gebod, en opdat gij van Zijn gunst moogt zoeken, en opdat gij wellicht dankbaar moogt zijn.
47
En voorwaar, Wij zonden vóór u boodschappers tot hun volken, en zij kwamen tot hen met duidelijke bewijzen. Toen namen Wij vergelding op hen die schuldig waren; en het was Ons plicht de gelovigen bij te staan.
48
God is het Die de winden zendt die wolken doen oprijzen, hen dan uitbreidt aan den hemel naar Zijn wil, en hen doet breken, en gij ziet den regen uitgaan uit hun midden. Wanneer Hij dan doet dat hij neervalt op wie Hij wil van Zijn dienaren, zie! zij verheugen zich,
49
hoewel zij vóór het was nedergezonden, daarvóór, in wanhoop verkeerden.
50
Kijkt dus naar de sporen der barmhartigheid Gods, hoe Hij de aarde doet herleven na haar dood. Voorwaar, Hij is de Verlevendiger der doden; en Hij is over alle dingen Machtig.
51
En indien Wij een wind zonden en zij hem geel zagen, zouden zij daarna verhullend blijven.
52
Voorwaar, gij kunt de doden niet doen horen, noch kunt gij de doven den roep doen horen wanneer zij hun rug keren en zich terugtrekken.
53
En gij kunt de blinden niet leiden uit hun dwaling. Gij kunt niemand doen horen dan hen die geloven in Onze tekenen, want zij hebben zich Toegewijd.
54
God is het Die u schiep in zwakte, dan na zwakte kracht bestemde, dan na kracht zwakte en grijs haar bestemde. Hij schept wat Hij wil; en Hij is de Wetende, de Machtige.
55
En op den Dag waarop het Uur komt, zullen de schuldigen zweren dat zij niet langer dan een uur vertoefden. Aldus werden zij afgewend.
56
Doch zij die kennis en geloof is gegeven zullen zeggen: "Gij hebt waarlijk vertoefd, in het besluit Gods, tot den Dag der Opstanding; en dit is de Dag der Opstanding, doch gij placht het niet te weten."
57
Op die Dag zal hun verontschuldiging hen die onrecht deden niet baten, noch zullen zij worden toegelaten zich te beteren.
58
En voorwaar, Wij hebben voor de mensen in deze Voordracht elke soort van gelijkenis geslagen; en indien gij hun een teken brengt, zullen zij die verhullen voorzeker zeggen: "Gij zijt slechts volgers van valsheid."
59
Aldus verzegelt God de harten dergenen die niet weten.
60
Wees dus geduldig; voorwaar, de belofte Gods is waar. En laat hen die niet zeker zijn u niet wankelmoedig maken.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 30 — Ar-Roem (De Romeinen)

Algemene opmerkingen

De soera opent met een profetie: de Romeinen zijn verslagen, doch zij zullen zegevieren “in weinige jaren” (vv.2–4). Een geopolitieke gebeurtenis wordt tot goddelijk teken verheven. Vervolgens ontvouwt zich een reeks “tekenen” (آيات, aajaat) — in de schepping, in het huwelijk, in de verscheidenheid der talen — die culmineert in het begrip fitra: de oorspronkelijke natuur waarin God de mens heeft geschapen (v.30).

Sleutelvertalingen

“verhullen” voor كفر (kafara)

In v.8: “velen der mensen zijn zij die de ontmoeting met hun Heer verhullen.” In v.44: “wie verhult, zijn verhulling is tegen hem” — het verhullen keert zich tegen de verhullende zelf. In v.51: “zouden zij daarna verhullend blijven” — zelfs na het zien van de gele wind.

“Voordracht” voor القرآن (al-Qur’aan)

In v.58: “Wij hebben voor de mensen in deze Voordracht elke soort van gelijkenis geslagen.” De Voordracht bevat alle soorten gelijkenissen — zij is encyclopedisch in haar beeldtaal.

“Toegewijd” voor مسلمين (moeslimien)

In v.53: “Gij kunt niemand doen horen dan hen die geloven in Onze tekenen, want zij hebben zich Toegewijd.” De toewijding is de voorwaarde om te kunnen horen — wie zich niet toewijdt, kan de boodschap niet ontvangen.

v.21: Het huwelijk als teken

“Hij schiep voor u uit u zelven echtgenoten opdat gij rust bij hen moogt vinden, en Hij plaatste tussen u genegenheid en barmhartigheid.” Het huwelijk is een van Gods tekenen — naast de schepping der hemelen en de verscheidenheid der talen. Genegenheid (مودة, mawadda) en barmhartigheid (رحمة, rahma) zijn de twee pilaren.

v.22: Verscheidenheid als teken

“De verscheidenheid uwer talen en uwer kleuren” — taalkundige en raciale verscheidenheid als tekenen Gods, niet als toevalligheid. Dit verbindt met 14:4 (elke boodschapper spreekt in de taal van zijn volk): verscheidenheid is ontworpen.

v.30: De fitra — de oorspronkelijke natuur

“De natuur Gods naar welke Hij de mensen heeft geschapen. Er is geen verandering in de schepping Gods.” Stam ف-ط-ر: splijten, voor het eerst voortbrengen, scheppen. De fitra is niet slechts “menselijke natuur” maar het oorspronkelijke goddelijke patroon — het stempel waarmee elke ziel wordt geslagen. “Er is geen verandering” betekent dat de fitra voortbestaat onder elke bedekking. Dit verbindt met 7:172 (het oerverbond): elke ziel kent God reeds vóór de geboorte. Het verhullen (k-f-r) bedekt deze oorspronkelijke kennis.

v.39: Woeker en aalmoezen — twee economieën

“Hetgeen gij geeft op woeker, het neemt niet toe bij God. En hetgeen gij geeft aan aalmoezen, dezen zijn de vermeerderden.” Stam ر-ب-و: groeien, zwellen, toenemen. Het contrast is vernietigend: woeker vermeerdert menselijke rijkdom maar niet de goddelijke stand, terwijl aalmoezen zich bij God vermeerderen. Twee economieën die volgens tegengestelde wetten werken.

v.41: Verderf op het land en de zee

“Verderf is verschenen op het land en de zee door hetgeen de handen der mensen hebben verworven.” Stam ف-س-د (verderf) verbindt ecologische verwoesting met moreel falen — de buitenwereld weerspiegelt de innerlijke toestand. Een vers van treffende hedendaagse urgentie.

v.54: De cyclus van zwakte en kracht

“God schiep u in zwakte, dan na zwakte kracht, dan na kracht zwakte en grijs haar.” Het menselijke leven als een boog van zwakte naar kracht en terug — een herinnering aan de tijdelijkheid die de fitra (v.30) te boven gaat.

Integratieve verbanden

  • v.30 (fitra) ↔ 7:172 (het oerverbond): elke ziel kent God reeds
  • v.22 (verscheidenheid der talen) ↔ 14:4: elke boodschapper in de taal van zijn volk
  • v.41 (verderf door mensenhanden) ↔ 2:205: verderf op de aarde als moreel falen
  • v.39 (woeker) ↔ 2:275–276: het woekerverbod als economisch grondbeginsel
31
Luqman Luqman
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Lam, Mim.
2
Dit zijn de tekenen van het Wijze Boek,
3
een leiding en een barmhartigheid voor de weldoeners,
4
die het gebed onderhouden en de aalmoezen betalen en zeker zijn van het Hiernamaals.
5
Dezen zijn op leiding van hun Heer, en dezen zijn de geslaagden.
6
En onder de mensen is hij die ijdele verhalen koopt om af te leiden van de weg Gods zonder kennis, en die het tot bespotting neemt. Dezen, voor hen is een vernederende kastijding.
7
En wanneer Onze tekenen hem worden voorgedragen, wendt hij zich af in hoogmoed alsof hij ze niet hoorde, alsof in zijn oren doofheid ware. Geef hem dan tijding van een pijnlijke kastijding.
8
Voorwaar, zij die geloven en rechtvaardige werken doen, voor hen zijn de Tuinen der Verrukking,
9
daarin te verblijven; de belofte Gods is waar; en Hij is de Machtige, de Wijze.
10
Hij schiep de hemelen zonder pilaren die gij kunt zien, en Hij wierp op de aarde stevige bergen opdat zij niet met u wankele, en Hij verspreidde daarin van elk schepsel. En Wij zonden van de hemel water neder en deden daarin van elk edel paar groeien.
11
Dit is de schepping Gods. Toont Mij dan wat degenen naast Hem geschapen hebben. Neen, de onrechtvaardigen zijn in klaarblijkelijke dwaling.
12
En voorwaar, Wij gaven Luqman wijsheid: "Betuig dank aan God. En wie dank betuigt, hij betuigt dank voor zijn eigen ziel; en wie ondankbaar is, dan voorwaar, God is Zichzelf-Genoegzaam, Prijzenswaardig."
13
En toen Luqman tot zijn zoon zeide, hem vermanende: "O mijn zoon! Stel geen deelgenoten naast God; voorwaar, deelgenoten stellen is een geweldig onrecht."
14
En Wij hebben de mens geboden aangaande zijn ouders — zijn moeder droeg hem in zwakheid op zwakheid, en zijn spening is in twee jaren — "Wees dankbaar jegens Mij en jegens uw ouders; tot Mij is de reis.
15
Doch indien zij u bestrijden om u deelgenoten te doen stellen naast Mij waarvan gij geen kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Doch vergezelt hen in deze wereld op eerbare wijze, en volgt de weg van hem die zich tot Mij keert. Vervolgens is tot Mij uw terugkeer, en Ik zal u berichten over hetgeen gij pleegt te doen."
16
"O mijn zoon! Voorwaar, al ware het slechts het gewicht van een mosterdzaad en het ware in een rots of in de hemelen of in de aarde, God zal het tevoorschijn brengen. Voorwaar, God is Fijnzinnig, Alwetend.
17
O mijn zoon! Onderhoud het gebed en gebied het goede en verbied het kwade, en verdraag geduldig wat u ook moge treffen. Voorwaar, dat behoort tot de vaste besluiten der zaken.
18
En wendt uw wang niet af van de mensen in verachting, en wandelt niet uitgelaten op de aarde. Voorwaar, God bemint niet elke pocherige bluffer.
19
En weest bescheiden in uw gang en dempt uw stem; voorwaar, de hatelijkste der stemmen is de stem van de ezel."
20
Ziet gij niet dat God aan u dienstbaar heeft gemaakt al wat in de hemelen en al wat op de aarde is, en Zijn gunsten over u heeft uitgestort, uiterlijk en innerlijk? Doch onder de mensen is hij die over God twist zonder kennis of leiding of een verlichtend Boek.
21
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Volgt hetgeen God heeft nedergezonden," zeggen zij: "Neen, wij volgen datgene waarop wij onze vaderen vonden." Wat! Zelfs indien de duivel hen riep tot de kastijding der Laai?
22
En wie zijn aangezicht toewijdt aan God terwijl hij een weldoener is, hij heeft het stevigste handvat gegrepen; en tot God is het einde aller zaken.
23
En wie verhult, laat zijn verhulling u niet bedroeven. Tot Ons is hun terugkeer, en Wij zullen hen berichten over hetgeen zij deden. Voorwaar, God is Wetend van hetgeen in de harten is.
24
Wij laten hen een weinig genieten, vervolgens drijven Wij hen tot een strenge kastijding.
25
En indien gij hun zoudt vragen: "Wie schiep de hemelen en de aarde?" zouden zij zeker zeggen: "God." Zeg: "Lof zij God!" Doch de meesten hunner weten niet.
26
Aan God behoort al wat in de hemelen en op de aarde is. Voorwaar, God, Hij is de Zichzelf-Genoegzame, de Prijzenswaardige.
27
En ware elke boom op de aarde een pen en de zee, met zeven zeeën erna om haar aan te vullen, de woorden Gods zouden niet uitgeput zijn. Voorwaar, God is Machtig, Wijs.
28
Uw schepping en uw opstanding zijn slechts als één enkele ziel. Voorwaar, God is Horend, Ziend.
29
Hebt gij niet gezien dat God de nacht in de dag doet overgaan en de dag in de nacht doet overgaan, en de zon en de maan dienstbaar heeft gemaakt, elk lopend tot een vastgestelde termijn? En dat God weet van hetgeen gij doet?
30
Dat is omdat God, Hij is de Waarheid, en datgene wat zij naast Hem aanroepen het valse is, en dat God, Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste.
31
Hebt gij niet gezien dat de schepen op de zee varen door de genade Gods, opdat Hij u van Zijn tekenen tonen moge? Voorwaar, daarin zijn tekenen voor elke standvastige, dankbare.
32
En wanneer een golf hen bedekt als baldakijnen, roepen zij God aan, hun godsdienst oprecht jegens Hem makende. Doch wanneer Hij hen veilig aan land brengt, zijn sommigen hunner gematigd. En niemand loochent Onze tekenen behalve elke trouweloze, ondankbare.
33
O mensen! Vreest uw Heer en ducht een Dag waarop geen ouder zijn kind zal baten, noch een kind zijn ouder enigszins zal baten. Voorwaar, de belofte Gods is waar. Laat dan het leven dezer wereld u niet bedriegen, en laat de Bedrieger u niet bedriegen aangaande God.
34
Voorwaar, God, bij Hem is de kennis van het Uur; en Hij zendt de regen neder; en Hij weet wat in de baarmoeders is. En geen ziel weet wat zij morgen zal verdienen, en geen ziel weet in welk land zij zal sterven. Voorwaar, God is Alwetend, Alwijs.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 31 — Luqman

Algemene opmerkingen

Het wijsheidstestament van een vader aan zijn zoon. Luqman ontvangt dezelfde wijsheid (حِكْمَة) die het Boek zelf wordt toegeschreven — wijsheid is de gedeelde substantie tussen schrift en de wijze mens.

Stamanalyse

v.12: Stam ش-ك-ر (sj-k-r) — “dankbaarheid”

Het binair ش-ك-ر / ك-ف-ر verschijnt uitdrukkelijk: dankbaarheid tegenover verhulling. Luqmans eerste onderricht is dat dankbaarheid de gever baat, niet God. De Zelfgenoegzame (الغني) behoeft niets — dankbaarheid is ’s mensen eigen ontsluiering.

v.14: Stam و-ص-ي (w-s-j) — “opdragen, nalaten”

“Wij hebben de mens opgedragen (وَصَّيْنَا) aangaande zijn ouders.” De ouder-kind-band is een goddelijke nalatenschap. Luqmans wijsheid is zelf een وَصِيَّة — een legaat van vader aan zoon. De soera weerspiegelt deze structuur: God laat wijsheid na aan Luqman, Luqman aan zijn zoon, de soera aan de lezer.

v.27: “waren alle bomen op aarde pennen…”

De woorden Gods zouden niet uitgeput raken al waren de zeeën inkt — verbonden met 55:1–4, de boog van Voordracht naar Uitdrukking. Gods woorden zijn onuitputtelijk; menselijke uitdrukking is de poging het oneindige te ontvangen.

Integratieve verbanden

  • v.20 “gunsten, uiterlijk (ظاهرة) en innerlijk (باطنة)” ↔ 57:3: het zahir/batin-paar uitdrukkelijk benoemd.
  • v.18 “God bemint niet elke verwaande opschepper” ↔ 57:23: letterlijk dezelfde zinswending in beide soera’s.
32
As-Sajdah De Nederwerping
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Alif, Lam, Mim.
2
De neerzending van het Boek, waarin geen twijfel is, is van de Heer der werelden.
3
Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Neen, het is de Waarheid van uw Heer, opdat gij een volk moogt waarschuwen tot hetwelk geen waarschuwer voor u kwam, opdat zij wellicht geleid mogen worden.
4
God is het Die de hemelen en de aarde schiep, en hetgeen tussen hen is, in zes dagen, vervolgens besteeg Hij de Troon. Gij hebt, buiten Hem, geen beschermer en geen voorspreker. Wilt gij dan niet gedenken?
5
Hij bestuurt de zaak van de hemel tot de aarde; vervolgens stijgt zij tot Hem op in een Dag waarvan de maat duizend jaren is van hetgeen gij rekent.
6
Dat is de Kenner van het onzienlijke en het zienlijke, de Machtige, de Barmhartige,
7
Die alle dingen die Hij schiep goed maakte, en Hij begon de schepping van de mens uit klei,
8
vervolgens maakte Hij zijn nageslacht uit een uittreksel van gering water,
9
vervolgens vormde Hij hem en blies in hem van Zijn Geest; en Hij bestemde voor u het gehoor en het gezicht en de harten. Weinig is het dat gij dank betuigt.
10
En zij zeggen: "Wanneer wij in de aarde verloren zijn, zullen wij dan in een nieuwe schepping zijn?" Neen, doch in de ontmoeting met hun Heer zijn zij degenen die verhullen.
11
Zeg: "De Engel des Doods die over u is aangesteld zal u nemen, vervolgens zult gij tot uw Heer worden teruggevoerd."
12
En kondt gij maar zien wanneer de schuldigen hun hoofden buigen voor hun Heer: "Onze Heer! Wij hebben gezien en wij hebben gehoord; zend ons dan terug opdat wij rechtvaardige werken mogen doen; voorwaar, wij zijn nu zeker."
13
En hadden Wij gewild, Wij zouden elke ziel haar leiding hebben gegeven, doch het woord van Mij is waar geworden: "Ik zal waarlijk de Hel vullen met verborgenen en mensheid tezamen."
14
"Proeft dan, omdat gij de ontmoeting van deze Dag van u vergeten hebt; voorwaar, Wij hebben u vergeten. En proeft de kastijding der eeuwigheid voor hetgeen gij pleegt te doen."
15
Slechts zij geloven in Onze tekenen die, wanneer zij eraan herinnerd worden, in nederwerping neervallen en de lof van hun Heer verheerlijken, en zij zijn niet hoogmoedig.
16
Hun zijden verlaten hun bedden; zij roepen hun Heer aan in vrees en hoop, en zij besteden van hetgeen Wij hun geschonken hebben.
17
Geen ziel weet wat voor hen verborgen is gehouden van de verkwikking der ogen, een beloning voor hetgeen zij pleegden te doen.
18
Is dan hij die een gelovige is gelijk aan hem die goddeloos is? Zij zijn niet gelijk.
19
Wat betreft degenen die geloven en rechtvaardige werken doen, voor hen zijn de Tuinen des Verblijfs, een onthaal voor hetgeen zij pleegden te doen.
20
Doch wat betreft degenen die goddeloos zijn, hun verblijf is het Vuur. Telkens wanneer zij eruit wensen te komen, worden zij erin teruggebracht, en tot hen wordt gezegd: "Proeft de kastijding des Vuurs die gij pleegt te loochenen."
21
En Wij zullen hen waarlijk de naderbije kastijding doen proeven vóór de grotere kastijding, opdat zij wellicht mogen terugkeren.
22
En wie is onrechtvaardiger dan hij die herinnerd wordt aan de tekenen zijns Heren, en zich dan ervan afwendt? Voorwaar, Wij zullen vergelding nemen van de schuldigen.
23
En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek; twijfel dan niet aan de ontmoeting met hem; en Wij maakten het een leiding voor de Kinderen Israëls.
24
En Wij stelden uit hun midden leiders aan die leidden door Ons bevel, toen zij geduldig waren, en zij waren zeker van Onze tekenen.
25
Voorwaar, uw Heer, Hij zal tussen hen beslissen op de Dag der Opstanding aangaande hetgeen waarin zij pleegden te verschillen.
26
Is het voor hen geen leiding, hoevele geslachten Wij vóór hen vernietigden in wier woningen zij wandelen? Voorwaar, daarin zijn tekenen; willen zij dan niet horen?
27
Hebben zij niet gezien dat Wij het water naar het dorre land drijven en daardoor gewassen voortbrengen waarvan hun vee eet, en zijzelf? Willen zij dan niet zien?
28
En zij zeggen: "Wanneer is deze Overwinning, indien gij waarachtigen zijt?"
29
Zeg: "Op de Dag der Overwinning zal het geloof van degenen die verhulden hun niet baten, noch zullen zij uitstel krijgen."
30
Wend u dan van hen af, en wacht; voorwaar, zij wachten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 32 — As-Sadjdah (De Nederwerpinge)

Algemene opmerkingen

De soera verbindt de knieval (سجود) met herinnering: men werpt zich slechts neder wanneer men herinnerd wordt — niet uit gewoonte maar uit herkenning.

Stamanalyse

v.15: Stam س-ج-د (s-dj-d) — “zich nederwerpen”

De knieval is het lichaam dat het zahir van het hart ensceneert: de uiterlijke val weerspiegelt de innerlijke toewijding. De soera koppelt de knieval aan herinnering — het batin (herkenning) veroorzaakt het zahir (neerwerpen).

v.9: Stam ر-و-ح (r-w-h) — “geest, adem”

“Hij vormde hem en blies in hem van Zijn Geest (رُوحِهِ).” Dezelfde stam als de schepping van Jezus (21:91, 66:12). Geest als goddelijke adem verbindt schepping met openbaring: beide zijn God die in de wereld ademt.

v.29: Stam ف-ت-ح (f-t-h) — “overwinning, opening”

“Op de Dag der Overwinning (الفتح) zal het geloof dergenen die verhulden hun niet baten.” De “Overwinning” is de “Opening” — het moment waarop het batin permanent zahir wordt en verhulling niet langer mogelijk is.

Integratieve verbanden

  • v.5 “een Dag wiens maat duizend jaren is” ↔ 70:4 “vijftigduizend jaren”: verschillende schalen van goddelijke tijd — geen tegenspraak maar perspectief.
  • v.17 “geen ziel weet wat voor haar verborgen is” ↔ het j-n-n-thema: de beloning is zelf verborgen — een djanna in de stamzin.
33
Al-Ahzab De Bondgenoten
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O Profeet! Wees God indachtig, en gehoorzaam niet degenen die verhullen en de huichelaars. Voorwaar, God is immer Alwetend, Wijs.
2
En volg hetgeen u geopenbaard wordt van uw Heer. Voorwaar, God is immer kundig van hetgeen gij doet.
3
En stel uw vertrouwen in God, en God volstaat als Beschermer.
4
God heeft voor geen mens twee harten in zijn borst gemaakt. En Hij heeft uw echtgenoten die gij verklaart als uw moeders niet tot uw moeders gemaakt. En Hij heeft uw aangenomen zonen niet tot uw zonen gemaakt. Dat is slechts uw zeggen met uw monden. En God spreekt de waarheid, en Hij leidt naar de weg.
5
Noemt hen bij hun vaderen; dat is rechtvaardiger in het oog Gods. En indien gij hun vaderen niet kent, dan zijn zij uw broederen in de godsdienst en uw beschermelingen. En er is geen blaam op u in hetgeen gij daarin dwaalt, doch in hetgeen uw harten beogen. En God is immer Vergevend, Barmhartig.
6
De Profeet is nader tot de gelovigen dan hunzelf, en zijn echtgenotes zijn hun moeders. En die door verwantschap verbonden zijn, zijn nader tot elkander in het Boek Gods dan de gelovigen en de uitgewekenen, behalve dat gij uw bondgenoten een goedheid bewijst. Dat was in het Boek geschreven.
7
En toen Wij van de profeten hun verbond namen, en van u, en van Noach, en Abraham, en Mozes, en Jezus zoon van Maria; en Wij namen van hen een plechtig verbond,
8
opdat Hij de waarachtigen moge ondervragen over hun waarachtigheid. En Hij heeft voor degenen die verhullen een pijnlijke kastijding bereid.
9
O gij die gelooft! Gedenkt de gunst Gods jegens u, toen legers tegen u kwamen, en Wij een wind op hen zonden en legers die gij niet zaagt. En God ziet immer wat gij doet.
10
Toen zij van boven u en van beneden u over u kwamen, en toen de ogen wild werden en de harten de kelen bereikten, en gij uiteenlopende gedachten over God koesterdet.
11
Daar werden de gelovigen beproefd en geschud met een machtige schudding.
12
En toen de huichelaars en degenen in wier harten een ziekte is zeiden: "God en Zijn Boodschapper beloofden ons niets dan begoocheling."
13
En toen een groep van hen zeide: "O volk van Jathrib! Er is geen stand voor u, keert dus terug." En een groep van hen vroeg verlof aan de Profeet, zeggende: "Voorwaar, onze huizen zijn onbeschermd," terwijl zij niet onbeschermd waren. Zij begeerden niets dan vlucht.
14
En ware het van zijn zijden binnengevallen, en hen was gevraagd tot opruiing over te gaan, zouden zij het gedaan hebben, en zouden niet langer dan een weinig daarin getalmd hebben.
15
En voorwaar, zij hadden reeds tevoren met God een verbond gesloten dat zij hun ruggen niet zouden keren. En het verbond met God zal bevraagd worden.
16
Zeg: "Vlucht zal u niet baten indien gij voor de dood of het doden vlucht, en dan zult gij niet verkwikt worden dan een weinig."
17
Zeg: "Wie is hij die u tegen God zal verdedigen, indien Hij kwaad voor u beoogt of barmhartigheid voor u beoogt?" En zij zullen voor zichzelf, buiten God, noch bondgenoot noch helper vinden.
18
God kent reeds degenen onder u die hinderen, en degenen die tot hun broederen zeggen: "Komt herwaarts tot ons," en zij komen niet ten strijde dan een weinig,
19
weigerachtig jegens u. En wanneer de vrees komt, ziet gij hen naar u kijken, hun ogen rollend als een die door de dood overweldigd wordt. Doch wanneer de vrees wijkt, geselen zij u met scherpe tongen, weigerachtig jegens het goede. Dezen hebben niet geloofd, en God heeft hun werken vruchteloos gemaakt. En dat is immer gemakkelijk voor God.
20
Zij menen dat de bondgenoten niet vertrokken zijn. En indien de bondgenoten zouden komen, zouden zij wensen dat zij in de woestijn waren onder de zwervende Arabieren, vragend naar tijdingen over u. En waren zij onder u geweest, dan hadden zij niet gestreden dan een weinig.
21
Voorwaar, in de Boodschapper Gods hebt gij een schoon voorbeeld voor hem die op God hoopt en de Laatste Dag en God veel gedenkt.
22
En toen de gelovigen de bondgenoten zagen, zeiden zij: "Dit is hetgeen God en Zijn Boodschapper ons beloofden, en God en Zijn Boodschapper spraken waar." En het vermeerderde hen in niets dan in geloof en Overgave.
23
Onder de gelovigen zijn mannen die trouw zijn geweest aan hun verbond met God. Onder hen is hij die zijn gelofte heeft vervuld, en onder hen is hij die wacht; en zij hebben niet in het minst veranderd,
24
opdat God de waarachtigen moge belonen voor hun waarachtigheid, en de huichelaars kastijden indien Hij wil, of Zich tot hen wenden. Voorwaar, God is immer Vergevend, Barmhartig.
25
En God dreef degenen die verhulden in hun woede terug, zonder dat zij enig goed verkregen. En God volstond de gelovigen in de strijd. En God is immer Sterk, Machtig.
26
En Hij bracht degenen van de Lieden des Boeks die hen steunden neer uit hun burchten, en wierp verschrikking in hun harten. Een groep dooddet gij, en een groep naamt gij gevangen.
27
En Hij deed u hun land en hun woningen en hun rijkdommen erven, en een land dat gij niet betreden hadt. En God heeft macht over alle dingen.
28
O Profeet! Zeg tot uw echtgenotes: "Indien gij het leven dezer wereld begeert en zijn tooi, komt dan, ik zal u voorzien en u ontslaan met een schoon ontslag."
29
"En indien gij God begeert en Zijn Boodschapper en het verblijf des Hiernamaals, dan voorwaar, God heeft voor de weldoeners onder u een machtig loon bereid."
30
O echtgenotes des Profeten! Wie uwer een klaarblijkelijke onzedelijkheid begaat, de kastijding zal voor haar tweevoudig worden verdubbeld. En dat is immer gemakkelijk voor God.
31
En wie uwer aan God en Zijn Boodschapper toegewijd is en rechtvaardige werken doet, Wij zullen haar haar loon tweemaal geven, en Wij hebben voor haar een edelmoedige voorziening bereid.
32
O echtgenotes des Profeten! Gij zijt niet als andere vrouwen. Indien gij godvrezend zijt, weest dan niet zacht in uw spreken, opdat hij in wiens hart een ziekte is niet begere, en spreekt gepaste woorden.
33
En verblijft in uw huizen, en vertoont u niet als in de vertoning der vroegere onwetendheid. En weest standvastig in het gebed, en geeft de aalmoezen, en gehoorzaamt God en Zijn Boodschapper. God wenst slechts de bezoedeling van u te verwijderen, O Lieden des Huizes, en u te zuiveren met een grondige zuivering.
34
En gedenkt hetgeen in uw huizen wordt voorgedragen van de tekenen Gods en de wijsheid. Voorwaar, God is immer Fijnzinnig, Alwetend.
35
Voorwaar, de toegewijde mannen en de toegewijde vrouwen, en de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, en de devote mannen en de devote vrouwen, en de waarachtige mannen en de waarachtige vrouwen, en de geduldige mannen en de geduldige vrouwen, en de ootmoedige mannen en de ootmoedige vrouwen, en de liefdadige mannen en de liefdadige vrouwen, en de vastende mannen en de vastende vrouwen, en de mannen die hun kuisheid bewaren en de vrouwen die haar bewaren, en de mannen die God veel gedenken en de vrouwen die gedenken — God heeft voor hen vergiffenis en een machtig loon bereid.
36
En het past een gelovige man noch een gelovige vrouw, wanneer God en Zijn Boodschapper over een zaak beslist hebben, dat zij enige keuze in hun zaak zouden hebben. En wie God en Zijn Boodschapper ongehoorzaam is, is waarlijk in klaarblijkelijke dwaling afgedwaald.
37
En toen gij zeidet tot hem aan wie God gunst had geschonken en gij gunst hadt geschonken: "Houd uw echtgenote bij u, en wees God indachtig," en gij verborgt in uw ziel hetgeen God openbaar zou maken, en gij vreesdet de mensen, terwijl God een groter recht had dat gij Hem zoudt vrezen. En toen Zaid van haar volbracht had wat hij wilde, huwelijkten Wij haar aan u, opdat er op de gelovigen geen blaam zou rusten aangaande de echtgenotes van hun aangenomen zonen, wanneer dezen van hen volbracht hebben wat zij wilden. En het bevel Gods wordt immer vervuld.
38
Er is geen blaam op de Profeet in hetgeen God hem heeft verordend. Zulk was de weg Gods met degenen die vóór hem heengingen; en het bevel Gods is een vastgesteld besluit.
39
Degenen die de boodschappen Gods overbrengen en Hem vrezen, en niemand vrezen behalve God. En God volstaat als Rekenaar.
40
Muhammad is niet de vader van enig man onder u, doch hij is de Boodschapper Gods en het Zegel der Profeten. En God is immer Kenner van alle dingen.
41
O gij die gelooft! Gedenkt God met veel gedenkenis,
42
en verheerlijkt Hem in de ochtend en bij avond.
43
Hij is het Die u zegent, en Zijn engelen, opdat Hij u moge voeren uit de duisternis naar het licht. En Hij is immer Barmhartig jegens de gelovigen.
44
Hun begroeting op de dag dat zij Hem ontmoeten zal zijn: "Vrede!" En Hij heeft voor hen een edelmoedig loon bereid.
45
O Profeet! Voorwaar, Wij hebben u gezonden als een getuige en een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer,
46
en een roeper tot God met Zijn verlof, en een lamp die licht geeft.
47
En geef de gelovigen blijde tijdingen dat voor hen een grote gunst van God is.
48
En gehoorzaam niet degenen die verhullen en de huichelaars, en veronachtzaam hun ergernis, en stel uw vertrouwen in God. En God volstaat als Beschermer.
49
O gij die gelooft! Wanneer gij gelovige vrouwen huwt en hen dan verstoot eer gij hen hebt aangeraakt, dan is er voor u geen wachttijd om tegen hen te rekenen. Voorziet hen dan en ontslaat hen met een schoon ontslag.
50
O Profeet! Voorwaar, Wij hebben u uw echtgenotes wettig gemaakt aan wie gij hun verschuldigde loon hebt betaald, en degenen die uw rechterhand bezit van degenen die God u als oorlogsbuit heeft gegeven, en de dochters van uw oom van vaderszijde en de dochters van uw tantes van vaderszijde, en de dochters van uw oom van moederszijde en de dochters van uw tantes van moederszijde die met u zijn uitgeweken, en een gelovige vrouw indien zij zichzelf aan de Profeet geeft, indien de Profeet haar wenst te huwen — een voorrecht voor u alleen, niet voor de gelovigen. Wij weten wat Wij hun verordend hebben aangaande hun echtgenotes en degenen die hun rechterhand bezit, opdat er geen blaam op u zij. En God is immer Vergevend, Barmhartig.
51
Gij moogt uitstellen wie gij wilt van hen, en tot u nemen wie gij wilt; en wie gij ook begeert van degenen die gij terzijde hebt gesteld, er is geen blaam op u. Dat is het naaste ertoe dat hun ogen verkwikt mogen worden en zij niet treuren, en dat zij tevreden zijn met hetgeen gij hen allen geeft. En God weet wat in uw harten is. En God is immer Alwetend, Verdraagzaam.
52
Vrouwen zijn u hierna niet geoorloofd, noch dat gij hen voor andere echtgenotes zoudt verwisselen, ook al behaagde u hun schoonheid, behalve degenen die uw rechterhand bezit. En God is immer Wachter over alle dingen.
53
O gij die gelooft! Gaat niet de huizen des Profeten binnen tenzij u verlof is gegeven voor een maaltijd, zonder te wachten op de bereiding ervan. Doch wanneer gij genodigd zijt, treedt dan binnen; en wanneer gij gegeten hebt, verspreidt u dan, en talmt niet in het zoeken van een gesprek. Voorwaar, dat placht de Profeet te ergeren, en hij was verlegen jegens u; doch God is niet verlegen voor de waarheid. En wanneer gij iets van hen vraagt, vraagt het van achter een gordijn. Dat is reiner voor uw harten en voor hun harten. En het past u niet de Boodschapper Gods te ergeren, noch dat gij ooit zijn echtgenotes na hem zoudt huwen. Voorwaar, dat zou in het oog Gods een monsterlijke zaak zijn.
54
Of gij iets onthult of het verbergt, voorwaar, God is immer Kenner van alle dingen.
55
Er is geen blaam op hen aangaande hun vaderen, noch hun zonen, noch hun broederen, noch de zonen van hun broederen, noch de zonen van hun zusteren, noch hun vrouwen, noch hetgeen hun rechterhand bezit. En weest God indachtig. Voorwaar, God is immer Getuige over alle dingen.
56
Voorwaar, God en Zijn engelen zenden zegeningen over de Profeet. O gij die gelooft! Zendt zegeningen over hem en begroet hem met een begroeting van vrede.
57
Voorwaar, degenen die God en Zijn Boodschapper ergeren, God heeft hen vervloekt in deze wereld en in het Hiernamaals, en heeft voor hen een vernederende kastijding bereid.
58
En degenen die de gelovige mannen en de gelovige vrouwen ergeren voor hetgeen zij niet verdiend hebben, dragen de last van laster en klaarblijkelijke zonde.
59
O Profeet! Zeg tot uw echtgenotes en uw dochters en de vrouwen der gelovigen dat zij hun overkleding om zich heen trekken. Dat is het naaste ertoe dat zij herkend en niet lastiggevallen worden. En God is immer Vergevend, Barmhartig.
60
Indien de huichelaars en degenen in wier harten een ziekte is en de opruiers in de stad niet ophouden, zullen Wij u zekerlijk tegen hen aanzetten; dan zullen zij daarin niet uw buren zijn dan een weinig,
61
vervloekt; waar zij ook worden gevonden, zullen zij gegrepen en gedood worden met een grondig doden.
62
Zulk was de weg Gods met degenen die vóór hen heengingen. En gij zult geen verandering vinden in de weg Gods.
63
De mensen vragen u aangaande het Uur. Zeg: "De kennis ervan is bij God alleen." En wat zal u doen weten? Het kan zijn dat het Uur nabij is.
64
Voorwaar, God heeft degenen die verhullen vervloekt en voor hen een Laai bereid,
65
daarin voor eeuwig te verblijven, noch bondgenoot noch helper vindend.
66
Op de dag wanneer hun aangezichten in het Vuur zullen worden omgekeerd, zullen zij zeggen: "Hadden wij maar God gehoorzaamd en de Boodschapper gehoorzaamd!"
67
En zij zullen zeggen: "Onze Heer! Voorwaar, wij gehoorzaamden onze hoofden en onze groten, en zij leidden ons van de weg af."
68
"Onze Heer! Geef hun een dubbel deel van de kastijding, en vervloek hen met een grote vloek."
69
O gij die gelooft! Weest niet als degenen die Mozes ergerden, doch God zuiverde hem van hetgeen zij zeiden. En hij was aanzienlijk in het oog Gods.
70
O gij die gelooft! Weest God indachtig, en spreekt een recht woord.
71
Hij zal uw werken voor u in orde brengen en u uw zonden vergeven. En wie God en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, heeft een grote triomf behaald.
72
Voorwaar, Wij boden het Pand aan de hemelen en de aarde en de bergen aan, doch zij weigerden het te dragen en deinsden ervoor terug; doch de mens droeg het. Voorwaar, hij was immer geneigd tot onrecht, geneigd tot onwetendheid,
73
opdat God de huichelaarsmannen en de huichelaarsvrouwen en degenen die deelgenoten stellen, mannen en vrouwen, moge kastijden; en opdat God Zich in barmhartigheid moge keren tot de gelovige mannen en de gelovige vrouwen. En God is immer Vergevend, Barmhartig.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 33 — Al-Ahzaab (De Bondgenoten)

v.35: Het grote gendergelijkheidsvers

Tien gepaarde categorieën van geestelijke verworvenheid, elk voor zowel mannen ALS vrouwen:

  1. المسلمين والمسلمات — de Toegewijde mannen en vrouwen (stam س-ل-م)
  2. المؤمنين والمؤمنات — de gelovige mannen en vrouwen (stam أ-م-ن)
  3. القانتين والقانتات — de devote mannen en vrouwen (stam ق-ن-ت — hetzelfde als قَانِتَات in 4:34, wat bewijst dat deze hoedanigheid voor BEIDE geslachten geldt)
  4. الصادقين والصادقات — de waarachtigen (stam ص-د-ق)
  5. الصابرين والصابرات — de geduldigen (stam ص-ب-ر)
  6. الخاشعين والخاشعات — de ootmoedigen (stam خ-ش-ع)
  7. المتصدقين والمتصدقات — de liefdadigen (stam ص-د-ق)
  8. الصائمين والصائمات — de vastenden (stam ص-و-م)
  9. الحافظين فروجهم والحافظات — zij die hun openingen hoeden (stam ح-ف-ظ + ف-ر-ج — hetzelfde “hoedt uw openingen” als 24:30–31)
  10. الذاكرين الله كثيرا والذاكرات — zij die God veelvuldig herdenken (stam ذ-ك-ر)

Dit vers vernietigt elke lezing die geestelijke rangorde naar geslacht toekent. De beloning is gelijk.

v.40: Het Zegel der Profeten

“Muhammad is niet de vader van enig man onder u, doch de Boodschapper Gods en het Zegel der Profeten.”

Stamanalyse: خَاتَم (khaatam)

Stam خ-ت-م: verzegelen, stempelen, besluiten, bekrachtigen. De stam draagt TWEE betekenissen tegelijk:

  1. Sluiten/besluiten — een zegel sluit een brief
  2. Bekrachtigen/echten — een zegel BEWIJST dat het document echt is

Het koningszegel op een decreet betekent niet “er zullen nooit meer decreten komen.” Het betekent “dit decreet is door de koning bekrachtigd.” خاتم النبيين kan zowel “de laatste der profeten” als “degene die alle profeten bekrachtigt” betekenen.

Het vers zelf noemt Muhammad رَسُول اللَّه (Boodschapper Gods, stam ر-س-ل) terwijl het de نَبِيِّين (profeten, stam ن-ب-أ) verzegelt — de deur van nuboewwa (profeetschap) mag verzegeld zijn terwijl de deur van risaala (boodschapperschap) open blijft.

Verbinding met 55:29

“Elke dag is Hij bezig met een zaak” — als God elke dag met een nieuwe zaak bezig is, dan spreekt het idee dat goddelijke communicatie permanent ophield met één profeet de eigen beschrijving der Voordracht tegen.

v.53: Het hijaab-vers — niet wat men denkt

“Wanneer gij iets van hen vraagt, vraagt het van achter een gordijn (حِجَاب).”

Dit vers is gericht tot bezoekers van het huishouden des Profeets. De context is uitdrukkelijk: “treedt de woningen des Profeets niet binnen dan wanneer u verlof gegeven wordt.” Het حجاب is een gordijn tussen de vrouwen des Profeets en mannelijke bezoekers — een huishoudelijke regeling voor privacy, geen universeel kledingvoorschrift.

Het woord حِجَاب in de Voordracht betekent nooit een op het hoofd gedragen kledingstuk. Het betekent een fysieke scheiding (vgl. 7:46; 42:51). Het hedendaagse gebruik van “hijab” voor een hoofddoek is een latere semantische ontwikkeling zonder grondslag in dit vers.

v.59: Het andere “sluier”-vers

“Laat hen hun bestaande overkleden dichter om zich heen trekken. Dat is het naast aan dat zij herkend worden en niet lastiggevallen.”

  • يُدْنِينَ — stam د-ن-و: nabij brengen. Dezelfde stam als دَانٍ (daanin) in 55:54 — “de oogst der twee verborgen Rijken is nabij.”
  • يُعْرَفْنَ — stam ع-ر-ف: herkennen. Zij moeten herkend worden — geïdentificeerd als gelovigen. De bedekking dient IDENTIFICATIE en BESCHERMING, niet verhulling.
  • يُؤْذَيْنَ — stam أ-ذ-ي: kwellen, lastigvallen. De last valt op de lastigvallers, niet op de vrouwen (v.60 bedreigt de mannen).

Wat dit vers NIET zegt: bedek het haar, bedek het gezicht, vrouwen zijn verantwoordelijk voor het gedrag van mannen, dit is een eeuwig gebod.

v.72: Het Toevertrouwde

“Wij boden het Toevertrouwde aan de hemelen, de aarde en de bergen aan, doch zij weigerden het te dragen en waren er bevreesd voor. Maar de mens droeg het — voorwaar, hij is steeds onrechtvaardig, onwetend.”

  • الْأَمَانَة — stam أ-م-ن: het Toevertrouwde. DEZELFDE WORTEL als إِيمَان (geloof), أَمَان (veiligheid), مُؤْمِن (gelovige). Geloof, veiligheid, vertrouwen en overtuiging zijn allen één stam. Het Toevertrouwde dat de mensheid draagt IS het geloof zelf.
  • De hemel, aarde en bergen weigerden (أَبَيْنَ) — uit ontzag (أَشْفَقْنَ), niet uit trots.
  • De mens droeg het, hoewel onrechtvaardig en onwetend. Juist de eigenschappen die ons doen falen zijn onscheidbaar van het vermogen dat ons uniek maakt.

Integratieve verbanden

  • v.35 gendergelijkheid ↔ 4:34 قانتات: hetzelfde woord voor “devoot” verschijnt in beide — 33:35 bewijst dat het geestelijke toewijding voor allen beschrijft
  • v.53 hijaab (gordijn) ↔ 55:20 barzach (scheidswand): fysieke barrières als zowel praktisch (huisgordijn) als kosmisch (scheidswand tussen zeeën). Geen van beide gaat over kleding.
  • v.59 yoednina (d-n-w, nabij brengen) ↔ 55:54 daanin (d-n-w, nabij): kleding dichter trekken deelt een stam met de goddelijke oogst die nabijkomt
  • v.72 het Toevertrouwde (amaana, ‘-m-n) ↔ iemaan (geloof, ‘-m-n): het Toevertrouwde dragen IS geloven — het kosmische voorrecht en de last der mensheid
34
Saba Sheba
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Lof zij God, aan Wie behoort al wat in de hemelen en al wat op de aarde is; en Hem zij lof in het Hiernamaals. En Hij is de Wijze, de Alwetende.
2
Hij weet wat in de aarde binnengaat en wat eruit voortkomt, en wat van de hemel neerdaalt en wat daarin opstijgt; en Hij is de Barmhartige, de Vergevende.
3
En degenen die verhullen zeggen: "Het Uur zal nimmer over ons komen." Zeg: "Jawel, bij mijn Heer! Het zal zekerlijk over u komen." De Kenner van het onzienlijke! Geen atooms gewicht in de hemelen of op de aarde ontsnapt Hem, noch wat minder dan dat of groter, doch het is in een duidelijk Boek,
4
opdat Hij degenen die geloven en rechtvaardige werken doen moge belonen. Dezen, voor hen is vergiffenis en een edelmoedige voorziening.
5
En degenen die tegen Onze tekenen streven om ze te verijdelen, dezen, voor hen is een kastijding van pijnlijke toorn.
6
En degenen aan wie kennis is gegeven zien dat hetgeen tot u is nedergezonden van uw Heer de waarheid is, en het leidt naar het pad van de Machtige, de Prijzenswaardige.
7
En degenen die verhullen zeggen: "Zullen wij u een man tonen die u bericht dat wanneer gij geheel uiteengevallen zijt, gij waarlijk in een nieuwe schepping zult zijn?
8
Heeft hij een leugen tegen God verzonnen, of is er in hem waanzin?" Neen, degenen die niet in het Hiernamaals geloven zijn in kastijding en verre dwaling.
9
Hebben zij niet gezien wat vóór hen en achter hen is van hemel en aarde? Indien Wij willen, kunnen Wij de aarde hen doen verzwelgen, of een brokstuk des hemels op hen doen vallen. Voorwaar, daarin is een teken voor elke dienaar die in berouw terugkeert.
10
En voorwaar, Wij gaven David gunst van Ons: "O bergen! Weerklinkt met hem, en gij vogels!" En Wij maakten het ijzer zacht voor hem:
11
"Maakt wijde maliënkolders en meet de schakels goed af." En doet rechtvaardige werken; voorwaar, Ik ben Ziend van hetgeen gij doet.
12
En voor Salomo de wind, zijn ochtendvaart een reis van een maand en zijn avondvaart een reis van een maand. En Wij deden voor hem een bron van koper vloeien. En onder de verborgenen waren er die voor hem werkten met het verlof zijns Heren. En wie hunner van Ons bevel afweek, deden Wij de kastijding der Laai proeven.
13
Zij maakten voor hem wat hij wilde van heiligdommen en standbeelden en bekkens als reservoirs en vast ingebouwde ketels. "Werkt, o huis van David, in dankbaarheid!" Doch weinigen van Mijn dienaren zijn dankbaar.
14
Toen Wij de dood over hem verordenden, toonde hun niets zijn dood behalve een schepsel der aarde dat aan zijn staf knaagde. Toen hij viel, zagen de verborgenen duidelijk dat hadden zij het onzienlijke gekend, zij niet in de vernederende kastijding zouden hebben voortgezet.
15
Voorwaar, voor Sheba was er een teken in hun woonplaats: twee tuinen aan de rechter- en aan de linkerzijde. "Eet van de voorziening uws Heren en betuigt Hem dank. Een goed land en een Vergevende Heer."
16
Doch zij wendden zich af, dus zonden Wij de vloed van de dam op hen, en Wij verwisselden hun twee tuinen voor twee tuinen met bittere vruchten en tamarisk en enkele lotusbomen.
17
Aldus vergolden Wij hen voor hun ondankbaarheid; en vergelden Wij aldus iemand behalve de ondankbaren?
18
En Wij stelden tussen hen en de steden die Wij gezegend hadden, zichtbare steden in, en Wij maten daarin de reis af: "Reist daarin bij nacht en bij dag in veiligheid."
19
Doch zij zeiden: "Onze Heer! Maak de afstand tussen onze reizen langer." En zij deden hun eigen zielen onrecht aan, dus maakten Wij hen tot verhalen en verstrooiden hen volkomen. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor elke geduldige, dankbare.
20
En voorwaar, Iblis bewees zijn mening over hen waar, en zij volgden hem, allen behalve een groep der gelovigen.
21
En hij had over hen geen gezag, behalve dat Wij onderscheiden mochten wie in het Hiernamaals gelooft van wie daarover in twijfel is. En uw Heer is over alle dingen een Hoeder.
22
Zeg: "Roept degenen aan die gij naast God aanneemt. Zij bezitten geen atooms gewicht in de hemelen of op de aarde, noch hebben zij enig aandeel in beide, noch heeft Hij onder hen enige helper."
23
En voorspraak baat bij Hem niet behalve voor hem aan wie Hij het toestaat. Totdat wanneer de verschrikking uit hun harten is verwijderd, zeggen zij: "Wat zeide uw Heer?" Zij zeggen: "De Waarheid. En Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste."
24
Zeg: "Wie voorziet u vanuit de hemelen en de aarde?" Zeg: "God. En voorwaar, of wij of gij zijn op leiding of in klaarblijkelijke dwaling."
25
Zeg: "Gij zult niet ondervraagd worden over hetgeen wij begingen, noch zullen wij ondervraagd worden over hetgeen gij doet."
26
Zeg: "Onze Heer zal ons tezamen vergaderen, vervolgens zal Hij tussen ons in waarheid oordelen; en Hij is de Rechter, de Alwetende."
27
Zeg: "Toont mij degenen die gij als deelgenoten met Hem hebt verbonden. Neen! Doch Hij is God, de Machtige, de Wijze."
28
En Wij hebben u niet gezonden dan tot geheel de mensheid, als brenger van blijde tijdingen en als waarschuwer; doch de meesten der mensen weten niet.
29
En zij zeggen: "Wanneer is deze belofte, indien gij waarachtigen zijt?"
30
Zeg: "Gij hebt de afspraak van een Dag die gij niet met een uur kunt uitstellen noch vervroegen."
31
En degenen die verhullen zeggen: "Wij zullen nimmer geloven in deze Voordracht noch in hetgeen ervóór was." En kondt gij maar zien wanneer de onrechtvaardigen voor hun Heer worden geplaatst, het woord tot elkander terugkaatsend. Degenen die zwak werden geacht zeggen tot degenen die hoogmoedig waren: "Ware het niet om u geweest, wij zouden gelovigen zijn geweest."
32
Degenen die hoogmoedig waren zeggen tot degenen die zwak werden geacht: "Hebben wij u van de leiding afgehouden nadat zij tot u was gekomen? Neen, gijzelf waart schuldig."
33
En degenen die zwak werden geacht zeggen tot degenen die hoogmoedig waren: "Neen, doch het was uw listen bij nacht en bij dag, toen gij ons gebood God te verhullen en deelgenoten naast Hem te stellen." En zij verhullen berouw wanneer zij de kastijding zien; en Wij plaatsen boeien om de nekken van degenen die verhulden. Worden zij voor iets anders vergolden dan voor hetgeen zij pleegden te doen?
34
En Wij zonden geen waarschuwer naar enige stad, of de welgestelden aldaar zeiden: "Voorwaar, wij zijn degenen die verhullen datgene waarmede gij gezonden zijt."
35
En zij zeggen: "Wij hebben meer rijkdom en kinderen, en wij zullen niet gekastijd worden."
36
Zeg: "Voorwaar, mijn Heer verruimt de voorziening voor wie Hij wil en beperkt haar; doch de meesten der mensen weten niet."
37
En het zijn niet uw rijkdommen noch uw kinderen die u nabij Ons brengen in rang, doch wie gelooft en rechtvaardige werken doet, dezen zullen een dubbel loon hebben voor hetgeen zij deden, en zij zullen in de bovenvertrekken veilig zijn.
38
En degenen die tegen Onze tekenen streven om ze te verijdelen, dezen zullen voor de kastijding worden gebracht.
39
Zeg: "Voorwaar, mijn Heer verruimt de voorziening voor wie Hij wil van Zijn dienaren en beperkt haar voor hem. En wat gij ook besteedt, Hij vervangt het; en Hij is de beste der voorzieners."
40
En op de Dag wanneer Hij hen allen tezamen zal vergaderen, zal Hij tot de engelen zeggen: "Aanbaden dezen u?"
41
Zij zullen zeggen: "Glorie zij U! Gij zijt onze Beschermer, niet zij. Neen, zij aanbaden de verborgenen; de meesten hunner waren gelovigen in hen."
42
"Zo hebt gij op deze Dag geen macht, de een over de ander, tot voordeel of schade." En Wij zullen zeggen tot degenen die onrecht deden: "Proeft de kastijding des Vuurs die gij pleegt te loochenen."
43
En wanneer Onze tekenen hun worden voorgedragen als duidelijke bewijzen, zeggen zij: "Dit is niets dan een man die u wil afkeren van hetgeen uw vaderen aanbaden." En zij zeggen: "Dit is niets dan een verzonnen leugen." En degenen die verhullen zeggen van de Waarheid wanneer zij tot hen komt: "Dit is niets dan klaarblijkelijke toverij."
44
En Wij gaven hun geen boeken die zij zouden bestuderen, noch zonden Wij vóór u een waarschuwer tot hen.
45
En degenen vóór hen loochenden, en zij bereikten niet een tiende van hetgeen Wij hun gaven, doch zij loochenden Mijn boodschappers. Hoe was dan Mijn loochening!
46
Zeg: "Ik vermaan u tot slechts één ding: dat gij voor God staat, in paren en alleen, en dan nadenkt. Er is geen waanzin in uw metgezel; hij is niets dan een waarschuwer voor u vóór een strenge kastijding."
47
Zeg: "Welk loon ik u ook heb gevraagd, het is voor u. Mijn loon is slechts bij God; en Hij is over alle dingen een Getuige."
48
Zeg: "Voorwaar, mijn Heer slingert de Waarheid. Kenner van het onzienlijke."
49
Zeg: "De Waarheid is gekomen, en de valsheid brengt niet voort en herhaalt niet."
50
Zeg: "Indien ik dwaal, dwaal ik slechts tegen mijn eigen ziel; en indien ik geleid word, is het door hetgeen mijn Heer mij openbaart. Voorwaar, Hij is Horend, Nabij."
51
En kondt gij maar zien wanneer zij verschrikt zijn zonder ontkoming, en gegrepen worden van een nabije plaats,
52
en zij zeggen: "Wij geloven erin!" Doch hoe kunnen zij het bereiken van een verre plaats,
53
terwijl zij het tevoren verhulden, en zij werpen naar het onzienlijke van een verre plaats?
54
En een barrière is geplaatst tussen hen en hetgeen zij begeren, zoals gedaan werd met hun gelijken tevoren. Voorwaar, zij waren in een verontrustende twijfel.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 34 — Saba (Scheba)

Algemene opmerkingen

Het koninkrijk van Scheba als gelijkenis van ondankbaarheid: begiftigd met “een goed land en een Vergevende Heer,” vroegen zij om langere reizen (v.19) — zegen omgezet in afstand.

Stamanalyse

vv.12–14: Stam ج-ن-ن (j-n-n) — “verschijningen die voor Salomo werkten”

De verschijningen werkten onwetend van Salomo’s dood totdat een schepsel zijn staf aanvrat. De verborgenen misten kennis van het onzienbare (v.14) — dit bewijst dat de verschijningen niet alwetend zijn. Hun onwetendheid ontmantelt elke aanspraak op verborgen kennis door onzichtbare wezens.

v.23: Stam ش-ف-ع (sj-f-ayn) — “voorspraak”

“Voorspraak baat bij Hem niet dan voor wie Hij het toestaat.” De stam betekent paren, verdubbelen, bemiddelen. Voorspraak wordt niet afgeschaft maar aan voorwaarden gebonden — zij vereist goddelijke toestemming.

v.3: “geen atoomgewicht in de hemelen of op de aarde ontsnapt Hem”

ذَرَّة (dharra, atoom) — weerklinkend met 99:7–8. Goddelijke kennis werkt op atomair niveau.

Integratieve verbanden

  • v.46 “sta voor God, in paren en afzonderlijk, en overdenk dan”: de methode der onderscheiding — overpeinzing zowel gemeenschappelijk als eenzaam.
  • v.49 “valsheid ontspringt niet en herhaalt niet” ↔ stammen ب-د-أ en ع-و-د: valsheid kan noch beginnen noch iets in stand houden; slechts waarheid schept en vernieuwt.
35
Fatir De Voortbrenger
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Lof zij God, de Voortbrenger der hemelen en der aarde, Die de engelen als boodschappers aanstelt met vleugelen in tweeën, drieën en vieren. Hij voegt aan de schepping toe wat Hij wil; voorwaar, God is over alle dingen Machtig.
2
Welke barmhartigheid God ook voor de mensen opent, niemand kan haar weerhouden; en wat Hij weerhoudt, niemand kan het daarna loslaten. En Hij is de Machtige, de Wijze.
3
O mensen! Gedenkt de gunst Gods over u. Is er een schepper anders dan God die u voorziet vanuit hemel en aarde? Er is geen god dan Hij; hoe wordt gij dan afgewend?
4
En indien zij u loochenen, boodschappers vóór u werden geloochend; en tot God worden alle zaken teruggevoerd.
5
O mensen! Voorwaar, de belofte Gods is waar. Laat dan het leven dezer wereld u niet bedriegen, en laat de Bedrieger u niet bedriegen aangaande God.
6
Voorwaar, de duivel is een vijand voor u, neemt hem dan als een vijand. Hij roept zijn volgelingen slechts opdat zij metgezellen der Laai mogen zijn.
7
Degenen die verhullen, voor hen is een strenge kastijding; en degenen die geloven en rechtvaardige werken doen, voor hen is vergiffenis en een groot loon.
8
Is dan hij voor wie het kwade zijner daden hem schoon schijnt, zodat hij het voor goed houdt? Voorwaar, God doet dwalen wie Hij wil en leidt wie Hij wil. Laat dan uw ziel niet vergaan in spijt over hen; voorwaar, God is Wetend van hetgeen zij doen.
9
En God is het Die de winden zendt, en zij jagen wolken op, en Wij drijven ze naar een dood land en doen de aarde daardoor herleven na haar dood. Aldus zal de opstanding zijn.
10
Wie macht begeert, dan aan God behoort alle macht. Tot Hem stijgen de goede woorden op, en de rechtvaardige daad verheft ze. En degenen die het kwade beramen, voor hen is een strenge kastijding; en het beramen van dezen, het zal vergaan.
11
En God schiep u uit stof, vervolgens uit een druppel zaad, vervolgens maakte Hij u tot paren. En geen vrouw draagt of baart dan met Zijn kennis. En niemands leven wordt verlengd, noch wordt iets van zijn leven verminderd, of het is in een Boek. Voorwaar, dat is gemakkelijk voor God.
12
En niet gelijk zijn de twee zeeën: deze zoet, fris, aangenaam om te drinken, en deze zout, bitter. En uit beide eet gij vers vlees en haalt gij sieraden die gij draagt. En gij ziet de schepen daarin klieven, opdat gij van Zijn gunst moogt zoeken, en opdat gij wellicht dank moogt betuigen.
13
Hij doet de nacht overgaan in de dag en de dag overgaan in de nacht, en Hij heeft de zon en de maan dienstbaar gemaakt, elk lopend tot een vastgestelde termijn. Dat is God, uw Heer; aan Hem behoort het gezag. En degenen die gij naast Hem aanroept bezitten zelfs niet het vliesje van een dadelsteen.
14
Indien gij hen aanroept, horen zij uw roepen niet; en al hoorden zij, zij zouden u niet kunnen antwoorden. En op de Dag der Opstanding zullen zij uw deelgenootschap loochenen. En niemand kan u berichten als Een Die Alwetend is.
15
O mensen! Gij zijt de behoeftigen voor God; en God, Hij is de Zichzelf-Genoegzame, de Prijzenswaardige.
16
Indien Hij wil, kan Hij u wegnemen en een nieuwe schepping brengen.
17
En dat is niet moeilijk voor God.
18
En geen belaste ziel zal de last van een andere dragen. En indien een zwaarbelaste ziel om haar last roept, zal er niets van worden gedragen, al ware het een verwant. Gij waarschuwt slechts degenen die hun Heer vrezen in het verborgene en het gebed onderhouden. En wie zich zuivert, zuivert zich slechts voor zijn eigen ziel; en tot God is de reis.
19
Niet gelijk zijn de blinde en de ziende,
20
noch de duisternis en het licht,
21
noch de schaduw en de verschroeiende hitte.
22
En niet gelijk zijn de levenden en de doden. Voorwaar, God doet wie Hij wil horen; en gij kunt niet degenen in de graven doen horen.
23
Gij zijt slechts een waarschuwer.
24
Voorwaar, Wij hebben u gezonden met de waarheid, als brenger van blijde tijdingen en als waarschuwer; en er is geen volk of een waarschuwer is onder hen doorgegaan.
25
En indien zij u loochenen, degenen vóór hen loochenden eveneens. Hun boodschappers kwamen tot hen met duidelijke bewijzen en met de Schriften en met het verlichtende Boek.
26
Toen greep Ik degenen die verhulden; en hoe was Mijn loochening!
27
Hebt gij niet gezien dat God water van de hemel nederzendt, en Wij daardoor vruchten voortbrengen van verscheidene kleuren? En onder de bergen zijn paden wit en rood, van verscheidene kleuren, en ravenzwart.
28
En onder de mensen en de dieren en het vee, verscheiden eveneens in kleuren. Slechts die van Zijn dienaren vrezen God die kennis hebben; voorwaar, God is Machtig, Vergevend.
29
Voorwaar, degenen die het Boek Gods voordragen en het gebed onderhouden en besteden van hetgeen Wij hun geschonken hebben, heimelijk en openlijk, hopen op een handel die niet zal vergaan,
30
opdat Hij hen hun loon ten volle moge betalen en hen vermeerderen van Zijn gunst; voorwaar, Hij is Vergevend, Dankbaar.
31
En hetgeen Wij u hebben geopenbaard van het Boek is de waarheid, bevestigend hetgeen ervóór was; voorwaar, God is van Zijn dienaren Kundig, Ziend.
32
Toen bequamen Wij het Boek aan degenen die Wij verkoren onder Onze dienaren. En onder hen is hij die zijn eigen ziel onrecht doet, en onder hen is hij die gematigd is, en onder hen is hij die de voorste is in goede werken, met het verlof Gods. Dat is de grote gunst.
33
Tuinen der Eeuwigheid die zij zullen binnengaan; daarin worden zij getooid met armbanden van goud en parelen; en hun kleding daarin is zijde.
34
En zij zeggen: "Lof zij God Die van ons het verdriet heeft weggenomen; voorwaar, onze Heer is Vergevend, Dankbaar,
35
Die ons gevestigd heeft in het verblijf der bestendigheid, uit Zijn gunst; daarin raakt ons noch vermoeidheid noch moeheid."
36
En degenen die verhullen, voor hen is het Vuur der Hel. Het is niet voor hen bestemd dat zij sterven, noch wordt de kastijding ervan voor hen verlicht. Aldus vergelden Wij eenieder die verhult.
37
En zij roepen daarin uit: "Onze Heer! Breng ons eruit opdat wij rechtvaardige werken mogen doen, anders dan hetgeen wij pleegden te doen!" "Gaven Wij u niet een leven lang genoeg dat wie daarin wilde nadenken, kon nadenken? En de waarschuwer kwam tot u. Proeft dan! Want voor de onrechtvaardigen is er geen helper."
38
Voorwaar, God is de Kenner van het onzienlijke der hemelen en der aarde; voorwaar, Hij is Wetend van hetgeen in de harten is.
39
Hij is het Die u tot stedehouders op de aarde maakte. Wie dan verhult, zijn verhulling is tegen hemzelf. En de verhulling van degenen die verhullen vermeerdert hen niet in het oog van hun Heer dan in afkeer; en de verhulling van degenen die verhullen vermeerdert hen in niets dan in verlies.
40
Zeg: "Hebt gij uw deelgenoten gezien die gij naast God aanroept? Toont mij wat zij van de aarde geschapen hebben, of hebben zij een aandeel in de hemelen? Of hebben Wij hun een boek gegeven zodat zij op een duidelijk bewijs ervan staan?" Neen, de onrechtvaardigen beloven elkander niets dan begoocheling.
41
Voorwaar, God houdt de hemelen en de aarde vast opdat zij niet ophouden. En mochten zij ophouden, niemand zou ze na Hem kunnen houden; voorwaar, Hij is immer Verdraagzaam, Vergevend.
42
En zij zwoeren bij God hun plechtigste eden dat indien een waarschuwer tot hen kwam, zij rechter geleid zouden zijn dan enig der volkeren. Doch toen een waarschuwer tot hen kwam, vermeerderde het hen in niets dan in afkeer,
43
zich hoogmoedig gedragend op de aarde en het kwade beramend. En het kwade plan omsluit niemand behalve zijn eigen volk. Verwachten zij dan iets anders dan de weg der vroegere volkeren? En gij zult geen verandering vinden in de weg Gods, en gij zult geen wijziging vinden in de weg Gods.
44
Hebben zij niet op de aarde gereisd en gezien hoe het einde was van degenen die vóór hen waren, en zij waren machtiger dan hen in kracht? En God is niet zodanig dat iets in de hemelen of op de aarde Hem zou verijdelen; voorwaar, Hij is immer Alwetend, Almachtig.
45
En ware God de mensen ter verantwoording te roepen voor hetgeen zij verdiend hebben, Hij zou op haar oppervlak geen enkel schepsel hebben gelaten; doch Hij stelt hen uit tot een vastgestelde termijn. Doch wanneer hun termijn komt, voorwaar, God is immer Ziend van Zijn dienaren.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 35 — Faatir (De Voortbrenger)

Algemene opmerkingen

God brengt voort door open te splijten — schepping als breuk, niet als samenstelling. Dezelfde stam geeft ons فِطْرَة (fitra, de oorspronkelijke aard, 30:30).

Stamanalyse

v.1: Stam ف-ط-ر (f-th-r) — “voortbrengen, opensplijten”

فَاطِر — God splijt het niets open. De Voortbrenger en de oorspronkelijke aard (fitra) delen één stam: Gods scheppingsdaad en ’s mensen wezenlijke natuur zijn taalkundig één.

v.39: Stam ك-ف-ر (k-f-r) — “verhullen” (versterkt)

De stam ك-ف-ر verschijnt vijfmaal in snelle opeenvolging: “wie verhult — zijn verhulling is tegen hemzelf.” De verhulling schaadt slechts de verhuller — God wordt niet geraakt.

v.32: Stam و-ر-ث (w-r-th) — “erven, nalaten”

“Wij lieten het Boek na (أَوْرَثْنَا) aan wie Wij verkoren.” Onder de erfgenamen zijn drie typen: wie zichzelf onrecht aandoen, gematigden, en wie voorop gaan in het goede. Alle drie erven het Boek; de reactie verschilt, niet de gave.

Integratieve verbanden

  • v.10 “tot Hem stijgen de goede woorden op, en de rechtvaardige daad verheft hen”: goede spraak rijst naar God maar behoeft rechtvaardige daad om haar op te tillen — woorden zonder daden zijn aan de grond gehecht.
  • v.43 “gij zult geen verandering vinden in de weg Gods” ↔ 48:23: goddelijke bestendigheid — Gods werkwijzen veranderen niet over de Bedeelingen heen.
36
Ya-Sin Ya-Sin
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ya-Sin.
2
Bij de wijze Voordracht,
3
voorwaar, gij zijt onder de boodschappers,
4
op een Recht Pad,
5
een neerzending van de Machtige, de Barmhartige,
6
opdat gij een volk moogt waarschuwen wier vaderen niet gewaarschuwd waren, zodat zij achteloos zijn.
7
Reeds is het Woord gewettigd over de meesten hunner, zodat zij niet geloven.
8
Voorwaar, Wij hebben op hun nekken boeien geplaatst, en zij reiken tot de kinnen, zodat zij verstijfd zijn.
9
En Wij hebben vóór hen een barrière en achter hen een barrière geplaatst en Wij hebben hen bedekt, zodat zij niet zien.
10
En het is hun gelijk of gij hen waarschuwt of hen niet waarschuwt — zij geloven niet.
11
Gij kunt slechts hem waarschuwen die de Gedenkenis volgt en de Albarmhartige vreest in het verborgene; geef hem dan blijde tijdingen van vergiffenis en een edel loon.
12
Voorwaar, Wij geven de doden het leven en Wij schrijven op hetgeen zij hebben voorgezonden en hun sporen; en alles hebben Wij opgetekend in een duidelijk Register.
13
En stel hun een gelijkenis voor: de bewoners der stad, toen de boodschappers tot haar kwamen.
14
Toen Wij tot hen twee zonden, en zij hen beiden loochenden, versterkt Wij hen met een derde, en zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn boodschappers tot u."
15
Zij zeiden: "Gij zijt niets dan stervelingen als wij, en de Albarmhartige heeft niets nedergezonden; gij liegt slechts."
16
Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij voorwaar boodschappers tot u zijn,
17
en op ons rust niets dan de duidelijke overbrenging."
18
Zij zeiden: "Voorwaar, wij augureren kwaad van u; indien gij niet ophoudt, zullen wij u zekerlijk stenigen en een pijnlijke kastijding van ons zal u zekerlijk treffen."
19
Zij zeiden: "Uw kwaad voorteken is bij uzelf. Is het omdat gij herinnerd wordt? Neen, gij zijt een volk dat te buiten gaat."
20
En er kwam van het verste einde der stad een man rennend. Hij zeide: "O mijn volk, volgt de boodschappers!
21
Volgt degenen die geen loon van u vragen, en zij zijn recht geleid.
22
En wat mankeert mij dat ik niet Hem zou aanbidden Die mij voortbracht, en tot Wie gij zult worden teruggebracht?
23
Zal ik goden nemen buiten Hem? Indien de Albarmhartige enig kwaad voor mij wil, hun voorspraak zal mij niet baten, noch zullen zij mij redden.
24
Voorwaar, dan zou ik in klaarblijkelijke dwaling zijn.
25
Voorwaar, ik heb geloofd in uw Heer, hoort mij dan!"
26
Er werd gezegd: "Ga de Tuin binnen." Hij zeide: "O dat mijn volk wist
27
hoe mijn Heer mij heeft vergeven en mij geplaatst heeft onder de geëerden!"
28
En Wij zonden op zijn volk na hem geen heir uit de hemel neder, noch plachten Wij neder te zenden.
29
Het was niets dan een enkele kreet, en zie, zij waren uitgedoofd.
30
Helaas voor de dienaren! Er komt geen boodschapper tot hen of zij bespotten hem.
31
Hebben zij niet gezien hoevele geslachten Wij vóór hen vernietigden, dat zij niet tot hen terugkeren?
32
En eenieder van hen, allen tezamen, zullen voor Ons worden gebracht.
33
En een teken voor hen is de dode aarde: Wij gaven haar het leven en brachten eruit graan voort, en daarvan eten zij.
34
En Wij plaatsten daarin tuinen van dadelpalmen en druiven, en Wij deden daarin bronnen ontspringen,
35
opdat zij van haar vruchten mogen eten — en hun handen bewerkten het niet. Willen zij dan niet dank betuigen?
36
Glorie zij Hem Die alle paren schiep, van hetgeen de aarde doet groeien en van henzelf en van hetgeen zij niet weten.
37
En een teken voor hen is de nacht: Wij ontdoen haar van de dag, en zie, zij zijn in duisternis.
38
En de zon rent naar een rustplaats voor haar; dat is de verordening van de Machtige, de Alwetende.
39
En de maan — Wij hebben voor haar statiën verordend, totdat zij terugkeert als de oude gebogen dadeltros.
40
Het betaamt de zon niet de maan in te halen, noch haalt de nacht de dag in; en elk zwemt in een baan.
41
En een teken voor hen is dat Wij hun nakomelingen droegen in het beladen schip,
42
en Wij schiepen voor hen het gelijke waarop zij rijden.
43
En indien Wij willen, verdrinken Wij hen, en er is geen noodkreet voor hen, noch worden zij gered,
44
behalve door een barmhartigheid van Ons en voorziening voor een tijd.
45
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Weest indachtig hetgeen vóór u en achter u is, opdat gij wellicht barmhartigheid moogt ontvangen" —
46
en er komt niet tot hen enig teken van de tekenen huns Heren of zij wenden zich ervan af.
47
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Besteedt van hetgeen God u geschonken heeft," zeggen degenen die verhulden tot degenen die geloven: "Zullen wij hem voeden die, indien God wilde, Hij zou hebben gevoed? Gij zijt in niets dan klaarblijkelijke dwaling."
48
En zij zeggen: "Wanneer is deze belofte, indien gij waarachtigen zijt?"
49
Zij wachten niets dan een enkele kreet die hen zal grijpen terwijl zij onder elkander twisten.
50
Dan zullen zij niet in staat zijn een testament te maken, noch tot hun eigen volk zullen zij terugkeren.
51
En de bazuin zal worden geblazen, en zie, vanuit de graven naar hun Heer zullen zij zich haasten.
52
Zij zullen zeggen: "Wee ons! Wie heeft ons uit onze rustplaats opgewekt?" "Dit is hetgeen de Albarmhartige beloofde, en de boodschappers spraken waar."
53
Het zal niets zijn dan een enkele kreet, en zie, zij worden allen voor Ons gebracht.
54
Op deze dag zal geen ziel in iets onrecht worden aangedaan, en gij zult niet vergolden worden behalve voor hetgeen gij pleegt te doen.
55
Voorwaar, de bewoners der Tuin zijn heden bezig, zich verheugend.
56
Zij en hun echtgenoten in schaduw, op rustbanken aanliggend.
57
Het hunne is daarin vrucht, en het hunne is al wat zij verlangen.
58
"Vrede!" — een woord van een Barmhartige Heer.
59
"En scheidt u heden af, o gij schuldigen!"
60
"Heb Ik u niet geboden, o kinderen Adams, dat gij de Satan niet zoudt aanbidden — voorwaar, hij is voor u een klaarblijkelijke vijand —
61
en dat gij Mij zoudt aanbidden? Dit is een Recht Pad.
62
En voorwaar, hij heeft een grote menigte van u op een dwaalspoor gebracht. Hebt gij dan niet verstaan?
63
Dit is de Hel die u werd beloofd.
64
Brandt daarin heden omdat gij pleegt te verhullen."
65
Heden zullen Wij hun monden verzegelen, en hun handen zullen tot Ons spreken, en hun voeten zullen getuigen van hetgeen zij pleegden te verdienen.
66
En hadden Wij gewild, Wij zouden hun ogen hebben uitgewist, en zij zouden naar het Pad hebben gerend — doch hoe zouden zij dan zien?
67
En hadden Wij gewild, Wij zouden hen op hun plaats hebben omgevormd, en zij konden noch voorwaarts noch achterwaarts gaan.
68
En wie Wij een lang leven schenken, keren Wij om in schepping. Willen zij dan niet verstaan?
69
En Wij hebben hem geen dichtkunst geleerd, noch past het hem. Het is niets dan een Gedenkenis en een duidelijke Voordracht,
70
opdat hij hem die levend is moge waarschuwen, en opdat het Woord gewettigd moge worden over degenen die verhullen.
71
Hebben zij niet gezien dat Wij voor hen schiepen, van hetgeen Onze handen hebben gewrocht, vee, en zij zijn hun meesters?
72
En Wij hebben hen hun onderworpen, zodat sommige hun rijdieren zijn, en van sommige eten zij.
73
En voor hen zijn daarin voordelen en dranken. Willen zij dan niet dank betuigen?
74
En zij hebben goden genomen buiten God, opdat zij wellicht geholpen mogen worden.
75
Zij kunnen hen niet helpen, en zij zijn voor hen een heir dat wordt voorgebracht.
76
Laat dan hun spreken u niet bedroeven. Voorwaar, Wij weten wat zij verhullen en wat zij verkondigen.
77
Ziet de mens niet dat Wij hem uit een druppel schiepen? En zie, hij is een klaarblijkelijke tegenstander.
78
En hij heeft voor Ons een gelijkenis getroffen en zijn eigen schepping vergeten. Hij zegt: "Wie zal de beenderen doen herleven wanneer zij vergaan zijn?"
79
Zeg: "Hij zal hen doen herleven Die hen de eerste maal voortbracht; en Hij is van elke schepping Wetend —
80
Hij Die voor u uit de groene boom vuur maakte, en zie, daaruit ontsteekt gij."
81
Is niet Hij Die de hemelen en de aarde schiep in staat het gelijke van hen te scheppen? Jawel, voorzeker! En Hij is de Opperste Schepper, de Alwetende.
82
Zijn bevel, wanneer Hij iets wil, is slechts tot het te zeggen: "Wees!" en het is.
83
Glorie dan zij Hem in Wiens hand het gezag over alle dingen is, en tot Wie gij zult worden teruggebracht.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 36 — Ya-Sin

Algemene waarnemingen

Ya-Sin wordt “het hart der Koran” genoemd en verdicht de grote thema’s — profeetschap, opstanding, schepping, oordeel — in 83 verzen van buitengewone ritmische kracht.

Belangrijkste stamontdekkingen

Stam ح-ي-ي (h-j-j) — leven en geestelijk ontwaken

De stam draagt de soera als kernbetoog:

  • V.12: “Wij geven de doden leven” — tegenwoordige tijd, niet louter eschatologische belofte.
  • V.33: “Een teken voor hen is de dode aarde: Wij gaven haar leven” — agrarische opstanding als bewijs van geestelijke opstanding.
  • V.70: “opdat hij hem waarschuwe die levend is” — wie niet luistert is geestelijk dood.
  • V.79: “Hij zal hun leven geven die hen de eerste maal voortbracht” — het bewijs vanuit de schepping.

Stam ز-و-ج (z-w-dj) — paren (v.36)

“Lof zij Hem die alle paren schiep, van wat de aarde voortbrengt en van henzelf en van wat zij niet weten.” De onbekende paren strekken zich voorbij de biologie uit — mogelijk het zaahir/baatin-paar zelf. Verbonden met de tweevoudige structuur van Soera 55 (twee tuinen, twee bronnen, twee vruchten).

Stam خ-ت-م (kh-t-m) — verzegeling (v.65)

“Heden verzegelen Wij hun monden” — dezelfde stam als 33:40 (“Zegel der Profeten”). Het zegel sluit en bekrachtigt tegelijk: de verzegelde mond kan niet liegen, en het getuigenis der handen is door het zegel gewaarborgd.

Stam ك-و-ن (k-w-n) — “Wees!” (v.82)

“Zijn bevel, wanneer Hij iets wil, is slechts dat Hij ertoe zegt: ‘Wees!’ en het is.” Het meest fundamentele werkwoord in het Arabisch. Dezelfde formule als bij Jezus’ geboorte (3:47, 19:35): het heelal is spraak eer het stof is.

Versbijzonderheden

  • Vv.7-10: Drie metaforen van belemmering — boeien, barrieren, bedekkingen. Wie verhult wordt zelf verhuld (k-f-r-echo).
  • V.12: Aathaar (sporen, stam أ-ث-ر) breidt verantwoordelijkheid uit voorbij daden tot hun gevolgen — de rimpeleffecten.
  • Vv.20-27: De naamloze man van “het verste einde der stad” — hij gelooft, wordt gezegd “Treed de Tuin binnen,” en zijn eerste reactie is verdriet om zijn volk: “O wist mijn volk hoe mijn Heer mij vergeven heeft!” Geestelijk ontwaken en het paradijs zijn gelijktijdig.
  • V.69: “Wij hebben hem geen dichtkunst geleerd” — de Voordracht is goddelijke lering, geen menselijke dichtkunst. Dhikr (herinnering) en qoer’aan moebien (heldere Voordracht): het ene wijst achterwaarts, het andere voorwaarts.
  • V.80: “Van de groene boom, vuur” — de stam kh-d-r (frisheid). Uit het frisse, levende hout komt vuur — verbonden met 55:15 (djinn geschapen uit vuurstroom) en 55:76 (frisse kussens).

Integratieve verbanden

  • V.12 “Wij geven de doden leven” verhoudt zich tot 55:26-27 “het Aangezicht uws Heren blijft.”
  • V.36 paren verhoudt zich tot 55:52 “van elke vrucht twee soorten” en 55:46 “twee verborgen Rijken.”
  • V.65 verzegeling verhoudt zich tot 33:40 — dezelfde stam (kh-t-m) op oordeel en profetengeschiedenis toegepast.
  • V.82 koen fa-jakoem verhoudt zich tot 3:47 en 19:35 — elke wonderbaarlijke gebeurtenis is een geval van “Wees!”
37
As-Saffat De Opgestelden
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij degenen die in rijen zijn opgesteld,
2
dan degenen die met berisping verdrijven,
3
dan degenen die de Gedenkenis voordragen!
4
Voorwaar, uw God is Eén,
5
Heer der hemelen en der aarde en hetgeen tussen hen is, en Heer der Oosten.
6
Voorwaar, Wij hebben de naaste hemel versierd met het sieraad der sterren,
7
en een bescherming tegen elke opstandige duivel.
8
Zij kunnen niet luisteren naar de verheven vergadering, en zij worden van alle zijden bekogeld,
9
verdreven; en voor hen is een blijvende kastijding,
10
behalve hij die een flard wegrooft, en een doordringende vlam achtervolgt hem.
11
Vraag hen dan: "Zijn zij moeilijker te scheppen, of degenen die Wij geschapen hebben?" Voorwaar, Wij schiepen hen uit kleverige klei.
12
Neen, gij verwondert u, en zij spotten.
13
En wanneer zij herinnerd worden, gedenken zij niet.
14
En wanneer zij een teken zien, zoeken zij het te bespotten.
15
En zij zeggen: "Dit is niets dan klaarblijkelijke toverij.
16
Wanneer wij dood zijn en stof en beenderen worden, zullen wij dan worden opgewekt?
17
En onze vaderen van weleer?"
18
Zeg: "Ja, en gij zult vernederd worden."
19
Dan zal het slechts één roep zijn, en zie! zij aanschouwen.
20
En zij zeggen: "Wee ons! Dit is de Dag des Oordeels."
21
"Dit is de Dag der Beslissing die gij pleegt te loochenen."
22
"Verzamelt degenen die onrecht deden, en hun echtgenoten, en hetgeen zij pleegden te aanbidden
23
buiten God, en leidt hen naar het pad der Laai.
24
En houdt hen vast; voorwaar, zij zullen worden ondervraagd."
25
"Wat mankeert u dat gij elkander niet helpt?"
26
Neen, op deze Dag geven zij zich over.
27
En zij wenden zich tot elkander, vragend.
28
Zij zeggen: "Voorwaar, gij pleegt tot ons te komen van de rechterzijde."
29
Zij zeggen: "Neen, gijzelf waart geen gelovigen.
30
En wij hadden geen gezag over u; neen, gij waart een overtredend volk.
31
Zo is het woord onzes Heren over ons gewettigd; voorwaar, wij zullen proeven.
32
Zo leidden wij u op een dwaalspoor; voorwaar, wijzelf waren afgedwaald."
33
Dan voorwaar, op die Dag zullen zij deelgenoten zijn in de kastijding.
34
Voorwaar, aldus handelen Wij met de schuldigen.
35
Voorwaar, wanneer tot hen gezegd werd: "Er is geen god dan God," waren zij hoogmoedig,
36
en zij zeiden: "Zullen wij onze goden verlaten voor een bezetene dichter?"
37
Neen, hij is met de waarheid gekomen en heeft de boodschappers bevestigd.
38
Voorwaar, gij zult de pijnlijke kastijding proeven,
39
en gij zult niet vergolden worden behalve voor hetgeen gij pleegt te doen,
40
behalve de oprechte dienaren Gods.
41
Dezen, voor hen is een bekende voorziening,
42
vruchten; en zij zullen geëerd worden
43
in de Tuinen der Verrukking,
44
op rustbanken, elkander tegenoverzittend.
45
Er wordt onder hen een beker rondgegeven van een bron,
46
wit, verrukkelijk voor de drinkers,
47
waarin geen beneveling is, noch worden zij er dronken van.
48
En bij hen zijn degenen met ingetogen blik, wijd van oog,
49
alsof zij beschutte eieren waren.
50
En zij wenden zich tot elkander, vragend.
51
Een van hen zegt: "Voorwaar, ik had een metgezel
52
die placht te zeggen: 'Behoort gij dan tot degenen die bevestigen?
53
Wanneer wij dood zijn en stof en beenderen worden, zullen wij dan worden geoordeeld?'"
54
Hij zegt: "Wilt gij neerblicken?"
55
En hij blickt neer en ziet hem in het midden der Laai.
56
Hij zegt: "Bij God! Gij hadt mij bijna te gronde gericht.
57
En ware het niet om de gunst mijns Heren geweest, ik zou zijn geweest van degenen die worden voorgebracht."
58
"Zullen wij dan niet sterven
59
behalve onze eerste dood, en zullen wij niet worden gekastijd?"
60
Voorwaar, dit is de opperste triomf.
61
Laat voor het gelijke hiervan de werkers werken.
62
Is dat beter als onthaal, of de boom van Zaqqum?
63
Voorwaar, Wij hebben hem tot een beproeving gemaakt voor de onrechtvaardigen.
64
Voorwaar, het is een boom die ontspringt in de wortel der Laai.
65
Zijn kolven zijn als de hoofden van duivelen.
66
En voorwaar, zij zullen ervan eten en hun buiken ermee vullen.
67
Dan voorwaar, zij zullen er een dronk op hebben van kokend water.
68
Dan voorwaar, hun terugkeer is tot de Laai.
69
Voorwaar, zij vonden hun vaderen afgedwaald,
70
en zij haasten zich in hun voetstappen.
71
En voorwaar, de meesten der ouden dwaalden vóór hen af.
72
En voorwaar, Wij zonden onder hen waarschuwers.
73
Ziet dan hoe het einde was van degenen die gewaarschuwd werden,
74
behalve de oprechte dienaren Gods.
75
En voorwaar, Noach riep tot Ons; en hoe voortreffelijk zijn de Antwoorders!
76
En Wij bevrijdden hem en zijn gezin van de grote beproeving,
77
en Wij maakten zijn nakomelingen de overlevenden,
78
en Wij lieten voor hem na onder de lateren:
79
"Vrede zij over Noach onder de werelden!"
80
Voorwaar, aldus belonen Wij de weldoeners.
81
Voorwaar, hij was van Onze gelovige dienaren.
82
Toen verdronken Wij de anderen.
83
En voorwaar, van zijn aanhang was Abraham,
84
toen hij tot zijn Heer kwam met een gaaf hart,
85
toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: "Wat aanbidt gij?
86
Is het een leugen, goden buiten God, die gij begeert?
87
Wat is dan uw mening over de Heer der werelden?"
88
Toen wierp hij een blik op de sterren
89
en zeide: "Voorwaar, ik ben ziek."
90
En zij keerden hun ruggen en gingen van hem weg.
91
Toen wendde hij zich tot hun goden en zeide: "Eet gij niet?
92
Wat mankeert u dat gij niet spreekt?"
93
Toen keerde hij zich tegen hen, slaande met de rechterhand.
94
En zij kwamen haastig tot hem.
95
Hij zeide: "Aanbidt gij wat gij zelf uitsnijdt,
96
terwijl God u schiep en hetgeen gij doet?"
97
Zij zeiden: "Bouwt voor hem een bouwsel en werpt hem in de laai."
98
En zij wilden tegen hem samenzweren, doch Wij maakten hen de laagsten.
99
En hij zeide: "Voorwaar, ik ga naar mijn Heer; Hij zal mij leiden.
100
Mijn Heer! Schenk mij van de rechtvaardigen."
101
Toen gaven Wij hem blijde tijdingen van een verdraagzame zoon.
102
En toen hij de leeftijd bereikte om met hem te streven, zeide hij: "O mijn zoon! Voorwaar, ik zie in een droom dat ik u offer. Kijk dan, wat ziet gij?" Hij zeide: "O mijn vader! Doe wat u bevolen is; gij zult mij vinden, zo God wil, onder de geduldigen."
103
Toen zij zich beiden hadden toegewijd, en hij hem op zijn voorhoofd had gelegd,
104
riepen Wij tot hem: "O Abraham!
105
Gij hebt waarlijk het visioen vervuld." Voorwaar, aldus belonen Wij de weldoeners.
106
Voorwaar, dat was de klaarblijkelijke beproeving.
107
En Wij losten hem vrij met een machtig offer.
108
En Wij lieten voor hem na onder de lateren:
109
"Vrede zij over Abraham!"
110
Aldus belonen Wij de weldoeners.
111
Voorwaar, hij was van Onze gelovige dienaren.
112
En Wij gaven hem blijde tijdingen van Izaäk, een profeet der rechtvaardigen.
113
En Wij zegenden hem en Izaäk; en onder hun nakomelingen zijn weldoeners, en degenen die duidelijk hun eigen zielen onrecht doen.
114
En voorwaar, Wij schonken gunst aan Mozes en Aäron.
115
En Wij bevrijdden hen en hun volk van de grote beproeving.
116
En Wij hielpen hen, en zij waren de overwinnaars.
117
En Wij gaven hun het duidelijke Boek.
118
En Wij leidden hen naar het rechte pad.
119
En Wij lieten voor hen na onder de lateren:
120
"Vrede zij over Mozes en Aäron!"
121
Voorwaar, aldus belonen Wij de weldoeners.
122
Voorwaar, zij waren van Onze gelovige dienaren.
123
En voorwaar, Elia was van de gezondenen,
124
toen hij tot zijn volk zeide: "Wilt gij niet vrezen?
125
Roept gij Baäl aan en verlaat de beste der scheppers,
126
God, uw Heer en de Heer uwer vaderen van weleer?"
127
Doch zij loochenden hem, dus voorwaar, zij zullen worden voorgebracht,
128
behalve de oprechte dienaren Gods.
129
En Wij lieten voor hem na onder de lateren:
130
"Vrede zij over het geslacht van Elia!"
131
Voorwaar, aldus belonen Wij de weldoeners.
132
Voorwaar, hij was van Onze gelovige dienaren.
133
En voorwaar, Lot was van de gezondenen,
134
toen Wij hem bevrijdden en zijn gezin, allen,
135
behalve een oude vrouw onder degenen die achterbleven.
136
Toen vernietigden Wij de anderen.
137
En voorwaar, gij trekt langs hen voorbij in de ochtend
138
en bij nacht. Wilt gij dan niet verstaan?
139
En voorwaar, Jona was van de gezondenen,
140
toen hij vluchtte naar het beladen schip.
141
En hij wierp het lot en was onder de verliezers.
142
Toen verzwolg de walvis hem, en hij was laakbaar.
143
En ware hij niet van degenen die verheerlijken geweest,
144
hij zou in zijn buik zijn gebleven tot de Dag dat zij worden opgewekt.
145
Toen wierpen Wij hem op een kale kust, en hij was ziek.
146
En Wij deden een kalebas over hem groeien.
147
En Wij zonden hem tot honderdduizend, of meer.
148
En zij geloofden, dus gaven Wij hun voor een tijd genot.
149
Vraag hun dan: "Heeft uw Heer dochters, terwijl zij zonen hebben?
150
Of schiepen Wij de engelen vrouwelijk, en waren zij getuigen?"
151
Ziet! Het is van hun leugen dat zij zeggen:
152
"God heeft verwekt." En voorwaar, zij zijn leugenaars.
153
Heeft Hij dochters verkozen boven zonen?
154
Wat mankeert u? Hoe oordeelt gij?
155
Wilt gij dan niet gedenken?
156
Of hebt gij een duidelijk gezag?
157
Brengt dan uw boek, indien gij waarachtigen zijt.
158
En zij hebben een verwantschap ingesteld tussen Hem en de verborgenen; en voorwaar, de verborgenen weten dat zij zullen worden voorgebracht.
159
Glorie zij God boven hetgeen zij beschrijven,
160
behalve de oprechte dienaren Gods.
161
En voorwaar, gij en hetgeen gij aanbidt,
162
gij kunt niemand tegen Hem verleiden
163
behalve hem die de Laai zal binnengaan.
164
"En er is niemand onder ons die niet een bekende standplaats heeft.
165
En voorwaar, wij zijn degenen die in rijen zijn opgesteld.
166
En voorwaar, wij zijn degenen die verheerlijken."
167
En voorwaar, zij pleegden te zeggen:
168
"Hadden wij maar een Gedenkenis van de ouden,
169
wij zouden de oprechte dienaren Gods zijn geweest."
170
Doch zij verhulden het, en zij zullen weldra weten.
171
En voorwaar, Ons woord is reeds voorbijgegaan aan Onze dienaren, de gezondenen,
172
dat voorwaar zij geholpen zouden worden,
173
en dat voorwaar Ons heir, zij zouden de overwinnaars zijn.
174
Wend u dan van hen af voor een tijd,
175
en aanschouw hen, en zij zullen weldra zien.
176
Wensen zij Onze kastijding te bespoedigen?
177
Wanneer zij dan neerdaalt op hun binnenplaats, kwaad zal de ochtend zijn van degenen die gewaarschuwd waren.
178
En wend u van hen af voor een tijd,
179
en aanschouw, en zij zullen weldra zien.
180
Glorie zij uw Heer, de Heer der Macht, boven hetgeen zij beschrijven.
181
En vrede zij over de gezondenen.
182
En lof zij God, Heer der werelden.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 37 — As-Saaffaat (De in Rijen Geschaarden)

Algemene opmerkingen

De soera opent en sluit met engelen in rijen — de hemelse orde die het menselijke gebed weerspiegelt. Bevat het meest dramatische offer van Abraham (vv.99–113).

Stamanalyse

vv.102–107: Stam ذ-ب-ح (dh-b-h) — “het offer van Abraham”

De zoon antwoordt: “doe wat u bevolen wordt.” God verlost de zoon met ذِبْحٍ عَظِيمٍ (een geweldig offer). De Voordracht noemt de zoon niet bij naam — de traditie dat het Ismaël is rust op de context (de Isaak-aankondiging komt apart in v.112). De naamloze zoon maakt het offer universeel.

v.143: Stam س-ب-ح (s-b-h) — “Jona’s verheerlijking”

Jona wordt gered omdat كَانَ مِنَ الْمُسَبِّحِينَ (hij tot degenen die verheerlijken behoorde). De stam س-ب-ح (zwemmen/verheerlijken) redt Jona letterlijk — hij zwemt — en geestelijk — hij verheerlijkt. De sluitende lofprijzing (v.180) gebruikt dezelfde stam.

vv.1, 165: Stam ص-ف-ف (s-f-f) — “in rijen geschaard”

De engelen identificeren zich als “degenen die in rijen staan” — gebedsrijen (sofoef) weerspiegelen engelenrijen. Menselijke aanbidding bootst het kosmische patroon na.

Integratieve verbanden

  • v.107 “geweldig offer” ↔ 22:37: “hun vlees bereikt God niet, noch hun bloed, doch uw godvrezendheid bereikt Hem.”
  • vv.143–144 Jona’s verlossing door verheerlijking ↔ 21:87–88: het gebed vanuit de walvisbuik — het model van gebed in wanhoop.
38
Sad Sad
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Sad. Bij de Voordracht die de Gedenkenis bezit.
2
Neen, degenen die verhullen zijn in valse trots en verdeeldheid.
3
Hoeveel geslachten vernietigden Wij vóór hen, en zij riepen uit toen er geen tijd meer was om te ontkomen.
4
En zij verwonderen zich dat een waarschuwer tot hen is gekomen uit hun midden. En degenen die verhullen zeggen: "Dit is een tovenaar, een leugenaar.
5
Heeft hij de goden tot Eén God gemaakt? Voorwaar, dit is iets wonderbaarlijks!"
6
En de hoofden onder hen vertrokken: "Gaat en weest standvastig in uw goden; voorwaar, dit is een beraamd ding.
7
Wij hebben dit niet gehoord in de latere godsdienst; dit is niets dan een verzinsel.
8
Is de Gedenkenis op hem nedergezonden uit ons midden?" Neen, zij zijn in twijfel over Mijn Gedenkenis; neen, zij hebben Mijn kastijding nog niet geproefd.
9
Of bezitten zij de schatten der barmhartigheid uws Heren, de Machtige, de Schenker?
10
Of is hunner het gezag der hemelen en der aarde en hetgeen daartussen is? Laat hen dan langs de touwen omhoogklimmen.
11
Een heir der partijen, daar verslagen.
12
Vóór hen loochenden het volk van Noach en Ad, en Farao, de heer der palen,
13
en Thamud en het volk van Lot en de bewoners van het Kreupelhout — dat waren de partijen.
14
Elk loochende de boodschappers, dus werd Mijn vergelding gewettigd.
15
En dezen wachten slechts op één Roep waarvoor geen uitstel is.
16
En zij zeggen: "Onze Heer! Bespoedig voor ons ons deel vóór de Dag der Afrekening."
17
Verdraag geduldig hetgeen zij zeggen, en gedenk Onze dienaar David, de bezitter van macht; voorwaar, hij keerde immer terug.
18
Voorwaar, Wij onderwierpen de bergen met hem, verheerlijkend in de avond en bij zonsopgang,
19
en de vogels, vergaderd; elk keerde tot hem terug.
20
En Wij versterkten zijn gezag en gaven hem wijsheid en beslissende rede.
21
En is het verhaal der twistenden tot u gekomen, toen zij over de muur der kamer klommen?
22
Toen zij binnentraden bij David, en hij was bevreesd voor hen. Zij zeiden: "Vrees niet. Wij zijn twee twistenden, één van wie de ander onrecht heeft gedaan; oordeel dan tussen ons met waarheid, en wees niet onrechtvaardig, en leid ons naar de rechte weg.
23
Voorwaar, deze mijn broeder heeft negenennegentig ooien, en ik heb één ooi; en hij zeide: 'Geef haar aan mij,' en hij was machtig over mij in spreken."
24
Hij zeide: "Hij heeft u onrecht gedaan door uw ooi te vragen om bij zijn ooien te voegen. En voorwaar, vele deelgenoten doen elkander onrecht, behalve degenen die geloven en rechtvaardige werken doen; en hoe weinigen zijn zij!" En David besefte dat Wij hem hadden beproefd, en hij zocht vergiffenis zijns Heren, en viel buigend neder, en keerde in berouw terug.
25
Dus vergaven Wij hem dat; en voorwaar, voor hem is bij Ons een nabijheid en een schone terugkeer.
26
"O David! Voorwaar, Wij hebben u tot stedehouder op de aarde gemaakt; oordeel dan tussen de mensen met waarheid, en volg niet de begeerte, opdat zij u niet van de weg Gods afleiden. Voorwaar, degenen die van de weg Gods afdwalen, voor hen is een strenge kastijding omdat zij de Dag der Afrekening vergaten."
27
En Wij schiepen de hemel en de aarde en hetgeen daartussen is niet tevergeefs. Dat is de veronderstelling van degenen die verhullen. Wee dan degenen die verhullen, van het Vuur!
28
Of zullen Wij degenen die geloven en rechtvaardige werken doen gelijkstellen aan degenen die verderf op de aarde werken? Of zullen Wij de vromen gelijkstellen aan de goddelozen?
29
Een Boek dat Wij tot u hebben nedergezonden, gezegend, opdat zij zijn tekenen mogen overpeinzen en opdat de verstandigen mogen gedenken.
30
En aan David schonken Wij Salomo. Hoe voortreffelijk een dienaar! Voorwaar, hij keerde immer terug.
31
Toen in de avond voor hem de edelste rossen werden tentoongesteld,
32
zeide hij: "Voorwaar, ik heb de liefde voor het goede boven de gedenkenis mijns Heren liefgehad" — totdat zij achter de sluier verdwenen.
33
"Brengt ze tot mij terug." En hij begon hun benen en nekken te strelen.
34
En voorwaar, Wij beproefden Salomo en Wij wierpen op zijn troon een lichaam; toen keerde hij in berouw terug.
35
Hij zeide: "Mijn Heer! Vergeef mij en schenk mij een heerschappij die niemand na mij zal toebehoren. Voorwaar, Gij zijt de Schenker."
36
Dus onderwierpen Wij hem de wind, zacht blazend op zijn bevel, waarheen hij ook richtte,
37
en de duivelen, elke bouwer en duiker,
38
en anderen in ketenen samengebonden.
39
"Dit is Onze gunst; schenk dan of weerhoud, zonder rekenschap."
40
En voorwaar, voor hem is bij Ons een nabijheid en een schone terugkeer.
41
En gedenk Onze dienaar Job, toen hij tot zijn Heer riep: "Voorwaar, de duivel heeft mij geraakt met beproeving en lijden."
42
"Stamp met uw voet; dit is een koele wasplaats en een drank."
43
En Wij gaven hem zijn gezin en het gelijke ervan daarbij, een barmhartigheid van Ons en een gedenkenis voor de verstandigen.
44
"En neem in uw hand een bundel biezen en sla daarmede, en breek uw eed niet." Voorwaar, Wij vonden hem geduldig. Hoe voortreffelijk een dienaar! Voorwaar, hij keerde immer terug.
45
En gedenk Onze dienaren Abraham en Izaäk en Jakob, bezitters van macht en van visioen.
46
Voorwaar, Wij zuiverden hen met een zuivere eigenschap: de gedenkenis van het Verblijf.
47
En voorwaar, zij zijn bij Ons onder de verkorenen, de voortreffelijken.
48
En gedenk Ismaël en Elisa en Dhul-Kifl; en elk was van de voortreffelijken.
49
Dit is een Gedenkenis; en voorwaar, voor de vromen is een schone terugkeer,
50
Tuinen der Eeuwigheid wier deuren voor hen geopend zijn,
51
waarin zij aanliggen, daarin roepend om overvloedig fruit en drank,
52
en bij hen zijn degenen met ingetogen blik, van gelijke leeftijd.
53
Dit is hetgeen u wordt beloofd voor de Dag der Afrekening.
54
Voorwaar, dit is Onze voorziening; zij zal niet uitgeput worden.
55
Dit! En voorwaar, voor de overtreders is een kwade terugkeer,
56
de Hel, waarin zij branden; en ellendig is de rustplaats!
57
Dit! Laat hen het dan proeven: kokend water en etter,
58
en andere kwellingen van gelijke aard, in paren.
59
"Dit is een heir dat met u binnenstormt. Geen welkom voor hen! Voorwaar, zij zullen het Vuur binnengaan."
60
Zij zeggen: "Neen, gij! Geen welkom voor u! Gij hebt dit over ons gebracht. Hoe ellendig is de rustplaats."
61
Zij zeggen: "Onze Heer! Wie dit over ons bracht, vermeerder voor hem een dubbele kastijding in het Vuur."
62
En zij zeggen: "Wat mankeert ons dat wij mannen niet zien die wij onder de slechten pleegden te rekenen?
63
Namen wij hen in bespotting, of hebben onze ogen zich van hen afgewend?"
64
Voorwaar, dat is waar: de twist van het volk des Vuurs.
65
Zeg: "Ik ben slechts een waarschuwer; en er is geen god dan God, de Ene, de Onweerstaanbare,
66
Heer der hemelen en der aarde en hetgeen daartussen is, de Machtige, de Vergevende."
67
Zeg: "Het is een machtig bericht
68
waarvan gij u afwendt.
69
Ik had geen kennis van de verheven vergadering toen zij twistten.
70
Het wordt mij slechts geopenbaard dat ik een duidelijke waarschuwer ben."
71
Toen uw Heer tot de engelen zeide: "Voorwaar, Ik schep een sterveling uit klei.
72
Wanneer Ik hem dan heb gevormd en in hem van Mijn Geest heb geblazen, valt dan voor hem in nederwerping neder."
73
Dus wierpen de engelen zich neder, allen tezamen,
74
behalve Iblis; hij was hoogmoedig en was van degenen die verhullen.
75
Hij zeide: "O Iblis! Wat verhindert u zich neder te werpen voor hetgeen Ik met Mijn twee handen geschapen heb? Zijt gij hoogmoedig, of zijt gij van de verhevenen?"
76
Hij zeide: "Ik ben beter dan hij. Gij schiept mij uit vuur, en hem schiept Gij uit klei."
77
Hij zeide: "Ga dan uit van hier; voorwaar, gij zijt vervloekt.
78
En voorwaar, Mijn vloek is op u tot de Dag des Oordeels."
79
Hij zeide: "Mijn Heer! Verleen mij dan uitstel tot de Dag dat zij worden opgewekt."
80
Hij zeide: "Dan voorwaar, gij zijt van degenen aan wie uitstel is verleend
81
tot de Dag van de bekende tijd."
82
Hij zeide: "Bij Uw macht, ik zal hen allen zeker op een dwaalspoor brengen,
83
behalve Uw oprechte dienaren onder hen."
84
Hij zeide: "Dan de waarheid — en de waarheid spreek Ik —
85
Ik zal waarlijk de Hel vullen met u en met degenen van hen die u volgen, allen tezamen."
86
Zeg: "Ik vraag u er geen loon voor, noch behoor ik tot degenen die doen alsof.
87
Het is niets dan een Gedenkenis voor de werelden.
88
En gij zult haar bericht zekerlijk te weten komen na een tijd."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 38 — Saad

Algemene opmerkingen

De soera van de terugkeer: David, de bergen, de vogels, Salomo en Job worden allen beschreven als “steeds terugkerend” (أَوَّاب). Het geestelijk leven als cyclische terugkeer tot God.

Stamanalyse

vv.17, 19, 30, 44: Stam أ-و-ب (alif-w-b) — “terugkeren”

De soera is doordrenkt van deze hoedanigheid — elke genoemde profeet wordt gekenmerkt niet door volmaaktheid maar door volhardend terugkeren tot God. De stam verbindt met تَوْبَة (berouw).

v.26: Stam خ-ل-ف (ch-l-f) — “stedehouder, opvolger”

“Wij hebben u tot stedehouder (خَلِيفَة) op de aarde gemaakt.” Davids stedehouderschap is uitdrukkelijk voorwaardelijk: oordeel naar waarheid en volg de begeerte niet. De titel draagt verplichting, niet voorrecht.

v.72: “blies in hem van Mijn Geest”

Herhaalt 15:29 letterlijk — de twee scheppingsverhalen (Soera 15 en 38) draaien beide om de goddelijke adem als het moment waarop de mens mens wordt.

Integratieve verbanden

  • v.29 “opdat zij zijn tekenen overdenken” ↔ 47:24: overpeinzing (تَدَبُّر) als doel der Voordracht — of er sloten op de harten zijn die dit overdenken beletten.
  • v.5 “heeft hij de goden tot één God gemaakt?”: de stam و-ح-د (eenheid) was het schandaal, niet een bepaalde leer.
39
Az-Zumar De Scharen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
De neerzending van het Boek is van God, de Machtige, de Wijze.
2
Voorwaar, Wij hebben tot u het Boek in waarheid nedergezonden; aanbid dan God, uw godsdienst oprecht jegens Hem makende.
3
Ziet! Aan God behoort de oprechte godsdienst. En degenen die beschermers nemen buiten Hem: "Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons nader tot God brengen in rang." Voorwaar, God zal tussen hen oordelen aangaande datgene waarin zij verschillen. Voorwaar, God leidt niet hem die een leugenaar is, een verhulller.
4
Had God gewild een zoon te nemen, Hij had kunnen kiezen van hetgeen Hij geschapen heeft wat Hij wilde. Glorie zij Hem! Hij is God, de Ene, de Onweerstaanbare.
5
Hij schiep de hemelen en de aarde in waarheid. Hij wikkelt de nacht om de dag, en Hij wikkelt de dag om de nacht; en Hij heeft de zon en de maan dienstbaar gemaakt, elk lopend tot een vastgestelde termijn. Ziet! Hij is de Machtige, de Vergevende.
6
Hij schiep u uit één ziel, maakte er toen haar gezellin uit; en Hij zond voor u van het vee acht soorten neder. Hij schept u in de baarmoeders uwer moeders, schepping na schepping, in een drievoudige duisternis. Dat is God, uw Heer; aan Hem behoort het gezag. Er is geen god dan Hij. Hoe wordt gij dan afgewend?
7
Indien gij verhult, dan voorwaar, God is Zichzelf-Genoegzaam buiten u. En Hij is niet tevreden met ondankbaarheid voor Zijn dienaren. En indien gij dank betuigt, is Hij er tevreden mee voor u. En geen belaste ziel zal de last van een andere dragen. Dan tot uw Heer is uw terugkeer, en Hij zal u berichten over hetgeen gij pleegt te doen. Voorwaar, Hij is Wetend van hetgeen in de harten is.
8
En wanneer de mens kwaad treft, roept hij zijn Heer aan, zich tot Hem wendend. Doch wanneer Hij hem een gunst van Hem schenkt, vergeet hij datgene waarvoor hij tot Hem riep, en stelt gelijken naast God om van Zijn weg af te leiden. Zeg: "Neem uw genot in uw verhulling voor een tijd; voorwaar, gij behoort tot de metgezellen des Vuurs."
9
Is hij die devoot is in de nachtwaken, zich nederwerpend en staande, vrezend voor het Hiernamaals en hopend op de barmhartigheid zijns Heren? Zeg: "Zijn degenen die weten gelijk aan degenen die niet weten?" Slechts de verstandigen gedenken.
10
Zeg: "O Mijn dienaren die geloven! Vreest uw Heer. Voor degenen die goed doen in deze wereld is goed; en de aarde Gods is ruim. Voorwaar, de geduldigen zullen hun loon zonder rekenschap ontvangen."
11
Zeg: "Voorwaar, mij is bevolen God te aanbidden, mijn godsdienst oprecht jegens Hem makende.
12
En mij is bevolen de eerste der Toegewijden te zijn."
13
Zeg: "Voorwaar, ik vrees, indien ik mijn Heer ongehoorzaam ben, de kastijding van een Machtige Dag."
14
Zeg: "God aanbid ik, mijn godsdienst oprecht jegens Hem makende.
15
Aanbidt dan wat gij wilt buiten Hem." Zeg: "Voorwaar, de verliezers zijn degenen die hun eigen zielen en hun gezinnen hebben verloren op de Dag der Opstanding. Ziet! Dat is het klaarblijkelijke verlies."
16
Zij zullen baldakijnen van vuur boven zich en baldakijnen beneden zich hebben. Daarmede verschrikt God Zijn dienaren. "O Mijn dienaren! Vreest Mij dan."
17
En degenen die de valse goden mijden, opdat zij hen niet aanbidden, en zich tot God keren, voor hen zijn blijde tijdingen. Geeft dan blijde tijdingen aan Mijn dienaren
18
die naar het woord luisteren en het beste ervan volgen. Dezen zijn het die God geleid heeft, en dezen zijn de verstandigen.
19
Hij tegen wie het woord der kastijding is gewettigd — kunt gij dan hem redden die in het Vuur is?
20
Doch degenen die hun Heer vrezen, voor hen zijn bovenvertrekken waarboven bovenvertrekken zijn gebouwd, waaronder rivieren stromen. De belofte Gods; God breekt de afspraak niet.
21
Hebt gij niet gezien dat God water van de hemel nederzendt en het dan als bronnen in de aarde doet stromen, en dan daardoor gewassen voortbrengt van verscheidene kleuren, die dan verwelken en gij ze geel ziet worden, en dan maakt Hij ze tot kaf? Voorwaar, daarin is een gedenkenis voor de verstandigen.
22
Is hij wiens borst God heeft verruimd voor de Overgave, zodat hij op een licht van zijn Heer is? Wee dan degenen wier harten verhard zijn tegen de gedenkenis Gods. Dezen zijn in klaarblijkelijke dwaling.
23
God heeft de beste rede nedergezonden: een Boek gelijkvormig, van paren. De huiden van degenen die hun Heer vrezen rillen ervan; dan worden hun huiden en hun harten zacht voor de gedenkenis Gods. Dat is de leiding Gods; Hij leidt daardoor wie Hij wil. En wie God op een dwaalspoor brengt, voor hem is er geen gids.
24
Is dan hij die zijn gezicht beschermt tegen de kwade kastijding op de Dag der Opstanding? En tot de onrechtvaardigen wordt gezegd: "Proeft hetgeen gij pleegt te verdienen."
25
Degenen vóór hen loochenden, en de kastijding kwam over hen van waar zij niet beseften.
26
Dus deed God hen vernedering proeven in het leven dezer wereld; en de kastijding des Hiernamaals is groter, indien zij maar wisten.
27
En voorwaar, Wij hebben voor de mensen in deze Voordracht allerlei gelijkenissen geslagen, opdat zij wellicht mogen gedenken:
28
een Voordracht in het Arabisch, zonder enige verdraaiing, opdat zij wellicht mogen vrezen.
29
God slaat een gelijkenis: een man die aan twistende deelgenoten toebehoort, en een man die geheel aan één man toebehoort. Zijn zij gelijk in gelijkenis? Lof zij God! Doch de meesten hunner weten niet.
30
Voorwaar, gij zult sterven, en voorwaar, zij zullen sterven.
31
Dan voorwaar, op de Dag der Opstanding, voor uw Heer zult gij twisten.
32
En wie is onrechtvaardiger dan hij die tegen God liegt en de waarheid loochent wanneer zij tot hem komt? Is er in de Hel geen verblijf voor degenen die verhullen?
33
En hij die de waarheid brengt en hij die haar bevestigt, dezen zijn de vromen.
34
Zij zullen al wat zij willen hebben bij hun Heer. Dat is het loon der weldoeners,
35
opdat God het ergste van hetgeen zij deden van hen moge kwijtschelden en hen hun loon moge vergelden voor het beste van hetgeen zij pleegden te doen.
36
Is God niet genoeg voor Zijn dienaar? Doch zij verschrikken u met degenen buiten Hem. En wie God op een dwaalspoor brengt, voor hem is er geen gids.
37
En wie God leidt, voor hem is er niemand die op een dwaalspoor brengt. Is God niet Machtig, Heer der Vergelding?
38
En indien gij hun zoudt vragen: "Wie schiep de hemelen en de aarde?" zouden zij zeker zeggen: "God." Zeg: "Hebt gij dan overwogen wat gij buiten God aanroept? Indien God kwaad voor mij wil, kunnen zij Zijn kwaad verwijderen? Of indien Hij barmhartigheid voor mij wil, kunnen zij Zijn barmhartigheid weerhouden?" Zeg: "God is mij genoeg. In Hem stellen hun vertrouwen degenen die vertrouwen."
39
Zeg: "O mijn volk! Werkt naar uw positie; voorwaar, ik werk. Dan zult gij weten
40
over wie een kastijding komt die hem vernedert, en over wie een blijvende kastijding neerdaalt."
41
Voorwaar, Wij hebben tot u het Boek voor de mensen in waarheid nedergezonden. Wie dan geleid wordt, het is voor zijn eigen ziel; en wie afdwaalt, dwaalt slechts tegen haar af. En gij zijt niet over hen een voogd.
42
God neemt de zielen op de tijd van hun dood, en degenen die niet sterven, in hun slaap. Dan houdt Hij degenen voor wie Hij de dood verordend heeft, en zendt de anderen terug voor een vastgestelde termijn. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat nadenkt.
43
Of hebben zij voorsprekers genomen buiten God? Zeg: "Wat! Zelfs al hebben zij geen macht over iets en verstaan niet?"
44
Zeg: "Aan God behoort alle voorspraak. Aan Hem behoort het gezag der hemelen en der aarde; dan tot Hem zult gij worden teruggebracht."
45
En wanneer God alleen wordt genoemd, krimpen de harten van degenen die niet in het Hiernamaals geloven ineen van afkeer; doch wanneer degenen buiten Hem worden genoemd, zie! zij verheugen zich.
46
Zeg: "O God! Voortbrenger der hemelen en der aarde! Kenner van het onzienlijke en het zienlijke! Gij zult tussen Uw dienaren oordelen aangaande datgene waarin zij pleegden te verschillen."
47
En hadden degenen die onrecht deden al wat op de aarde is, en het gelijke erbij, in bezit, zij zouden zich ermee vrijkopen van de kwade kastijding op de Dag der Opstanding. En er zal hun van God verschijnen wat zij niet hadden gerekend.
48
En er zullen hun de kwaden verschijnen van hetgeen zij verdienden, en er zal hen omringen datgene waarmede zij pleegden te spotten.
49
Wanneer de mens dan kwaad treft, roept hij Ons aan; wanneer Wij hem dan een gunst van Ons schenken, zegt hij: "Ik heb het slechts verkregen door kennis." Neen, het is een beproeving; doch de meesten hunner weten niet.
50
Degenen vóór hen zeiden het, doch hetgeen zij pleegden te verdienen baatte hun niet.
51
En de kwaden van hetgeen zij verdienden troffen hen; en degenen onder dezen die onrecht doen, de kwaden van hetgeen zij verdienen zullen hen treffen, en zij kunnen niet verijdelen.
52
Hebben zij niet geweten dat God de voorziening verruimt voor wie Hij wil en haar beperkt? Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat gelooft.
53
Zeg: "O Mijn dienaren die verkwistend geweest zijn tegen hun eigen zielen! Wanhoopt niet aan de barmhartigheid Gods. Voorwaar, God vergeeft alle zonden; voorwaar, Hij is de Vergevende, de Barmhartige.
54
En keert u tot uw Heer en wijdt u aan Hem toe eer de kastijding over u komt; dan zult gij niet worden geholpen.
55
En volgt het beste van hetgeen tot u is nedergezonden van uw Heer, eer de kastijding plotseling over u komt terwijl gij niet beseft,
56
opdat een ziel niet zegge: 'Helaas, mijn verdriet over hetgeen ik in betrekking tot God verwaarloosde, en voorwaar, ik was van de spotters!'
57
Of opdat zij niet zegge: 'Had God mij geleid, ik zou van de vromen zijn geweest.'
58
Of opdat zij niet zegge, wanneer zij de kastijding ziet: 'Had ik maar een tweede kans, opdat ik van de weldoeners moge zijn.'"
59
"Neen! Mijn tekenen kwamen tot u, en gij loochende ze en waart hoogmoedig en waart van degenen die verhullen."
60
En op de Dag der Opstanding zult gij degenen zien die tegen God logen, hun gezichten zwartgemaakt. Is er in de Hel geen verblijf voor de hoogmoedigen?
61
En God zal degenen die vreesden bevrijden, op hun plaats van veiligheid; het kwaad zal hen niet raken, noch zullen zij treuren.
62
God is de Schepper aller dingen, en Hij is over alle dingen een Hoeder.
63
Aan Hem behoren de sleutels der hemelen en der aarde. En degenen die de tekenen Gods verhullen, dezen zijn de verliezers.
64
Zeg: "Is het iets anders dan God dat gij mij beveelt te aanbidden, o gij onwetenden?"
65
En voorwaar, het is u geopenbaard en degenen vóór u: "Indien gij deelgenoten stelt, zal uw werk zekerlijk vruchteloos worden gemaakt, en gij zult zekerlijk van de verliezers zijn.
66
Neen, doch aanbidt God, en weest van de dankbaren."
67
En zij hebben God niet naar Zijn ware maat gemeten. En op de Dag der Opstanding zal de gehele aarde Zijn handgreep zijn, en de hemelen zullen worden opgerold in Zijn rechterhand. Glorie zij Hem, en verheven zij Hij boven hetgeen zij als deelgenoten stellen!
68
En de Bazuin zal worden geblazen, en allen die in de hemelen en allen die op de aarde zijn zullen bewusteloos neervallen, behalve wie God wil. Dan zal hij een tweede maal worden geblazen, en zie! zij staan, aanschouwend.
69
En de aarde zal stralen met het licht haars Heren, en het Boek zal worden neergelegd, en de profeten en de getuigen zullen worden gebracht, en er zal tussen hen in waarheid geoordeeld worden, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
70
En elke ziel zal ten volle betaald worden voor hetgeen zij deed; en Hij is het meest wetend van hetgeen zij doen.
71
En degenen die verhulden zullen in scharen naar de Hel worden gedreven. Totdat wanneer zij haar bereiken, haar poorten worden geopend, en haar wachters tot hen zeggen: "Kwamen er niet tot u boodschappers uit uw midden, u de tekenen uws Heren voordragend en u waarschuwend voor de ontmoeting van deze Dag van u?" Zij zeggen: "Jawel." Doch het woord der kastijding is gewettigd over degenen die verhullen.
72
Er wordt gezegd: "Gaat de poorten der Hel binnen, daarin te verblijven." En ellendig is het verblijf der hoogmoedigen.
73
En degenen die hun Heer vreesden zullen in scharen naar de Tuin worden geleid. Totdat wanneer zij haar bereiken, haar poorten worden geopend, en haar wachters tot hen zeggen: "Vrede zij over u! Gij zijt goed geweest; gaat haar dan binnen, daarin te verblijven."
74
En zij zeggen: "Lof zij God Die Zijn belofte aan ons heeft vervuld en ons de aarde heeft doen erven, ons vestigend in de Tuin waar wij willen." En voortreffelijk is het loon der werkers.
75
En gij zult de engelen zien rondcirkelend om de Troon, de lof van hun Heer verheerlijkend. En er zal tussen hen in waarheid geoordeeld worden, en er zal gezegd worden: "Lof zij God, Heer der werelden!"
Commentary

Aantekeningen bij Soera 39 — Az-Zoemar (De Menigten)

Algemene opmerkingen

Zowel de verdoemden als de geredden worden “in menigten” (زُمَرًا) voortgedreven — niemand arriveert alleen. De soera herhaalt viermaal “de godsdienst oprecht makend voor Hem” (مُخْلِصًا).

Stamanalyse

vv.71, 73: Stam ز-م-ر (z-m-r) — “menigten”

Beide groepen worden voortgedreven, beide bereiken poorten, beide worden toegesproken door wachters. Het verschil zit in de begroeting. De symmetrie is nauwkeurig: het Oordeel is een massagebeurtenis.

v.23: Stam ث-ن-ي (th-n-j) — “paren, herhaald”

“Een Boek dat samenhangend is, van paren (مَثَانِيَ).” De Voordracht beschrijft haar eigen structuur als gepaard — belofte en waarschuwing, verborgen Rijk en vuur, barmhartigheid en oordeel. Dezelfde aanduiding als voor Al-Fatihah in 15:87 (“zeven van het herhaalde”).

v.53: “Wanhoopt niet aan de barmhartigheid Gods”

Een der ruimhartigste barmhartigheidsverzen, met de stam ر-ح-م. De baarmoeder-barmhartigheid Gods omvat zelfs verkwisting jegens de eigen ziel.

Integratieve verbanden

  • v.42 “God neemt de zielen ten tijde van hun dood, en die niet sterven, in hun slaap”: slaap gelijkgesteld aan een kleine dood — de stam و-ف-ي (volledig nemen) wordt voor beide gebruikt.
  • v.69 “de aarde zal schijnen met het licht haars Heren” ↔ 24:35 het Lichtvers: op de Dag des Oordeels wordt het batin-licht zahir.
40
Ghafir De Vergever
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
De neerzending van het Boek is van God, de Machtige, de Alwetende,
3
Vergever van zonde en Aanvaarter van berouw, streng in kastijding, bezitter van mildheid. Er is geen god behalve Hij. Tot Hem is de bestemming.
4
Niemand twist aangaande de tekenen Gods behalve degenen die verhullen. Laat dan hun bewegen door de landen u niet bedriegen.
5
Vóór hen loochende het volk van Noach, en de partijen na hen. En elke gemeenschap was van zins hun boodschapper te grijpen, en twistte door middel van valsheid om daarmee de waarheid te weerleggen. Dus greep Ik hen. En hoe was Mijn kastijding!
6
En aldus is het woord uws Heren gewettigd over degenen die verhullen: dat zij de metgezellen des Vuurs zijn.
7
Degenen die de Troon dragen en degenen eromheen verheerlijken de lof van hun Heer en geloven in Hem en zoeken vergiffenis voor degenen die geloven: "Onze Heer! Gij omvat alle dingen in barmhartigheid en kennis. Vergeef dan degenen die berouw tonen en Uw weg volgen, en bescherm hen tegen de kastijding der Laai."
8
"Onze Heer! En laat hen toe in de Tuinen der Eeuwigheid die Gij hun hebt beloofd, en degenen die rechtvaardig zijn onder hun vaderen en hun echtgenoten en hun nageslacht. Voorwaar, Gij zijt de Machtige, de Alwijze."
9
"En bescherm hen tegen kwade daden. En wie Gij beschermt tegen kwade daden op die Dag, Gij hebt hem waarlijk barmhartigheid betoond. En dat is de opperste triomf."
10
Voorwaar, degenen die verhullen zullen worden toegeroepen: "De afkeer Gods is groter dan uw afkeer van uzelf, toen gij tot het geloof werd geroepen en gij verhuldet."
11
Zij zeggen: "Onze Heer! Gij hebt ons tweemaal doen sterven en hebt ons tweemaal het leven gegeven. En wij bekennen onze zonden. Is er dan enige weg om uit te gaan?"
12
"Dat is omdat, toen God alleen werd aangeroepen, gij verhuldet; en toen anderen met Hem werden geassocieerd, gij geloofdet. Het oordeel behoort dus aan God, de Verhevene, de Grote."
13
Hij is het Die u Zijn tekenen toont en voor u voorziening van de hemel nederzendt. En niemand gedenkt behalve hij die zich tot God keert.
14
Roept dan God aan, uw geloof aan Hem toewijdend, al zijn degenen die verhullen er afkerig van.
15
Verheffer van rangen, Bezitter van de Troon — Hij werpt de Geest van Zijn bevel op wie Hij wil van Zijn dienaren, opdat hij waarschuwe voor de Dag der Ontmoeting,
16
de Dag wanneer zij zullen te voorschijn komen, niets van hen verborgen voor God. "Wiens is de soevereiniteit op deze Dag?" "Gods, de Ene, de Overweldigende!"
17
"Op deze Dag wordt elke ziel vergolden voor hetgeen zij verdiende. Geen onrecht op deze Dag! Voorwaar, God is snel in afrekening."
18
En waarschuw hen voor de Dag van het Naderen, wanneer de harten bij de kelen zullen zijn, verstikkend. De onrechtvaardigen zullen geen naaste vriend en geen voorspreker hebben die gehoorzaamd wordt.
19
Hij kent het verraad der ogen en hetgeen de harten verbergen.
20
En God oordeelt met waarheid, terwijl degenen die zij naast Hem aanroepen niets oordelen. Voorwaar, God, Hij is de Alhorende, de Alziende.
21
Hebben zij niet op de aarde gereisd en gezien hoe het einde was van degenen die vóór hen waren? Zij waren machtiger dan hen in kracht en in sporen op de aarde. Doch God greep hen om hun zonden, en zij hadden geen beschermer tegen God.
22
Dat is omdat hun boodschappers tot hen pleegden te komen met duidelijke bewijzen, en zij verhulden; dus greep God hen. Voorwaar, Hij is Sterk, streng in kastijding.
23
En voorwaar, Wij zonden Mozes met Onze tekenen en een klaarblijkelijk gezag
24
tot Farao en Haman en Korah; en zij zeiden: "Een tovenaar, een leugenaar!"
25
En toen hij hun de waarheid bracht van Ons, zeiden zij: "Doodt de zonen van degenen die met hem geloven, en spaart hun vrouwen." En het plan van degenen die verhullen is slechts in dwaling.
26
En Farao zeide: "Laat mij Mozes doden, en laat hem zijn Heer aanroepen. Voorwaar, ik vrees dat hij uw geloof zal veranderen, of dat hij verderf zal doen verschijnen in het land."
27
En Mozes zeide: "Voorwaar, ik neem mijn toevlucht tot mijn Heer en uw Heer tegen elke hoogmoedige die niet gelooft in de Dag der Afrekening."
28
En een gelovige man van het huishouden van Farao, die zijn geloof verborg, zeide: "Wilt gij een man doden omdat hij zegt: 'Mijn Heer is God,' en hij tot u is gekomen met duidelijke bewijzen van uw Heer? En indien hij een leugenaar is, dan is zijn leugen op hem; en indien hij waarachtig is, zal u iets treffen van hetgeen hij u belooft. Voorwaar, God leidt niet een die een verkwister is, een leugenaar."
29
"O mijn volk! De soevereiniteit is heden de uwe, gij zijnde de bovensten in het land. Doch wie zal ons helpen tegen de macht Gods, als zij over ons komt?" Farao zeide: "Ik toon u slechts wat ik zie, en ik leid u slechts naar het pad der rechtheid."
30
En hij die geloofde zeide: "O mijn volk! Voorwaar, ik vrees voor u het gelijke van de dag der partijen,
31
het gelijke van de zaak van het volk van Noach en Ad en Thamud en degenen na hen. En God wenst geen onrecht voor Zijn dienaren."
32
"En, o mijn volk! Voorwaar, ik vrees voor u de Dag van het Wederzijds Roepen,
33
de Dag wanneer gij uw ruggen zult keren in vlucht, zonder beschermer tegen God. En wie God op een dwaalspoor leidt, voor hem is er geen gids."
34
"En voorwaar, Jozef kwam weleer tot u met duidelijke bewijzen, doch gij hieldt niet op in twijfel te zijn over hetgeen hij u bracht, totdat, toen hij stierf, gij zeidet: 'God zal nimmer een boodschapper na hem zenden.' Aldus leidt God hem op een dwaalspoor die een verkwister is, een twijfelaar —
35
degenen die over de tekenen Gods twisten zonder enig gezag dat tot hen is gekomen. Zeer hatelijk is het in het oog Gods en in het oog van degenen die geloven. Aldus verzegelt God elk hoogmoedig, tiranniek hart."
36
En Farao zeide: "O Haman! Bouw mij een toren, opdat ik de middelen moge bereiken —
37
de middelen der hemelen — en moge neerblicken op de God van Mozes. En voorwaar, ik acht hem een leugenaar." En aldus werd het kwaad van zijn daad Farao schoon gemaakt, en hij werd van de weg afgewend. En het plan van Farao was niets dan ondergang.
38
En hij die geloofde zeide: "O mijn volk! Volgt mij; ik zal u leiden naar het pad der rechtheid."
39
"O mijn volk! Dit leven der wereld is slechts een genot, en voorwaar, het Hiernamaals, dat is het verblijf der bestendigheid."
40
"Wie een kwade daad doet, wordt slechts met het gelijke ervan vergolden. En wie goed doet, man of vrouw zijnde, en een gelovige is — dezen zullen de Tuin binnengaan, waarin zij zonder rekenschap worden voorzien."
41
"En, o mijn volk! Hoe komt het dat ik u tot redding roep terwijl gij mij tot het Vuur roept?"
42
"Gij roept mij om God te loochenen en deelgenoten naast Hem te stellen waarvan ik geen kennis heb, terwijl ik u roep tot de Machtige, de Alvergevende."
43
"Zonder twijfel, datgene waartoe gij mij roept heeft geen aanspraak in deze wereld noch in het Hiernamaals, en onze terugkeer is tot God, en de verkwisters — zij zijn de metgezellen des Vuurs."
44
"En gij zult gedenken wat ik u zeg. En ik vertrouw mijn zaak toe aan God. Voorwaar, God is Ziend van Zijn dienaren."
45
Dus beschermde God hem tegen de kwaden van hetgeen zij beraamden. En er omsloot het huishouden van Farao het kwaad der kastijding —
46
het Vuur, waaraan zij worden blootgesteld, ochtend en avond. En op de Dag dat het Uur komt: "Laat het huishouden van Farao toe in de strengste kastijding!"
47
En wanneer zij in het Vuur twisten, en de zwakken tot degenen die hoogmoedig waren zeggen: "Voorwaar, wij waren volgelingen van u. Zult gij ons dan helpen tegen een deel des Vuurs?"
48
Degenen die hoogmoedig waren zeggen: "Voorwaar, wij zijn allen daarin. Voorwaar, God heeft tussen Zijn dienaren geoordeeld."
49
En degenen die in het Vuur zijn zeggen tot de wachters der Hel: "Roept uw Heer aan, dat Hij voor ons een dag der kastijding moge verlichten."
50
Zij zeggen: "Kwamen niet uw boodschappers tot u met duidelijke bewijzen?" Zij zeggen: "Jawel." Zij zeggen: "Roept dan." En het roepen van degenen die verhullen is slechts in dwaling.
51
Voorwaar, Wij zullen Onze boodschappers en degenen die geloven helpen in het leven dezer wereld en op de Dag wanneer de getuigen zullen opstaan,
52
de Dag wanneer hun verontschuldiging de onrechtvaardigen niet zal baten. En voor hen is de vloek, en voor hen is het kwade verblijf.
53
En voorwaar, Wij gaven Mozes de leiding, en Wij bequamen aan de Kinderen Israëls het Boek,
54
een leiding en een gedenkenis voor de verstandigen.
55
Wees dan geduldig. Voorwaar, de belofte Gods is waar. En zoek vergiffenis voor uw zonde, en verheerlijk de lof uws Heren bij avond en bij dageraad.
56
Voorwaar, degenen die over de tekenen Gods twisten zonder enig gezag dat tot hen is gekomen — er is niets in hun harten dan hoogmoed die zij niet zullen bereiken. Zoek dan toevlucht bij God. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende.
57
Voorwaar, de schepping der hemelen en der aarde is groter dan de schepping der mensheid, doch de meesten der mensen weten niet.
58
En niet gelijk zijn de blinde en de ziende, en degenen die geloven en rechtvaardige werken doen en de kwaaddoener. Weinig gedenkt gij!
59
Voorwaar, het Uur komt — geen twijfel daarin — doch de meesten der mensen geloven niet.
60
En uw Heer zegt: "Roept Mij aan; Ik zal u verhoren. Voorwaar, degenen die te hoogmoedig zijn voor Mijn aanbidding, zullen de Hel binnengaan, vernederd."
61
God is het Die voor u de nacht heeft gemaakt, opdat gij daarin moogt rusten, en de dag zichtgevend. Voorwaar, God is bezitter van gunst jegens de mensen, doch de meesten der mensen betuigen geen dank.
62
Dat is God, uw Heer, Schepper aller dingen. Er is geen god behalve Hij. Hoe wordt gij dan bedrogen?
63
Aldus worden degenen bedrogen die de tekenen Gods pleegden te loochenen.
64
God is het Die voor u de aarde tot een woonplaats maakte en de hemel tot een bouwwerk, en u vormde en uw vormen goed maakte, en u van goede dingen voorzag. Dat is God, uw Heer. Gezegend dan zij God, Heer der werelden!
65
Hij is de Levende. Er is geen god behalve Hij. Roept Hem dan aan, uw geloof aan Hem toewijdend. Lof zij God, Heer der werelden!
66
Zeg: "Voorwaar, het is mij verboden degenen te aanbidden die gij naast God aanroept, daar er duidelijke bewijzen tot mij zijn gekomen van mijn Heer. En mij is bevolen tot Toewijding aan de Heer der werelden."
67
Hij is het Die u schiep uit stof, vervolgens uit een druppel, vervolgens uit een klonter; dan brengt Hij u als zuigelingen voort; dan opdat gij uw volle kracht moogt bereiken; dan opdat gij ouderen moogt worden. En onder u zijn er die vóórdien sterven. En opdat gij een vastgestelde termijn moogt bereiken, en opdat gij wellicht moogt verstaan.
68
Hij is het Die het leven geeft en de dood veroorzaakt. En wanneer Hij een zaak verordent, zegt Hij er slechts toe: "Wees!" en het is.
69
Hebt gij degenen niet gezien die over de tekenen Gods twisten? Hoe worden zij afgewend?
70
Degenen die het Boek loochenen en datgene waarmee Wij Onze boodschappers zonden — zij zullen weten,
71
wanneer de boeien op hun nekken zijn en de ketens, en zij worden gesleept
72
in het kokende water; dan in het Vuur worden zij ontstoken.
73
Dan wordt tot hen gezegd: "Waar is hetgeen gij als deelgenoten pleegt te stellen
74
naast God?" Zij zeggen: "Zij zijn van ons afgedwaald. Neen, wij pleegden voorheen niets aan te roepen." Aldus leidt God degenen die verhullen op een dwaalspoor.
75
"Dat is omdat gij u pleegt te vermaken op de aarde zonder recht, en omdat gij overmoedig pleegt te zijn."
76
"Gaat de poorten der Hel binnen, daarin voor eeuwig te verblijven. En kwaad is het verblijf der hoogmoedigen."
77
Wees dan geduldig. Voorwaar, de belofte Gods is waar. En of Wij u iets tonen van hetgeen Wij hun beloven, of Wij u doen sterven — tot Ons zullen zij worden teruggebracht.
78
En voorwaar, Wij zonden boodschappers vóór u. Onder hen zijn er die Wij u hebben verhaald, en onder hen zijn er die Wij u niet hebben verhaald. En het was voor geen boodschapper een teken te brengen dan met het verlof Gods. En wanneer het bevel Gods komt, wordt er in waarheid beslist, en daar gaan de volgelingen der valsheid verloren.
79
God is het Die voor u het vee heeft gemaakt, opdat gij op sommige ervan moogt rijden, en van sommige eet gij.
80
En daarin zijn voordelen voor u, en opdat gij er een behoefte in uw harten op moogt bereiken, en op hen en op de schepen wordt gij vervoerd.
81
En Hij toont u Zijn tekenen. Welke der tekenen Gods loochent gij dan?
82
Hebben zij dan niet op de aarde gereisd en gezien hoe het einde was van degenen vóór hen? Zij waren talrijker dan hen en machtiger in kracht en in sporen op de aarde. Doch hetgeen zij pleegden te verdienen baatte hun niet.
83
En toen hun boodschappers tot hen kwamen met duidelijke bewijzen, verheugden zij zich in de kennis die zij bezaten, en datgene waarmee zij pleegden te spotten omsloot hen.
84
En toen zij Onze macht aanschouwden, zeiden zij: "Wij geloven in God alleen, en wij verhullen hetgeen wij als deelgenoten met Hem pleegden te stellen."
85
Doch hun geloof baatte hun niet toen zij Onze macht aanschouwden — de weg Gods die reeds onder Zijn dienaren is doorgegaan. En daar zijn de verliezers degenen die verhullen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 40 — Ghaafir (De Vergever)

Algemene opmerkingen

Eerste soera van de Ha-Mim-reeks (40–46), gericht op de aard der openbaring en de patronen van profetische verwerping. De directste belofte van goddelijke toegankelijkheid staat in v.60.

Stamanalyse

v.3: Stam غ-ف-ر (gh-f-r) — “Vergever der zonde”

غَافِرِ الذَّنبِ وَقَابِلِ التَّوْبِ — God bedekt de zonde EN aanvaardt de terugkeer. Vergeving (bedekking) en berouw (terugkeer) zijn twee zijden van hetzelfde stampaar. De bedekkingsstam غ-ف-ر loopt parallel met ك-ف-ر: God bedekt zonde barmhartig; de mens bedekt waarheid schadelijk.

v.60: Stam د-ع-و (d-ayn-w) — “roept Mij aan, Ik zal u antwoorden”

ادْعُونِي أَسْتَجِبْ لَكُمْ — de directste belofte van goddelijke toegankelijkheid in de Voordracht. Geen tussenpersoon, geen priesterlijke stand, geen rituele voorwaarde. Het werkwoord اسْتَجِبْ (Vorm X) versterkt: “Ik zal ten volle antwoorden.”

v.78: Stam ر-س-ل (r-s-l) — “boodschappers die Wij niet verhaald hebben”

God erkent naamloze boodschappers — de reeks is open. Dit vers, verbonden met 10:47 en 16:36, opent de deur tot erkenning van goddelijke leiding in tradities buiten de Abrahamitische.

Integratieve verbanden

  • v.60 ↔ 2:186 “Ik ben nabij”: het thema van goddelijke toegankelijkheid loopt van de Fatihah door de gehele Voordracht.
  • v.78 naamloze boodschappers ↔ bahaa’ie-beginsel: Boeddha, Krishna, Zarathoestra als mogelijke gevallen van “degenen die Wij niet verhaald hebben.”
41
Fussilat Uiteengezet
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
Een neerzending van de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
3
Een Boek wier tekenen uiteengezet zijn, een Voordracht in het Arabisch, voor een volk dat weet,
4
een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer. Doch de meesten hunner wenden zich af, en zij horen niet.
5
En zij zeggen: "Onze harten zijn in bedekkingen tegen hetgeen waartoe gij ons roept, en in onze oren is een doofheid, en tussen ons en u is een sluier. Werk dan; voorwaar, wij werken."
6
Zeg: "Ik ben slechts een sterveling als gij; het wordt mij geopenbaard dat uw God Eén God is. Gaat dan recht tot Hem en zoekt Zijn vergiffenis." En wee degenen die deelgenoten stellen,
7
die de aalmoezen niet geven, en in het Hiernamaals zij het die verhullen.
8
Voorwaar, degenen die geloven en rechtvaardige werken doen, hunner is een onuitputtelijk loon.
9
Zeg: "Verhult gij inderdaad Hem Die de aarde in twee dagen schiep, en stelt gij gelijken naast Hem? Dat is de Heer der werelden."
10
En Hij plaatste daarin stevige bergen erboven, en zegende haar, en mat daarin haar levensonderhoud af in vier dagen, gelijk voor degenen die vragen.
11
Vervolgens wendde Hij Zich tot de hemel toen het rook was, en zeide tot haar en tot de aarde: "Komt gij, gewillig of onwillig." Zij zeiden: "Wij komen gewillig."
12
Vervolgens verordende Hij ze tot zeven hemelen in twee dagen, en openbaarde in elke hemel haar bevel. En Wij versierden de naaste hemel met lampen en een bescherming. Dat is de verordening van de Machtige, de Alwetende.
13
Indien zij zich dan afwenden, zeg: "Ik heb u gewaarschuwd voor een donderslag gelijk de donderslag van Ad en Thamud."
14
Toen de boodschappers tot hen kwamen van vóór hen en van achter hen: "Aanbidt niemand dan God." Zij zeiden: "Had onze Heer gewild, Hij zou engelen hebben nedergezonden; voorwaar, wij zijn degenen die verhullen datgene waarmee gij gezonden zijt."
15
Wat Ad betreft, zij waren hoogmoedig op de aarde zonder recht, en zij zeiden: "Wie is machtiger dan wij in kracht?" Hebben zij niet gezien dat God, Die hen schiep, machtiger is dan zij in kracht? En zij pleegden Onze tekenen te loochenen.
16
Dus zonden Wij op hen een razende wind in dagen van ongeluk, opdat Wij hun de kastijding der vernedering in het leven dezer wereld mochten doen proeven; en de kastijding des Hiernamaals is meer vernederend, en zij zullen niet worden geholpen.
17
En wat Thamud betreft, Wij leidden hen, doch zij verkozen blindheid boven leiding; dus greep de donderslag der vernederende kastijding hen voor hetgeen zij pleegden te verdienen.
18
En Wij bevrijdden degenen die geloofden en godvrezend pleegden te zijn.
19
En op de Dag wanneer de vijanden Gods naar het Vuur worden vergaderd, gedreven in rijen,
20
totdat wanneer zij het bereiken, hun gehoor en hun gezicht en hun huiden getuigen tegen hen over hetgeen zij pleegden te doen.
21
En zij zeggen tot hun huiden: "Waarom hebt gij tegen ons getuigd?" Zij zeggen: "God heeft ons de spraak gegeven, Hij Die alle dingen de spraak geeft; en Hij schiep u de eerste maal, en tot Hem wordt gij teruggebracht.
22
En gij kondt u niet verbergen opdat uw gehoor en uw gezicht en uw huiden niet tegen u zouden getuigen; doch gij veronderstelde dat God niet veel wist van hetgeen gij doet.
23
En die veronderstelling van u die gij over uw Heer veronderstelde heeft u te gronde gericht, en gij zijt van de verliezers geworden."
24
Indien zij dan geduldig zijn, is het Vuur een verblijf voor hen; en indien zij trachten te behagen, behoren zij niet tot degenen die mogen behagen.
25
En Wij hebben metgezellen voor hen aangesteld die hun hetgeen vóór hen en achter hen is hebben schoon doen schijnen; en het woord was over hen gewettigd onder volkeren der verborgenen en der mensheid die vóór hen zijn heengegaan. Voorwaar, zij waren verliezers.
26
En degenen die verhullen zeggen: "Luistert niet naar deze Voordracht en maakt lawaai daarin, opdat gij wellicht moogt zegevieren."
27
En Wij zullen degenen die verhullen zekerlijk een strenge kastijding doen proeven, en Wij zullen hen zekerlijk het ergste van hetgeen zij pleegden te doen vergelden.
28
Dat is de vergelding der vijanden Gods: het Vuur. Daarin is voor hen het verblijf der eeuwigheid, een vergelding omdat zij Onze tekenen pleegden te loochenen.
29
En degenen die verhullen zullen zeggen: "Onze Heer! Toon ons degenen die ons op een dwaalspoor brachten van de verborgenen en de mensheid; wij zullen hen onder onze voeten plaatsen, opdat zij tot de laagsten mogen behoren."
30
Voorwaar, degenen die zeggen: "Onze Heer is God," en dan recht wandelen, op hen dalen de engelen neder: "Vreest niet, noch treurt, en ontvangt blijde tijdingen van de Tuin die u was beloofd.
31
Wij zijn uw beschermers in het leven dezer wereld en in het Hiernamaals; en daarin is voor u al wat uw zielen begeren, en daarin is voor u al wat gij verlangt,
32
een onthaal van Een Die Vergevend, Barmhartig is."
33
En wie is beter in rede dan hij die tot God roept en rechtvaardige werken doet en zegt: "Voorwaar, ik ben van de Toegewijden"?
34
En niet gelijk zijn de goede daad en de kwade daad. Vergeld met hetgeen beter is; dan zie! hij tussen wie en u vijandschap was, zal worden alsof hij een vertrouwde vriend ware.
35
En niemand wordt het geschonken dan degenen die geduldig zijn, en niemand wordt het geschonken dan de bezitter van groot geluk.
36
En indien een ingeving van de duivel u aanzet, zoek toevlucht bij God; voorwaar, Hij is de Horende, de Alwetende.
37
En van Zijn tekenen zijn de nacht en de dag, en de zon en de maan. Werpt u niet neder voor de zon noch voor de maan, doch werpt u neder voor God Die ze schiep, indien Hij het is Die gij aanbidt.
38
Doch indien zij hoogmoedig zijn, dan degenen die bij uw Heer zijn verheerlijken Hem bij nacht en bij dag, en zij worden niet moede.
39
En van Zijn tekenen is dat gij de aarde verootmoedigd ziet; wanneer Wij dan water op haar nederzenden, roert zij zich en groeit. Voorwaar, Hij Die haar doet herleven is de Verlevendiger der doden; voorwaar, Hij is over alle dingen Machtig.
40
Voorwaar, degenen die Onze tekenen verdraaien zijn niet verborgen voor Ons. Is dan hij die in het Vuur geworpen wordt beter, of hij die veilig komt op de Dag der Opstanding? Doet wat gij wilt; voorwaar, Hij is Ziend van hetgeen gij doet.
41
Voorwaar, degenen die de Gedenkenis verhullen wanneer zij tot hen komt — en voorwaar, het is een machtig Boek,
42
de valsheid komt er niet bij van vóór het noch van achter het, een neerzending van Een Die Wijs, Prijzenswaardig is.
43
Er wordt tot u niets gezegd dan hetgeen tot de boodschappers vóór u werd gezegd. Voorwaar, uw Heer is de bezitter van vergiffenis en de bezitter van pijnlijke vergelding.
44
En hadden Wij het een Voordracht in een vreemde taal gemaakt, zouden zij hebben gezegd: "Waarom zijn haar tekenen niet uiteengezet? Wat! Vreemd en Arabisch?" Zeg: "Het is, voor degenen die geloven, een leiding en een genezing." En degenen die niet geloven, in hun oren is een doofheid, en het is op hen een blindheid. Dezen worden geroepen van een verre plaats.
45
En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek, en er was twist daarin. En ware het niet om een woord dat van uw Heer was voorafgegaan, het zou tussen hen zijn beslist. En voorwaar, zij zijn in een verontrustende twijfel ervan.
46
Wie rechtvaardige werken doet, het is voor zijn eigen ziel; en wie kwaad doet, het is tegen haar. En uw Heer is niet onrechtvaardig jegens de dienaren.
47
Tot Hem wordt de kennis van het Uur verwezen. En geen vruchten komen uit hun omhulsels voort, en geen vrouw draagt of baart, dan met Zijn kennis. En op de Dag wanneer Hij tot hen roept: "Waar zijn Mijn deelgenoten?" zeggen zij: "Wij verkondigen U, er is geen getuige onder ons."
48
En er is van hen afgedwaald hetgeen zij voordien pleegden aan te roepen, en zij beseffen dat er voor hen geen toevlucht is.
49
De mens wordt niet moede van het roepen om het goede; doch indien het kwaad hem treft, is hij wanhopig, hopeloos.
50
En indien Wij hem barmhartigheid van Ons doen proeven na een beproeving die hem getroffen heeft, zal hij zeker zeggen: "Dit is het mijne, en ik acht niet dat het Uur zal komen. En indien ik tot mijn Heer word teruggebracht, voorwaar, voor mij is bij Hem het beste." Dan zullen Wij degenen die verhulden zekerlijk berichten over hetgeen zij deden, en Wij zullen hun zekerlijk een strenge kastijding doen proeven.
51
En wanneer Wij de mens gunst schenken, wendt hij zich af en trekt zich terzijde terug. En wanneer kwaad hem treft, dan is hij vol van wijdlopig smeekgebed.
52
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien het van God is en gij het verhult, wie is dan meer afgedwaald dan hij die in verre verdeeldheid is?"
53
Wij zullen hun Onze tekenen tonen aan de horizonten en in hunzelf totdat het hun duidelijk wordt dat het de Waarheid is. Volstaat het aangaande uw Heer niet dat Hij over alle dingen een Getuige is?
54
Ziet! Voorwaar, zij zijn in twijfel over de ontmoeting met hun Heer. Ziet! Voorwaar, Hij omvat alle dingen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 41 — Foessilat (Uiteengezet)

Algemene opmerkingen

De Voordracht beschrijft zichzelf als een Boek wiens tekenen uiteengezet (فُصِّلَتْ) zijn — nauwgezet onderscheiden, niet vaag. Uiteenzetten is een daad van splitsing opdat elk teken onderzocht kan worden.

Stamanalyse

v.3: Stam ف-ص-ل (f-s-l) — “uiteenzetten, scheiden”

Dezelfde stam geeft فَصْل (beslissende scheiding, gelijk de Dag der Onderscheiding). De soera verklaart dat de tekenen der Voordracht nauwgezet onderscheiden zijn.

vv.20–22: Stam ش-ه-د (sj-h-d) — “getuigen”

Gehoor, gezicht en huiden leggen getuigenis af tegen hun bezitters. Het lichaam wordt zijn eigen rechtszaal. Het protest der huiden — “God heeft ons spraak gegeven, Die alle dingen spraak geeft” — breidt bewustzijn uit tot alle materie. Niets in de schepping is inert.

v.34: Stam ف-ض-ل (f-dh-l) — “het kwade afweren met iets beters”

“Weer af met het betere; dan zal degene tussen wie en u vijandschap was, worden alsof hij een vertrouwde vriend ware.” De methode is niet slechts geduld maar actieve omvorming van vijandigheid door verheven gedrag.

Integratieve verbanden

  • v.53 “Wij zullen hun Onze tekenen tonen in de einders en in henzelf”: de twee domeinen van bewijs — uiterlijke kosmos en innerlijke ziel. Beide convergeren op dezelfde waarheid.
  • v.44 “Vreemd en Arabisch?”: de Arabische taal is het medium omdat haar stammentelsel betekenis bewaart.
42
Ash-Shura De Raadpleging
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
Ain, Sin, Qaf.
3
Aldus openbaart aan u en aan degenen vóór u God, de Machtige, de Wijze.
4
Aan Hem behoort al wat in de hemelen en al wat op de aarde is; en Hij is de Allerhoogste, de Geweldige.
5
De hemelen scheuren haast vaneen van boven; en de engelen verheerlijken de lof huns Heren en vragen vergiffenis voor degenen op aarde. Ziet! Voorwaar, God, Hij is de Vergevende, de Barmhartige.
6
En degenen die beschermers nemen buiten Hem, God is Hoeder over hen; en gij zijt niet over hen een beschikker.
7
En aldus hebben Wij u een Voordracht in het Arabisch geopenbaard, opdat gij de Moeder der Steden en degenen rondom haar moogt waarschuwen, en waarschuwen voor de Dag der Vergadering, waarover geen twijfel is: een groep in de Tuin en een groep in de Laai.
8
En had God gewild, Hij had hen tot één volk kunnen maken; doch Hij laat wie Hij wil toe in Zijn barmhartigheid. En de onrechtvaardigen hebben geen beschermer en geen helper.
9
Of hebben zij beschermers genomen buiten Hem? Doch God, Hij is de Beschermer; en Hij doet de doden herleven; en Hij is over alle dingen Machtig.
10
En al hetgeen gij in verschilt, het oordeel ervan is bij God. Dat is God, mijn Heer; in Hem stel ik mijn vertrouwen en tot Hem keer ik mij.
11
De Voortbrenger der hemelen en der aarde; Hij heeft voor u uit uzelf paren gemaakt, en van het vee paren; Hij vermenigvuldigt u daardoor. Er is niets aan Hem gelijk; en Hij is de Horende, de Ziende.
12
Aan Hem behoren de sleutels der hemelen en der aarde. Hij verruimt de voorziening voor wie Hij wil en beperkt haar. Voorwaar, Hij is van alle dingen Wetend.
13
Hij heeft voor u verordend van de godsdienst hetgeen Hij aan Noach oplegde, en hetgeen Wij u hebben geopenbaard, en hetgeen Wij aan Abraham en Mozes en Jezus oplegden: "Onderhoudt de godsdienst en weest er niet in verdeeld." Grievend voor degenen die deelgenoten stellen is datgene waartoe gij hen roept. God verkiest tot Zichzelf wie Hij wil en leidt tot Zichzelf hem die in berouw terugkeert.
14
En zij verdeelden zich niet dan nadat de kennis tot hen was gekomen, uit afgunst onderling. En ware het niet om een woord dat van uw Heer was voorafgegaan tot een vastgestelde termijn, het zou tussen hen zijn beslist. En voorwaar, degenen aan wie het Boek na hen werd bequaamd zijn in een verontrustende twijfel ervan.
15
Roept daartoe dan, en gaat recht zoals u bevolen is, en volgt hun begeerten niet; en zeg: "Ik geloof in welk Boek God ook heeft nedergezonden. En mij is bevolen rechtvaardig te zijn onder u. God is onze Heer en uw Heer; voor ons onze daden en voor u uw daden. Er is geen redetwist tussen ons en u. God zal ons vergaderen, en tot Hem is de reis."
16
En degenen die over God redetwisten nadat Hem antwoord is gegeven, hun redetwist is nietig in het oog huns Heren; en op hen is toorn, en voor hen is een strenge kastijding.
17
God is het Die het Boek in waarheid heeft nedergezonden en de Weegschaal. En wat zal u doen weten? Wellicht is het Uur nabij.
18
Degenen die er niet in geloven wensen het te bespoedigen; en degenen die geloven zijn er beducht voor en weten dat het de waarheid is. Ziet! Voorwaar, degenen die over het Uur twisten zijn in verre dwaling.
19
God is Zachtmoedig jegens Zijn dienaren; Hij voorziet wie Hij wil; en Hij is de Sterke, de Machtige.
20
Wie de oogst des Hiernamaals begeert, voor hem zullen Wij zijn oogst vermeerderen; en wie de oogst dezer wereld begeert, Wij geven hem ervan, doch in het Hiernamaals heeft hij geen deel.
21
Of hebben zij deelgenoten die voor hen van de godsdienst verordend hebben hetgeen God niet heeft toegestaan? En ware het niet om het beslissende woord, het zou tussen hen zijn geoordeeld. En voorwaar, de onrechtvaardigen, voor hen is een pijnlijke kastijding.
22
Gij ziet de onrechtvaardigen beducht voor hetgeen zij verdiend hebben, en het zal hen treffen. En degenen die geloven en rechtvaardige werken doen zijn in de weiden der Tuinen; zij zullen al wat zij willen hebben bij hun Heer. Dat is de grote gunst.
23
Dat is hetgeen God als blijde tijdingen geeft aan Zijn dienaren die geloven en rechtvaardige werken doen. Zeg: "Ik vraag u er geen loon voor, behalve genegenheid onder verwanten." En wie een goede daad verdient, Wij voegen hem goed eraan toe. Voorwaar, God is Vergevend, Dankbaar.
24
Of zeggen zij: "Hij heeft een leugen tegen God verzonnen"? Indien God dan wilde, kon Hij uw hart verzegelen. En God wist de valsheid uit en bevestigt de waarheid door Zijn woorden. Voorwaar, Hij is Wetend van hetgeen in de harten is.
25
En Hij is het Die berouw aanvaardt van Zijn dienaren en de kwade daden vergeeft, en Hij weet wat gij doet.
26
En Hij verhoort degenen die geloven en rechtvaardige werken doen, en vermeerdert hen van Zijn gunst. En degenen die verhullen, voor hen is een strenge kastijding.
27
En had God de voorziening voor Zijn dienaren uitgebreid, zouden zij verderf op de aarde werken; doch Hij zendt naar maat neder zoals Hij wil. Voorwaar, Hij is van Zijn dienaren Kundig, Ziend.
28
En Hij is het Die de regen nederzendt nadat zij gewanhoopt hebben, en Zijn barmhartigheid verspreidt. En Hij is de Beschermer, de Prijzenswaardige.
29
En van Zijn tekenen is de schepping der hemelen en der aarde en de schepselen die Hij in hen beiden verspreidde. En Hij is in staat hen te vergaderen wanneer Hij wil.
30
En welke beproeving u ook treft, het is voor hetgeen uw handen verdiend hebben; en Hij vergeeft veel.
31
En gij kunt Hem op de aarde niet verijdelen; en gij hebt, buiten God, geen beschermer en geen helper.
32
En van Zijn tekenen zijn de schepen op de zee als bakens.
33
Indien Hij wilde, kon Hij de wind stillen, zodat zij roerloos op haar oppervlak zouden blijven. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor elke geduldige, dankbare.
34
Of Hij kon hen vernietigen om hetgeen zij verdiend hebben; en Hij vergeeft veel.
35
En degenen die over Onze tekenen twisten mogen weten dat zij geen toevlucht hebben.
36
En al wat u gegeven is, het is slechts het genot van het leven dezer wereld; en hetgeen bij God is, is beter en bestendiger voor degenen die geloven en in hun Heer hun vertrouwen stellen,
37
en degenen die de grote zonden en schandelijkheden mijden en, wanneer zij vertoornd zijn, vergeven,
38
en degenen die hun Heer antwoorden en het gebed onderhouden, en wier zaak door raadpleging onder hen geschiedt, en die besteden van hetgeen Wij hun geschonken hebben,
39
en degenen die, wanneer de verdrukking hen treft, zich verdedigen.
40
En de vergelding van een kwaad is een kwaad gelijk daaraan; doch wie vergeeft en goedmaakt, zijn loon is bij God. Voorwaar, Hij bemint niet de onrechtvaardigen.
41
En wie zich verdedigt nadat hem onrecht is aangedaan, tegen dezen is er geen weg.
42
De weg is slechts tegen degenen die de mensen onrecht doen en verderf werken op de aarde zonder recht. Dezen, voor hen is een pijnlijke kastijding.
43
En wie geduldig is en vergeeft, voorwaar, dat behoort tot de vaste besluiten der zaken.
44
En wie God op een dwaalspoor brengt, hij heeft na Hem geen beschermer. En gij zult de onrechtvaardigen zien, wanneer zij de kastijding zien, zeggende: "Is er enige weg van terugkeer?"
45
En gij zult hen zien, eraan blootgesteld, vernederd in vernedering, kijkend met een steelse blik. En degenen die geloven zullen zeggen: "Voorwaar, de verliezers zijn degenen die hun eigen zielen en hun gezinnen verloren hebben op de Dag der Opstanding." Ziet! Voorwaar, de onrechtvaardigen zijn in een blijvende kastijding.
46
En zij zullen geen beschermers hebben om hen te helpen buiten God. En wie God op een dwaalspoor brengt, voor hem is er geen weg.
47
Antwoordt uw Heer eer er van God een Dag komt die niet kan worden afgeweerd. Er is geen toevlucht voor u op die Dag, en voor u is er geen ontkenning.
48
Doch indien zij zich afwenden, Wij hebben u niet als voogd over hen gezonden; op u rust niets dan de overbrenging. En voorwaar, wanneer Wij de mens barmhartigheid van Ons doen proeven, verheugt hij zich erin; en indien het kwaad hen treft voor hetgeen hun handen hebben voorgezonden, dan voorwaar, de mens is ondankbaar.
49
Aan God behoort het gezag der hemelen en der aarde. Hij schept wat Hij wil. Hij schenkt wie Hij wil dochters, en Hij schenkt wie Hij wil zonen,
50
of Hij voegt hen samen, mannelijk en vrouwelijk; en Hij maakt wie Hij wil onvruchtbaar. Voorwaar, Hij is Alwetend, Almachtig.
51
En het past geen sterveling dat God tot hem zou spreken dan door openbaring, of van achter een sluier, of dat Hij een boodschapper zendt die met Zijn verlof openbaart wat Hij wil. Voorwaar, Hij is de Allerhoogste, Wijs.
52
En aldus hebben Wij u een Geest van Ons bevel geopenbaard. Gij wist niet wat het Boek was, noch wat het geloof. Doch Wij hebben het tot een licht gemaakt waarmee Wij leiden wie Wij willen van Onze dienaren. En voorwaar, gij leidt naar een recht pad,
53
het pad Gods, aan Wie behoort al wat in de hemelen en al wat op de aarde is. Ziet! Voorwaar, tot God keren alle zaken terug.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 42 — Asj-Sjoera (De Raadpleging)

Algemene opmerkingen

De enige soera die naar een bestuurlijk beginsel is vernoemd. Onderlinge raadpleging wordt naast gebed en liefdadigheid gesteld als kenmerkende hoedanigheid der gelovigen.

Stamanalyse

v.38: Stam ش-و-ر (sj-w-r) — “raadplegen”

De stam betekent honing winnen, onttrekken, raadplegen. Raadpleging is geen loutere democratie maar het onttrekken van collectieve wijsheid — de zoetheid der waarheid uit de groep winnen.

v.51: Stam و-ح-ي (w-h-j) — “openbaren”

“Het betaamt geen sterveling dat God tot hem spreekt dan door openbaring (وَحْيًا), of van achter een sluier, of dat Hij een boodschapper zendt.” Dit vers brengt de drie wijzen van goddelijke mededeling in kaart. Er bestaat geen vierde.

v.13: Stam ش-ر-ع (sj-r-ayn) — “verordenen”

“Hij heeft u verordend (شَرَعَ) van de godsdienst hetgeen Hij Noach oplegde… Abraham… Mozes… Jezus.” Sjarie’ah is geen vast wetboek maar een pad naar het water des levens, verordend van Noach tot Jezus — één doorlopende weg met meerdere halteplaatsen.

Integratieve verbanden

  • v.13 Noach, Abraham, Mozes, Jezus ↔ 2:136: de voortschrijdende openbaringsketen uitdrukkelijk vastgesteld — allen volgden één Toewijding (س-ل-م).
  • v.52 “Wij hebben u een Geest van Ons bevel geopenbaard” ↔ 15:29: de openbaring zelf als geest — niet slechts woorden maar een levende kracht.
43
Az-Zukhruf De Sieraden
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
Bij het duidelijke Boek!
3
Voorwaar, Wij hebben het tot een Voordracht in het Arabisch gemaakt, opdat gij wellicht moogt verstaan.
4
En voorwaar, het is in de Moeder des Boeks bij Ons, verheven, wijs.
5
Zullen Wij dan de Gedenkenis van u afwenden omdat gij een verkwistend volk zijt?
6
En hoeveel een profeet Wij onder de ouden zonden!
7
En er kwam geen profeet tot hen of zij bespotten hem.
8
Dus vernietigden Wij machtiger dan hen in kracht, en het voorbeeld der ouden is voorbijgegaan.
9
En indien gij hun zoudt vragen: "Wie schiep de hemelen en de aarde?" zouden zij zeker zeggen: "De Machtige, de Alwetende schiep ze,"
10
Die de aarde tot een wieg voor u maakte en daarin paden voor u legde, opdat gij wellicht geleid moogt worden,
11
en Die water van de hemel nederzendt naar maat, en Wij doen daarmee een dood land herleven. Aldus zult gij worden voortgebracht.
12
En Die alle paren schiep, en voor u maakte van de schepen en het vee datgene waarop gij rijdt,
13
opdat gij vast op hun ruggen moogt zitten, en dan de gunst uws Heren moogt gedenken wanneer gij er vast op zit, en zegt: "Glorie zij Hem Die dit aan ons heeft onderworpen, en wij waren er niet toe in staat.
14
En voorwaar, tot onze Heer keren wij terug."
15
En zij wijzen Hem van Zijn dienaren een deel toe! Voorwaar, de mens is een klaarblijkelijk ondankbare.
16
Of heeft Hij dochters genomen van hetgeen Hij geschapen heeft en zonen voor u verkozen?
17
En wanneer één hunner tijding ontvangt van hetgeen hij als gelijkenis voor de Albarmhartige muntte, wordt zijn gezicht donker, en is hij gesmoord.
18
Is dan een die in sieraden wordt opgevoed en in twistgesprek niet helder is?
19
En zij maken de engelen, die de dienaren des Albarmhartigen zijn, vrouwelijk. Hebben zij hun schepping bijgewoond? Hun getuigenis zal worden opgetekend, en zij zullen worden ondervraagd.
20
En zij zeggen: "Had de Albarmhartige gewild, wij zouden hen niet hebben aanbeden." Zij hebben daarvan geen kennis; zij doen niet dan veronderstellen.
21
Of hebben Wij hun een boek daarvóór gegeven, zodat zij eraan vasthouden?
22
Neen, zij zeggen: "Voorwaar, wij vonden onze vaderen op een weg, en voorwaar, wij worden door hun voetstappen geleid."
23
En evenzo zonden Wij vóór u geen waarschuwer naar een stad of de welgestelden aldaar zeiden: "Voorwaar, wij vonden onze vaderen op een weg, en voorwaar, wij zijn volgelingen van hun voetstappen."
24
Hij zeide: "Wat! Zelfs al breng ik u betere leiding dan hetgeen waarop gij uw vaderen vondt?" Zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn degenen die verhullen datgene waarmee gij gezonden zijt."
25
Dus namen Wij vergelding op hen. Ziet dan hoe het einde was van degenen die loochenden.
26
En toen Abraham tot zijn vader en zijn volk zeide: "Voorwaar, ik ben vrij van hetgeen gij aanbidt,
27
behalve Hem Die mij voortbracht; voorwaar, Hij zal mij leiden."
28
En hij maakte het tot een blijvend woord onder zijn nageslacht, opdat zij wellicht mochten terugkeren.
29
Neen, ik gaf dezen en hun vaderen genot totdat er tot hen de waarheid en een duidelijke boodschapper kwam.
30
En toen de waarheid tot hen kwam, zeiden zij: "Dit is toverij, en voorwaar, wij zijn degenen die het verhullen."
31
En zij zeiden: "Waarom is deze Voordracht niet nedergezonden op een groot man der twee steden?"
32
Verdelen zij de barmhartigheid uws Heren? Wij zijn het Die onder hen hun levensonderhoud in het leven dezer wereld verdelen, en Wij verheffen sommigen hunner boven anderen in rangen, opdat sommigen hunner anderen in dienst mogen nemen. En de barmhartigheid uws Heren is beter dan hetgeen zij vergaren.
33
En ware het niet dat de mensen één gemeenschap zouden worden, Wij zouden voor degenen die de Albarmhartige verhullen zilveren daken voor hun huizen hebben gemaakt, en trappen waarlangs zij stijgen,
34
en voor hun huizen deuren, en rustbanken waarop zij aanliggen,
35
en sieraden. En dat alles is slechts het genot van het leven dezer wereld; en het Hiernamaals bij uw Heer is voor de vromen.
36
En wie blind is voor de gedenkenis des Albarmhartigen, Wij wijzen hem een duivel toe, en hij is zijn metgezel.
37
En voorwaar, zij keren hen van de weg af, en zij menen dat zij geleid worden,
38
totdat wanneer hij tot Ons komt, hij zegt: "Was er maar tussen mij en u de afstand der twee Oosten!" Kwaad is de metgezel!
39
En het zal u op deze Dag niet baten, daar gij onrecht deedt, dat gij deelgenoten zijt in de kastijding.
40
Kunt gij dan de dove doen horen, of de blinde leiden en hem die in klaarblijkelijke dwaling is?
41
En indien Wij u wegnemen, voorwaar, Wij zullen vergelding op hen nemen,
42
of Wij zullen u tonen hetgeen Wij hun beloven; voorwaar, Wij hebben macht over hen.
43
Houd dan vast aan hetgeen u geopenbaard is; voorwaar, gij zijt op een recht pad.
44
En voorwaar, het is een Gedenkenis voor u en voor uw volk, en gij zult worden ondervraagd.
45
En vraag degenen van Onze boodschappers die Wij vóór u zonden: "Stelden Wij, naast de Albarmhartige, goden aan om aanbeden te worden?"
46
En voorwaar, Wij zonden Mozes met Onze tekenen tot Farao en zijn hoofden, en hij zeide: "Voorwaar, ik ben de Boodschapper van de Heer der werelden."
47
Toen hij dan tot hen kwam met Onze tekenen, zie! zij lachten erom.
48
En Wij toonden hun geen teken of het was groter dan zijn zuster; en Wij grepen hen met de kastijding, opdat zij wellicht mochten terugkeren.
49
En zij zeiden: "O tovenaar! Roep uw Heer voor ons aan bij het verbond dat Hij met u gesloten heeft; voorwaar, wij zullen geleid worden."
50
Doch toen Wij de kastijding van hen verwijderden, zie! zij braken hun woord.
51
En Farao verkondigde onder zijn volk: "O mijn volk! Is het gezag over Egypte niet het mijne, en deze rivieren die onder mij stromen? Wilt gij dan niet zien?
52
Of ben ik niet beter dan deze die verachtelijk is en zich nauwelijks kan uitdrukken?
53
Waarom zijn hem dan geen armbanden van goud omgedaan, of waarom komen de engelen hem niet begeleidend?"
54
Zo maakte hij zijn volk lichtzinnig, en zij gehoorzaamden hem. Voorwaar, zij waren een goddeloos volk.
55
Toen zij dan Ons vertoornden, namen Wij vergelding op hen en verdronken hen allen.
56
En Wij maakten hen tot een precedent en een voorbeeld voor de lateren.
57
En toen de zoon van Maria als voorbeeld werd aangehaald, zie! uw volk roept uit,
58
en zij zeggen: "Zijn onze goden beter, of is hij?" Zij halen hem u niet aan dan ter twistgesprek. Neen, zij zijn een twistziek volk.
59
Hij was niets dan een dienaar aan wie Wij gunst schonken, en Wij maakten hem tot een voorbeeld voor de Kinderen Israëls.
60
En hadden Wij gewild, Wij hadden onder u engelen kunnen plaatsen als stedehouders op de aarde.
61
En voorwaar, hij is een kennis van het Uur; twijfelt dan niet eraan en volgt Mij. Dit is een recht pad.
62
En laat de duivel u niet afwenden; voorwaar, hij is voor u een klaarblijkelijke vijand.
63
En toen Jezus kwam met duidelijke bewijzen, zeide hij: "Ik ben tot u gekomen met de Wijsheid, en om u duidelijk te maken iets van hetgeen waarin gij verschilt. Vreest dan God en gehoorzaamt mij.
64
Voorwaar, God, Hij is mijn Heer en uw Heer; aanbidt Hem dan. Dit is een recht pad."
65
Doch de partijen verschilden onderling. Wee dan degenen die onrecht deden, van de kastijding van een pijnlijke Dag.
66
Verwachten zij iets anders dan het Uur, dat het plotseling over hen komt terwijl zij niet beseffen?
67
Vrienden op die Dag zullen elkanders vijanden zijn, behalve de vromen.
68
"O Mijn dienaren! Geen vrees zal op u zijn op deze Dag, noch zult gij treuren,
69
gij die in Onze tekenen geloofdet en toegewijd waart.
70
Gaat de Tuin binnen, gij en uw echtgenoten, verblijd."
71
Er zullen onder hen schalen van goud en bekers worden rondgegeven, en daarin is al wat de zielen begeren en de ogen verrukken; en daarin zult gij verblijven.
72
"En dat is de Tuin die gij doet erven vanwege hetgeen gij pleegt te doen.
73
Daarin is voor u overvloedige vrucht, waarvan gij eet."
74
Voorwaar, de schuldigen zijn in de kastijding der Hel, te verblijven.
75
Het zal voor hen niet worden verlicht, en daarin zijn zij in wanhoop.
76
En Wij deden hun geen onrecht, doch zij waren de onrechtvaardigen.
77
En zij roepen: "O Malik! Laat uw Heer een einde aan ons maken!" Hij zegt: "Voorwaar, gij zult blijven."
78
Voorwaar, Wij brachten u de waarheid, doch de meesten uwer waren de waarheid afkerig.
79
Of hebben zij een zaak beraamd? Dan voorwaar, Wij beramen.
80
Of menen zij dat Wij hun geheim en hun beraadslaging niet horen? Jawel, en Onze boodschappers zijn bij hen, optekend.
81
Zeg: "Indien de Albarmhartige een zoon had, zou ik de eerste der aanbidders zijn."
82
Glorie zij de Heer der hemelen en der aarde, Heer des Troons, boven hetgeen zij beschrijven!
83
Laat hen dan plonzen en spelen totdat zij hun Dag ontmoeten die hun beloofd is.
84
En Hij is het Die God is in de hemel en God op de aarde; en Hij is de Wijze, de Alwetende.
85
En gezegend is Hij aan Wie het gezag der hemelen en der aarde en hetgeen daartussen is behoort; en bij Hem is de kennis van het Uur, en tot Hem zult gij worden teruggebracht.
86
En degenen die zij naast Hem aanroepen bezitten geen macht van voorspraak, behalve hij die getuigenis aflegt van de waarheid en zij weten.
87
En indien gij hun zoudt vragen wie hen schiep, zouden zij zeker zeggen: "God." Hoe worden zij dan afgewend?
88
En zijn zeggen: "O mijn Heer! Voorwaar, dezen zijn een volk dat niet gelooft."
89
Wend u dan van hen af en zeg: "Vrede!" Zij zullen weldra weten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 43 — Az-Zoechrof (De Versierselen)

Algemene opmerkingen

De soera ontdoet versiersel van uiteindelijke waarde: zilveren daken, gouden deuren en weeldebedden zouden God aan de verhuilers kunnen geven, juist omdat zulke dingen waardeloos zijn in het Hiernamaals. Versiersel is het zahir losgemaakt van het batin.

Stamanalyse

v.35: Stam ز-خ-ر-ف (z-ch-r-f) — “versiersel”

De stam betekent tooien, vergulden. De soera stelt versiersel gelijk aan “het genot van het wereldse leven” — niet meer.

vv.22–23: Het patroon der blinde navolging

“Wij vonden onze vaderen op een weg” is het refrein van elk geslacht dat vernieuwing weigert. De Voordracht identificeert voorouderlijke gewoonte als het voornaamste beletsel om een nieuwe boodschapper te erkennen.

v.61: Stam ع-ل-م (‘ayn-l-m) — “Jezus als kennis van het Uur”

“Voorwaar, hij is een kennis (عِلْمٌ) van het Uur.” Jezus is niet slechts een teken maar een belichaamde weten — zijn verschijning luidt het naderende einde in.

Integratieve verbanden

  • v.4 “het is in de Moeder des Boeks bij Ons” ↔ 13:39: de aardse tekst is een manifestatie van een hemels oerbeeld — het zahir/batin van de Schrift zelf.
  • v.63 Jezus: “Ik ben tot u gekomen met de Wijsheid” ↔ 13:37: Jezus’ zending als verheldering van geschillen — dezelfde stam ح-ك-م als de Voordracht’s zelfbeschrijving.
44
Ad-Dukhan De Rook
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
Bij het duidelijke Boek!
3
Voorwaar, Wij zonden het neder in een gezegende nacht; voorwaar, Wij zijn immer waarschuwend.
4
Daarin wordt elk wijs bevel onderscheiden,
5
een bevel van Ons; voorwaar, Wij zijn immer zendend,
6
een barmhartigheid van uw Heer; voorwaar, Hij is de Horende, de Alwetende,
7
Heer der hemelen en der aarde en hetgeen daartussen is, indien gij zeker zoudt zijn.
8
Er is geen god dan Hij; Hij geeft het leven en veroorzaakt de dood — uw Heer en de Heer uwer vaderen van weleer.
9
Neen, doch zij zijn in twijfel, spelend.
10
Wacht dan op de Dag wanneer de hemel een klaarblijkelijke rook zal brengen,
11
de mensen bedekkend: "Dit is een pijnlijke kastijding.
12
Onze Heer! Verwijder van ons de kastijding; voorwaar, wij zijn gelovigen."
13
Hoe zal de Gedenkenis hun baten, terwijl er reeds een duidelijke Boodschapper tot hen was gekomen,
14
en zij zich dan van hem afwendden en zeiden: "Een onderrichte, een bezetene!"
15
Voorwaar, Wij zullen de kastijding een weinig verwijderen; voorwaar, gij zult terugkeren.
16
Op de Dag wanneer Wij zullen grijpen met de machtigste greep, voorwaar, Wij zullen vergelding nemen.
17
En voorwaar, Wij beproefden vóór hen het volk van Farao, en er kwam tot hen een edele boodschapper:
18
"Levert mij de dienaren Gods over; voorwaar, ik ben voor u een getrouwe boodschapper.
19
En verheft u niet tegen God; voorwaar, ik kom tot u met een duidelijk gezag.
20
En voorwaar, ik zoek toevlucht bij mijn Heer en uw Heer, opdat gij mij niet stenigt.
21
En indien gij mij niet gelooft, trekt u dan van mij terug."
22
Toen riep hij zijn Heer aan: "Dezen zijn een schuldig volk."
23
"Trekt dan uit met Mijn dienaren bij nacht; voorwaar, gij zult worden achtervolgd.
24
En laat de zee gespleten; voorwaar, zij zijn een heir dat verdronken zal worden."
25
Hoevele tuinen en bronnen lieten zij achter,
26
en gezaaide velden en edele verblijven,
27
en gemak waarin zij zich verheugden!
28
Aldus was het; en Wij bequaamden ze aan een ander volk.
29
En de hemel en de aarde weenden niet om hen, noch kregen zij uitstel.
30
En voorwaar, Wij bevrijdden de Kinderen Israëls van de vernederende kastijding,
31
van Farao; voorwaar, hij was hooghartig, van de verkwisters.
32
En voorwaar, Wij verkoren hen wetens boven de werelden,
33
en Wij gaven hun van de tekenen hetgeen een duidelijke beproeving was.
34
Voorwaar, dezen zeggen:
35
"Er is niets dan onze eerste dood, en wij zullen niet worden opgewekt.
36
Brengt onze vaderen, indien gij waarachtigen zijt."
37
Zijn zij beter, of het volk van Tubba en degenen vóór hen? Wij vernietigden hen; voorwaar, zij waren schuldig.
38
En Wij schiepen de hemelen en de aarde en hetgeen daartussen is niet in spel.
39
Wij schiepen ze slechts in waarheid, doch de meesten hunner weten niet.
40
Voorwaar, de Dag der Beslissing is de vastgestelde tijd van hen allen,
41
de Dag waarop geen vriend een vriend in het minst zal baten, noch zullen zij worden geholpen,
42
behalve hem op wie God zich erbarmt. Voorwaar, Hij is de Machtige, de Barmhartige.
43
Voorwaar, de boom van Zaqqum
44
is het voedsel van de zondaar;
45
als gesmolten koper kookt het in de buiken,
46
als het koken van kokend water.
47
"Grijpt hem en sleept hem in het midden der Laai!
48
Giet dan over zijn hoofd de kastijding van kokend water.
49
Proeft! Voorwaar, gij zijt de machtige, de edele!
50
Voorwaar, dit is hetgeen gij pleegt te betwijfelen."
51
Voorwaar, de vromen zijn op een veilige plaats,
52
te midden van tuinen en bronnen,
53
fijne zijde en brokaat dragend, elkander tegenoverzittend.
54
Aldus is het; en Wij hebben hen gepaard met schonen, wijd van oog.
55
Zij roepen daarin om elke vrucht, veilig.
56
Zij proeven daarin de dood niet, behalve de eerste dood; en Hij heeft hen beschermd tegen de kastijding der Laai,
57
een gunst van uw Heer. Dat is de opperste triomf.
58
En voorwaar, Wij hebben het gemakkelijk gemaakt in uw taal, opdat zij wellicht mogen gedenken.
59
Wacht dan; voorwaar, zij wachten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 44 — Ad-Doechaan (De Rook)

Algemene opmerkingen

De rook die de mensen “bedekt” (يَغْشَى) — hetzelfde werkwoord als verhulling. Wanneer de hemel zelf verhult, ervaren de mensen wat zij de waarheid aandeden.

Stamanalyse

v.10: Stam د-خ-ن (d-ch-n) — “rook”

Rook is wat overblijft nadat het vuur zijn brandstof verteerd heeft — noch vlam noch as, maar het zichtbare spoor der vernietiging. De hemelse rook is een kosmische bedekking: wie verhulde wordt zelf verhuld.

v.54: Stam ح-و-ر (h-w-r) — “de Teruggekeerden”

“Wij hebben hen gepaard met schone, wijdogige” — in de stamherwinning zijn dit de Teruggekeerden (حُورٌ), van ح-و-ر, terugkeren. Het “paren” (زَوَّجْنَاهُم) duidt op aanvulling, niet op bezit.

v.3: “Wij zonden het neer op een gezegende nacht”

Verbindt met 97:1 (Lailat al-Qadr) — de nacht der openbaring als het ogenblik waarop het batin het zahir binnentreedt.

Integratieve verbanden

  • vv.17–31 Farao-verhaal ↔ 73:15–16: Farao weigert een boodschapper en wordt gegrepen — het patroon van verwerping-grijping is bestendig.
  • v.38 “Wij schiepen de hemelen en de aarde en wat ertussen is niet als spel” ↔ 21:16 en 51:56: de schepping heeft een doel.
45
Al-Jathiyah De Knielende
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
De neerzending van het Boek is van God, de Machtige, de Wijze.
3
Voorwaar, in de hemelen en op de aarde zijn tekenen voor de gelovigen.
4
En in uw schepping, en de schepselen die Hij verspreidt, zijn tekenen voor een volk dat zeker is.
5
En de afwisseling van nacht en dag, en de voorziening die God van de hemel nederzendt waarmee Hij de aarde doet herleven na haar dood, en het draaien der winden — tekenen voor een volk dat verstaat.
6
Dat zijn de tekenen Gods; Wij dragen ze u voor in waarheid. In welke rede dan, na God en Zijn tekenen, zullen zij geloven?
7
Wee elke zondige leugenaar,
8
die de tekenen Gods hoort die hem worden voorgedragen, dan volhardt in hoogmoed alsof hij ze niet hoorde. Geef hem dan tijding van een pijnlijke kastijding.
9
En wanneer hij iets van Onze tekenen verneemt, neemt hij het in bespotting. Dezen, voor hen is een vernederende kastijding.
10
Achter hen is de Hel; en hetgeen zij verdiend hebben zal hun niet baten, noch degenen die zij als beschermers naast God genomen hebben; en voor hen is een geweldige kastijding.
11
Dit is leiding; en degenen die de tekenen huns Heren verhullen, voor hen is een kastijding van pijnlijke toorn.
12
God is het Die de zee aan u dienstbaar heeft gemaakt, opdat de schepen daarin mogen varen op Zijn bevel, en opdat gij van Zijn gunst moogt zoeken, en opdat gij wellicht dank moogt betuigen.
13
En Hij heeft aan u dienstbaar gemaakt al wat in de hemelen en al wat op de aarde is, alles van Hem. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat nadenkt.
14
Zeg tot degenen die geloven dat zij degenen vergeven die niet hopen op de Dagen Gods, opdat Hij een volk moge vergelden voor hetgeen zij pleegden te verdienen.
15
Wie rechtvaardige werken doet, het is voor zijn eigen ziel, en wie kwaad doet, het is tegen haar; dan tot uw Heer zult gij worden teruggebracht.
16
En voorwaar, Wij gaven de Kinderen Israëls het Boek en het oordeel en het profeetschap, en Wij voorzagen hen van goede dingen en verkozen hen boven de werelden,
17
en Wij gaven hun duidelijke bewijzen van het bevel. En zij verschilden niet dan nadat de kennis tot hen was gekomen, uit afgunst onderling. Voorwaar, uw Heer zal tussen hen oordelen op de Dag der Opstanding aangaande datgene waarin zij pleegden te verschillen.
18
Vervolgens plaatsten Wij u op een weg van het bevel, volg haar dan, en volg niet de begeerten van degenen die niet weten.
19
Voorwaar, zij zullen u niet baten tegen God. En voorwaar, de onrechtvaardigen zijn elkanders vrienden; en God is de Vriend der vromen.
20
Dit is helder inzicht voor de mensheid, en een leiding en een barmhartigheid voor een volk dat zeker is.
21
Of menen degenen die kwade daden hebben gewrocht dat Wij hen gelijk zullen stellen aan degenen die geloven en rechtvaardige werken doen, gelijk in hun leven en hun dood? Kwaad is hetgeen zij oordelen!
22
En God schiep de hemelen en de aarde in waarheid, en opdat elke ziel vergolden moge worden voor hetgeen zij verdiend heeft, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
23
Hebt gij dan hem gezien die als zijn god zijn eigen begeerte neemt, en God hem wetens op een dwaalspoor brengt, en zijn gehoor en zijn hart verzegelt, en op zijn gezicht een bedekking legt? Wie zal hem dan leiden na God? Wilt gij dan niet gedenken?
24
En zij zeggen: "Er is niets dan ons leven van deze wereld; wij sterven en wij leven, en niets vernietigt ons dan de Tijd." En zij hebben daarvan geen kennis; zij doen niet dan veronderstellen.
25
En wanneer Onze tekenen hun worden voorgedragen als duidelijke bewijzen, is hun redetwist niets dan dat zij zeggen: "Brengt onze vaderen, indien gij waarachtigen zijt."
26
Zeg: "God geeft u het leven, dan doet Hij u sterven, dan zal Hij u vergaderen tot de Dag der Opstanding, waarover geen twijfel is; doch de meesten der mensen weten niet."
27
En aan God behoort het gezag der hemelen en der aarde; en op de Dag wanneer het Uur komt, op die Dag zullen de volgelingen der valsheid verliezen.
28
En gij zult elk volk knielend zien. Elk volk zal tot zijn boek worden geroepen: "Op deze Dag wordt gij vergolden voor hetgeen gij pleegt te doen.
29
Dit is Ons Boek dat in waarheid tegen u spreekt; voorwaar, Wij pleegden op te tekenen hetgeen gij pleegt te doen."
30
Wat dan betreft degenen die geloofden en rechtvaardige werken deden, hun Heer zal hen toelaten in Zijn barmhartigheid. Dat is de klaarblijkelijke triomf.
31
Doch wat betreft degenen die verhulden: "Werden Mijn tekenen u niet voorgedragen? Doch gij waart hoogmoedig en gij waart een schuldig volk."
32
En toen gezegd werd: "Voorwaar, de belofte Gods is waar, en het Uur, er is geen twijfel erover," zeidet gij: "Wij weten niet wat het Uur is; wij veronderstellen het slechts een gissing, en wij zijn niet zeker."
33
En het kwaad van hetgeen zij deden zal hun verschijnen, en hen zal omringen hetgeen zij pleegden te bespotten.
34
En er zal gezegd worden: "Op deze Dag vergeten Wij u zoals gij de ontmoeting van deze Dag van u vergat; en uw verblijf is het Vuur, en voor u zijn er geen helpers.
35
Dat is omdat gij de tekenen Gods in bespotting naamt, en het leven dezer wereld u bedroog." Op deze Dag dan zullen zij er niet uit worden gebracht, noch zal hun worden toegestaan goedmaking te doen.
36
Aan God dan zij lof, Heer der hemelen en Heer der aarde, Heer der werelden.
37
En aan Hem behoort de grootheid in de hemelen en op de aarde; en Hij is de Machtige, de Wijze.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 45 — Al-Djaathijah (De Knielende)

Algemene opmerkingen

Elke natie knielt voor haar eigen boekrol — de knieling is niet de soedjoed der aanbidding maar het onvrijwillige knielen van wie overweldigd wordt.

Stamanalyse

v.28: Stam ج-ث-و (dj-th-w) — “knielen”

Elke natie wordt voor haar eigen verslag op de knieën gebracht. De knieling is het zahir van het oordeel: het lichaam voert uit wat de ziel weet.

v.23: Stam ه-و-ى (h-w-j) — “begeerte, vallen”

“Hem die zijn begeerte (هَوَاهُ) als zijn god neemt.” De stam betekent zowel begeren als vallen — begeerte-als-god is begeerte-als-zwaartekracht: zij trekt neerwaarts. De bedekking op de ogen verbindt direct met ك-ف-ر.

v.29: Stam ن-س-خ (n-s-ch) — “overschrijven”

“Wij plachten over te schrijven (نَسْتَنسِخ) wat gij placht te doen.” God schrijft menselijke daden over — het Boek “spreekt tegen u met waarheid.” Elke daad staat geschreven in een boek dat zal spreken.

Integratieve verbanden

  • v.24 “niets vernietigt ons behalve de Tijd” ↔ 76:1: het materialistische standpunt weersproken — de tijd omvat de mensheid, niet omgekeerd.
  • v.13 “Hij heeft u onderworpen wat in de hemelen en op de aarde is”: het kosmische onderwerpingsthema doorheen de Voordracht.
46
Al-Ahqaf De Zandduinen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Ha, Mim.
2
De neerzending van het Boek is van God, de Machtige, de Wijze.
3
Wij schiepen de hemelen en de aarde en hetgeen daartussen is slechts in waarheid en een vastgestelde termijn; en degenen die verhullen wenden zich af van datgene waarvoor zij gewaarschuwd worden.
4
Zeg: "Hebt gij overwogen wat gij naast God aanroept? Toont mij wat zij van de aarde geschapen hebben, of hebben zij een aandeel in de hemelen? Brengt mij een boek vóór dit, of enig overblijfsel van kennis, indien gij waarachtigen zijt."
5
En wie is meer afgedwaald dan hij die, naast God, degenen aanroept die hem niet zullen antwoorden tot de Dag der Opstanding, en die achteloos zijn van hun aanroeping?
6
En wanneer de mensen worden vergaderd, zullen zij vijanden voor hen zijn en hun aanbidding loochenen.
7
En wanneer Onze tekenen hun worden voorgedragen als duidelijke bewijzen, zeggen degenen die verhullen van de Waarheid wanneer zij tot hen komt: "Dit is klaarblijkelijke toverij."
8
Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Zeg: "Indien ik het verzonnen heb, dan hebt gij geen macht iets voor mij te doen tegen God. Hij weet het best wat gij daarover uit. Hij volstaat als Getuige tussen mij en u; en Hij is de Vergevende, de Barmhartige."
9
Zeg: "Ik ben geen nieuwigheid onder de boodschappers, noch weet ik wat er met mij of met u zal worden gedaan. Ik volg niets dan hetgeen mij geopenbaard wordt, en ik ben slechts een duidelijke waarschuwer."
10
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien het van God is, en gij het verhult, en een getuige van de Kinderen Israëls van het gelijke heeft getuigd en geloofd, terwijl gij hoogmoedig zijt? Voorwaar, God leidt het volk van onrecht niet."
11
En degenen die verhullen zeggen over degenen die geloven: "Ware het goed geweest, zij zouden ons daarin niet zijn vóórgegaan." En daar zij er niet door geleid worden, zullen zij zeggen: "Dit is een oude leugen."
12
En daarvóór was het Boek van Mozes, een gids en een barmhartigheid; en dit is een Boek dat bevestigt, in de Arabische taal, om degenen die onrecht doen te waarschuwen, en als blijde tijdingen voor de weldoeners.
13
Voorwaar, degenen die zeggen: "Onze Heer is God," en dan recht wandelen, geen vrees zal op hen zijn, noch zullen zij treuren.
14
Dezen zijn de metgezellen der Tuin, daarin te verblijven, een vergelding voor hetgeen zij pleegden te doen.
15
En Wij hebben de mens goedheid jegens zijn ouders geboden. Zijn moeder droeg hem in ontbering en bracht hem voort in ontbering, en zijn dragen en zijn spening zijn dertig maanden. Totdat wanneer hij zijn volle kracht bereikt en veertig jaren bereikt, zegt hij: "Mijn Heer! Inspireer mij dank te betuigen voor Uw gunst waarmee Gij mij en mijn ouders hebt begunstigd, en dat ik rechtvaardige werken moge doen die U behagen; en maak rechtvaardig voor mij mijn nageslacht. Voorwaar, ik heb mij tot U in berouw gewend, en voorwaar, ik ben van degenen die zich Toegewijd hebben."
16
Dezen zijn degenen van wie Wij het beste van hetgeen zij gedaan hebben aanvaarden en hun kwade daden over het hoofd zien, onder de metgezellen der Tuin — de belofte der waarheid die hun beloofd was.
17
Doch hij die tot zijn ouders zegt: "Wee u beiden! Belooft gij mij dat ik zal worden voortgebracht, terwijl geslachten vóór mij zijn heengegaan?" En beiden roepen God om hulp: "Wee u! Geloof! Voorwaar, de belofte Gods is waar." Doch hij zegt: "Dit is niets dan verhalen der ouden."
18
Dezen zijn degenen over wie het woord is vervuld, onder volkeren der verborgenen en der mensheid die vóór hen zijn heengegaan. Voorwaar, zij zijn de verliezers.
19
En voor elk zijn rangen overeenkomstig hetgeen zij deden, en opdat Hij hen ten volle voor hun daden moge betalen, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
20
En op de Dag wanneer degenen die verhullen aan het Vuur worden blootgesteld: "Gij hebt uw goede dingen verkwist in het leven dezer wereld en uw genot erin genomen. Op deze Dag dan wordt gij vergolden met de kastijding der vernedering omdat gij hoogmoedig pleegt te zijn op de aarde zonder recht, en omdat gij goddeloos pleegt te handelen."
21
En gedenk de broeder van Ad, toen hij zijn volk waarschuwde te midden der zandduinen — en waarschuwers zijn vóór hem en na hem heengegaan — "Aanbidt niemand dan God; voorwaar, ik vrees voor u de kastijding van een machtige Dag."
22
Zij zeiden: "Zijt gij gekomen om ons van onze goden af te wenden? Breng ons dan hetgeen waarmee gij ons bedreigt, indien gij van de waarachtigen zijt."
23
Hij zeide: "De kennis is slechts bij God, en ik breng u over hetgeen waarmee ik gezonden ben, doch ik zie dat gij een volk van onwetendheid zijt."
24
Toen zij het dan zagen als een wolk die naar hun dalen voortschreed, zeiden zij: "Dit is een wolk die ons regen zal geven!" Neen, het is hetgeen gij wenstet te bespoedigen: een wind waarin een pijnlijke kastijding is,
25
alles vernietigend op het bevel haars Heren. En in de ochtend was er niets te zien dan hun woningen. Aldus vergelden Wij het schuldige volk.
26
En voorwaar, Wij hadden hen gevestigd in hetgeen waarin Wij u niet gevestigd hebben, en Wij hadden voor hen gehoor en gezicht en harten bestemd; doch hun gehoor en hun gezicht en hun harten baatten hun niet, daar zij de tekenen Gods pleegden te loochenen, en er omsloot hen hetgeen zij pleegden te bespotten.
27
En voorwaar, Wij hebben de steden rondom u vernietigd, en Wij hebben de tekenen op verscheidene wijzen uiteengezet, opdat zij wellicht mochten terugkeren.
28
Waarom hielpen degenen die zij naast God als goden hadden genomen, als een middel van toenadering, hen dan niet? Neen, zij dwaalden van hen weg. En dat was hun leugen, en hetgeen zij pleegden te verzinnen.
29
En toen Wij naar u een gezelschap der verborgenen wendden, luisterend naar de Voordracht. En toen zij in haar tegenwoordigheid waren, zeiden zij: "Geeft gehoor!" Toen zij dan beëindigd was, keerden zij terug naar hun volk, waarschuwend.
30
Zij zeiden: "O ons volk! Voorwaar, wij hebben een Boek gehoord dat na Mozes is nedergezonden, bevestigend hetgeen ervóór was, leidend naar de waarheid en naar een rechte weg.
31
O ons volk! Antwoordt de Roeper tot God en gelooft in hem, opdat Hij u van uw zonden moge vergeven en u moge beschutten tegen een pijnlijke kastijding.
32
En wie de Roeper tot God niet antwoordt, hij kan God op de aarde niet verijdelen, en hij heeft, buiten Hem, geen beschermers. Dezen zijn in klaarblijkelijke dwaling."
33
Hebben zij niet gezien dat God, Die de hemelen en de aarde schiep en niet vermoeid was door hun schepping, in staat is de doden het leven te geven? Jawel, voorwaar, Hij is over alle dingen Machtig.
34
En op de Dag wanneer degenen die verhullen aan het Vuur worden blootgesteld: "Is dit niet de Waarheid?" Zij zeggen: "Jawel, bij onze Heer!" Hij zegt: "Proeft dan de kastijding omdat gij pleegt te verhullen."
35
Wees dan geduldig, zoals de Boodschappers van vast besluit geduldig waren, en bespoedig niet voor hen. Op de Dag wanneer zij zien hetgeen hun beloofd is, zal het zijn alsof zij niet langer verwijld hadden dan een uur van een dag. Een overbrenging! En zal iemand anders worden vernietigd dan het goddeloze volk?
Commentary

Aantekeningen bij Soera 46 — Al-Ahqaaf (De Zandheuvels)

Algemene opmerkingen

De waarschuwer staat op onvaste grond — de zandheuvels zijn indrukwekkend in omvang doch onderhevig aan de wind. Een metafoor voor valse zekerheid.

Stamanalyse

v.21: Stam ح-ق-ف (h-q-f) — “zandheuvels”

De broeder van Aad waarschuwt “te midden der zandheuvels (الأَحْقَاف).” De stam verwijst naar gebogen zandformaties — verschuivend, onbestendig terrein. De theologische setting is nauwkeurig: de waarschuwer staat op wankele grond, terwijl hij een volk waarschuwt dat zich veilig waant.

vv.29–32: Stam ج-ن-ن (j-n-n) — “verschijningen als ontvangers der openbaring”

Verschijningen luisteren naar de Voordracht en keren terug om hun eigen volk te waarschuwen. Dit is de directe voorloper van Soera 72. De verborgen dimensie hoort openbaring niet slechts af — zij reageert, gelooft en verspreidt de boodschap.

v.15: De levensboog van afhankelijkheid tot toewijding

De rijpe mens op veertigjarige leeftijd bidt om dankbaarheid jegens ouders en rechtschapen nageslacht. De Voordracht’s volledigste portret van de menselijke boog: dragen, spenen, vol kracht, toewijding.

Integratieve verbanden

  • v.9 “ik ben geen nieuwigheid onder de boodschappers” ↔ 57:26–27: elke boodschapper volgt in de voetsporen zijner voorgangers — voortschrijdende openbaring.
  • vv.24–25 de wind die Aad vernietigt ↔ 51:41–42 en 54:19–20: dezelfde gebeurtenis in drie soera’s, elk een laag toevoegend.
47
Moehammad Moehammad
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zij die verhullen en afwenden van den weg Gods, hun werken zal Hij ijdel maken.
2
En zij die geloven en rechtvaardige werken doen en geloven in hetgeen nedergezonden is tot Moehammad — en het is de waarheid van hun Heer — hun kwade daden zal Hij van hen wegnemen en hun toestand in orde brengen.
3
Dat is omdat zij die verhullen de valsheid volgen, en omdat zij die geloven de waarheid van hun Heer volgen. Aldus stelt God voor de mensen hun gelijkenissen op.
4
Wanneer gij dus hen die verhullen ontmoet, slaat dan de nekken totdat, wanneer gij hen op de vlucht hebt gejaagd, bindt hen dan vast. Dan hetzij genade, hetzij losgeld, totdat de oorlog zijn lasten neerlegt. Aldus is het; en had God gewild, Hij had hen kunnen bestraffen, doch opdat Hij sommigen uwer door middel van anderen moge beproeven. En zij die gedood worden op den weg Gods, hun werken zal Hij nimmer ijdel maken.
5
Hij zal hen leiden en hun toestand in orde brengen,
6
en zal hen toelaten tot de Tuin die Hij hun bekend heeft gemaakt.
7
O gij die gelooft! Indien gij God bijstaat, zal Hij u bijstaan en uw voeten standvastig maken.
8
En zij die verhullen, verderf voor hen, en hun werken zal Hij ijdel maken.
9
Dat is omdat zij afkerig zijn van hetgeen God heeft nedergezonden, dus heeft Hij hun werken waardeloos gemaakt.
10
Zijn zij dan niet door het land gereisd en hebben zij gezien hoe het einde was van hen die vóór hen waren? God vernietigde hen, en voor hen die verhullen is het gelijke daarvan.
11
Dat is omdat God de Beschermer is van hen die geloven, en omdat zij die verhullen geen beschermer hebben.
12
Voorwaar, God zal hen die geloven en rechtvaardige werken doen toelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen; en zij die verhullen nemen hun genot en eten zoals het vee eet, en het Vuur zal een verblijfplaats voor hen zijn.
13
En hoevele steden, machtiger in kracht dan uw stad die u heeft verdreven, hebben Wij vernietigd, en er was geen helper voor hen.
14
Is dan hij die op een duidelijk bewijs van zijn Heer is, gelijk aan hem voor wie het kwaad zijner daden schoon is gemaakt, en zij volgen hun begeerten?
15
Een gelijkenis van de Tuin die den godvrezenden is beloofd: daarin zijn rivieren van onbezoedeld water, en rivieren van melk wier smaak niet verandert, en rivieren van wijn heerlijk voor de drinkers, en rivieren van gelouterde honing; en daarin is voor hen van elke vrucht, en vergiffenis van hun Heer. Zijn zij gelijk aan hen die in het Vuur verblijven en kokend water te drinken krijgen dat hun ingewanden verscheurt?
16
En onder hen zijn er die naar u luisteren, totdat wanneer zij van uw tegenwoordigheid uitgaan, zij tot hen die kennis is gegeven zeggen: "Wat zeide hij zojuist?" Dezen zijn zij wier harten God heeft verzegeld, en zij volgen hun begeerten.
17
En zij die geleid worden, hun leiding vermeerdert Hij, en Hij geeft hun hun godsvrucht.
18
Wachten zij dan op iets anders dan het Uur, dat het plotseling over hen kome? En voorwaar, zijn voortekenen zijn reeds gekomen. Hoe zal dan, wanneer het over hen is gekomen, hun herinnering hun baten?
19
Weet dus dat er geen god is dan God, en vraag vergiffenis voor uw zonde en voor de gelovige mannen en de gelovige vrouwen; en God kent uw rondgaan en uw rustplaats.
20
En zij die geloven zeggen: "Waarom is er geen soerah nedergezonden?" Doch wanneer een beslissende soerah wordt nedergezonden en daarin strijd wordt vermeld, ziet gij hen in wier harten een ziekte is, u aankijken met den blik van iemand die bezwijmt van den dood. Wee dus hun!
21
Gehoorzaamheid en een goed woord! Wanneer dan de zaak beslecht is, indien zij oprecht waren jegens God, het zou beter voor hen zijn.
22
Zoudt gij dan, indien gij u afwendt, verderf op aarde werken en uw banden des bloeds verbreken?
23
Dezen zijn zij die God heeft vervloekt, zodat Hij hen doof heeft gemaakt en hun ogen heeft verblind.
24
Zullen zij dan niet over de Voordracht nadenken, of zijn er sloten op hun harten?
25
Voorwaar, zij die terugkeren nadat de leiding hun duidelijk is gemaakt, de duivel heeft hen verleid en hun valse hoop gegeven.
26
Dat is omdat zij zeiden tot hen die afkerig zijn van hetgeen God heeft nedergezonden: "Wij zullen u gehoorzamen in een deel der zaak." En God kent hun geheimen.
27
Hoe zal het dan zijn wanneer de engelen hen nemen, hun aangezichten en hun ruggen slaande?
28
Dat is omdat zij volgden wat God vertoornt en afkerig waren van Zijn welbehagen, dus heeft Hij hun werken waardeloos gemaakt.
29
Of menen zij in wier harten een ziekte is dat God hun wrok niet aan het licht zal brengen?
30
En hadden Wij gewild, Wij zouden hen u getoond hebben, zodat gij hen aan hun kenteken zoudt kennen. En gij zult hen voorzeker kennen aan den toon hunner rede; en God kent uw daden.
31
En Wij zullen u voorzeker beproeven totdat Wij weten wie onder u strijden en wie geduldig zijn, en Wij zullen uw berichten toetsen.
32
Voorwaar, zij die verhullen en afwenden van den weg Gods en den Boodschapper weerstaan nadat de leiding hun duidelijk is gemaakt, zij zullen God in niets schaden, en Hij zal hun werken waardeloos maken.
33
O gij die gelooft! Gehoorzaamt God en gehoorzaamt den Boodschapper, en maakt uw werken niet ijdel.
34
Voorwaar, zij die verhullen en afwenden van den weg Gods, en dan sterven terwijl zij verhullen, God zal hun nimmer vergeven.
35
Weest dus niet zwak en roept niet om vrede wanneer gij de overhand hebt, en God is met u en zal u uw werken niet ontnemen.
36
Het leven dezer wereld is slechts spel en vermaak; en indien gij gelooft en godvrezend zijt, zal Hij u uw beloningen geven en zal u niet om uw bezittingen vragen.
37
Ware Hij u erom te vragen en u te bedringen, gij zoudt gierig zijn, en Hij zou uw wrok aan het licht brengen.
38
Ziet! Gij zijt degenen die geroepen worden om te besteden op den weg Gods, doch onder u zijn er die gierig zijn; en wie gierig is, is slechts gierig jegens zijn eigen ziel. En God is de Zelfgenoegzame, en gij zijt de behoeftigen; en indien gij u afwendt, zal Hij u verwisselen voor een ander volk, en zij zullen niet uws gelijken zijn.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 47 — Muhammad

Algemene opmerkingen

De stam ح-ب-ط (te niet doen) verschijnt zesmaal: verhulling doet daden te niet, de Boodschapper bestrijden doet daden te niet. Elke handeling houdt stand of wordt uitgehold.

Stamanalyse

vv.1, 8, 9, 28, 32, 33: Stam ح-ب-ط (h-b-th) — “te niet doen”

De stam betekent leeglopen, doen ineenstorten, vruchteloos maken. Het overheersende thema der soera: het leegmaken van daden door verhulling.

v.24: Stam ت-د-ب-ر (t-d-b-r) — “overdenken”

“Overdenken (يَتَدَبَّرُون) zij de Voordracht niet, of zijn er sloten op hun harten?” De stam betekent het einde van een zaak beschouwen. Het vers wijt het onbegrip aan een gesloten hart, niet aan een zwak verstand.

v.7: Stam ن-ص-ر (n-s-r) — “bijstaan”

“Indien gij God bijstaat (تَنصُرُوا), zal Hij u bijstaan.” De paradox is opzettelijk — God, die niets behoeft, vraagt bijgestaan te worden. Menselijke inspanning namens God ontsluit goddelijke hulp.

Integratieve verbanden

  • v.15 de tuinbeschrijving met rivieren van wijn: de wijn (خَمْر, stam ch-m-r, bedekken) van het paradijs bedekt niet — in het Hiernamaals houdt bedekking op.
  • v.19 “weet dat er geen god is dan God”: de sjahaadah ingebed in het midden der soera — de stam ع-ل-م (weten) eist niet herhaling maar besef.
48
Al-Fath De Overwinning
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Voorwaar, Wij hebben u een klaarblijkelijke overwinning geopend,
2
opdat God u moge vergeven wat voorafging van uw zonde en wat volgt, en Zijn gunst over u moge vervolmaken, en u moge leiden op een recht pad,
3
en opdat God u moge bijstaan met een machtige bijstand.
4
Hij is het Die de rust nederzond in de harten der gelovigen, opdat zij mochten toenemen in geloof bij hun geloof; en aan God behoren de heerscharen der hemelen en der aarde; en God is Wetend, Wijs,
5
opdat Hij de gelovige mannen en de gelovige vrouwen moge toelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen, om daarin te verblijven, en hun kwade daden van hen moge wegnemen — en dat is in het oog Gods een verheven triomf —
6
en opdat Hij de huichelende mannen en de huichelende vrouwen moge kastijden, en hen die deelgenoten toekennen, die kwade gedachten over God koesteren. Op hen is de kwade wending des lots, en God is vertoornd op hen en heeft hen vervloekt en het Hellevuur voor hen bereid; en ellendig is de reis.
7
En aan God behoren de heerscharen der hemelen en der aarde; en God is Machtig, Wijs.
8
Voorwaar, Wij hebben u gezonden als een getuige en een brenger van blijde tijdingen en een waarschuwer,
9
opdat gij moogt geloven in God en Zijn Boodschapper, en hem moogt eren en eerbiedigen, en Hem moogt verheerlijken des morgens en des avonds.
10
Voorwaar, zij die u trouw zweren, zweren slechts trouw aan God. De hand Gods is boven hun handen. Wie dus zijn eed breekt, breekt hem slechts tegen zijn eigen ziel; en wie vervult hetgeen hij met God heeft verbonden, hem zal Hij een groot loon geven.
11
De woestijnarabieren die achterbleven zullen tot u zeggen: "Onze bezittingen en onze gezinnen hielden ons bezig, vraag dus vergiffenis voor ons." Zij zeggen met hun tongen wat niet in hun harten is. Zeg: "Wie heeft enige macht voor u tegen God, indien Hij voor u schade begeert of voor u voordeel begeert? Neen, God is altijd Gewaar van hetgeen gij doet."
12
Neen, gij meendet dat de Boodschapper en de gelovigen nimmer tot hun gezinnen zouden terugkeren, en dat werd schoon gemaakt in uw harten, en gij koesterdet een kwade gedachte, en gij waart een volk ten ondergang gedoemd.
13
En wie niet gelooft in God en Zijn Boodschapper — dan voorwaar, Wij hebben voor hen die verhullen een Vlam bereid.
14
En aan God behoort de heerschappij der hemelen en der aarde; Hij vergeeft wie Hij wil en kastijdt wie Hij wil; en God is Vergevend, Barmhartig.
15
Zij die achterbleven zullen zeggen, wanneer gij uittrekt om buit te nemen: "Laat ons u volgen." Zij wensen het woord Gods te veranderen. Zeg: "Gij zult ons niet volgen; aldus heeft God voordien gezegd." Dan zullen zij zeggen: "Neen, gij benijdt ons." Neen, doch zij begrijpen slechts weinig.
16
Zeg tot hen onder de woestijnarabieren die achterbleven: "Gij zult worden opgeroepen tegen een volk van grote kracht; gij zult hen bestrijden, of zij zullen zich Onderwerpen. Indien gij dan gehoorzaamt, zal God u een schone beloning geven; doch indien gij u afwendt zoals gij u voordien afwenddet, zal Hij u kastijden met een pijnlijke kastijding."
17
Er is geen blaam op den blinde, noch is er blaam op den kreupele, noch is er blaam op den zieke. En wie God en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, hem zal Hij toelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen; en wie zich afwendt, hem zal Hij kastijden met een pijnlijke kastijding.
18
God was waarlijk weltevreden over de gelovigen toen zij u trouw zwoeren onder den boom; Hij wist wat in hun harten was, dus zond Hij de rust over hen neder, en beloonde hen met een nabije overwinning,
19
en veel buit die zij zullen nemen; en God is Machtig, Wijs.
20
God heeft u veel buit beloofd die gij zult nemen, en Hij heeft dit voor u verhaast, en heeft de handen der mensen van u weerhouden, opdat het een teken moge zijn voor de gelovigen, en opdat Hij u moge leiden op een recht pad.
21
En andere buit die gij niet hebt kunnen nemen, God heeft haar reeds omvat; en God is over alle dingen Machtig.
22
En hadden zij die verhullen u bestreden, zij zouden hun rug hebben gekeerd, en dan zouden zij geen beschermer en geen helper hebben gevonden.
23
Het is de weg Gods die voordien is gegaan; en gij zult geen verandering vinden in den weg Gods.
24
En Hij is het Die hun handen van u weerhield en uw handen van hen in het dal van Mekka, nadat Hij u de overwinning over hen had gegeven; en God is Ziende van hetgeen gij doet.
25
Zij zijn degenen die verhulden en u afwendden van de Heilige Moskee, en het offer dat zijn bestemming niet kon bereiken. En ware het niet om gelovige mannen en gelovige vrouwen die gij niet kendet — opdat gij hen niet zoudt vertrappen en schuld op u laaddet om hunnentwil zonder het te weten — opdat God in Zijn barmhartigheid mocht toelaten wie Hij wil. Waren zij gescheiden geweest, Wij zouden hen onder hen die verhullen met een pijnlijke kastijding hebben gekastijd.
26
Toen zij die verhullen in hun harten de ijver zetten, de ijver van het Tijdperk der Onwetendheid, toen zond God Zijn rust neder over Zijn Boodschapper en over de gelovigen, en legde hun het woord der godsvrucht op, en zij waren het meest waardig daaraan en er geschikt voor; en God is van alle dingen Wetend.
27
Voorwaar, God heeft voor Zijn Boodschapper het visioen in waarheid vervuld: "Gij zult voorzeker de Heilige Moskee binnentreden, indien God wil, in veiligheid, uw hoofden geschoren en uw haar kort geknipt, niet vrezend." Hij wist wat gij niet wist, en Hij bestemde daarnaast een nabije overwinning.
28
Hij is het Die Zijn Boodschapper heeft gezonden met de leiding en de godsdienst der waarheid, opdat Hij haar moge doen zegevieren over alle godsdienst; en God is voldoende als Getuige.
29
Moehammad is de Boodschapper Gods; en zij die met hem zijn, zijn streng jegens hen die verhullen, barmhartig onder elkander. Gij ziet hen buigen, zich nederwerpen, de gunst Gods zoekend en het welbehagen. Hun teken is op hun aangezichten door het spoor der nederwerping. Dat is hun gelijkenis in de Thora; en hun gelijkenis in het Evangelie is als een zaad dat zijn scheut voortbrengt en het versterkt, en het wordt stevig en rijst op zijn stengel, de zaaiers verheugend, opdat Hij daardoor hen die verhullen moge vergrammen. God heeft hen onder hen die geloven en rechtvaardige werken doen vergiffenis en een groot loon beloofd.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 48 — Al-Fath (De Overwinning)

Algemene opmerkingen

De “overwinning” is wezenlijk een “opening” — het Verdrag van Hoedaibijah leek een tegenslag maar was de ware opening. De stam herdefinieert overwinning als wat God opent, niet als wat de mens verovert.

Stamanalyse

v.1: Stam ف-ت-ح (f-t-h) — “openen”

فَتَحْنَا — de stam betekent openen, inwijden, ontsluiten. De soera verwijst naar een “opening” die geen militaire verovering was maar het ontsluiten van een nieuwe geestelijke toestand.

vv.4, 18, 26: Stam س-ك-ن (s-k-n) — “kalmte, stilte”

God zendt driemaal “de kalmte (السَّكِينَة)” neder: bij het begin (v.4), bij de eedaflegging (v.18), en tegen de ijverzucht (v.26). Elke nederdaling van stilte beantwoordt een moment van onrust.

v.10: Stam ب-ي-ع (b-j-ayn) — “eed afleggen”

“Degenen die u de eed afleggen (يُبَايِعُونَ), leggen slechts de eed af aan God.” De bij’ah is een transactie: de gelovige verkoopt zijn wil aan God via de Boodschapper. De hand Gods is “boven hun handen.”

Integratieve verbanden

  • v.23 “gij zult geen verandering vinden in de weg Gods” ↔ 35:43: de onveranderlijkheid van goddelijke werkwijzen over de Bedeelingen heen.
  • v.29 de gelijkenis van het zaad ↔ 14:24: ware gemeenschappen groeien uit zaden, niet uit dwang.
49
Al-Hoedjoeraat De Kamers
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O gij die gelooft! Stelt u niet voorop voor God en Zijn Boodschapper, en vreest God; voorwaar, God is Horend, Wetend.
2
O gij die gelooft! Verheft uw stemmen niet boven de stem des Profeten, en spreekt niet luid tot hem gelijk gij luid tot elkander spreekt, opdat uw werken niet ijdel worden gemaakt terwijl gij het niet beseft.
3
Voorwaar, zij die hun stemmen dempen in de tegenwoordigheid van den Boodschapper Gods, dat zijn degenen wier harten God op godsvrucht heeft beproefd; voor hen is vergiffenis en een groot loon.
4
Voorwaar, zij die u toeroepen van achter de kamers, de meesten hunner hebben geen begrip.
5
En hadden zij geduld gehad totdat gij tot hen waart uitgekomen, het ware beter voor hen geweest; en God is Vergevend, Barmhartig.
6
O gij die gelooft! Indien een goddeloze tot u komt met een bericht, onderzoekt het dan, opdat gij niet een volk treft in onwetendheid en dan berouw hebt over hetgeen gij gedaan hebt.
7
En weet dat de Boodschapper Gods onder u is. Ware hij u in veel van de zaak gehoorzaam, gij zoudt voorzeker lijden; doch God heeft u het geloof dierbaar gemaakt en heeft het in uw harten getooid, en heeft u het verhullen en de goddeloosheid en de ongehoorzaamheid gehaat gemaakt. Dezen zijn de rechtgeleiden,
8
een gunst van God en een genade; en God is Wetend, Wijs.
9
En indien twee partijen der gelovigen strijden, sticht dan vrede tussen hen. En indien een hunner de andere overtreedt, bestrijdt dan degene die overtreedt totdat zij terugkeert tot het gebod Gods. En indien zij terugkeert, sticht dan vrede tussen hen met rechtvaardigheid, en handelt billijk; voorwaar, God bemint de billijken.
10
De gelovigen zijn slechts broeders, sticht dus vrede tussen uw twee broeders; en vreest God, opdat gij wellicht barmhartigheid moogt ontvangen.
11
O gij die gelooft! Laat een volk niet spotten met een ander volk; het kan zijn dat zij beter zijn dan zij. Noch laat vrouwen spotten met andere vrouwen; het kan zijn dat zij beter zijn dan zij. En belastert elkander niet, noch noemt elkander met bijnamen. Ellendig is de naam van goddeloosheid na het geloof; en wie zich niet bekeert, dezen zijn de onrechtvaardigen.
12
O gij die gelooft! Mijdt veel achterdocht; voorwaar, sommige achterdocht is zonde. En bespioneert niet, noch spreekt kwaad van elkander achter den rug. Zou een uwer het vlees van zijn doden broeder willen eten? Gij zoudt het verafschuwen. En vreest God; voorwaar, God is Berouwaanvaardend, Barmhartig.
13
O mensen! Voorwaar, Wij hebben u geschapen uit een man en een vrouw en hebben u gemaakt tot volkeren en stammen, opdat gij elkander moogt kennen. Voorwaar, de edelste uwer in het oog Gods is de godvrezendste uwer; voorwaar, God is Wetend, Gewaar.
14
De woestijnarabieren zeggen: "Wij geloven." Zeg: "Gij hebt niet geloofd, maar zegt veeleer: 'Wij hebben ons Toegewijd,' want het geloof is nog niet in uw harten binnengetreden. En indien gij God en Zijn Boodschapper gehoorzaamt, zal Hij niets van uw werken verminderen; voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig."
15
De gelovigen zijn slechts degenen die geloven in God en Zijn Boodschapper, dan niet twijfelen, en strijden met hun bezittingen en hun zielen op den weg Gods. Dezen zijn de waarachtigen.
16
Zeg: "Zoudt gij God uw godsdienst willen onderwijzen, terwijl God weet wat in de hemelen is en wat op de aarde? En God is van alle dingen Wetend."
17
Zij rekenen het u als een gunst aan dat zij zich hebben Toegewijd. Zeg: "Rekent uw Toewijding niet als een gunst aan mij; neen, God heeft u een gunst verleend doordat Hij u tot het geloof heeft geleid, indien gij waarachtig zijt."
18
Voorwaar, God kent het verborgene der hemelen en der aarde; en God is Ziende van hetgeen gij doet.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 49 — Al-Hoedjoeraat (De Vertrekken)

Algemene opmerkingen

De soera van onderlinge herkenning en het onderscheid tussen uiterlijke toewijding (islaam) en innerlijk geloof (iemaan). V.13 is de meest beknopte verklaring van verscheidenheid als goddelijk instrument.

Stamanalyse

v.13: Stam ع-ر-ف (‘ayn-r-f) — “kennen, herkennen”

“Wij hebben u tot volkeren en stammen gemaakt opdat gij elkander moogt kennen (لِتَعَارَفُوا).” De Vorm VI is wederkerig: wederzijds kennen. Verscheidenheid is geen toeval maar een goddelijk werktuig voor onderlinge herkenning. Adeldom wordt gemeten naar godvrezendheid (تقوى), niet naar afstamming.

v.14: Stam إ-ي-م-ن vs. س-ل-م — “geloof” vs. “toewijding”

De woestijnarabieren zeggen: “Wij geloven.” Antwoord: “Gij hebt niet geloofd, maar zegt: Wij hebben ons toegewijd, want het geloof is nog niet in uw harten getreden.” Toewijding (islaam) kan uiterlijk worden voltrokken; geloof (iemaan) vereist het hart. Toewijding gaat vooraf aan geloof; geloof is verinnerlijkte toewijding.

v.12: “zou een uwer willen het vlees van zijn dode broeder te eten?”

Een visceraal beeld van gemeenschapskannibalisme — verbonden met de voedingsethiek van 76:8–9: de rechtvaardigen voeden anderen; de bozen verteren de hunnen.

Integratieve verbanden

  • v.13 verscheidenheid voor herkenning ↔ 55:33: de aanspraak tot zowel verschijningen als mensen is zelf een daad van تَعَارُف over de zichtbare/verborgen scheidslijn heen.
  • v.14 iemaan/islaam-onderscheid ↔ zahir/batin: toewijding is de buitenpoort; geloof is de innerlijke werkelijkheid.
50
Qaaf Qaaf
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Qaaf. Bij de glorierijke Voordracht!
2
Neen, zij verwonderen zich dat er tot hen een waarschuwer is gekomen uit hun eigen midden, en zij die verhullen zeggen: "Dit is een wonderbaarlijk ding!
3
Wanneer wij dood zijn en tot stof geworden? Dat is een verre terugkeer."
4
Wij weten wat de aarde van hen vermindert, en bij Ons is een Boek dat bewaart.
5
Neen, doch zij loochenden de Waarheid toen zij tot hen kwam, en zij verkeren in een verwarde zaak.
6
Hebben zij niet gekeken naar den hemel boven hen, hoe Wij hem hebben gebouwd en hem hebben getooid, en hij geen scheuren heeft?
7
En de aarde, Wij hebben haar uitgespreid en daarin vaste bergen geworpen, en daarin van elk schoon paar doen groeien,
8
als een aanschouwing en een herinnering voor elken dienaar die zich in berouw wendt.
9
En Wij zonden van den hemel gezegend water neder, en deden daardoor tuinen groeien en het graan der oogst,
10
en hoge palmen met geschaarde trossen,
11
een voorziening voor de dienaren; en Wij deden daarmee een dood land herleven. Aldus zal het te voorschijn komen zijn.
12
Vóór hen loochenden het volk van Noach, en de gezellen van den Bron, en Thamoed,
13
en Aad, en Farao, en de broederen van Lot,
14
en de gezellen van het Struikgewas, en het volk van Toebba'. Elk hunner loochende de boodschappers, dus werd Mijn bedreiging vervuld.
15
Waren Wij dan vermoeid door de eerste schepping? Neen, doch zij verkeren in verwarring omtrent een nieuwe schepping.
16
En voorwaar, Wij schiepen den mens, en Wij weten wat zijn ziel hem influistert, en Wij zijn hem nader dan zijn halsslagader,
17
wanneer de twee ontvangers ontvangen, gezeten aan de rechter- en aan de linkerzijde.
18
Hij uit geen woord of er is bij hem een wachter, gereed.
19
En de bedwelming des doods komt in waarheid: "Dit is datgene waarvan gij placht terug te schrikken."
20
En de Bazuin wordt geblazen: "Dit is de Dag der Bedreiging."
21
En elke ziel komt, met haar een drijver en een getuige.
22
"Gij waart waarlijk achteloos hieromtrent; nu hebben Wij van u uw bedekking weggenomen, dus is uw blik heden scherp."
23
En zijn metgezel zegt: "Dit is hetgeen bij mij is, gereed."
24
"Werpt in het Hellevuur elken hardnekkigen verhulde,
25
belager van het goede, overtreder, twijfelaar,
26
die naast God een andere god heeft gesteld; werpt hem dus in de strenge kastijding."
27
Zijn metgezel zegt: "Onze Heer! Ik heb hem niet tot overtreding geleid, doch hij was in verre dwaling."
28
Hij zegt: "Twist niet in Mijn tegenwoordigheid; Ik had u reeds de bedreiging gezonden.
29
Het woord wordt bij Mij niet veranderd, en Ik ben niet onrechtvaardig jegens de dienaren."
30
Op den Dag waarop Wij tot het Hellevuur zeggen: "Zijt gij gevuld?" en het zegt: "Is er nog meer?"
31
En de Tuin wordt dicht bij de godvrezenden gebracht, niet ver.
32
"Dit is hetgeen u beloofd was, voor een ieder die zich in berouw wendt, die de wacht houdt,
33
die den Albarmhartige vreest in het verborgene en komt met een berouwvol hart.
34
Treedt haar binnen in vrede; dat is de Dag der Eeuwigheid."
35
Voor hen is daarin wat zij willen, en bij Ons is nog meer.
36
En hoevele geslachten hebben Wij vóór hen vernietigd, machtiger dan zij in kracht, en zij doorzochten de landen: is er enige toevlucht?
37
Voorwaar, daarin is een herinnering voor hem die een hart heeft of het oor leent en een getuige is.
38
En voorwaar, Wij schiepen de hemelen en de aarde en wat daartussen is in zes dagen, en geen vermoeidheid raakte Ons.
39
Wees dus geduldig over hetgeen zij zeggen, en verheerlijk den lof uws Heren vóór het opgaan der zon en vóór haar ondergaan,
40
en in den nacht verheerlijk Hem, en na de nederbuigingen.
41
En luister op den Dag waarop de Roeper zal roepen van een nabije plaats,
42
den Dag waarop zij den Roep in waarheid zullen horen. Dat is de Dag van het Te Voorschijn Komen.
43
Voorwaar, Wij, Wij zijn het Die leven geven en doen sterven, en tot Ons is de reis,
44
op den Dag waarop de aarde vaneen zal scheuren van hen, voortsnellend. Dat is een vergadering die voor Ons gemakkelijk is.
45
Wij weten het best wat zij zeggen, en gij zijt geen tiran over hen. Herinner dus door de Voordracht hem die Mijn bedreiging vreest.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 50 — Qaaf

Algemene opmerkingen

De soera van de radicale goddelijke nabijheid. V.16 — “Wij zijn hem nader dan zijn halsslagader” — is de meest vergaande verklaring van goddelijke immanentie in de Voordracht.

Stamanalyse

v.16: Stam ق-ر-ب (q-r-b) — “nabijheid”

God is nader dan de halsslagader — de ader die bloed naar de hersenen voert, de zetel van het bewustzijn. God is nader dan het eigen zelfbewustzijn. Dit evenwicht met de transcendentie van 57:3.

vv.17–18: Stam ر-ق-ب (r-q-b) — “waken”

Twee ontvangers, gezeten rechts en links: elke uiting wordt opgetekend. De twee ontvangers suggereren een tweeledig verslag — daden der rechterhand en daden der linkerhand — die de afrekening zullen bepalen (vgl. 69:19–25).

v.6: “de hemel, hoe Wij hem bouwden en versierden, en hij heeft geen scheuren (فُرُوج)”

De hemel is naadloos — geen barsten, geen gebreken. Verbindt met 67:3 waar dezelfde uitdaging wordt gesteld. Als de kosmos geen scheuren heeft, waarom zou de openbaring die dan hebben?

Integratieve verbanden

  • v.16 nabijheid ↔ 57:3 transcendentie: samen bepalen zij het bereik — God is voorbij alles en nader dan alles.
  • v.37 “een herinnering voor hem die een hart heeft”: het hart als voorwaarde voor ontvangst — niet het verstand maar het hart ontvangt de Herinnering.
51
Adh-Dhaariyaat De Verstrooiers
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de verstrooiers die verstrooien,
2
dan de dragers van lasten,
3
dan de lichtvoetig voortijlenden,
4
dan de verdelers van het gebod!
5
Voorwaar, hetgeen u beloofd wordt is waar,
6
en voorwaar, het Oordeel zal geschieden.
7
Bij den hemel der wegen,
8
voorwaar, gij verkeert in tegenstrijdig spreken;
9
daarvan afgewend wordt hij die afgewend wordt.
10
Vergaan de gissers,
11
die achteloos zijn in een vloed van verwarring.
12
Zij vragen: "Wanneer is de Dag des Oordeels?"
13
De Dag waarop zij over het Vuur worden beproefd:
14
"Proeft uw beproeving! Dit is hetgeen gij placht te verhaasten."
15
Voorwaar, de godvrezenden zijn te midden van Tuinen en bronnen,
16
ontvangend wat hun Heer hun geeft; voorwaar, zij waren voordien weldoeners.
17
Zij plachten des nachts slechts weinig te slapen,
18
en in de uren vóór de dageraad zochten zij vergiffenis,
19
en in hun bezittingen was een recht voor den bedelaar en den behoeftige.
20
En op de aarde zijn tekenen voor hen die zeker zijn,
21
en in uw eigen zelven; zult gij dan niet zien?
22
En in den hemel is uw voorziening en hetgeen u beloofd wordt.
23
Dus bij den Heer des hemels en der aarde, voorwaar, het is de waarheid, gelijk gij spreekt.
24
Is het verhaal der geëerde gasten van Abraham tot u gekomen?
25
Toen zij bij hem binnentraden en zeiden: "Vrede!" zeide hij: "Vrede! Een onbekend volk."
26
Toen wendde hij zich terzijde tot zijn huisgezin en bracht een vet kalf
27
en zette het hun voor; hij zeide: "Wilt gij niet eten?"
28
Toen vatte hij vrees voor hen op. Zij zeiden: "Vrees niet." En zij gaven hem blijde tijdingen van een wetenden zoon.
29
Toen kwam zijn vrouw naar voren met een kreet en sloeg haar aangezicht en zeide: "Een onvruchtbare oude vrouw!"
30
Zij zeiden: "Aldus spreekt uw Heer; voorwaar, Hij is de Wijze, de Wetende."
31
Hij zeide: "Wat is dan uw opdracht, o gij gezondenen?"
32
Zij zeiden: "Voorwaar, wij zijn gezonden tot een schuldig volk,
33
opdat wij stenen van klei op hen mogen zenden,
34
gemerkt bij uw Heer voor de buitensporigen."
35
Dus brachten Wij de gelovigen die daarin waren naar buiten,
36
doch Wij vonden daarin slechts één huis van hen die zich hadden toegewijd.
37
En Wij lieten daarin een teken achter voor hen die de pijnlijke kastijding vrezen.
38
En in Mozes, toen Wij hem tot Farao zonden met een duidelijk gezag.
39
Doch hij wendde zich af met zijn hofhouding en zeide: "Een tovenaar of een bezetene."
40
Dus grepen Wij hem en zijn heerscharen en wierpen hen in de zee, en hij was laakbaar.
41
En in Aad, toen Wij den onvruchtbaren wind op hen zonden;
42
hij liet niets over waarop hij kwam, doch hij maakte het als vergaan.
43
En in Thamoed, toen tot hen werd gezegd: "Neemt uw gemak voor een wijle."
44
Doch zij kwamen in opstand tegen het gebod huns Heren, dus greep hen de bliksemslag terwijl zij toekeken.
45
En zij konden niet opstaan, noch konden zij zichzelven helpen.
46
En het volk van Noach voordien; voorwaar, zij waren een goddeloos volk.
47
En den hemel, Wij bouwden hem met macht, en voorwaar, Wij zijn de uitbreiders.
48
En de aarde, Wij spreidden haar; en hoe voortreffelijk zijn de uitspreidenden!
49
En van alle dingen schiepen Wij paren, opdat gij wellicht moogt nadenken.
50
Vlucht dus tot God; voorwaar, ik ben voor u van Hem een duidelijk waarschuwer.
51
En stelt naast God geen andere god; voorwaar, ik ben voor u van Hem een duidelijk waarschuwer.
52
Evenzo, er kwam tot hen die vóór hen waren geen boodschapper of zij zeiden: "Een tovenaar of een bezetene!"
53
Hebben zij het elkander nagelaten? Neen, zij zijn een overtredend volk.
54
Wendt u dus af van hen, want gij zijt niet laakbaar.
55
En herinner, want voorwaar de herinnering baat de gelovigen.
56
En Ik schiep de schimmen en de mensheid niet dan opdat zij Mij zouden aanbidden.
57
Ik verlang van hen geen voorziening, noch verlang Ik dat zij Mij zouden voeden.
58
Voorwaar, God, Hij is de Voorziener, de Heer der Macht, de Onwrikbare.
59
En voorwaar, voor hen die onrecht doen is een deel gelijk het deel hunner makkers, laat hen Mij dus niet verhaasten.
60
En wee degenen die verhullen, vanwege hun Dag die hun beloofd is.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 51 — Adh-Dhaarijaat (De Verstrooienden)

Algemene opmerkingen

De beknoptste verklaring van het doel der schepping (v.56) en een mogelijke beschrijving van het uitdijende heelal (v.47).

Stamanalyse

v.56: Stam ع-ب-د (‘ayn-b-d) — “aanbidden, dienen”

“Ik schiep de verschijningen en de mensheid slechts opdat zij Mij aanbidden (لِيَعْبُدُون).” Zowel de verschijningen (ج-ن-ن, de verborgenen) als de mensheid (إ-ن-س, de zichtbaren) delen hetzelfde doel: aanbidding. De verborgen en zichtbare dimensies der schepping zijn verenigd in één functie.

v.47: Stam و-س-ع (w-s-ayn) — “uitbreiden”

“De hemel, Wij bouwden hem met macht, en voorwaar, Wij zijn de uitbreiders (لَمُوسِعُون).” Gelezen in het licht der hedendaagse kosmologie beschrijft dit het uitdijende heelal. Het deelwoord مُوسِعُون is actief en voortdurend: God breidt nog steeds uit.

v.1: Stam ذ-ر-و (dh-r-w) — “verstrooien”

De verstrooiende winden zijn zowel scheppend (zaden en regen verspreidend) als vernietigend (beschavingen uitwannend). Gods werktuigen verstrooien in beide richtingen.

Integratieve verbanden

  • v.56 dubbele aanspraak ↔ 55:33: zowel de verborgen als de zichtbare dimensie is geschapen voor één doel.
  • Abrahams eervolle gasten (vv.24–30) ↔ 76:8–9: de rechtvaardigen voeden anderen — Abraham voedt engelen zonder te weten wie zij zijn.
52
At-Toer De Berg
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de Berg,
2
en een geschreven Boek
3
op een ontrold perkament,
4
en het drukbezochte Huis,
5
en het verheven Dak,
6
en de overvolle Zee!
7
Voorwaar, de kastijding uws Heren zal geschieden;
8
er is niemand die haar kan afwenden,
9
op den Dag waarop de hemel zal schommelen met een schommeling,
10
en de bergen zullen bewegen met een beweging.
11
Dan wee op die Dag degenen die loochenen,
12
die zich vermaken in ijdel gepraat.
13
De Dag waarop zij in het Hellevuur worden gestooten met een stooting:
14
"Dit is het Vuur dat gij placht te loochenen!
15
Is dit tovenarij, of ziet gij niet?
16
Treedt het binnen; en weest geduldig of weest niet geduldig, het is voor u gelijk. Gij wordt slechts vergolden voor hetgeen gij placht te doen."
17
Voorwaar, de godvrezenden zijn in Tuinen en verrukking,
18
zich verheugend in hetgeen hun Heer hun heeft gegeven; en hun Heer heeft hen beschermd tegen de kastijding der Vlam.
19
"Eet en drinkt in gezonde verkwikking voor hetgeen gij placht te doen,"
20
aanliggend op geschaarde rustbedden, en Wij hebben hen gepaard met schonen, wijd van oog.
21
En zij die geloven en wier nageslacht hen volgt in geloof, Wij zullen met hen hun nageslacht verenigen, en Wij zullen niets van hun werk verminderen. Ieder mens is onderpand voor hetgeen hij heeft verworven.
22
En Wij voorzien hen van vruchten en vlees zoals zij begeren.
23
Zij reiken daarin een beker aan elkander; geen ijdel gepraat daarin, noch zonde.
24
En om hen gaan jongelingen huns gelijken, alsof zij verborgen parels waren.
25
En zij wenden zich tot elkander, vragend.
26
Zij zeggen: "Voorwaar, wij waren voorheen te midden van ons huisgezin, bevreesd,
27
doch God is ons genadig geweest en heeft ons beschermd tegen de kastijding van den verzengende wind.
28
Voorwaar, wij plachten Hem voorheen aan te roepen; voorwaar, Hij is de Weldadige, de Barmhartige."
29
Herinner dus; want door de genade uws Heren zijt gij geen waarzegger noch een bezetene.
30
Of zeggen zij: "Een dichter, voor wie wij de wisselingen des lots afwachten"?
31
Zeg: "Wacht! Want voorwaar, ik ben met u onder hen die wachten."
32
Of gebieden hun verstanden hun dit, of zijn zij een overtredend volk?
33
Of zeggen zij: "Hij heeft het verzonnen"? Neen, doch zij geloven niet.
34
Laat hen dan een rede brengen als deze, indien zij waarachtig zijn.
35
Of werden zij uit niets geschapen, of zijn zij de scheppers?
36
Of schiepen zij de hemelen en de aarde? Neen, doch zij zijn niet zeker.
37
Of zijn bij hen de schatten uws Heren, of zijn zij de opzieners?
38
Of hebben zij een ladder waardoor zij luisteren? Laat dan hun luisteraar een duidelijk gezag brengen.
39
Of heeft Hij dochters terwijl gij zonen hebt?
40
Of vraagt gij hun een loon, zodat zij met schuld beladen zijn?
41
Of is het verborgene bij hen, zodat zij schrijven?
42
Of begeren zij een list? Zij die verhullen, zij zijn degenen die verstrikt zijn.
43
Of hebben zij een god buiten God? Verheven zij God boven hetgeen zij Hem toeschrijven!
44
En indien zij een brokstuk van den hemel zagen vallen, zouden zij zeggen: "Opeengehoopte wolken!"
45
Laat hen dus totdat zij hun Dag ontmoeten waarop zij neergeslagen zullen worden,
46
den Dag waarop hun list hun niets zal baten, noch zullen zij worden geholpen.
47
En voorwaar, voor hen die onrecht doen is een kastijding daarenboven, doch de meesten hunner weten het niet.
48
En wees geduldig voor het oordeel uws Heren, want voorwaar gij zijt onder Onze ogen; en verheerlijk den lof uws Heren wanneer gij opstaat,
49
en in den nacht verheerlijk Hem, en bij het wijken der sterren.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 52 — At-Toer (De Berg)

Algemene opmerkingen

De soera opent met een eed bij de Berg (Sinaï) — de plaats van Mozes’ ontmoeting met God. Vijf eden (Berg, Boek, Huis, Dak, Zee) vormen het kosmische kader voor het openbaringsargument.

Stamanalyse

v.1: Stam ط-و-ر (th-w-r) — “de Berg”

De eed roept de plaats der openbaring aan: waar het verborgene zich openbaarde, waar God sprak. De Berg is het stoffelijke zahir waar het batin der goddelijke spraak werd geleverd.

vv.35–36: Stam خ-ل-ق (ch-l-q) — “scheppen”

Een verpletterende logische opeenvolging: indien de mensen niet uit het niets geschapen zijn en niet hun eigen scheppers zijn, dan bestaat er een Schepper. Schepping impliceert een Schepper — het zahir van het bestaan wijst naar het batin van zijn oorsprong.

v.5: “het Dak opgeheven (السَّقْفِ المَرفُوع)”

De hemel als opgeheven dak — een architectonisch beeld van de kosmos als gebouw. Verbindt met 50:6 (hemel zonder scheuren) en 67:3 (zeven gelaagde hemelen).

Integratieve verbanden

  • v.24 “verborgen parels” (لُؤْلُؤ مَكْنُون) ↔ 55:22 en 76:19: de parel als iets kostbaars gevormd in verborgenheid — een j-n-n-beeld.
  • De vijf eden (vv.1–6) ↔ 51:1–4: beide soera’s openen met kosmische eden die het openbaringsargument kaderen.
53
An-Nadjm De Ster
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de Ster wanneer zij ondergaat!
2
Uw metgezel is niet afgedwaald, noch heeft hij gedwaald,
3
noch spreekt hij uit begeerte.
4
Het is niets dan een openbaring, geopenbaard,
5
hem onderwezen door een machtige in kracht,
6
begiftigd met daadkracht. Toen richtte hij zich op
7
terwijl hij aan den hoogsten horizon was.
8
Toen naderde hij en daalde neder,
9
totdat hij op een afstand van twee bogen was of nader,
10
en Hij openbaarde aan Zijn dienaar wat Hij openbaarde.
11
Het hart loog niet omtrent hetgeen het zag.
12
Zult gij dan met hem twisten over hetgeen hij ziet?
13
En voorwaar, hij zag hem bij een andere nederdaling,
14
bij den Loteboom van het Uiterste,
15
dichtbij welke de Tuin der Verblijfplaats is,
16
toen de Loteboom bedekt werd door hetgeen hem bedekte.
17
De blik week niet af, noch overschreed hij.
18
Voorwaar, hij zag van de grootste tekenen zijns Heren.
19
Hebt gij dan al-Laat gezien en al-Oezza
20
en Manaat, de derde, de andere?
21
Zijn de uwen de mannen en de Zijnen de vrouwen?
22
Dat is dan een onrechtvaardige verdeling!
23
Zij zijn niets dan namen die gij hebt benoemd, gij en uw vaderen, waarvoor God geen gezag heeft nedergezonden. Zij volgen niets dan gissing en wat de zielen begeren; en voorwaar, er is tot hen van hun Heer de leiding gekomen.
24
Of zal de mens hebben wat hij wenst?
25
Want aan God behoort het Hiernamaals en het vorige leven.
26
En hoevele engelen in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat God verlof geeft aan wie Hij wil en met wie Hij tevreden is.
27
Voorwaar, zij die niet geloven in het Hiernamaals benoemen de engelen met namen van vrouwen.
28
En zij hebben daarvan geen kennis; zij volgen niets dan gissing, en voorwaar gissing baat niets tegen de waarheid.
29
Wendt u dus af van hem die zich afwendt van Onze gedachtenis en niets begeert dan het leven dezer wereld.
30
Dat is het bereik hunner kennis. Voorwaar, uw Heer, Hij weet het best wie afdwaalt van Zijn weg, en Hij weet het best wie geleid wordt.
31
En aan God behoort al wat in de hemelen is en al wat op de aarde is, opdat Hij hen die kwaad doen moge vergelden met hetgeen zij hebben gedaan, en hen die goed doen moge vergelden met het beste.
32
Zij die de zware zonden en de onbetamelijkheden mijden, behalve de geringe fouten — voorwaar, uw Heer is wijd in vergiffenis. Hij weet het best van u, toen Hij u voortbracht uit de aarde, en toen gij verborgen waart in de schoten uwer moeders. Reinigt dus niet uw zielen; Hij weet het best wie godvrezend is.
33
Hebt gij dan hem gezien die zich afwendde,
34
en weinig gaf en toen gierig was?
35
Heeft hij kennis van het verborgene, zodat hij ziet?
36
Of is hem niet medegedeeld wat in de geschriften van Mozes staat,
37
en van Abraham, die vervulde:
38
dat geen belaste ziel de last van een andere zal dragen,
39
en dat de mens niets zal hebben dan datgene waarnaar hij streeft,
40
en dat zijn streven gezien zal worden,
41
dan zal hij daarvoor de volste vergelding ontvangen,
42
en dat tot uw Heer het uiteindelijke einde is,
43
en dat Hij het is Die doet lachen en doet wenen,
44
en dat Hij het is Die doet sterven en leven geeft,
45
en dat Hij de twee soorten schiep, het mannelijke en het vrouwelijke,
46
uit een druppel zaad wanneer het wordt uitgestort,
47
en dat op Hem de tweede voortbrenging rust,
48
en dat Hij het is Die verrijkt en bezit schenkt,
49
en dat Hij het is Die de Heer van Sirius is,
50
en dat Hij de vroegere Aad vernietigde,
51
en Thamoed, en Hij spaarde niet,
52
en het volk van Noach voordien; voorwaar, zij waren onrechtvaardiger en buitensporiger.
53
En de omgekeerde steden wierp Hij omver,
54
dus bedekte hen hetgeen hen bedekte.
55
Welke der gaven uws Heren zult gij dan betwisten?
56
Dit is een waarschuwer van de waarschuwers van ouds.
57
Het Ophanden Zijnde is nabij gekomen;
58
er is niemand buiten God die het kan onthullen.
59
Verwondert gij u dan over deze rede,
60
en lacht en weent niet,
61
terwijl gij achteloos zijt?
62
Buigt u dus neder voor God en aanbidt!
Commentary

Aantekeningen bij Soera 53 — An-Nadjm (De Ster)

Algemene opmerkingen

De Mi’raadj-passage: de nadering des Profeets tot het goddelijke op de nauwst mogelijke afstand. Het hart ziet — niet het oog.

Stamanalyse

v.1: Stam ن-ج-م (n-dj-m) — “ster, plant”

Betekent verschijnen, opkomen, tevoorschijn komen — vandaar zowel “ster” (wat aan de hemel verschijnt) als “plant” (wat uit de aarde opkomt). De sterren die ondergaan (53:1) en de sterren die neerbuigen (55:6) zijn dezelfde kosmische acteurs in verschillende houdingen.

vv.8–9: Stam د-ن-و (d-n-w) — “naderen”

“Dan naderde hij (دَنَا) en daalde neder, totdat hij op een afstand van twee boogslengten was of nader (أَدْنَى).” De nabijheid overtreft elke maatstaf — verbindt met 50:16 “nader dan de halsslagader.”

v.11: Stam ف-ؤ-د (f-alif-d) — “hart”

“Het hart (الفُؤَاد) loog niet van hetgeen het zag.” Het hart ziet — het neemt niet slechts waar maar aanschouwt. Het visioen des Profeets is van het hart, niet van het oog. Dit doorbreekt de zahir/batin-scheiding.

Integratieve verbanden

  • v.14 de Loteboom des Uitersten (سِدْرَة المُنْتَهَى): de grens der geschapen kennis — zelfs Gabriël houdt hier halt. De uiterste barzach (scheidswand), weerklinkend met 55:20.
  • v.55 “welke der schenkingen uws Heren wilt gij betwisten?”: enkelvoudige echo van 55’s refrein (dat de tweevoudsvorm gebruikt).
54
Al-Qamar De Maan
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Het Uur is nabij gekomen en de maan is vaneen gescheurd.
2
En indien zij een teken zien, wenden zij zich af en zeggen: "Een voortdurende tovenarij!"
3
En zij loochenden en volgden hun begeerten, en elke zaak heeft haar beslechting.
4
En voorwaar, er zijn tot hen gekomen van de berichten die een afschrikking bevatten,
5
een verstrekkende wijsheid; doch de waarschuwingen baten niet.
6
Wendt u dus van hen af. Op den Dag waarop de Roeper zal roepen tot een verschrikkelijk ding,
7
hun ogen neergeslagen, zullen zij te voorschijn komen uit de graven alsof zij verspreide sprinkhanen waren,
8
voortsnellend naar den Roeper. Zij die verhullen zullen zeggen: "Dit is een moeilijke dag!"
9
Vóór hen loochende het volk van Noach; zij loochenden Onzen dienaar en zeiden: "Een bezetene!" en hij werd afgewezen.
10
Dus riep hij zijn Heer aan: "Voorwaar, ik ben overwonnen, geef Gij dus bijstand!"
11
Toen openden Wij de poorten des hemels met neerstortend water,
12
en Wij deden de aarde spuiten met bronnen, dus ontmoetten de wateren elkander voor een zaak reeds besloten.
13
En Wij droegen hem op een ding van planken en spijkers,
14
varend onder Onze ogen, een vergelding voor hem die was verworpen.
15
En voorwaar, Wij lieten het achter als een teken; is er dan iemand die zich herinnert?
16
Hoe was dan Mijn kastijding en Mijn waarschuwingen!
17
En voorwaar, Wij hebben de Voordracht gemakkelijk gemaakt ter herinnering; is er dan iemand die zich herinnert?
18
Aad loochende; hoe was dan Mijn kastijding en Mijn waarschuwingen!
19
Voorwaar, Wij zonden op hen een razende wind op een dag van voortdurend onheil,
20
die de mensen wegrukte alsof zij ontwortelde stammen van palmen waren.
21
Hoe was dan Mijn kastijding en Mijn waarschuwingen!
22
En voorwaar, Wij hebben de Voordracht gemakkelijk gemaakt ter herinnering; is er dan iemand die zich herinnert?
23
Thamoed loochende de waarschuwingen,
24
en zij zeiden: "Een sterveling, één van ons, zullen wij hem volgen? Dan zouden wij voorzeker in dwaling en waanzin zijn.
25
Is de Herinnering op hem geworpen van onder ons? Neen, hij is een vermetele leugenaar!"
26
"Zij zullen morgen weten wie de vermetele leugenaar is."
27
Voorwaar, Wij zenden de kamelin als een beproeving voor hen; wacht hen dus af en wees geduldig.
28
En bericht hun dat het water onder hen verdeeld moet worden; elke beurt van drinken zal worden bijgewoond.
29
Doch zij riepen hun metgezel, en hij nam en verlamde haar.
30
Hoe was dan Mijn kastijding en Mijn waarschuwingen!
31
Voorwaar, Wij zonden op hen één enkele Roep, en zij werden als het droge stoppel van den omheininger.
32
En voorwaar, Wij hebben de Voordracht gemakkelijk gemaakt ter herinnering; is er dan iemand die zich herinnert?
33
Het volk van Lot loochende de waarschuwingen.
34
Voorwaar, Wij zonden op hen een storm van stenen, behalve het huisgezin van Lot; Wij redden hen bij dageraad,
35
een genade van Ons. Aldus vergelden Wij hem die dankbaar is.
36
En voorwaar, hij had hen gewaarschuwd voor Onze aanval, doch zij betwistten de waarschuwingen.
37
En voorwaar, zij trachtten hem van zijn gasten te verleiden, dus wisten Wij hun ogen uit: "Proeft dan Mijn kastijding en Mijn waarschuwingen!"
38
En voorwaar, in den vroegen morgen greep hen een bestendige kastijding.
39
"Proeft dan Mijn kastijding en Mijn waarschuwingen!"
40
En voorwaar, Wij hebben de Voordracht gemakkelijk gemaakt ter herinnering; is er dan iemand die zich herinnert?
41
En voorwaar, tot het huis van Farao kwamen de waarschuwingen.
42
Zij loochenden Onze tekenen, alle, dus grepen Wij hen met de greep van Een Machtige, Almachtige.
43
Zijn zij die onder u verhullen beter dan dezen, of hebt gij een vrijstelling in de Schriften?
44
Of zeggen zij: "Wij zijn een verenigd heir, zegevierend"?
45
Het heir zal op de vlucht worden geslagen, en zij zullen hun rug keren.
46
Neen, het Uur is hun afspraak, en het Uur is rampzaliger en bitterder.
47
Voorwaar, de schuldigen verkeren in dwaling en waanzin.
48
Op den Dag waarop zij op hun aangezichten in het Vuur worden gesleept: "Proeft de aanraking van het Hellevuur!"
49
Voorwaar, Wij hebben alle dingen naar maat geschapen.
50
En Ons gebod is slechts één, als het knippen van een oog.
51
En voorwaar, Wij hebben uws gelijken vernietigd; is er dan iemand die zich herinnert?
52
En alles wat zij hebben gedaan staat in de Schriften,
53
en alles, klein en groot, is opgetekend.
54
Voorwaar, de godvrezenden zijn te midden van Tuinen en rivieren,
55
op een zetel der waarheid, in de tegenwoordigheid van een Almachtige Vorst.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 54 — Al-Qamar (De Maan)

Algemene opmerkingen

De splijting der maan en het viervoudige refrein: “Wij hebben de Voordracht gemakkelijk gemaakt voor de herinnering; is er dan iemand die herinnert?” Na elke vernietiging wordt de uitnodiging tot herinnering herhaald.

Stamanalyse

v.1: Stam ش-ق-ق (sj-q-q) — “splijten”

De splijting der maan markeert de breuk der kosmische orde — het zahir der hemelen opengescheurd. De maan die “volgens berekening” beweegt (55:5) is hier voorbij berekening gespleten.

vv.17, 22, 32, 40: Stam ي-س-ر (j-s-r) — “gemakkelijk maken”

يَسَّرْنَا — actief toegankelijk gemaakt. God openbaart niet slechts; Hij vergemakkelijkt het begrip. De vraag “is er dan iemand die herinnert?” houdt in dat de gemakkelijkheid aangeboden wordt doch de opname onzeker is.

v.49: Stam ق-د-ر (q-d-r) — “maat, beschikking”

“Wij schiepen alle dingen in maat (بِقَدَر).” Van de splijting der maan tot de vernietiging der naties — alles verloopt binnen goddelijke maat. Zelfs de “enkele Roep” (v.31) en de “oogwenk” (v.50) zijn gemeten.

Integratieve verbanden

  • Het viervoudig refrein na Noach, Aad, Thamoed en Lot: elke ondergang is een gelegenheid voor de volgende om te leren — verbindt met 50:12–14.
  • v.55 “in een zetel der waarheid, in de tegenwoordigheid eens Almachtigen Vorsts” ↔ 55:46 de Standplaats des Heren: het eindpunt der geestelijke reis.
55
Ar-Rahman De Barmhartige
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
De Albarmhartige
2
onderwees de Voordracht,
3
schiep de mens,
4
onderwees haar de Uitdrukking.
5
De Zon en de Maan zijn bij berekening
6
en de Sterren en de Bomen buigen neder.
7
En de Hemel heeft Hij verheven en Hij stelde de Weegschaal in.
8
"Opdat gij niet overtreedt in de Weegschaal
9
en stelt een rechtvaardig gewicht in en maakt de Weegschaal niet gebrekkig."
10
En de Aarde heeft Hij neergelegd voor de levenden.
11
Daarin zijn de vruchten en de dadelpalmen omhuld
12
en het graan met zijn hulzen, en het geurig kruid.
13
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
14
Hij schiep de mens uit klinkende klei, als aardewerk.
15
En schiep de verborgene uit de stroom des vuurs.
16
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
17
Heer van de twee Oosten en Heer van de twee Westen.
18
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
19
De weiden der zeeen bracht Hij tezamen,
20
daartussen de barriere ongeschonden.
21
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
22
Uit hen komen Parel en Koraal.
23
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
24
En Hij beoogt nabuurschap over de zeeen als een teken.
25
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
26
Al wat daarop is, zal vergaan.
27
Slechts het Aanschijn des Heren blijft, in het bezit van Majesteit en Glorie.
28
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
29
Hem smeekt al wie in de Hemelen en op Aarde is. Elke dag is Hij bezig met een zaak.
30
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
31
Wij zullen ons tot u wenden, o gij twee gewichtigen!
32
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
33
O volk der verborgenen en der mensheid. Indien gij voorbij de streken der Hemelen en der Aarde kunt gaan, gaat dan. Gij kunt niet gaan dan met gezag.
34
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
35
Er zal tot u gezonden worden een flits van vuur en koper, en gij zult niet zegevieren.
36
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
37
Wanneer de Hemelen splijten, wordt het rozebeschilderd.
38
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
39
Op die dag zal noch mens noch verborgene naar zijn zonde worden gevraagd.
40
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
41
De schuldigen worden herkend aan hun tekenen, dan gegrepen bij voorhoofdshaar en voeten.
42
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
43
Dit is het Verderf dat de schuldigen tegenspreken!
44
Zij gaan rond tussen het en kokend water.
45
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
46
En voor wie het Standpunt zijns Heren vreest: twee verborgen Rijken.
47
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
48
Beide voorzien van takken.
49
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
50
Daarin twee bronnen, vloeiend.
51
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
52
Daarin van elke vrucht, twee soorten.
53
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
54
Aanliggend op spreidingen wier binnenbekledingen stralen zoeken, en de oogst der twee verborgen Rijken is nabij.
55
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
56
Daarin zijn zij die hun blik weerhouden, die noch mens noch verborgene voor hen heeft aangeraakt.
57
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
58
Als Robijnen en Koralen.
59
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
60
Is er andere beloning voor het Goede dan het Goede?
61
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
62
En benevens hen, nog twee verborgen Rijken.
63
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
64
Beide van overweldigende diepte.
65
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
66
Daarin twee bronnen, spuitend.
67
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
68
Daarin vruchten, en dadelpalmen, en granaatappelen.
69
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
70
Daarin goede en schone wezens.
71
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
72
De Teruggekeerden, geborgen in de woonsteden.
73
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
74
Die noch mens noch verborgene voor hen heeft aangeraakt.
75
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
76
Aanliggend op verse kussens en wonderschone sieraden des verborgenen.
77
Welke der Gaven uws Heren zult gij dan tegenspreken?
78
Gezegend zij de naam des Heren, in het bezit van Majesteit en Glorie.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 55 — Ar-Rahmaan (De Barmhartige)

Algemene opmerkingen

Het kenmerk dezer soera is het refrein “Welke der Schenkingen uws Heren wilt gij tegenspreken?” dat 31 maal verschijnt. De tweevoudsvorm (gij tweeën — تُكَذِّبَانِ) richt zich tot zowel mensen als verschijningen (djinn), zoals v.33 uitdrukkelijk maakt.

Sleutelvertalingen

“Schenkingen” voor آلاء (aalaa')

“Schenking” benadrukt het actieve geven — God als Schenker. Klankspeling: آلاء (aalaa’) en علي (Ali). De klankovereenkomst is treffend. Het refrein weerklinkt met de naam Ali — “welke Ali wilt gij tegenspreken?”

De naam Ali loopt door de gehele keten der openbaring:

  • Ali ibn Abi Taalib — wiens aanspraak op opvolging werd tegengesproken
  • De Baab (Sajjid Ali-Muhammad) — wiens aanspraak werd tegengesproken en die de marteldood stierf
  • Bahaa’u’llaah (Mirza Husayn-Ali) — die de naam Ali droeg en wiens aanspraak eveneens werd tegengesproken

“tegenspreken” voor تُكَذِّبَانِ

Stam ك-ذ-ب: liegen, voor onwaar verklaren, tegenspreken. “Tegenspreken” vangt het actieve verzet beter dan “ontkennen.”

“verschijning” voor جِنّ (djinn)

Stam ج-ن-ن: verhullen, verbergen. Een verschijning is precies iets verborgens dat toch aanwezig is.

“Voordracht” voor القرآن

Stam ق-ر-أ: voordragen, hardop lezen, vergaren. “De Voordracht” herstelt de betekenis van het woord — een actief proces, geen statische boektitel.

vv.1–4: De boog van God naar menselijke expressie

  1. الرحمن — Gods wezen (de Bron)
  2. علم القرآن — God spreekt (de Voordracht daalt neer)
  3. خلق الإنسان — de mens wordt geschapen (het scharnier)
  4. علمه البيان — de mens spreekt (Uitdrukking — het vermogen tot articulatie)

De mens (v.3) staat in het midden, tussen goddelijke Voordracht (v.2) en menselijke Uitdrukking (v.4). God schiep de mens niet slechts om te ontvangen maar om uit te drukken.

v.15: “stroom des vuurs” en het wezen der verschijning

مَارِجٍ مِن نَار — “stroom des vuurs” vangt de vloeiende, stromende aard. Als de djinn geschapen zijn uit een stroom van vuur, zijn zij wezenlijk wezens van energie — onzichtbare krachten die vloeien en bezielen. Dit resoneert krachtig met elektriciteit, radiogolven en energiestromen. De verschijning (van ج-ن-ن, verhullen) geschapen uit een “stroom des vuurs” is een onzichtbare energiekracht — raadselachtig voor de ouden, doch een volkomen beschrijving van verschijnselen waarmee wij dagelijks omgaan.

vv.19–21: De twee zeeën en de scheidswand

De twee zeeën ontmoeten elkaar, doch de scheidswand (بَرْزَخ, barzach) tussen hen is “ongerept” — zij doen elkander geen overlast. Hedendaagse weerklank: de zeeën der wereld ontmoeten elkander — volkeren communiceren over oceanen — doch de scheiding wordt niet vernietigd. De parels en koralen die uit deze ontmoeting oprijzen (v.22) kunnen gelezen worden als de kostbaarheden die voortkomen uit de uitwisseling van culturen en kennis.

v.46: De Standplaats en de twee verborgen Rijken

“Voor hem die de Standplaats zijns Heren vreest, twee verborgen Rijken.” De مَقَام (maqaam) is waar God staat — Zijn Manifestatie. De twee جَنَّتَان (verborgen Rijken, stam ج-ن-ن) komen overeen met de Tweelingmanifestaties (de Baab en Bahaa’u’llaah) in de bahaa’i-theologie.

De doordrenking met j-n-n

Het tuingedeelte is niet slechts over tuinen — het IS de verborgen dimensie. Elke laag verwijst naar verhulling (ج-ن-ن):

  • جَنَّة (djanna) = de verborgen plaats
  • جِنّ / جَانّ (djinn/djaan) = de verborgen wezens (vv.56, 74)
  • جَنَى (djana) = de oogst van het verborgene (v.54)
  • بَطَائِن (bataa’in) = de innerlijke voeringen (v.54) — van de stam van بَاطِن (het Verborgene)
  • عَبْقَرِيّ (‘abqari) = kunstwerken uit ‘Abqar, de legendarische djinnplaats (v.76)

De “tuin”-lezing — rustbedden, fruit, schone maagden — is het ظَاهِر (zahir, het schijnbare). De stamlezing onthult het بَاطِن (batin, het verborgene): dit gedeelte beschrijft de ontsluiering van verborgen geestelijke werkelijkheid.

v.54: Innerlijke voeringen van stralendheid

بَطَائِنُهَا مِنْ إِسْتَبْرَقٍ — إِسْتَبْرَق als Arabische stam gelezen: إِسْتَ (Vorm X voorvoegsel, “zoekend/trekkend”) + بَرَقَ (b-r-q, flitsen, stralen — de stam van bliksem en Boeraaq). Aldus إستبرق = “dat wat naar straling zoekt.” De innerlijke voeringen (het batin) zoeken te stralen — de verborgen dimensie schijnt met eigen licht.

v.72: De Teruggekeerden

حُورٌ مَقْصُورَاتٌ فِي الْخِيَامِ — “De Teruggekeerden, geborgen in de woningen.”

  • حُور (hoer) — stam ح-و-ر: terugkeren, wit maken. Dezelfde stam als حَوَارِيُّون (hawariejjoen) — de discipelen van Jezus (3:52, 5:111). De hoer van het paradijs en de discipelen van Jezus zijn hetzelfde stamwoord — de toegewijde gemeenschap van Teruggekeerden. “De Teruggekeerden” vervangt “schone maagden” geheel.
  • De Jezusverbinding verdiept de lezing: de hawariejjoen waren vissers, tollenaars, de geringen — zij die de maatschappij over het hoofd zag. De hoer/Teruggekeerden zijn dezelfde soort gemeenschap: zij die vanuit de marge tot God terugkeren.

v.29: “Elke dag is Hij bezig met een zaak”

Bahaa’u’llaah haalt dit vers aan in het Boek der Zekerheid om te betogen dat Gods openbaringsactiviteit niet met Muhammad ophield. God is elke dag bezig met een nieuw شَأْن (sja’n, zaak) — nieuwe leiding, nieuwe Manifestaties, nieuwe Schenkingen.

v.76: Fris en verborgen

خُضْر (khodr) — stam خ-ض-ر: primair fris, vochtig, nieuwgegroeid, levend. De kleur groen is een gevolg van frisheid. Het woord draagt ook de weerklank van al-Khidr — de Frisse/Groene van Soera 18, die verborgen, levende wijsheid belichaamt.

عَبْقَرِيّ (‘abqari) — van ‘Abqar, een legendarische plaats bewoond door de djinn. “Wonderbare schoonheden van het verborgene” — verbonden met de j-n-n-stam die het gehele tuingedeelte doordrenkt.

Integratieve verbanden

  • v.1 الرحمن ↔ 1:1 Basmala: de Albarmhartige opent beide
  • v.2 de Voordracht (q-r-’) ↔ 2:185: God als leraar van het gesproken woord
  • v.13 refrein ↔ 2:87 weigeringspatroon ↔ 77:15 “wee de loochenaars”: het doorlopende patroon van weigering
  • v.15 stroom des vuurs ↔ 24:35 licht en vuur: vuur/licht als medium van de verborgen dimensie
  • v.19–20 de twee zeeën ↔ 2:27 “voegt samen wat God gebood samen te voegen”: eenheid als goddelijk gebod
  • v.27 het Aanschijn des Heren ↔ 2:115 het Gelaat Gods overal: hetzelfde wajh
  • v.54 batin/zahir ↔ 4:157 sjoebbina lahum: het schijnbare verschilt van het verborgene
56
Al-Waqi'ah De Gebeurtenis
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de Gebeurtenis geschiedt —
2
er is geen ontkenning van haar geschieden —
3
vernederend, verheffend,
4
wanneer de aarde geschud wordt met een schudding,
5
en de bergen worden verkruimeld met een verkruimeling,
6
en tot verstoven stof worden,
7
en gij drie soorten zult zijn:
8
de metgezellen der rechterhand — wat zijn de metgezellen der rechterhand?
9
En de metgezellen der linkerhand — wat zijn de metgezellen der linkerhand?
10
En de voorsten, de voorsten —
11
dezen zijn de nabijgebrachten,
12
in Tuinen der Verrukking.
13
Een menigte van de eersten,
14
en weinigen van de lateren,
15
op doorweven rustbanken,
16
daarop aanliggend, elkander tegenoverzittend.
17
Op hen wachten onsterfelijke jongelingen,
18
met bekers en kruiken en een beker van een stromende bron —
19
geen hoofdpijn zullen zij ervan lijden, noch zullen zij uitgeput worden —
20
en fruit naar hun keuze,
21
en vlees van gevogelte naar hun verlangen.
22
En schonen met wijde ogen,
23
gelijk aan verborgen parelen,
24
een vergelding voor hetgeen zij pleegden te doen.
25
Zij horen daarin geen ijdel gepraat noch enige zonde,
26
behalve het zeggen: "Vrede! Vrede!"
27
En de metgezellen der rechterhand — wat zijn de metgezellen der rechterhand?
28
Onder doornloze lotusbomen,
29
en trosrijke pisangbomen,
30
en uitgespreide schaduw,
31
en uitgegoten water,
32
en overvloedige vruchten,
33
noch afgesneden noch verboden,
34
en verheven rustbanken.
35
Voorwaar, Wij hebben hen in het bestaan gebracht met een voortbrenging,
36
en maakten hen ongerept,
37
liefhebbend, van gelijke leeftijd,
38
voor de metgezellen der rechterhand.
39
Een menigte van de eersten,
40
en een menigte van de lateren.
41
En de metgezellen der linkerhand — wat zijn de metgezellen der linkerhand?
42
In verschroeiende wind en kokend water,
43
en een schaduw van zwarte rook,
44
noch koel noch mild.
45
Voorwaar, zij waren daarvóór aan weelde overgegeven,
46
en zij pleegden in de grote overtreding te volharden,
47
en zij pleegden te zeggen: "Wanneer wij dood zijn en stof en beenderen worden, zullen wij dan inderdaad worden opgewekt?
48
En onze voorvaderen van weleer?"
49
Zeg: "Voorwaar, de eersten en de lateren
50
zullen worden vergaderd tot de vastgestelde tijd van een bekende dag."
51
Dan voorwaar gij, o gij dwalenden, de loochenaars,
52
gij zult eten van een boom van Zaqqum,
53
en uw buiken ermee vullen,
54
en daarop van het kokende water drinken,
55
en drinken als het drinken van dorstige kamelen.
56
Dit zal hun welkom zijn op de Dag des Oordeels.
57
Wij schiepen u — wilt gij dan niet bevestigen?
58
Hebt gij overwogen wat gij uitstort?
59
Schept gij het, of zijn Wij de scheppers?
60
Wij hebben de dood onder u verordend, en Wij zijn niet te overtreffen,
61
daarin dat Wij uw gelijken mogen verwisselen en u in het bestaan brengen in hetgeen gij niet weet.
62
En voorwaar, gij hebt de eerste voortbrenging gekend; wilt gij dan niet gedenken?
63
Hebt gij overwogen wat gij ploegt?
64
Doet gij het groeien, of zijn Wij de laters groeien?
65
Indien Wij wilden, konden Wij het tot kaf maken, en gij zoudt uitroepen:
66
"Voorwaar, wij zijn met schuld belast!
67
Neen, wij zijn beroofd!"
68
Hebt gij het water overwogen dat gij drinkt?
69
Zendt gij het neder van de wolken, of zijn Wij de nederzenders?
70
Indien Wij wilden, konden Wij het bitter maken — wilt gij dan niet dank betuigen?
71
Hebt gij het vuur overwogen dat gij ontsteekt?
72
Brengt gij zijn boom voort, of zijn Wij de voortbrengers?
73
Wij hebben het tot een gedenkenis en een voorziening voor de reizigers gemaakt.
74
Verheerlijk dan de Naam uws Heren, de Geweldige.
75
Neen, ik zweer bij de plaatsen waar de sterren ondergaan —
76
en voorwaar, het is een eed, indien gij maar wist, geweldig —
77
voorwaar, het is een edele Voordracht,
78
in een verborgen Boek.
79
Niemand zal het aanraken behalve de gezuiverden.
80
Een neerzending van de Heer der Werelden.
81
Is het deze rede die gij in lichte achting houdt?
82
En gij maakt het uw voorziening dat gij loochent?
83
Waarom dan, wanneer het de keel bereikt,
84
en gij op dat ogenblik toeziet,
85
en Wij nader tot hem zijn dan gij, doch gij ziet niet —
86
waarom dan, indien gij niet onder oordeel staat,
87
zendt gij het niet terug, indien gij waarachtigen zijt?
88
Indien hij dan van de nabijgebrachten is,
89
dan rust en geur en een Tuin der Verrukking.
90
En indien hij van de metgezellen der rechterhand is,
91
dan "Vrede zij over u" van de metgezellen der rechterhand.
92
En indien hij van de loochenaars is, de dwalenden,
93
dan een welkom van kokend water,
94
en branding in het Hellevuur.
95
Voorwaar, dit is de zekere waarheid.
96
Verheerlijk dan de Naam uws Heren, de Geweldige.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 56 — Al-Waaqi’a (De Gebeurtenis)

Algemene waarnemingen

Al-Waaqi’a is opgebouwd rond een drievoudige verdeling der mensheid bij de Gebeurtenis (de Dag des Oordeels): de voorsten (as-saabiqoen), de rechterhandgenoten (ashaab al-majmana) en de linkerhandgenoten (ashaab al-mash’ama). Deze drieledige structuur onderscheidt haar van de eenvoudiger tweedeling in de meeste soera’s en verbindt haar met de tweevoudige tuinenhierarchie van Soera 55.

Belangrijkste stamontdekkingen

Stam ك-ن-ن (k-n-n) — verhulling en het Verborgen Boek (vv.78, 23)

V.78: “in een verborgen Boek” (kitaabin maknoen). De stam betekent verhullen, beschutten. Dezelfde stam in v.23: “als verborgen parels” — de Toegewijden zijn beschutte parels. De Voordracht heeft een uiterlijke vorm (voorgedragen woorden) en een verborgen binnenste (het maknoen-Boek). Parallel aan de j-n-n-stam in Soera 55.

Stam س-ب-ق (s-b-q) — de voorsten (v.10)

“En de voorsten, de voorsten” — de herhaling versterkt. Zij zijn “de nabijgebrachten” (al-moeqarraboen, v.11, stam ق-ر-ب, nabij zijn). Dit komt overeen met het eerste paar tuinen in 55:46-61, voor “wie de Manifestatie zijns Heren vreest.”

Stam و-ق-ع (w-q-a) — de Gebeurtenis (v.1)

De stam betekent vallen, neervallen, geschieden. De waaqi’a is iets dat op de werkelijkheid neerkomt — met het gewicht van een inslag.

Al-majmana (de rechterhand) stamt van ي-م-ن (gezegend, gunstig). Al-mash’ama (de linkerhand) stamt van ش-أ-م (onheilspellend). De rechts-linkstegenstelling codeert zegen en onheil op stamniveau.

Versbijzonderheden

  • Vv.7-11: De drieledige verdeling brengt in kaart met Soera 55: de voorsten = eerste paar verborgen Rijken (55:46-61); rechterhandgenoten = tweede paar (55:62-78); linkerhandgenoten = het vuur (55:43-44).
  • Vv.13-14: De voorsten omvatten “een menigte uit de eersten en weinigen uit de laatsten.” Bahaa’ie-lezing: in vroegere bedelingen waren de toegewijden talrijk; in de latere zijn de werkelijk voorsten zeldzaam.
  • Vv.22-23: Hoer ‘ien (stam ح-و-ر, terugkeren) verbonden met de Toegewijden van 3:52, 5:111 en 55:72. “Als verborgen parels” (loe’loe’ maknoen) — de Toegewijden zijn de parels: kostbare voortbrengselen van het ontmoetingspunt tussen het schijnbare en het verborgene (vgl. 55:22).
  • Vv.57-74: Vier scheppingsbewijzen: zaad, landbouw, water, vuur — van het intiemste (voortplanting) tot het elementairste (vuur). V.73: vuur als “herinnering en voorziening voor de reizigers.”
  • Vv.75-80: “De edele Voordracht” (qoer’aan kariem) — niet “heilig” maar edel, gekenmerkt door vrijgevigheid. V.79: “Niemand raakt het aan dan de gezuiverden” — zowel ritueel als hermeneutisch.
  • V.95: “De zekere waarheid” (haqq al-jaqien) — vergelijk 4:157 waar de kruisigingspochenden jaqien missen. De Koran claimt het hoogste niveau van zekerheid voor zichzelf.

Integratieve verbanden

  • Drieledige verdeling verhoudt zich tot het tweevoudige tuinenstelsel van Soera 55.
  • V.78 “verborgen Boek” (k-n-n) verhoudt zich tot de j-n-n-doordrenking van Soera 55: verhulling als leidend beginsel.
  • Vv.22-23 “verborgen parels” verhoudt zich tot 55:22 “parel en koraal” uit de twee zeeen.
  • V.80 “een neerzending van den Heer der werelden” verhoudt zich tot 55:1-4: neerdaling en lering zijn twee beschrijvingen van een enkele daad.
57
Al-Hadid Het IJzer
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Al wat in de hemelen en op de aarde is verheerlijkt God; en Hij is de Machtige, de Wijze.
2
Aan Hem behoort het gezag der hemelen en der aarde; Hij geeft het leven en veroorzaakt de dood; en Hij is over alle dingen Machtig.
3
Hij is de Eerste en de Laatste, de Openbare en de Verborgene; en Hij is van alle dingen Wetend.
4
Hij is het Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen, vervolgens besteeg Hij de Troon. Hij weet wat in de aarde binnengaat en wat eruit voortkomt, en wat van de hemel neerdaalt en wat daarin opstijgt; en Hij is met u waar gij ook moogt zijn; en God ziet wèl wat gij doet.
5
Aan Hem behoort het gezag der hemelen en der aarde; en tot God worden alle zaken teruggebracht.
6
Hij doet de nacht overgaan in de dag en de dag overgaan in de nacht; en Hij is Wetend van hetgeen in de harten is.
7
Gelooft in God en Zijn Boodschapper, en besteedt van hetgeen waarover Hij u tot beheerders heeft gemaakt. Degenen onder u die geloven en besteden, hunner is een groot loon.
8
En wat mankeert u dat gij niet in God gelooft, terwijl de Boodschapper u roept te geloven in uw Heer, en Hij reeds uw verbond heeft genomen, indien gij gelovigen zijt?
9
Hij is het Die duidelijke tekenen op Zijn dienaar nederzendt, opdat Hij u moge voeren uit de duisternis naar het licht; en voorwaar, God is jegens u Zachtmoedig, Barmhartig.
10
En wat mankeert u dat gij niet besteedt op de weg Gods, terwijl aan God de erfenis der hemelen en der aarde behoort? Niet gelijk onder u is hij die besteedde vóór de Overwinning en streed; dezen zijn groter in rang dan degenen die daarna besteedden en streden. En aan elk heeft God het beste beloofd; en God is Kundig van hetgeen gij doet.
11
Wie is hij die aan God een goede lening zal lenen, zodat Hij het voor hem moge vermenigvuldigen, en het zijne zal een edelmoedig loon zijn?
12
Op de Dag wanneer gij de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zult zien, hun licht voor hen uitrennend en aan hun rechterhanden: "Blijde tijdingen voor u op deze Dag! Tuinen waaronder rivieren stromen, daarin te verblijven; dat is de opperste triomf."
13
Op de Dag wanneer de huichelaarsmannen en de huichelaarsvrouwen tot degenen die geloven zullen zeggen: "Wacht op ons! Laat ons van uw licht lenen." Er zal gezegd worden: "Keert terug achter u en zoekt een licht!" Dan zal er een muur tussen hen worden opgetrokken, met een poort, wier binnenzijde barmhartigheid is en wier buitenzijde kastijding.
14
Zij zullen tot hen roepen: "Waren wij niet met u?" Zij zullen zeggen: "Jawel, doch gij hebt uzelf in verzoeking gebracht en gij hebt gewacht en gij hebt getwijfeld, en de wensdromen hebben u bedrogen, totdat het bevel Gods kwam; en de Bedrieger heeft u aangaande God bedrogen."
15
Op deze Dag dan zal van u geen losprijs worden aangenomen, noch van degenen die verhulden. Uw verblijf is het Vuur; het is uw beschermer; en ellendig is de reis.
16
Is het niet de tijd gekomen voor degenen die geloven dat hun harten zich moeten verootmoedigen voor de gedenkenis Gods en voor de Waarheid die is nedergekomen, en dat zij niet zijn als degenen aan wie het Boek voordien was gegeven, en de spanne lang op hen leek, zodat hun harten verhardden? En velen hunner zijn goddeloos.
17
Weet dat God de aarde doet herleven na haar dood. Wij hebben u inderdaad de tekenen duidelijk gemaakt, opdat gij wellicht moogt verstaan.
18
Voorwaar, de mannen die liefdadigheid geven en de vrouwen die liefdadigheid geven, en die aan God een goede lening lenen, het zal voor hen worden vermenigvuldigd, en hunner zal een edelmoedig loon zijn.
19
En degenen die in God en Zijn boodschappers geloven, dezen zijn de waarachtigen; en de getuigen voor hun Heer, hunner zal hun loon en hun licht zijn. En degenen die verhullen en Onze tekenen loochenen, dezen zijn de metgezellen der Laai.
20
Weet dat het leven dezer wereld slechts spel en vermaak en tooi en gepoch onder u en wedijver in rijkdom en kinderen is. Het is als de gelijkenis van een regen wier gewas degenen behaagt die het land beploegen; dan verwelkt het en gij ziet het geel worden, dan wordt het kaf. En in het Hiernamaals is een strenge kastijding, en vergiffenis van God en welbehagen; en het leven dezer wereld is slechts het genot van begoocheling.
21
Wedijvert naar vergiffenis van uw Heer, en een Tuin wier breedte als de breedte der hemelen en der aarde is, bereid voor degenen die in God en Zijn boodschappers geloven. Dat is de gunst Gods; Hij schenkt haar aan wie Hij wil; en God is de Bezitter van grote gunst.
22
Geen beproeving treft op de aarde of in uw zielen of zij is in een Boek eer Wij haar in het bestaan brengen; voorwaar, dat is gemakkelijk voor God,
23
opdat gij niet treurt over hetgeen u ontsnapt, noch juicht over hetgeen Hij u geeft; en God bemint niet enige pocherige bluffer,
24
degenen die gierig zijn en de mensen gierigheid gebieden. En wie zich afwendt, dan voorwaar, God, Hij is de Zichzelf-Genoegzame, de Prijzenswaardige.
25
Voorwaar, Wij zonden Onze boodschappers met duidelijke bewijzen, en Wij zonden met hen het Boek en de Weegschaal neder, opdat de mensen de gerechtigheid mogen handhaven; en Wij zonden het ijzer neder, waarin grote macht en voordelen voor de mensen zijn, en opdat God moge weten wie Hem en Zijn boodschappers in het verborgene helpt. Voorwaar, God is Sterk, Machtig.
26
En voorwaar, Wij zonden Noach en Abraham, en Wij stelden onder hun nakomelingen het profeetschap en het Boek; en onder hen is er die geleid is, doch velen hunner zijn goddeloos.
27
Vervolgens zonden Wij, in hun voetstappen volgend, Onze boodschappers, en Wij zonden in navolging Jezus zoon van Maria, en Wij gaven hem het Evangelie; en Wij legden in de harten van degenen die hem volgden tederheid en barmhartigheid. En het kloosterleven dat zij uitvonden — Wij schreven het hun niet voor — slechts het welbehagen Gods zoekend; doch zij namen het niet in acht met de verschuldigde inachtneming. Dus gaven Wij degenen van hen die geloofden hun loon; doch velen hunner zijn goddeloos.
28
O gij die gelooft! Vreest God en gelooft in Zijn Boodschapper; Hij zal u een tweevoudig deel van Zijn barmhartigheid geven en zal voor u een licht maken waarbij gij wandelt, en zal u vergeven; en God is Vergevend, Barmhartig,
29
opdat de Lieden des Boeks mogen weten dat zij geen macht hebben over iets van de gunst Gods, en dat de gunst in de hand Gods is; Hij schenkt haar aan wie Hij wil; en God is de Bezitter van grote gunst.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 57 — Al-Hadied (Het IJzer)

Algemene opmerkingen

Het bepalende zahir/batin-vers (v.3) en de verrassing dat ijzer “nedergezonden” is (v.25) — hetzelfde werkwoord als voor de Schrift. De hedendaagse astrofysica bevestigt: ijzer wordt gesmeed in sternenkernen en supernova’s.

Stamanalyse

v.3: Stam ظ-ه-ر / ب-ط-ن — “de Openbare en de Verborgene”

“Hij is de Eerste en de Laatste, de Openbare en de Verborgene.” De twee polen der koranische uitlegkunde. Elk vers heeft een zahir en een batin — en hier claimt God beide dimensies als Zijn eigen aard. Dit vers is het theologische mandaat voor de stamherwinning.

v.25: Stam ن-ز-ل (n-z-l) — “ijzer nedergezonden”

أَنزَلْنَا الْحَدِيد — dezelfde stam als voor het nederzenden van de Schrift. IJzer wordt niet slechts gedolven maar kosmisch geleverd. De taal der Voordracht is nauwkeurig waar zij metaforisch lijkt.

v.27: Stam ر-ه-ب (r-h-b) — “kloosterleven”

“Kloosterleven verzonnen zij — Wij schreven het hun niet voor.” De stam betekent vrezen, in ontzag zijn. Het vers veroordeelt niet de impuls maar het verzuim haar naar behoren na te leven.

Integratieve verbanden

  • v.3 zahir/batin ↔ 55:54 بَطَائِن (innerlijke voeringen): de theologische sleutel voor de gehele verborgen/manifeste structuur van Soera 55’s tuingedeelten.
  • v.25 “het Boek en de Weegschaal” ↔ 55:7–9 de Weegschaal: gerechtigheid als kosmische architectuur in beide soera’s.
58
Al-Mujadilah De Twistster
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
God heeft inderdaad de rede gehoord van haar die met u twist aangaande haar echtgenoot en tot God klaagt; en God hoort uw samenspraak. Voorwaar, God is Horend, Ziend.
2
Degenen onder u die hun vrouwen wegzetten door hen als hun moeders te verklaren — zij zijn hun moeders niet. Hun moeders zijn slechts degenen die hen baarden. En voorwaar, zij uiten een verwerpelijk woord en een valsheid; en voorwaar, God is Schenkend, Vergevend.
3
En degenen die hun vrouwen wegzetten door hen als hun moeders te verklaren, en dan op hetgeen zij zeiden willen terugkomen, het vrijmaken van een slaaf voordat zij elkander aanraken. Daartoe wordt gij vermaand; en God is Kundig van hetgeen gij doet.
4
En hij die de middelen niet vindt, dan een vasten van twee opeenvolgende maanden eer zij elkander aanraken; en hij die daartoe niet in staat is, dan het voeden van zestig behoeftigen. Dat is opdat gij moogt geloven in God en Zijn Boodschapper; en dat zijn de grenzen Gods. En voor degenen die verhullen is een pijnlijke kastijding.
5
Voorwaar, degenen die God en Zijn Boodschapper tegenwerken worden vernederd zoals degenen vóór hen werden vernederd; en Wij hebben duidelijke tekenen nedergezonden; en voor degenen die verhullen is een vernederende kastijding,
6
op de Dag wanneer God hen allen tezamen zal opwekken en hen zal berichten over hetgeen zij deden. God heeft het opgetekend, hoewel zij het vergaten; en God is over alle dingen een Getuige.
7
Hebt gij niet gezien dat God weet al wat in de hemelen en al wat op de aarde is? Er is geen geheim beraad van drie of Hij is hun vierde, noch van vijf of Hij is hun zesde, noch van minder dan dat noch van meer of Hij is met hen waar zij ook mogen zijn. Dan zal Hij hen op de Dag der Opstanding berichten over hetgeen zij deden; voorwaar, God is van alle dingen Wetend.
8
Hebt gij niet degenen gezien aan wie geheim beraad verboden was, en die dan terugkeren tot hetgeen hun verboden was, en samen beraadslagen in zonde en overtreding en ongehoorzaamheid aan de Boodschapper? En wanneer zij tot u komen, begroeten zij u met hetgeen waarmee God u niet begroet, en zeggen bij zichzelf: "Waarom kastijdt God ons niet om hetgeen wij zeggen?" De Hel zal hun genoeg zijn; zij zullen haar binnengaan, en ellendig is de reis.
9
O gij die gelooft! Wanneer gij in het geheim beraadslaagt, beraadslaagt niet in zonde en overtreding en ongehoorzaamheid aan de Boodschapper, doch beraadslaagt in rechtvaardigheid en vroomheid; en vreest God, tot Wie gij zult worden vergaderd.
10
Geheim beraad is slechts van de duivel, opdat hij degenen die geloven moge bedroeven; doch het kan hen niet schaden dan met het verlof Gods; en op God laten de gelovigen hun vertrouwen.
11
O gij die gelooft! Wanneer tot u gezegd wordt: "Maakt ruimte in de vergaderingen," maakt dan ruimte; God zal voor u ruimte maken. En wanneer gezegd wordt: "Staat op," staat dan op; God zal in rang verheffen degenen onder u die geloven en degenen aan wie kennis is gegeven; en God is Kundig van hetgeen gij doet.
12
O gij die gelooft! Wanneer gij in het bijzonder met de Boodschapper beraadslaagt, biedt een liefdadigheid aan vóór uw bijzonder beraad. Dat is beter voor u en reiner. Doch indien gij de middelen niet hebt, dan voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
13
Vreest gij liefdadigheden aan te bieden vóór uw bijzonder beraad? Welnu, daar gij het niet deedt en God Zich in barmhartigheid tot u heeft gewend, onderhoudt het gebed en betaalt de aalmoezen en gehoorzaamt God en Zijn Boodschapper; en God is Kundig van hetgeen gij doet.
14
Hebt gij niet degenen gezien die zich bevrienden met een volk waarmee God vertoornd is? Zij behoren noch tot u noch tot hen, en zij zweren bij de valsheid, wetens.
15
God heeft voor hen een strenge kastijding bereid; voorwaar, kwaad is hetgeen zij pleegden te doen.
16
Zij hebben hun eden als schild genomen en keren af van de weg Gods; voor hen dan is een vernederende kastijding.
17
Hun rijkdom en hun kinderen zullen hen niet baten tegen God. Dezen zijn de metgezellen des Vuurs; daarin zullen zij verblijven.
18
Op de Dag wanneer God hen allen tezamen zal opwekken, dan zullen zij Hem zweren zoals zij u zweren, en zij menen dat zij op iets staan. Ziet! Voorwaar, zij zijn de leugenaars.
19
De duivel heeft de meesterschap over hen verkregen, en heeft hen doen vergeten de gedenkenis Gods. Dezen zijn de partij des duivels. Ziet! Voorwaar, de partij des duivels, zij zijn de verliezers.
20
Voorwaar, degenen die God en Zijn Boodschapper tegenwerken, dezen behoren tot de meest vernederden.
21
God heeft verordend: "Ik zal zekerlijk zegevieren, Ik en Mijn boodschappers." Voorwaar, God is Sterk, Machtig.
22
Gij zult geen volk vinden dat in God en de Laatste Dag gelooft, dat degenen bevriend die God en Zijn Boodschapper tegenwerken, ook al waren het hun vaderen, of hun zonen, of hun broederen, of hun verwanten. Dezen, Hij heeft het geloof in hun harten geschreven en hen versterkt met een Geest van Hem, en Hij zal hen toelaten in Tuinen waaronder rivieren stromen, daarin te verblijven. God is welvoldaan over hen, en zij zijn welvoldaan over Hem. Dezen zijn de partij Gods. Ziet! Voorwaar, de partij Gods, zij zijn de geslaagden.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 58 — Al-Moedjaadilah (De Twistende)

Algemene opmerkingen

De soera opent met God die de klacht eener vrouw over haar echtgenoot hoort en bevestigt. De twisting ter wille van rechtvaardigheid is gewettigd.

Stamanalyse

v.1: Stam ج-د-ل (dj-d-l) — “twisten, beargumenteren”

De vrouw die twist wordt door God gehoord — haar argument wordt niet afgewezen maar bekrachtigd door goddelijke aandacht. De Vorm III (مُجَادَلَة) duidt op wederkerige betrokkenheid: zij argumenteert met de Profeet, niet slechts tegen hem.

vv.7–10: Stam ن-ج-و (n-dj-w) — “heimelijk beraad”

“Er is geen heimelijk beraad van drieën of Hij is hun vierde.” Gods aanwezigheid maakt alle verhulling doorzichtig. Het batin van menselijk gekonkel is altijd zahir voor God.

vv.19, 22: “de partij des duivels” vs. “de partij Gods”

De sociale ethiek der soera (vv.9–12) richt zich tot hoe gemeenschappen zich vormen: door heimelijk gekonkel of door openlijke liefdadigheid. De partij Gods wordt in v.22 gekenmerkt door de bereidheid zelfs vaders en zonen te weerstaan omwille des geloofs.

Integratieve verbanden

  • v.7 “Hij is hun vierde… Hij is hun zesde” ↔ 57:4 “Hij is met u waar gij ook zijt”: Gods tegenwoordigheid is niet ruimtelijk maar relationeel.
  • De openingsscène (echtelijke klacht gehoord door God) ↔ 65:1–7 en 66:1–5: vrouwenstemmen in huiselijke geschillen worden stelselmatig op goddelijk niveau gehoord.
59
Al-Hashr De Vergadering
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Al wat in de hemelen en al wat op de aarde is verheerlijkt God; en Hij is de Machtige, de Wijze.
2
Hij is het Die degenen die verhulden van de Lieden des Boeks uit hun huizen verdreef bij de eerste vergadering. Gij achtte niet dat zij zouden uitgaan, en zij achtten dat hun burchten hen tegen God zouden beschermen. Doch God kwam over hen van waar zij niet rekenden, en wierp verschrikking in hun harten, zodat zij hun huizen vernietigden met hun eigen handen en de handen der gelovigen. Neemt dan acht, o gij die ogen hebt!
3
En had God niet verbanning voor hen verordend, Hij zou hen in deze wereld hebben gekastijd; en hunner in het Hiernamaals is de kastijding des Vuurs.
4
Dat is omdat zij God en Zijn Boodschapper tegenwerkten; en wie God tegenwerkt, dan voorwaar, God is streng in kastijding.
5
Al de palmbomen die gij omhakte of op hun wortels staande liet, het was met het verlof Gods, en opdat Hij de goddelozen mocht vernederen.
6
En hetgeen God Zijn Boodschapper van hen geschonken heeft, gij dreeft er geen paard of rijkameel tegen — doch God geeft Zijn boodschappers gezag over wie Hij wil; en God is over alle dingen Machtig.
7
Hetgeen God Zijn Boodschapper geschonken heeft van het volk der steden, het is voor God en voor de Boodschapper en voor de verwanten en de wezen en de behoeftigen en de reiziger, opdat het niet iets worde dat bij toerbeurt onder de rijken van u gaat. En al wat de Boodschapper u geeft, neemt het; en al wat hij u verbiedt, onthoudt u ervan. En vreest God; voorwaar, God is streng in kastijding.
8
Het is voor de arme uitgewekenen die uit hun huizen en hun bezittingen zijn verdreven, gunst van God en welbehagen zoekend, en God en Zijn Boodschapper bijstaande. Dezen zijn de waarachtigen.
9
En degenen die gevestigd waren in het verblijf en in het geloof vóór hen, beminnen degenen die naar hen zijn uitgeweken, en vinden in hun harten geen behoefte aan hetgeen hun gegeven is, en verkiezen anderen boven zichzelf ook al is armoede hun lot. En wie beschermd wordt tegen de gierigheid zijner eigen ziel, dezen zijn de geslaagden.
10
En degenen die na hen komen zeggen: "Onze Heer! Vergeef ons en onze broederen die ons zijn voorgegaan in het geloof, en leg in onze harten geen wrok jegens degenen die geloven. Onze Heer! Voorwaar, Gij zijt Zachtmoedig, Barmhartig."
11
Hebt gij niet degenen gezien die huichelen, zeggende tot hun broederen die verhulden van de Lieden des Boeks: "Indien gij verdreven wordt, zullen wij zekerlijk met u uitgaan, en wij zullen nimmer iemand tegen u gehoorzamen; en indien gij bestreden wordt, zullen wij u zekerlijk helpen." En God getuigt dat zij leugenaars zijn.
12
Indien zij verdreven worden, zullen zij niet met hen uitgaan; en indien zij bestreden worden, zullen zij hen niet helpen; en indien zij hen helpen, zullen zij zekerlijk hun ruggen keren, dan zullen zij niet geholpen worden.
13
Gij zijt vreselijker in hun harten dan God. Dat is omdat zij een volk zijn dat niet verstaat.
14
Zij zullen u niet in een lichaam bestrijden dan in versterkte steden of van achter muren. Hun vijandschap onderling is heftig. Gij acht hen verenigd, doch hun harten zijn verdeeld. Dat is omdat zij een volk zijn zonder verstand.
15
Gelijk degenen kort vóór hen, proefden zij het kwade gevolg van hun zaak; en hunner is een pijnlijke kastijding.
16
Gelijk de duivel, toen hij tot de mens zeide: "Verhul!" Toen hij dan verhulde, zeide hij: "Voorwaar, ik ben vrij van u; voorwaar, ik vrees God, Heer der werelden."
17
En het einde van hen beiden is dat zij in het Vuur zijn, daarin te verblijven; en dat is de vergelding der onrechtvaardigen.
18
O gij die gelooft! Vreest God, en laat elke ziel bezien wat zij heeft voorgezonden voor morgen; en vreest God. Voorwaar, God is Kundig van hetgeen gij doet.
19
En weest niet als degenen die God vergaten, zodat Hij hen hun eigen zielen deed vergeten. Dezen zijn de goddelozen.
20
Niet gelijk zijn de metgezellen des Vuurs en de metgezellen der Tuin. De metgezellen der Tuin, zij zijn de triomfanten.
21
Hadden Wij deze Voordracht op een berg nedergezonden, gij zoudt hem hebben gezien, verootmoedigd, uiteengescheurd door de vrees Gods. En dit zijn de gelijkenissen die Wij de mensen voorhouden, opdat zij wellicht mogen nadenken.
22
Hij is God, er is geen god dan Hij, Kenner van het onzienlijke en het zienlijke. Hij is de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
23
Hij is God, er is geen god dan Hij, de Soeverein, de Heilige, de Vrede, de Getrouwe, de Beschermer, de Machtige, de Overweldiger, de Verhevene. Glorie zij God boven hetgeen zij als deelgenoten stellen!
24
Hij is God, de Schepper, de Voortbrenger, de Vormer. Aan Hem behoren de schoonste namen. Al wat in de hemelen en op de aarde is verheerlijkt Hem; en Hij is de Machtige, de Wijze.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 59 — Al-Hasjr (De Bijeendrijving)

Algemene opmerkingen

De soera eindigt met de grootste concentratie van goddelijke namen in de Voordracht (vv.22–24) en het beeld van een berg die zou instorten onder het gewicht der Voordracht (v.21).

Stamanalyse

v.2: Stam ح-ش-ر (h-sj-r) — “bijeendrijven, verdrijven”

De “bijeendrijving” is paradoxaal een verdrijving — mensen bijeengedreven uit hun huizen. De aardse hasjr voorafschaduwt de eschatologische Bijeendrijving (Dag der Opstanding). Ballingschap als repetitie voor het oordeel.

vv.22–24: De schoonste namen

De grootste opeenhoping van goddelijke namen: de Wetende, de Albarmhartige, de Vorst, de Heilige, de Vrede, de Getrouwe, de Bewaker, de Machtige, de Overweldiger, de Verhevene, de Schepper, de Voortbrenger, de Vormgever. “De schoonste namen (الأَسْمَاء الحُسْنَى)” — de stam ح-س-ن (schoonheid, goedheid).

v.9: “die anderen boven zichzelf verkiezen al is armoede hun deel”

Zelfverloochening als het kenmerk des geloofs — verbindt met 76:8–9 (anderen voeden om Gods aanschijn alleen).

Integratieve verbanden

  • v.21 “hadden Wij deze Voordracht op een berg nedergezonden” ↔ 7:143 en 52:1: bergen breken onder openbaring; harten behoren niet harder te zijn dan bergen.
  • vv.22–24 de goddelijke namen ↔ 57:3: Gods namen zijn het zahir-gezicht van Zijn verborgen wezen.
60
Al-Mumtahanah De Beproefde
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O gij die gelooft! Neemt Mijn vijand en uw vijand niet tot vrienden, hun genegenheid biedend, terwijl zij verhuld hebben hetgeen tot u is gekomen van de Waarheid, de Boodschapper en u verdrijvend omdat gij in God, uw Heer, gelooft. Indien gij zijt uitgetrokken om op Mijn weg te strijden en Mijn welbehagen te zoeken, toont gij hun heimelijke genegenheid, doch Ik ben het meest wetend van hetgeen gij verbergt en hetgeen gij verkondigt. En wie onder u dat doet, is voorwaar van het rechte pad afgedwaald.
2
Indien zij de overhand over u verkrijgen, zullen zij vijanden voor u zijn, en hun handen en hun tongen met kwaad naar u uitstrekken; en zij wensen dat gij zoudt verhullen.
3
Uw verwanten en uw kinderen zullen u niet baten. Op de Dag der Opstanding zal Hij tussen u scheiden; en God ziet wèl wat gij doet.
4
Er is voor u een schoon voorbeeld geweest in Abraham en degenen met hem, toen zij tot hun volk zeiden: "Voorwaar, wij zijn vrij van u en van hetgeen gij buiten God aanbidt. Wij hebben uw wegen verhuld, en er is tussen ons en u vijandschap en haat ontstaan voor eeuwig, totdat gij in God alleen gelooft" — behalve het zeggen van Abraham tot zijn vader: "Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u vragen, hoewel ik niets voor u vermag tegen God." "Onze Heer! In U stellen wij ons vertrouwen, en tot U keren wij ons in berouw, en tot U is de reis.
5
Onze Heer! Maak ons niet tot een beproeving voor degenen die verhullen, en vergeef ons, onze Heer; voorwaar, Gij zijt de Machtige, de Wijze."
6
Voorwaar, er is voor u in hen een schoon voorbeeld geweest, voor hem die op God hoopt en de Laatste Dag. En wie zich afwendt, dan voorwaar, God, Hij is de Zichzelf-Genoegzame, de Prijzenswaardige.
7
Het kan zijn dat God genegenheid zal plaatsen tussen u en degenen van hen met wie gij in vijandschap zijt; en God is Machtig; en God is Vergevend, Barmhartig.
8
God verbiedt u niet, aangaande degenen die u niet bestreden om de godsdienst noch u uit uw huizen verdreven, dat gij hun goedheid betoont en rechtvaardig met hen handelt; voorwaar, God bemint de rechtvaardigen.
9
God verbiedt u slechts, aangaande degenen die u bestreden om de godsdienst en u uit uw huizen verdreven en hielpen bij uw verdrijving, dat gij hen bevriend. En wie hen bevriend, dezen zijn de onrechtvaardigen.
10
O gij die gelooft! Wanneer gelovige vrouwen tot u komen als uitgewekenen, beproeft hen. God is het meest wetend van hun geloof. Indien gij hen dan als gelovigen kent, zendt hen niet terug tot degenen die verhullen. Zij zijn hun niet geoorloofd, noch zijn zij hun geoorloofd. En geeft hun hetgeen zij besteed hebben. En er is geen blaam op u hen te huwen wanneer gij hun hun verschuldigde hebt gegeven. En houdt niet vast aan de banden der vrouwen die verhullen, en vraagt hetgeen gij besteed hebt, en laat hen vragen hetgeen zij besteed hebben. Dat is het oordeel Gods; Hij oordeelt tussen u; en God is Alwetend, Wijs.
11
En indien iets van uw vrouwen u is ontsnapt naar degenen die verhullen, en gij vervolgens vergelding neemt, geeft dan degenen wier vrouwen zijn heengegaan het gelijke van hetgeen zij besteed hebben; en vreest God, in Wie gij gelooft.
12
O Profeet! Wanneer gelovige vrouwen tot u komen, trouw zwerende dat zij niets met God als deelgenoot zullen stellen, noch stelen, noch overspel zullen plegen, noch hun kinderen zullen doden, noch een laster zullen brengen die zij tussen hun handen en hun voeten hebben verzonnen, noch u zullen ongehoorzamen in hetgeen recht is, aanvaard dan hun trouw en vraag vergiffenis van God voor hen; voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
13
O gij die gelooft! Bevriend geen volk waarmee God vertoornd is. Zij hebben gewanhoopt aan het Hiernamaals, zoals degenen die verhulden gewanhoopt hebben aan de metgezellen der graven.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 60 — Al-Moemtahanah (De Beproefde)

Algemene opmerkingen

De soera onderscheidt zorgvuldig tussen verboden en toegestane vriendschap. V.8 staat uitdrukkelijk welwillendheid toe jegens niet-strijdenden: “God verbiedt u niet dat gij hun welwillendheid betoont en rechtvaardig met hen handelt.”

Stamanalyse

v.10: Stam ف-ت-ن (f-t-n) — “beproeven, onderzoeken”

De beproefde (مُمْتَحَنَة, vrouwelijk) — emigrerende gelovige vrouwen worden onderzocht op oprechtheid. Het vrouwelijk deelwoord als soeratitel plaatst vrouwen als de subjecten dezer beproeving en verleent hun handelingsvermogen in het emigratieproces.

v.4: Stam ك-ف-ر (k-f-r) — “verhulling door de rechtvaardige”

Abraham zegt: “Wij hebben uw wegen verhuld (كَفَرْنَا بِكُمْ).” Hier wordt ك-ف-ر door de rechtvaardige gebruikt — Abraham “verhult” de valse wegen zijns volks. De veelzijdigheid der stam is in het volle zicht: verhullen kan de daad zijn van de boze (waarheid verhullen) of van de rechtvaardige (valsheid verhullen).

vv.1, 8–9: Stam و-ل-ي (w-l-j) — “vriendschap, bondgenootschap”

Niet categorisch verboden — slechts bondgenootschap met hen die de gelovigen actief bestrijden om de godsdienst. De ethiek der soera is contextueel, niet categorisch.

Integratieve verbanden

  • v.4 Abrahams “schoon voorbeeld” (أُسْوَة حَسَنَة) ↔ 55:60 الإحسان: Abraham belichaamt de schoonste namen.
  • v.7 “God zal genegenheid plaatsen tussen u en degenen met wie gij in vijandschap zijt”: een opmerkelijke belofte van toekomstige verzoening.
61
As-Saff De Rij
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Al wat in de hemelen en al wat op de aarde is verheerlijkt God, en Hij is de Machtige, de Wijze.
2
O gij die gelooft! Waarom zegt gij hetgeen gij niet doet?
3
Buitengewoon hatelijk is het in het oog Gods dat gij zegt wat gij niet doet.
4
Voorwaar, God bemint degenen die op Zijn weg strijden in rijen, alsof zij een welgebouwd bouwwerk waren.
5
En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O mijn volk! Waarom kwelt gij mij, terwijl gij zeer wel weet dat ik de Boodschapper Gods tot u ben?" Toen zij dan afweken, deed God hun harten afwijken; en God leidt het volk der goddeloosheid niet.
6
En toen Jezus, zoon van Maria, zeide: "O Kinderen Israëls! Voorwaar, ik ben de Boodschapper Gods tot u, bevestigend hetgeen vóór mij was van de Thora, en blijde tijdingen brengend van een Boodschapper die na mij komt, wiens naam Ahmad zal zijn." Toen hij dan tot hen kwam met duidelijke bewijzen, zeiden zij: "Dit is klaarblijkelijke toverij."
7
En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen verzint tegen God, terwijl hij tot de Toewijding geroepen wordt? En God leidt het volk van onrecht niet.
8
Zij wensen het licht Gods uit te blussen met hun monden, doch God zal Zijn licht vervolmaken, ook al zijn degenen die verhuld hebben er afkerig van.
9
Hij is het Die Zijn Boodschapper gezonden heeft met de leiding en de godsdienst der waarheid, opdat Hij haar doe zegevieren over alle godsdienst, ook al zijn degenen die deelgenoten stellen er afkerig van.
10
O gij die gelooft! Zal ik u wijzen op een handel die u zal verlossen van een pijnlijke kastijding?
11
Gij zult geloven in God en Zijn Boodschapper, en strijden op de weg Gods met uw rijkdom en uw zielen. Dat is beter voor u, indien gij maar wist.
12
Hij zal u uw zonden vergeven en u toelaten in Tuinen waaronder rivieren stromen, en goede woningen in Tuinen der Eeuwigheid. Dat is de opperste triomf.
13
En iets anders dat gij liefhebt: hulp van God en een nabije overwinning. En geef blijde tijdingen aan de gelovigen.
14
O gij die gelooft! Weest helpers Gods, zoals Jezus, zoon van Maria, tot de Toegewijden zeide: "Wie zijn mijn helpers naar God?" De Teruggekeerden zeiden: "Wij zijn de helpers Gods." Toen geloofde een groep der Kinderen Israëls en een groep verhulde. Dus versterkten Wij degenen die geloofden tegen hun vijand, en zij werden de bovensten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 61 — As-Saff (De Rij)

Algemene opmerkingen

Jezus’ profetie van Ahmad (v.6) en de identificatie der discipelen (الحواريين) als Toegewijden — dezelfde stam als de حُور van het verborgen Rijk.

Stamanalyse

v.6: Stam ح-م-د (h-m-d) — “lof, de geloofde”

Jezus verkondigt “een Boodschapper die na mij komt, wiens naam Ahmad zal zijn.” De stam geeft zowel أحمد (Ahmad, meest geloofd) als محمد (Muhammad, herhaaldelijk geloofd). Dezelfde stam als الحمد in de Fatihah (1:2). Jezus kondigt niet slechts een naam aan maar een hoedanigheid: degene die lofprijzing zelf belichaamt.

v.14: Stam ح-و-ر (h-w-r) — “de Toegewijden”

الحواريين — de discipelen van Jezus — van dezelfde stam als de حُور van 55:72. Jezus zegt: “Wie zijn mijn helpers tot God?” De stam “terugkeren” maakt de discipelen tot degenen die tot God terugkeren — niet slechts volgelingen maar Teruggekeerden.

v.4: Stam ص-ف-ف (s-f-f) — “rijen”

“God bemint degenen die in Zijn weg strijden in rijen, alsof zij een goed gevoegd bouwwerk zijn.” Het beeld is architectonisch: geloof als een structuur waarin elk element de anderen schraagt.

Integratieve verbanden

  • v.6 Ahmad-profetie ↔ 1:2 الحمد لله: de gehele Voordracht is omlijst door de stam die haar Profeet noemt.
  • v.14 الحواريين ↔ 55:72 حُور: hier handelen zij; daar zijn zij geborgen. Dezelfde stam, dezelfde gemeenschap, verschillende standplaatsen.
62
Al-Jumu'ah De Samenkomst
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Al wat in de hemelen en al wat op de aarde is verheerlijkt God, de Soeverein, de Heilige, de Machtige, de Wijze.
2
Hij is het Die onder de ongelettterden een Boodschapper uit hun midden heeft verwekt, hun Zijn tekenen voordragend, en hen zuiverend, en hen het Boek en de Wijsheid onderwijzend, hoewel zij voordien in klaarblijkelijke dwaling waren.
3
En anderen onder hen die zich nog niet bij hen hebben gevoegd; en Hij is de Machtige, de Wijze.
4
Dat is de gunst Gods; Hij schenkt haar aan wie Hij wil, en God is de Bezitter van grote gunst.
5
De gelijkenis van degenen die belast waren met de Thora en haar toen niet droegen, is als de gelijkenis van een ezel die boeken draagt. Ellendig is de gelijkenis van het volk dat de tekenen Gods loochent; en God leidt het volk van onrecht niet.
6
Zeg: "O gij die tot het Jodendom behoort! Indien gij beweert dat gij de vrienden Gods zijt, met uitsluiting van andere mensen, wenst dan de dood, indien gij waarachtigen zijt."
7
Doch zij zullen haar nimmer wensen, vanwege hetgeen hun handen hebben voorgezonden; en God is Wetend van de onrechtvaardigen.
8
Zeg: "Voorwaar, de dood waarvoor gij vlucht, voorwaar, zij zal u ontmoeten; dan zult gij worden teruggebracht tot de Kenner van het onzienlijke en het zienlijke, en Hij zal u berichten over hetgeen gij pleegt te doen."
9
O gij die gelooft! Wanneer de oproep voor het gebed op de Dag der Samenkomst wordt gedaan, haast u dan tot de gedenkenis Gods en laat de handel. Dat is beter voor u, indien gij maar wist.
10
En wanneer het gebed is beëindigd, verspreidt u dan op de aarde en zoekt van de gunst Gods, en gedenkt God veel, opdat gij wellicht moogt gedijen.
11
En wanneer zij koopwaar of vermaak zien, breken zij weg ernaar toe en laten u staan. Zeg: "Hetgeen bij God is, is beter dan vermaak en koopwaar; en God is de beste der voorzieners."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 62 — Al-Djoemoe’ah (De Samenkomst)

Algemene opmerkingen

De wekelijkse samenkomst als repetitie voor de eschatologische Bijeendrijving. De gelijkenis van de ezel die boeken draagt (v.5) — kennis zonder begrip.

Stamanalyse

v.9: Stam ج-م-ع (dj-m-ayn) — “samenkomen”

De Djoemoe’ah (vrijdag) is de wekelijkse samenkomst — de gemeenschappelijke daad van herinnering. De stam verbindt met ح-ش-ر (bijeendrijving, 59:2) — de wekelijkse samenkomst is een oefening voor de eschatologische Bijeendrijving.

v.5: Stam ح-م-ل (h-m-l) — “dragen”

“Degenen die belast werden met de Torah en haar vervolgens niet droegen (لَمْ يَحْمِلُوهَا), zijn gelijk een ezel die boeken draagt (يَحْمِلُ).” De ezel draagt boeken zonder ze te begrijpen — een verplettend beeld van kennis zonder begrip. Het zahir der Schrift (het stoffelijke boek) zonder haar batin (haar betekenis) is een ezelslast.

v.2: Stam أ-م-م (alif-m-m) — “de ongeletterde”

“Hij is het die onder de ongeletterde (الأُمِّيِّينَ) een Boodschapper uit hunner midden verwekte.” Niet slechts analfabeet maar zonder een eerder schrift — de moedernatie in haar oorspronkelijke toestand.

Integratieve verbanden

  • v.3 “en anderen onder hen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben”: traditioneel gelezen als profetie van latere gemeenschappen — in bahaa’ie-lezing sluit dit alle toekomstige gelovigen in.
  • v.11 verwijt (zij verlaten de Profeet voor koopwaar) ↔ 63:4: beide soera’s richten zich tot de kloof tussen uiterlijke aanwezigheid en innerlijke toewijding.
63
Al-Munafiqun De Huichelaars
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de huichelaars tot u komen, zeggen zij: "Wij getuigen dat gij waarlijk de Boodschapper Gods zijt." En God weet dat gij waarlijk Zijn Boodschapper zijt, en God getuigt dat de huichelaars leugenaars zijn.
2
Zij hebben hun eden als schild genomen, en zij keren af van de weg Gods. Voorwaar, kwaad is hetgeen zij pleegden te doen.
3
Dat is omdat zij geloofden, vervolgens verhulden, dus werd een zegel op hun harten gezet, en zij verstaan niet.
4
En wanneer gij hen ziet, behagen hun gestalten u; en indien zij spreken, luistert gij naar hun rede. Zij zijn als opgepropt timmerhout. Zij achten elke roep tegen hen gericht. Zij zijn de vijand, wacht u dan voor hen. God verdelge hen! Hoe worden zij afgewend!
5
En wanneer tot hen gezegd wordt: "Komt, de Boodschapper Gods zal vergiffenis voor u vragen," draaien zij hun hoofden weg, en gij ziet hen zich afwenden in hun arrogantie.
6
Het is hun gelijk of gij vergiffenis voor hen vraagt of niet vergiffenis voor hen vraagt; God zal hun nimmer vergeven. Voorwaar, God leidt het volk der goddeloosheid niet.
7
Zij zijn het die zeggen: "Besteedt niet aan degenen die bij de Boodschapper Gods zijn, opdat zij zich mogen verspreiden." En aan God behoren de schatten der hemelen en der aarde, doch de huichelaars verstaan niet.
8
Zij zeggen: "Indien wij naar Medina terugkeren, zal de machtigste de geringere er zekerlijk uit verdrijven." Doch aan God behoort de macht, en aan Zijn Boodschapper, en aan de gelovigen; doch de huichelaars weten niet.
9
O gij die gelooft! Laat uw rijkdom noch uw kinderen u afleiden van de gedenkenis Gods. En wie dat doet, dezen zijn de verliezers.
10
En besteedt van hetgeen Wij u geschonken hebben eer de dood over iemand van u komt, en hij zegt: "Mijn Heer! Had Gij mij maar uitgesteld tot een nabije termijn, opdat ik liefdadigheid moge geven en onder de rechtvaardigen moge zijn."
11
En God zal nimmer een ziel uitstel verlenen wanneer haar termijn is gekomen; en God is Kundig van hetgeen gij doet.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 63 — Al-Moenaafiqoen (De Huichelaars)

Algemene opmerkingen

De stam ن-ف-ق (huichelarij) betekent tevens een tunnel graven en uitgeven. De huichelaar heeft een tunnel — een vluchtweg, een geheime doorgang tussen twee gezichten.

Stamanalyse

Stam ن-ف-ق (n-f-q) — “huichelarij, tunnel, uitgeven”

De مُنَافِق heeft twee openingen: één gericht op de gelovigen, één op de vijand. V.4: “Zij zijn als gesteunde balken” — indrukwekkend van buiten, hol van binnen. De drievoudige betekenis der stam (uitgeven, tunnelen, huichelen) suggereert dat oprecht uitgeven (van vermogen, van zichzelf) het tegengif is voor huichelarij.

v.3: Stam ط-ب-ع (th-b-ayn) — “verzegelen”

“Zij geloofden, verhulden vervolgens, en een zegel werd op hun harten gesteld (فَطُبِعَ عَلَى قُلُوبِهِم).” Het zegel op het hart is het gevolg van verhulling na geloof — niet een willekeurige goddelijke daad maar het natuurlijke resultaat van het kiezen van bedekking nadat men het licht gezien heeft.

v.9: Stam ذ-ك-ر (dh-k-r) — “herinnering”

“Laat uw vermogen noch uw kinderen u afleiden van de herinnering aan God (ذِكْرِ اللَّه).” Herinnering is het tegengif tegen huichelarij: zij maakt de gelovige aanwezig, eengezichtig, doorzichtig.

Integratieve verbanden

  • v.3 “geloofden, verhulden vervolgens” ↔ 57:16: het hart dat zijn vernedering uitstelt, dreigt te verharden.
  • v.4 “gesteunde balken” ↔ 61:4 “goed gevoegd bouwwerk”: gelovigen zijn vaste structuur; huichelaars zijn holle balken.
64
At-Taghabun De Wederzijdse Bedriegerij
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Al wat in de hemelen en al wat op de aarde is verheerlijkt God; aan Hem behoort het gezag, en aan Hem behoort de lof, en Hij is over alle dingen Machtig.
2
Hij is het Die u schiep, en onder u is degene die verhult en onder u is degene die gelooft; en God ziet wèl wat gij doet.
3
Hij schiep de hemelen en de aarde in waarheid, en Hij vormde u en maakte uw vormen goed; en tot Hem is de reis.
4
Hij weet wat in de hemelen en op de aarde is, en Hij weet wat gij verbergt en wat gij verkondigt; en God is Wetend van hetgeen in de harten is.
5
Is niet tot u de tijding gekomen van degenen die voordien verhulden? Zij proefden het kwade gevolg van hun zaak, en voor hen is een pijnlijke kastijding.
6
Dat is omdat hun boodschappers tot hen pleegden te komen met duidelijke bewijzen, doch zij zeiden: "Zullen stervelingen ons leiden?" Dus verhulden zij en wendden zich af, en God was Zichzelf-Genoegzaam; en God is Zichzelf-Genoegzaam, Prijzenswaardig.
7
Degenen die verhuld hebben beweren dat zij nimmer opgewekt zullen worden. Zeg: "Jawel, bij mijn Heer! Gij zult waarlijk worden opgewekt, dan zult gij waarlijk worden bericht over hetgeen gij deedt; en dat is gemakkelijk voor God."
8
Gelooft dan in God en Zijn Boodschapper, en het Licht dat Wij hebben nedergezonden; en God is Kundig van hetgeen gij doet.
9
De Dag wanneer Hij u zal vergaderen voor de Dag der Vergadering, dat zal de Dag der Wederzijdse Bedriegerij zijn. En wie in God gelooft en rechtvaardige werken doet, van hem zal Hij zijn kwade daden kwijtschelden en hem toelaten in Tuinen waaronder rivieren stromen, daarin voor eeuwig te verblijven. Dat is de opperste triomf.
10
En degenen die verhuld hebben en Onze tekenen geloochend, dezen zijn de metgezellen des Vuurs, daarin te verblijven; en ellendig is de reis.
11
Geen beproeving treft dan met het verlof Gods. En wie in God gelooft, Hij leidt zijn hart; en God is van alle dingen Wetend.
12
En gehoorzaamt God en gehoorzaamt de Boodschapper. Doch indien gij u afwendt, dan rust op Onze Boodschapper slechts de duidelijke overbrenging.
13
God! Er is geen god dan Hij. En op God laten de gelovigen hun vertrouwen.
14
O gij die gelooft! Voorwaar, onder uw echtgenoten en uw kinderen is een vijand voor u, wacht u dan voor hen. En indien gij vergeeft en over het hoofd ziet en kwijtscheldt, dan voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
15
Uw rijkdommen en uw kinderen zijn slechts een beproeving; en God, bij Hem is een groot loon.
16
Vreest dan God zoveel gij kunt, en luistert, en gehoorzaamt, en besteedt; het is beter voor uw zielen. En wie beschermd wordt tegen de gierigheid zijner eigen ziel, dezen zijn de geslaagden.
17
Indien gij aan God een goede lening leent, zal Hij het voor u vermenigvuldigen en u vergeven; en God is Dankbaar, Verdraagzaam,
18
Kenner van het onzienlijke en het zienlijke, de Machtige, de Wijze.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 64 — At-Taghaabon (De Wederzijdse Bedriegerij)

Algemene opmerkingen

Het leven als transactie — op de Dag ontdekt iedereen dat hij te kort is gedaan. De handelmetafoor is nauwkeurig: wie heeft de slechte ruil gemaakt?

Stamanalyse

v.9: Stam غ-ب-ن (gh-b-n) — “bedriegen, te kort doen”

De Vorm VI (تَغَابُن) is wederkerig: wederzijdse bedriegerij. Op die Dag ontdekken de verhuilers dat zij zichzelf bedrogen hebben van geloof, en zelfs de gelovigen ontdekken dat zij meer hadden kunnen doen.

v.14: Stam ع-د-و (‘ayn-d-w) — “vijand”

“Onder uw echtgenoten en uw kinderen is een vijand (عَدُوّ) voor u.” Familie als mogelijke vijand — niet uit kwaadwilligheid maar door afleiding. Het vers verzacht ogenblikkelijk: “indien gij vergeeft en verdraagt en vergiffenis schenkt.” De vijand wordt niet bestreden maar vergeven.

v.8: Stam ن-و-ر (n-w-r) — “licht”

“Gelooft in God en Zijn Boodschapper en het Licht (النُّور) dat Wij nedergezonden hebben.” Het Licht is naast de Boodschapper nedergezonden — het is geen metafoor maar een afzonderlijk ding.

Integratieve verbanden

  • v.9 “de Dag der Wederzijdse Bedriegerij” ↔ 45:28 (Dag der Knieling), 50:20–22 (Dag der Dreiging): elke soera noemt de Dag anders — elke naam onthult een andere dimensie van het oordeel.
  • v.14 waarschuwing over familie ↔ 63:9: dezelfde afleiding van herinnering, vanuit aangrenzende soera’s.
65
At-Talaq De Scheiding
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O Profeet! Wanneer gij vrouwen verstoot, verstoot hen dan voor hun wachttijd, en berekent de wachttijd; en vreest God, uw Heer. Verdrijft hen niet uit hun huizen, noch laat hen uitgaan, tenzij zij een klaarblijkelijke onzedelijkheid begaan. En dat zijn de grenzen Gods. En wie de grenzen Gods overtreedt, heeft voorwaar zijn eigen ziel onrecht aangedaan. Gij weet niet; het kan zijn dat God na dat iets nieuws tot stand brengt.
2
Wanneer zij dan hun termijn hebben bereikt, behoudt hen op eerbare wijze of scheidt van hen op eerbare wijze, en roept twee rechtvaardige mannen onder u tot getuige, en legt de getuigenis af voor God. Aldus wordt vermaand hij die in God en de Laatste Dag gelooft. En wie God vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken,
3
en zal hem voorzien van waar hij niet rekent. En wie zijn vertrouwen stelt in God, Hij is hem genoeg. Voorwaar, God zal Zijn doel bereiken. God heeft voor alles een maat gesteld.
4
En degenen van uw vrouwen die de hoop op menstruatie hebben opgegeven, indien gij twijfelt, hun wachttijd zal drie maanden zijn, en degenen die niet gemenstrueerd hebben. En voor degenen die zwanger zijn, hun termijn zal zijn totdat zij hun last voortbrengen. En wie God vreest, voor hem zal Hij zijn zaak vergemakkelijken.
5
Dat is het bevel Gods dat Hij tot u heeft nedergezonden. En wie God vreest, van hem zal Hij zijn kwade daden kwijtschelden en voor hem zijn loon vergroten.
6
Huisvest hen waar gij woont, naar uw vermogen, en kwelt hen niet om hen te benauwen. En indien zij zwanger zijn, besteedt aan hen totdat zij hun last voortbrengen. Indien zij dan voor u zogen, geeft hen hun loon, en raadpleegt tezamen op eerbare wijze. En indien gij het moeilijk vindt, laat dan een andere vrouw voor hem zogen.
7
Laat hem van overvloed besteden van zijn overvloed, en hij wiens voorziening beperkt is, laat hem besteden van hetgeen God hem gegeven heeft. God belast geen ziel boven hetgeen Hij haar gegeven heeft. God zal na ontbering verlichting brengen.
8
En hoe menige stad rebelleerde tegen het bevel haars Heren en Zijn boodschappers, dus rekenden Wij met haar een strenge afrekening en kastijdden haar met een verschrikkelijke kastijding.
9
Zo proefde zij het kwade gevolg van haar zaak, en het einde van haar zaak was verlies.
10
God heeft voor hen een strenge kastijding bereid; vreest dan God, o gij verstandigen die geloven! God heeft u inderdaad een Gedenkenis nedergezonden,
11
een Boodschapper die u de tekenen Gods voordraagt, duidelijk gemaakt, opdat Hij degenen die geloven en rechtvaardige werken doen moge voeren uit de duisternis naar het licht. En wie in God gelooft en rechtvaardige werken doet, hem zal Hij toelaten in Tuinen waaronder rivieren stromen, daarin voor eeuwig te verblijven. God heeft hem inderdaad een goede voorziening bereid.
12
God is het Die zeven hemelen schiep, en van de aarde het gelijke ervan. Het bevel daalt daartussen neder, opdat gij moogt weten dat God over alle dingen Machtig is, en dat God alle dingen in kennis omvat.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 65 — At-Talaaq (De Echtscheiding)

Algemene opmerkingen

De soera kadert echtscheidingsrecht geheel binnen taqwa (godvrezendheid) — elke juridische aanwijzing wordt gevolgd door een belofte voor wie godvrezend is. Een huisrechtsoera die eindigt met de architectuur des heelals.

Stamanalyse

v.1: Stam ط-ل-ق (th-l-q) — “loslaten, scheiden”

Echtscheiding is een loslating — niet een straf maar een ontbinding. De عِدَّة (wachtperiode, stam ع-د-د, tellen) legt berekening op aan scheiding: zelfs ontbinding vereist orde.

vv.2–5: Stam و-ق-ي (w-q-j) — “godvrezendheid”

“Wie God vreest (وَمَن يَتَّقِ اللَّه)” verschijnt vijfmaal in deze korte soera. Godvrezendheid is de ethische omhulling die pijnlijke maatschappelijke breuken begaanbaar maakt.

v.12: “God schiep zeven hemelen, en van de aarde het gelijke”

Zeven hemelen en zeven aarden — de kosmische structuur weerspiegelt zich boven en beneden. “Het bevel daalt tussen hen neder” — openbaring beweegt zich tussen de lagen. De onverwachte kosmische coda: een huisrechtsoera eindigt met de architectuur des heelals.

Integratieve verbanden

  • v.2 “God zal hem een uitweg maken (مَخْرَجًا)” ↔ 94:5–6 “met ontbering komt verlichting”: godvrezendheid opent uitgangen die onzichtbaar waren.
  • v.12 zeven hemelen ↔ 67:3 en 71:15: de kosmische architectuur is bestendig over de soera’s heen.
66
At-Tahrim Het Verbod
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O Profeet! Waarom verbiedt gij hetgeen God u wettig heeft gemaakt, het behagen uwer echtgenotes zoekend? En God is Vergevend, Barmhartig.
2
God heeft u inderdaad de ontheffing van uw eden verordend; en God is uw Meester, en Hij is de Alwetende, de Wijze.
3
En toen de Profeet aan één zijner echtgenotes een zekere zaak toevertrouwde, en zij er toen over sprak, en God het hem bekend maakte, maakte hij een deel ervan bekend en liet een deel voorbijgaan. Toen hij haar er dan over berichtte, zeide zij: "Wie heeft u dit verteld?" Hij zeide: "De Alwetende, de Alkundige heeft het mij verteld."
4
Indien gij beiden u in berouw tot God wendt, dan hebben uw harten inderdaad geneigd; doch indien gij u samen tegen hem verbindt, dan voorwaar, God is zijn Beschermer, en Gabriël, en de rechtvaardigen onder de gelovigen; en de engelen daarna zijn zijn helpers.
5
Het kan zijn dat zijn Heer, indien hij u verstoot, hem in ruil echtgenotes zal geven die beter zijn dan gij, toegewijd, gelovig, devoot, berouwvol, aanbiddend, gegeven tot vasten, zowel voorheen gehuwd als maagdelijk.
6
O gij die gelooft! Behoedt uzelf en uw gezinnen voor een Vuur wiens brandstof mensen en stenen zijn, waarover engelen zijn, streng en hardvochtig, die God niet ongehoorzaam zijn in hetgeen Hij hun beveelt en doen wat hun bevolen wordt.
7
O gij die verhuld hebt! Maakt heden geen verontschuldigingen. Gij wordt slechts vergolden voor hetgeen gij pleegt te doen.
8
O gij die gelooft! Wendt u tot God in oprecht berouw. Het kan zijn dat uw Heer van u uw kwade daden zal kwijtschelden en u zal toelaten in Tuinen waaronder rivieren stromen, op de Dag wanneer God de Profeet en degenen die met hem geloven niet zal vernederen. Hun licht rent voor hen uit en aan hun rechterhanden; zij zeggen: "Onze Heer! Vervolmaak voor ons ons licht en vergeef ons; voorwaar, Gij zijt over alle dingen Machtig."
9
O Profeet! Strijd tegen degenen die verhullen en de huichelaars, en wees streng jegens hen; en hun verblijf is de Hel, en ellendig is de reis.
10
God heeft een gelijkenis geslagen voor degenen die verhuld hebben: de echtgenote van Noach en de echtgenote van Lot. Zij waren onder twee dienaren van Onze dienaren, rechtvaardigen, doch zij verraadden hen, zodat zij hun niets baaten tegen God, en er werd gezegd: "Gaat gij beiden het Vuur binnen met degenen die binnengaan."
11
En God heeft een gelijkenis geslagen voor degenen die geloven: de echtgenote van Farao, toen zij zeide: "Mijn Heer! Bouw mij een huis bij U in de Tuin, en red mij van Farao en zijn werk, en red mij van het volk van onrecht."
12
En Maria, dochter van Imran, die haar kuisheid bewaarde, dus bliezen Wij erin van Onze Geest; en zij bevestigde de woorden haars Heren en Zijn Boeken, en zij was van de devoten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 66 — At-Tahriem (Het Verbieden)

Algemene opmerkingen

God corrigeert Zijn eigen Profeet: “waarom verbiedt gij wat God wettig gemaakt heeft?” De vier vrouwen-typologie (vv.10–12) is het meest geconcentreerde vrouwelijke typebeeld der Voordracht.

Stamanalyse

v.1: Stam ح-ر-م (h-r-m) — “verbieden, heilig maken”

De stam betekent zowel verbieden als heiligen (de Haram in Mekka is het heilige district). Het heilige en het verbodene delen een stam omdat beide zijn afgezonderd van het gewone. De dwaling is het afzonderen van wat God niet afgezonderd heeft.

vv.10–12: Stam ض-ر-ب (d-r-b) — “een gelijkenis uiteenzetten”

God zet gelijkenissen uiteen met vier vrouwen. Twee rechtvaardige vrouwen onder goddeloze mannen (Farao’s vrouw, Maria) en twee goddeloze vrouwen onder rechtvaardige mannen (Noachs vrouw, Lots vrouw). Nabijheid tot een profeet redt niet; afstand van een profeet veroordeelt niet. Geestelijke rang is individueel.

v.8: Stam ت-و-ب (t-w-b) — “berouw, terugkeer”

“Keert tot God in oprecht berouw (تَوْبَةً نَصُوحًا).” Oprecht berouw is een gezuiverde terugkeer — niet slechts ophouden met zondigen maar terugkeren tot de oorsprong. De stam ت-و-ب verbindt met ح-و-ر (terugkeren) — berouw en toewijding delen het begrip van terugkeer tot God.

Integratieve verbanden

  • v.12 Maria “die haar kuisheid bewaarde, en Wij bliezen daarin van Onze Geest” ↔ 32:9 en 21:91: de inblazing van de Geest — in Adam, in Maria — is de terugkerende goddelijke daad van bezieling.
  • v.6 “een Vuur wiens brandstof mensen en stenen is” ↔ 2:24: de stenen zijn wellicht de afgoden zelf — de voorwerpen der aanbidding worden de brandstof der kastijding.
67
Al-Mulk Het Gezag
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Gezegend is Hij in Wiens hand het gezag is, en Hij is over alle dingen Machtig,
2
Die de dood en het leven schiep, opdat Hij u moge beproeven, wie uwer het best is in daad; en Hij is de Machtige, de Vergevende,
3
Die zeven hemelen in lagen schiep. Gij ziet in de schepping des Albarmhartigen geen ongelijkheid. Keert dan uw blik terug: ziet gij enig gebrek?
4
Keert dan uw blik nogmaals tweemaal terug; uw blik zal tot u terugkeren, vernederd en vermoeid.
5
En voorwaar, Wij versierden de naaste hemel met lampen, en Wij maakten ze tot werptuigen tegen de duivelen, en Wij hebben voor hen de kastijding der Laai bereid.
6
En voor degenen die hun Heer hebben verhuld is de kastijding der Hel; en ellendig is de reis.
7
Wanneer zij erin geworpen worden, horen zij ervan een gekreun terwijl het kookt.
8
Het barst haast van woede. Telkens wanneer een schare erin geworpen wordt, vragen haar wachters hun: "Kwam er geen waarschuwer tot u?"
9
Zij zeggen: "Jawel, er kwam ons inderdaad een waarschuwer, doch wij loochenden en zeiden: God heeft niets nedergezonden; gij zijt in niets dan grote dwaling."
10
En zij zeggen: "Hadden wij maar geluisterd of verstand gehad, wij zouden niet onder de metgezellen der Laai zijn."
11
Dus bekennen zij hun zonde; moge dan vergaan de metgezellen der Laai!
12
Voorwaar, degenen die hun Heer vrezen in het verborgene, voor hen is vergiffenis en een groot loon.
13
En verbergt uw spreken of verkondigt het; voorwaar, Hij is Wetend van hetgeen in de harten is.
14
Zou Hij niet weten, Hij Die schiep? En Hij is de Fijnzinnige, de Alwetende.
15
Hij is het Die de aarde onderdanig aan u maakte, wandelt dan op haar schouders en eet van Zijn voorziening; en tot Hem is de opstanding.
16
Zijt gij veilig dat Hij Die in de hemel is de aarde niet met u zal doen verzwelgen, wanneer zij dan beeft?
17
Of zijt gij veilig dat Hij Die in de hemel is geen storm van stenen op u zal zenden? Dan zult gij weten hoe Mijn waarschuwing was.
18
En voorwaar, degenen vóór hen loochenden; hoe was dan Mijn loochening!
19
Hebben zij de vogels boven hen niet gezien, hun vleugels spreidend en samentrekkend? Niemand houdt hen dan de Albarmhartige. Voorwaar, Hij is van alle dingen Ziend.
20
Of wie is hij die een leger voor u is, om u te helpen, buiten de Albarmhartige? Degenen die verhullen zijn in niets dan begoocheling.
21
Of wie is hij die u zal voorzien, indien Hij Zijn voorziening weerhoudt? Neen, doch zij volharden in onbeschaamdheid en afkeer.
22
Is dan hij die gevallen op zijn gezicht wandelt beter geleid, of hij die rechtop op een recht pad wandelt?
23
Zeg: "Hij is het Die u in het bestaan bracht, en voor u het gehoor en het gezicht en de harten maakte. Weinig is het dat gij dank betuigt."
24
Zeg: "Hij is het Die u op de aarde verspreidde, en tot Hem zult gij worden vergaderd."
25
En zij zeggen: "Wanneer is deze belofte, indien gij waarachtigen zijt?"
26
Zeg: "De kennis is slechts bij God, en ik ben slechts een duidelijke waarschuwer."
27
Wanneer zij het dan nabij zien, zullen de aangezichten van degenen die verhuld hebben getroffen worden, en er zal gezegd worden: "Dit is hetgeen gij pleegt te verlangen."
28
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien God mij vernietigt en degenen die met mij zijn, of ons barmhartigheid betoont, wie zal dan degenen die verhullen beschutten tegen een pijnlijke kastijding?"
29
Zeg: "Hij is de Albarmhartige; wij geloven in Hem en op Hem stellen wij ons vertrouwen. Dan zult gij weten wie in klaarblijkelijke dwaling is."
30
Zeg: "Hebt gij overwogen? Indien uw water zou wegzinken, wie zou u dan stromend water brengen?"
Commentary

Aantekeningen bij Soera 67 — Al-Moelk (De Heerschappij)

Algemene opmerkingen

“Gezegend is Hij in Wiens hand de heerschappij is” — God als Koning over Zijn engelen die Zijn eigendom (de schepping) besturen. De dubbele uitdaging: kijk naar de hemel en zoek een gebrek.

Stamanalyse

v.1: Stam م-ل-ك (m-l-k) — “heerschappij, soevereiniteit”

De stam geeft مَلِك (koning), مَلَك (engel), en مِلْك (eigendom). Gods soevereiniteit omvat alle drie: Hij is Koning over Zijn engelen die Zijn eigendom besturen.

v.3: “Ziet gij in de schepping des Albarmhartigen enige ongelijkheid (تَفَاوُت)?”

De zeven gelaagde hemelen zijn naadloos. De dubbele uitdaging (“keer uw blik terug… keer uw blik tweemaal terug”) is empirische theologie: kijk, en kijk nogmaals, en gij zult slechts volmaaktheid vinden. De ogen keren “vernederd en vermoeid” terug — verslagen door schoonheid.

v.15: Stam ذ-ل-ل (dh-l-l) — “gedienstig maken”

“Hij is het die de aarde gedienstig (ذَلُولاً) maakte voor u, wandelt dus op haar schouders.” De aarde is niet slechts beschikbaar — zij is getemd, zachtmoedig gemaakt voor menselijke bewoning.

Integratieve verbanden

  • v.5 “lampen” als projectielen tegen de duivels ↔ 72:8–9: hetzelfde kosmische verdedigingsstelsel, beschreven vanuit het menselijke en het verschijningsperspectief.
  • v.22 “wie rechtop (سَوِيًّا) op een recht pad (صِرَاط مُسْتَقِيم) wandelt” ↔ 1:6: het Rechte Pad der Fatihah aangehaald als de weg van de rechtopgaande wandelaar.
68
Al-Qalam De Pen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Nun. Bij de Pen en hetgeen zij schrijven!
2
Gij zijt niet, door de genade uws Heren, een bezetene.
3
En voorwaar, voor u is een onuitputtelijk loon.
4
En voorwaar, gij zijt van een machtig karakter.
5
Dus zult gij zien en zij zullen zien,
6
wie van u de getroffene is.
7
Voorwaar, uw Heer, Hij weet het best wie van Zijn weg is afgedwaald, en Hij weet het best wie de rechtgeleide zijn.
8
Gehoorzaam dan niet degenen die loochenen.
9
Zij wensen dat gij compromissen sluit, zodat zij compromissen zouden sluiten.
10
En gehoorzaam niet elke verachtelijke zweerder,
11
lasteraar, rondgaand met kwaadsprekerij,
12
verhinderaar van het goede, overtreder, zondaar,
13
grof, en bovendien bastaard,
14
omdat hij rijkdom en zonen bezit.
15
Wanneer Onze tekenen hem worden voorgedragen, zegt hij: "Verhalen der ouden!"
16
Wij zullen hem op de snuit brandmerken.
17
Voorwaar, Wij hebben hen beproefd zoals Wij de bezitters van de tuin beproefden, toen zij zwoeren dat zij haar zekerlijk in de ochtend zouden oogsten,
18
en geen uitzondering maakten.
19
Toen kwam een bezoek van uw Heer over haar terwijl zij sliepen,
20
en in de ochtend was zij als geoogst.
21
En zij riepen elkander toe in de ochtend:
22
"Gaat vroeg naar uw akker, indien gij oogsters wilt zijn."
23
Dus gingen zij, onderling fluisterend:
24
"Laat geen arme haar heden binnengaan tegen u."
25
En zij gingen vroeg met vastberaden opzet, in staat.
26
Doch toen zij haar zagen, zeiden zij: "Voorwaar, wij zijn afgedwaald!
27
Neen, wij zijn beroofd!"
28
De gematigdste hunner zeide: "Heb ik u niet gezegd: waarom verheerlijkt gij niet?"
29
Zij zeiden: "Glorie zij onze Heer! Voorwaar, wij waren onrechtvaardigen."
30
Toen wendden sommigen hunner zich tot anderen, elkander verwijtend.
31
Zij zeiden: "Wee ons! Voorwaar, wij waren overtreders.
32
Het kan zijn dat onze Heer ons in ruil iets beters zal geven; voorwaar, tot onze Heer keren wij ons in hoop."
33
Aldus is de kastijding; en de kastijding des Hiernamaals is groter, indien zij maar wisten.
34
Voorwaar, voor de vromen zijn Tuinen der Verrukking bij hun Heer.
35
Zullen Wij dan de Toegewijden gelijkstellen aan de schuldigen?
36
Wat mankeert u? Hoe oordeelt gij?
37
Of hebt gij een boek waarin gij studeert,
38
dat voorwaar daarin voor u is al wat gij verkiest?
39
Of hebt gij eden die op Ons bindend zijn, reikend tot de Dag der Opstanding, dat voorwaar voor u is al wat gij oordeelt?
40
Vraag hun, wie van hen daarvoor zal instaan.
41
Of hebben zij deelgenoten? Laat hen dan hun deelgenoten brengen, indien zij waarachtigen zijn.
42
Op de Dag wanneer het been ontbloot wordt, en zij geroepen worden tot nederwerping, doch zij zullen niet in staat zijn,
43
hun ogen neergeslagen, vernedering hen bedekkend; en zij waren geroepen tot nederwerping terwijl zij gezond waren.
44
Laat Mij dan met hem die deze rede loochent. Wij zullen hen stap voor stap leiden van waar zij niet weten.
45
En Ik verleen hun uitstel; voorwaar, Mijn list is vast.
46
Of vraagt gij hun een loon, zodat zij belast zijn met schuld?
47
Of is het onzienlijke bij hen, zodat zij schrijven?
48
Wees dan geduldig voor het oordeel uws Heren, en wees niet als de metgezel van de walvis, toen hij uitriep terwijl hij gesmoord was.
49
Ware hem geen genade van zijn Heer bereikt, hij zou op de kale kust zijn geworpen, laakbaar.
50
Doch zijn Heer verkoos hem en maakte hem tot een der rechtvaardigen.
51
En voorwaar, degenen die verhuld hebben zouden u bijna doen uitglijden met hun blikken wanneer zij de Gedenkenis horen, en zij zeggen: "Voorwaar, hij is een bezetene."
52
En het is niets dan een Gedenkenis voor de werelden.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 68 — Al-Qalam (De Pen)

Algemene opmerkingen

God zweert bij het werktuig der schrijfkunst — de pen die gesneden is tot een punt, gevormd voor haar doel. Schepping zelf is een tekst.

Stamanalyse

v.1: Stam ق-ل-م (q-l-m) — “de Pen”

De stam betekent snijden, bijsnijden, schrijven. De pen is wat tot een punt is gesneden. “Wat zij schrijven” (يَسْطُرُون, stam س-ط-ر, in regels schrijven) — de engelen of de pennen schrijven in geordende regels.

v.4: Stam خ-ل-ق (ch-l-q) — “karakter, schepping”

“Gij bezit een machtig karakter (خُلُقٍ عَظِيم).” De stam betekent zowel scheppen als een karakter bezitten. Het karakter van de Profeet IS zijn schepping — zijn aard is wat God hem maakte. Het fijnste karakter is de meest authentieke schepping.

vv.17–33: De tuingelijkenis

De tuineigenaars planden te oogsten zonder met de armen te delen. Hun tuin wordt in één nacht verwoest. De tuin die de armen uitsluit vernietigt zichzelf. Dit is een j-n-n-gelijkenis: het verborgen Rijk kan zichzelf niet in stand houden wanneer het zijn oogst (جَنَى, 55:54) oppot.

Integratieve verbanden

  • v.1 de Pen ↔ 96:4 “die leerde door de Pen”: de eerst geopenbaarde soera en deze soera roepen beide de Pen aan. Schrijven is het instrument der openbaring van het eerste woord tot deze eed.
  • v.48 “de metgezel van de walvis” (Jona) ↔ 21:87: het thema van de profeet die wanhoopt en dan gered wordt.
69
Al-Haqqah De Werkelijkheid
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
De Werkelijkheid!
2
Wat is de Werkelijkheid?
3
En wat zal u doen weten wat de Werkelijkheid is?
4
Thamud en Ad loochenden het Slaande Uur.
5
Wat Thamud betreft, zij werden vernietigd door de overweldigende.
6
En wat Ad betreft, zij werden vernietigd door een woeste, razende wind
7
die Hij zeven nachten en acht dagen achtereen op hen losliet; en gij zoudt de mensen daarin gevallen zien, alsof zij holle stammen van palmbomen waren.
8
Ziet gij dan enig overblijfsel van hen?
9
En er kwam Farao, en degenen vóór hem, en de omgekeerde steden, met zonde.
10
En zij waren de boodschapper huns Heren ongehoorzaam, dus greep Hij hen met een buitengewone greep.
11
Voorwaar, toen de wateren buiten alle maat stegen, droegen Wij u in het varende vat,
12
opdat Wij het tot een gedenkenis voor u mochten maken, en opdat een onthoudend oor het moge onthouden.
13
Wanneer dan de Bazuin wordt geblazen met een enkele stoot,
14
en de aarde en de bergen worden opgetild en met een enkele verplettering worden verpletterd,
15
dan zal op die Dag de Gebeurtenis plaatsvinden,
16
en de hemel zal worden uiteengescheurd, want op die Dag zal hij broos zijn,
17
en de engelen zullen aan haar randen zijn; en boven hen zullen acht de Troon uws Heren dragen op die Dag.
18
Op die Dag zult gij worden blootgesteld; geen geheim van u zal verborgen zijn.
19
Wat dan betreft hem die zijn boek in zijn rechterhand wordt gegeven, hij zal zeggen: "Hier, leest mijn boek!
20
Voorwaar, ik wist dat ik mijn afrekening zou ontmoeten."
21
Dus zal hij in een behaaglijk leven zijn,
22
in een verheven Tuin,
23
haar trossen nabij om te plukken.
24
"Eet en drinkt in heilzaam gemak voor hetgeen gij voorgezonden hebt in de dagen die voorbij zijn."
25
Doch wat betreft hem die zijn boek in zijn linkerhand wordt gegeven, hij zal zeggen: "Was ik maar mijn boek niet gegeven,
26
en had ik maar mijn afrekening niet geweten!
27
Was het maar het einde geweest!
28
Mijn rijkdom heeft mij niet gebaat.
29
Mijn gezag is van mij vergaan."
30
"Grijpt hem en boeit hem!
31
Werpt hem dan in de Laai!
32
Steekt hem dan in een keten wier lengte zeventig ellen is!"
33
Voorwaar, hij placht niet te geloven in God, de Geweldige,
34
en hij drong niet aan op het voeden der behoeftigen.
35
Op deze dag heeft hij hier dan geen vertrouweling,
36
noch enig voedsel behalve vuile etter,
37
die niemand eet behalve de zondaars.
38
Neen dan! Ik zweer bij hetgeen gij ziet
39
en hetgeen gij niet ziet,
40
voorwaar, het is de rede van een edele Boodschapper.
41
En het is niet de rede van een dichter; weinig gelooft gij.
42
Noch de rede van een waarzegger; weinig gedenkt gij.
43
Een neerzending van de Heer der werelden.
44
En had hij tegen Ons enige uitspraken verzonnen,
45
Wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen,
46
dan zouden Wij de levensader van hem hebben doorgesneden,
47
en niemand van u had Ons van hem kunnen afhouden.
48
En voorwaar, het is een gedenkenis voor de vromen.
49
En voorwaar, Wij weten dat onder u loochenaars zijn.
50
En voorwaar, het is een verdriet voor degenen die verhullen.
51
En voorwaar, het is de waarheid der zekerheid.
52
Verheerlijk dan de naam uws Heren, de Geweldige.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 69 — Al-Haaqqah (De Werkelijkheid)

Algemene opmerkingen

De drievoudige aanroeping — benoemen, bevragen, opnieuw bevragen — weerspiegelt de structuur: het Werkelijke kan niet van tevoren gekend worden, slechts aangekondigd.

Stamanalyse

vv.1–3: Stam ح-ق-ق (h-q-q) — “werkelijkheid, waarheid”

الحَاقَّة — de Onvermijdelijke Werkelijkheid. De stam betekent waar zijn, werkelijk zijn, noodzakelijk zijn. De Dag die geschieden moet omdat zij waar is.

vv.19–25: Stam ي-م-ن / ش-م-ل (j-m-n / sj-m-l) — “rechterhand / linkerhand”

De rechtvaardige ontvangt zijn boek in de rechterhand, de ellendige in de linker. De rechterhandontvanger zegt “ik wist (عَلِمْتُ) dat ik mijn afrekening zou tegemoetgaan” — kennis ging aan de gebeurtenis vooraf. De linkerhandontvanger zegt “had ik maar niet geweten” — kennis is onverdraaglijk.

vv.40–43: Stam ك-ل-م (k-l-m) — “spraak”

“Het is de spraak van een edele Boodschapper… niet de spraak van een dichter… noch van een waarzegger.” De Boodschapper spreekt doch de woorden zijn niet de zijne — het onderscheid wordt afgedwongen met de dreiging van vv.44–47.

Integratieve verbanden

  • De rechter/linkerhand ↔ 50:17, 56:8–10: het binair loopt door meerdere soera’s als de fundamentele scheiding des oordeels.
  • v.34 “hij drong niet aan op het voeden van de behoeftige” ↔ 74:44 en 76:8: verzuim te voeden als de terugkerende ethische tekortkoming die tot het Vuur leidt.
70
Al-Ma'arij De Wegen des Opstijgens
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Een vrager vroeg om een kastijding die zal treffen
2
degenen die verhullen; niemand kan haar afweren,
3
van God, Heer der Wegen des Opstijgens.
4
De engelen en de Geest stijgen tot Hem op in een Dag waarvan de maat vijftigduizend jaren is.
5
Wees dan geduldig met een schoon geduld.
6
Voorwaar, zij zien het verre,
7
doch Wij zien het nabij.
8
Op de Dag wanneer de hemel als gesmolten koper zal zijn,
9
en de bergen als gepluisde wol,
10
en geen vertrouweling een vertrouweling zal vragen,
11
hoewel zij elkander zien. De schuldige zou zich gaarne vrijkopen van de kastijding van die Dag met zijn kinderen,
12
en zijn echtgenote en zijn broeder,
13
en zijn verwanten die hem beschutten,
14
en allen die op de aarde zijn, als het hem dan zou redden.
15
Neen! Voorwaar, het is een Laaiende Vlam,
16
een verwijderaar der uiteinden,
17
roepend hem die zijn rug keerde en wegging,
18
en vergaarde en dan ophoopte.
19
Voorwaar, de mens is angstig geschapen,
20
wanneer kwaad hem treft, gejaagd,
21
en wanneer goed hem treft, terughoudend,
22
behalve degenen die bidden,
23
degenen die standvastig zijn in hun gebed,
24
en degenen in wier rijkdom een bekend recht is
25
voor de bedelaar en de behoeftige,
26
en degenen die de Dag des Oordeels bevestigen,
27
en degenen die bevreesd zijn voor de kastijding huns Heren
28
— voorwaar, de kastijding huns Heren is niet om zich veilig bij te voelen —
29
en degenen die hun kuisheid bewaren,
30
behalve met hun echtgenoten of hetgeen hun rechterhand bezit, want voorwaar, zij zijn dan niet laakbaar.
31
Doch wie voorbij dat zoekt, dezen zijn de overtreders.
32
En degenen die trouw zijn aan hun vertrouwensgoederen en hun verbond,
33
en degenen die bij hun getuigenissen standhouden,
34
en degenen die hun gebed bewaken.
35
Dezen zullen in Tuinen zijn, geëerd.
36
Wat mankeert degenen die verhullen, zich voor u haastend,
37
aan de rechter- en de linkerzijde, in groepen?
38
Begeert iedere man onder hen dat hij een Tuin der Verrukking binnengaat?
39
Neen! Voorwaar, Wij schiepen hen uit hetgeen zij weten.
40
Neen dan! Ik zweer bij de Heer der Oosten en der Westen, voorwaar, Wij zijn in Staat
41
hen te vervangen door beteren dan hen, en Wij zijn niet te overtreffen.
42
Laat hen dan plonzen en spelen totdat zij de Dag ontmoeten die hun beloofd is,
43
de Dag waarop zij uit de graven zullen te voorschijn komen in haast, alsof zij naar een doel rennen,
44
hun ogen neergeslagen, vernedering hen bedekkend. Dat is de Dag die hun beloofd was.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 70 — Al-Ma’aaridj (De Opgangswijzen)

Algemene opmerkingen

Er zijn meerdere opgangswijzen tot God, niet één. De opgang duurt vijftigduizend jaar — geestelijk klimmen is niet ogenblikkelijk. De mens is geschapen als angstig wezen.

Stamanalyse

v.3: Stam ع-ر-ج (‘ayn-r-dj) — “opstijgen”

المَعَارِج — de opgangswijzen, meervoud. Er zijn meerdere wegen van opgang tot God. V.4: de engelen en de Geest stijgen op “in een Dag wiens maat vijftigduizend jaren is.” De meervoudige opgangen en de onmetelijke duur suggereren dat de reis tot God gevarieerd en lang is.

v.19: Stam ه-ل-ع (h-l-ayn) — “angst”

“De mens is geschapen als angstig wezen (هَلُوعًا).” Een zeldzaam woord — een hapax legomenon. Angst is geen ongeval maar een geschapen toestand. De angst schommelt tussen paniek (v.20, als kwaad hem treft) en inhalen (v.21, als goed hem treft). De genezing staat in vv.22–34: gebed, liefdadigheid, kuisheid, trouw, getuigenis.

v.16: Stam ن-ز-ع (n-z-ayn) — “verwijderen”

De Laaiende Vlam verwijdert de شَوَى (uiteinden, buitenhuid) — zij verwijdert het zahir om het batin bloot te leggen. Hellevuur als de gedwongen verwijdering van bedekkingen.

Integratieve verbanden

  • De vijftigduizendjarige Dag (v.4) ↔ 32:5 duizendjarige Dag: verschillende schalen van goddelijke tijd.
  • v.19 geschapen angst ↔ 76:2 “geschapen uit een gemengde druppel, om hem te beproeven”: de mens is geschapen voor de beproeving, en angst is het ingebouwde mechanisme dat de beproeving werkelijk maakt.
71
Nuh Noach
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Voorwaar, Wij zonden Noach tot zijn volk: "Waarschuw uw volk eer er een pijnlijke kastijding over hen komt."
2
Hij zeide: "O mijn volk! Voorwaar, ik ben voor u een duidelijke waarschuwer:
3
dat gij God aanbidt en Hem vreest en mij gehoorzaamt.
4
Hij zal u uw zonden vergeven en u uitstel verlenen tot een vastgestelde termijn. Voorwaar, de termijn Gods, wanneer hij komt, wordt niet uitgesteld, indien gij maar wist."
5
Hij zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, ik heb mijn volk dag en nacht geroepen,
6
doch mijn roepen heeft hen slechts in vlucht vermeerderd.
7
En voorwaar, telkens wanneer ik hen riep, opdat Gij hun mocht vergeven, staken zij hun vingers in hun oren en wikkelden zich in hun kleding, en volhardden, en waren buitengewoon hoogmoedig.
8
Dan voorwaar, riep ik hen openlijk;
9
dan voorwaar, verkondigde ik hun en vertrouwde hun in het geheim toe,
10
en ik zeide: 'Vraagt vergiffenis van uw Heer; voorwaar, Hij is immer Vergevend.
11
Hij zal de hemel over u zenden in overvloedige regen,
12
en zal u bijstaan met rijkdom en zonen, en voor u tuinen aanwijzen, en voor u rivieren aanwijzen.
13
Wat mankeert u dat gij niet naar God hoopt op waardigheid,
14
terwijl Hij u in stadia schiep?
15
Ziet gij niet hoe God zeven hemelen in lagen schiep,
16
en de maan daarin als een licht plaatste en de zon als een lamp?
17
En God heeft u uit de aarde doen groeien als een gewas.
18
Dan zal Hij u erin terugbrengen en u voortbrengen met een voortbrenging.
19
En God heeft de aarde voor u tot een spreiding gemaakt,
20
opdat gij daarin wegen moogt begaan, wijde valleien.'"
21
Noach zeide: "Mijn Heer! Voorwaar, zij hebben mij ongehoorzaamd en hem gevolgd wiens rijkdom en kinderen hem in niets dan verlies vermeerderen.
22
En zij hebben een machtig plan gesmeed,
23
en hebben gezegd: 'Verlaat uw goden niet! Verlaat niet Wadd, noch Suwa, noch Yaghuth, en Ya'uq, en Nasr!'
24
En waarlijk, zij hebben velen op een dwaalspoor gebracht; en vermeerder Gij de onrechtvaardigen in niets dan in dwaling."
25
Vanwege hun zonden werden zij verdronken, en dan in het Vuur gebracht, en zij vonden voor zichzelf, buiten God, geen helpers.
26
En Noach zeide: "Mijn Heer! Laat op de aarde niet één van degenen die verhullen, daarin wonende.
27
Voorwaar, indien Gij hen laat, zullen zij Uw dienaren op een dwaalspoor leiden en niets baren dan goddelozen die verhullen.
28
Mijn Heer! Vergeef mij en mijn ouders en hem die mijn huis als gelovige binnengaat, en de gelovige mannen en de gelovige vrouwen; en vermeerder de onrechtvaardigen in niets dan in ondergang."
Commentary

Aantekeningen bij Soera 71 — Noeh (Noach)

Algemene opmerkingen

Noachs roeping wordt beschreven met toenemende intensiteit: openlijk en heimelijk, dag en nacht — het zahir en batin van de prediking beide ingezet. Het falen ligt niet in de methode maar in de ontvangst.

Stamanalyse

vv.5–9: Stam د-ع-و (d-ayn-w) — “roepen, uitnodigen”

Noach put elke wijze van roeping uit — openbaar en vertrouwelijk, dag en nacht. “Mijn roeping heeft hen slechts doen vluchten” (v.6). Het falen is niet in de methode maar in de ontvangst.

v.7: Stam غ-ش-و (gh-sj-w) — “bedekken”

“Zij staken hun vingers in hun oren en wikkelden zich in hun kleren (اسْتَغْشَوْا ثِيَابَهُمْ).” De bedekking is letterlijk: zij bedekken zich stoffelijk om Noachs stem te blokkeren. Het kleed (ثِيَاب) wordt een werktuig van ك-ف-ر. Dit keert 74:4 om — de Profeet zuivert zijn bedekking terwijl Noachs volk de hunne gebruikt om zich te verbergen.

v.13: Stam و-ق-ر (w-q-r) — “waardigheid”

“Wat scheelt u dat gij niet op waardigheid (وَقَارًا) van God hoopt?” Noach vraagt: waarom verwacht gij niet van God dat Hij u gewicht, substantie, waardigheid schenkt? De menselijke aspiratie naar waardigheid is zelf een goddelijke gave om op te hopen.

Integratieve verbanden

  • vv.15–20 kosmische schepping (zeven hemelen, maan, zon, aarde) ↔ 67:3–5 en 65:12: Noachs preek bevat kosmologie — de natuurlijke wereld als bewijs voor God.
  • v.25 “vanwege hun zonden werden zij verdronken, vervolgens in het Vuur gebracht”: overgang van stoffelijke straf (vloed) naar geestelijke straf (vuur) — water en vuur als de twee werktuigen des goddelijken oordeels.
72
Al-Jinn De Verborgenen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zeg: "Het is mij geopenbaard dat een gezelschap der verborgenen luisterde, en zij zeiden: 'Voorwaar, wij hebben een wonderbare Voordracht gehoord.
2
Zij leidt naar het rechte gedrag, dus hebben wij erin geloofd, en wij zullen nimmer iemand als deelgenoot naast onze Heer stellen.
3
En dat Hij — verheven zij de majesteit onzes Heren! — noch echtgenote noch zoon heeft genomen.
4
En dat de dwaas onder ons een schandelijke leugen tegen God placht te uiten.
5
En dat wij veronderstelden dat de mensheid en de verborgenen nimmer een leugen tegen God zouden uiten.
6
En dat mannen onder de mensheid hun toevlucht pleegden te zoeken bij mannen onder de verborgenen, zodat zij hen in last vergrootten.
7
En dat zij veronderstelden, zoals gij veronderstelde, dat God nimmer iemand zou opwekken.
8
En dat wij de hemel aanraakten en hem vol vonden met strenge wachters en schietende sterren.
9
En dat wij op zetels daarin pleegden te zitten om te horen; doch wie nu luistert vindt een schietende ster voor hem op de loer liggend.
10
En dat wij niet weten of kwaad bedoeld is voor degenen op de aarde, of dat hun Heer rechte leiding voor hen beoogt.
11
En dat onder ons de rechtvaardigen zijn, en onder ons anderen dan dat; wij zijn sekten van verscheidene wegen.
12
En dat wij veronderstelden dat wij God nimmer op de aarde konden verijdelen, noch konden wij Hem door vlucht verijdelen.
13
En dat toen wij de Leiding hoorden, wij erin geloofden; en wie in zijn Heer gelooft, hij vreest noch verlies noch last.
14
En dat onder ons de Toegewijden zijn, en onder ons de onrechtvaardigen. En wie zich heeft toegewijd, dezen hebben de rechte leiding gezocht.
15
Doch wat de onrechtvaardigen betreft, zij zullen brandhout voor de Hel zijn.'"
16
En hadden zij recht op de weg voortgegaan, Wij zouden hun overvloedig water te drinken hebben gegeven,
17
opdat Wij hen daarmee mochten beproeven. En wie zich van de gedenkenis zijns Heren afwendt, Hij zal hem in een immer stijgende kastijding stoten.
18
En dat de plaatsen van aanbidding voor God zijn, roept dan niemand naast God aan.
19
En dat toen de dienaar Gods opstond om Hem aan te roepen, zij bijna in menigten op hem drongen.
20
Zeg: "Ik roep slechts mijn Heer aan, en ik stel met Hem niemand als deelgenoot."
21
Zeg: "Voorwaar, ik bezit voor u noch kwaad noch rechte leiding."
22
Zeg: "Voorwaar, niemand zal mij beschutten tegen God, noch zal ik buiten Hem enige toevlucht vinden,
23
behalve een overbrenging van God en Zijn boodschappen. En wie God en Zijn Boodschapper ongehoorzaam is, voorwaar, voor hem is het Vuur der Hel, daarin voor eeuwig te verblijven."
24
Totdat wanneer zij zien hetgeen hun beloofd is, dan zullen zij weten wie zwakker is in helpers en geringer in aantal.
25
Zeg: "Ik weet niet of hetgeen u beloofd is nabij is, of dat mijn Heer er een verre termijn voor zal vaststellen."
26
Kenner van het onzienlijke! En Hij onthult aan niemand Zijn onzienlijke,
27
behalve aan een boodschapper die Hij heeft goedgekeurd; dan voorwaar, zendt Hij vóór hem en achter hem wachters,
28
opdat Hij moge weten dat zij inderdaad de boodschappen huns Heren hebben overgebracht. En Hij omvat hetgeen bij hen is, en Hij rekent alle dingen in getal.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 72 — Al-Djinn (De Verschijningen)

Algemene opmerkingen

De gehele soera is de verborgen dimensie die spreekt. De verschijningen — de verborgenen (stam ج-ن-ن) — zijn luisteraars naar de openbaring. Zij ontvangen de Voordracht niet als rivalen maar als ontvangers.

Stamanalyse

v.1: Stam ج-ن-ن (j-n-n) — de meesterstam der soera

“Een gezelschap der verschijningen luisterde en zeide: ‘Voorwaar, wij hebben een wonderbare Voordracht gehoord.’” De verborgenen herkennen de waarheid der Voordracht eerder dan vele mensen. De conventionele vrees voor de djinn wordt omgekeerd: de verborgen dimensie is niet vijandig aan openbaring maar aangetrokken.

v.14: Stam س-ل-م (s-l-m) — “toewijding”

“Onder ons zijn de Toegewijden (المسلمون), en onder ons zijn de onrechtvaardigen.” De verschijningen delen zich in Toegewijden en onrechtvaardigen. Toewijding is geen uitsluitend menselijke categorie — zelfs de onzichtbare krachten der schepping kunnen in een staat van islaam (heelheid, overgave) verkeren of niet.

vv.26–27: Stam غ-ي-ب (gh-j-b) — “het onzienbare”

“Kenner van het onzienbare (الغيب)! Hij onthult aan niemand Zijn onzienbare, dan aan een boodschapper die Hij goedkeurt.” De soera over de verborgenen besluit met Gods exclusieve kennis van het verborgene. De verschijningen weten dat zij verborgen zijn; slechts God kent het volle onzienbare.

Integratieve verbanden

  • v.1 verschijningen die luisteren ↔ 46:29: dezelfde gebeurtenis — de verborgen dimensie ontvangt openbaring, niet slechts de zichtbare.
  • v.8 “wij raakten de hemel aan en vonden hem vol strenge wachters” ↔ 67:5: de kosmische architectuur is bestendig — de hemel is bewaakt.
73
Al-Muzzammil De Omhulde
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O gij die omhuld zijt!
2
Sta op in de nacht, behalve een weinig,
3
de helft ervan, of verminder er een weinig van,
4
of voeg ertoe, en draag de Voordracht voor met een afgemeten voordracht.
5
Voorwaar, Wij zullen op u een gewichtig woord werpen.
6
Voorwaar, het opstaan bij nacht, het is vaster van tred en rechter van rede.
7
Voorwaar, voor u is overdag een lange loop van plichten.
8
En gedenk de naam uws Heren, en wijd u geheel aan Hem met volkomen toewijding.
9
Heer van het Oosten en het Westen; er is geen god dan Hij; neem Hem dan als Beschermer.
10
En verdraag geduldig hetgeen zij zeggen, en trek u van hen terug met een schoon terugtrekken.
11
En laat Mij met degenen die loochenen, bezitters van gemak, en verleen hun een weinig uitstel.
12
Voorwaar, bij Ons zijn boeien en een Laai,
13
en voedsel dat verstokt, en een pijnlijke kastijding,
14
op de Dag wanneer de aarde en de bergen zullen beven, en de bergen tot een hoop zand zullen worden, uitgegoten.
15
Voorwaar, Wij hebben tot u een Boodschapper gezonden, een getuige over u, zoals Wij tot Farao een boodschapper zonden.
16
Doch Farao was de boodschapper ongehoorzaam, dus grepen Wij hem met een verwoestende greep.
17
Hoe dan zult gij, indien gij verhult, u behoeden tegen een Dag die de kinderen grijs zal maken?
18
De hemel zal erdoor uiteengescheurd worden; Zijn belofte wordt immer vervuld.
19
Voorwaar, dit is een Gedenkenis; laat dan wie wil een pad nemen naar zijn Heer.
20
Voorwaar, uw Heer weet dat gij bijna tweederde van de nacht opstaat, en de helft ervan, en een derde ervan — en een groep van degenen die met u zijn. En God meet de nacht en de dag af; Hij weet dat gij het niet zult berekenen, dus heeft Hij Zich in barmhartigheid tot u gewend. Draagt dan voor wat gemakkelijk is van de Voordracht; Hij weet dat er onder u zieken zullen zijn, en anderen die op de aarde reizen, zoekend van de gunst Gods, en anderen die strijden op de weg Gods. Draagt dan voor wat er gemakkelijk van is; en onderhoudt het gebed, en betaalt de aalmoezen, en leent aan God een goede lening. En al het goede dat gij voor uw zielen voorgezonden hebt, gij zult het bij God vinden — het is beter en groter in loon. En zoekt vergiffenis van God; voorwaar, God is Vergevend, Barmhartig.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 73 — Al-Moezzammil (De Gewikkelde)

Algemene opmerkingen

De batin-soera van het profetische paar 73/74: de Profeet wordt aangesproken in verhulling en opgedragen te rijzen in de nacht voor het innerlijke gebed. Soera 74 is het zahir (openbare waarschuwing).

Stamanalyse

v.1: Stam ز-م-ل (z-m-l) — “wikkelen, inwikkelen”

De Profeet is gewikkeld — verhuld in kleding, in een j-n-n-achtige staat van verborgenheid. Het bevel is te rijzen in de nacht (قُمِ اللَّيْل): de gewikkelde rijst innerlijk op (nachtgebed).

v.4: Stam ر-ت-ل (r-t-l) — “ritmisch voordragen”

“Draag de Voordracht voor met een ritmische voordracht (رَتِّلِ القُرْآنَ تَرْتِيلًا).” De stam betekent ordenen, in orde zetten, helder en langzaam voordragen. De Voordracht mag niet gehaast worden — elk woord moet zijn gewicht ontvangen. Dit verbindt de Voordracht met de Weegschaal (الميزان) van 55:7–9.

v.5: Stam ث-ق-ل (th-q-l) — “zwaar, gewichtig”

“Wij zullen op u een gewichtig woord werpen (قَوْلًا ثَقِيلًا).” De Voordracht wordt beschreven als stoffelijk zwaar — openbaring heeft gewicht. Het gewichtige woord vereist het nachtelijk rijzen (v.2) en de ritmische voordracht (v.4) als voorbereiding.

Integratieve verbanden

  • Het gewikkelde/gehuld paar (73/74) ↔ zahir/batin: 73 is de batin-soera (nachtgebed, innerlijke voorbereiding), 74 is de zahir-soera (openbare waarschuwing). Samen beschrijven zij de volledige profetische boog.
  • v.20 “draagt voor wat gemakkelijk is van de Voordracht” ↔ 54:17: gemak binnen gewicht — de Voordracht is zowel zwaar als toegankelijk.
74
Al-Muddaththir De Omhulde
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
O gij die omhuld zijt!
2
Sta op en waarschuw!
3
En uw Heer, verheerlijk Hem!
4
En uw kleding, zuiver ze!
5
En de bezoedeling, mijd haar!
6
En bewijs geen gunst, meervoud zoekend.
7
En wees voor uw Heer geduldig.
8
Wanneer dan de Bazuin wordt geblazen,
9
dan zal die Dag een moeilijke dag zijn,
10
voor degenen die verhullen, niet gemakkelijk.
11
Laat Mij met hem die Ik alleen schiep,
12
en voor wie Ik uitgestrekte rijkdom bestemde,
13
en zonen als getuigen,
14
en voor wie Ik alle dingen vlak maakte.
15
Dan begeert hij dat Ik meer geef.
16
Neen! Voorwaar, hij is hardnekkig geweest jegens Onze tekenen.
17
Ik zal hem dwingen tot een steile beklimming.
18
Voorwaar, hij overdacht en hij mat af.
19
Moge hij dan vergaan, hoe mat hij af!
20
Dan moge hij vergaan, hoe mat hij af!
21
Toen keek hij,
22
toen fronste hij en trok een lelijk gezicht,
23
toen keerde hij zijn rug en was hoogmoedig,
24
en zeide: "Dit is niets dan overgeleverde toverij.
25
Dit is niets dan het spreken van een sterveling."
26
Ik zal hem in het Hellevuur werpen.
27
En wat zal u doen weten wat het Hellevuur is?
28
Het spaart niet en laat niet over.
29
Het verschroeit de stervelingen.
30
Erover zijn negentien.
31
En Wij hebben slechts engelen als wachters des Vuurs aangesteld; en Wij hebben hun aantal slechts tot een beproeving gemaakt voor degenen die verhullen — opdat degenen aan wie het Boek was gegeven zeker mogen zijn, en degenen die geloven in geloof mogen toenemen, en degenen aan wie het Boek was gegeven en de gelovigen niet twijfelen — en opdat degenen in wier harten een ziekte is en degenen die verhullen mogen zeggen: "Wat bedoelt God hiermee als gelijkenis?" Aldus leidt God op een dwaalspoor wie Hij wil en leidt wie Hij wil. En niemand kent de legers uws Heren behalve Hij; en het is niets dan een Gedenkenis voor de stervelingen.
32
Neen! Bij de maan,
33
en de nacht wanneer zij wijkt,
34
en de ochtend wanneer zij licht wordt!
35
Voorwaar, het is één der grootste dingen,
36
een waarschuwing voor de stervelingen,
37
voor hem onder u die wil vooruitgaan of wil achterblijven.
38
Elke ziel is verantwoordelijk voor hetgeen zij verdiend heeft,
39
behalve de metgezellen der rechterhand.
40
In Tuinen zullen zij elkander ondervragen
41
over de schuldigen:
42
"Wat heeft u in het Hellevuur gebracht?"
43
Zij zullen zeggen: "Wij behoorden niet tot degenen die baden,
44
en wij voedden de behoeftigen niet,
45
en wij pleegden te plonzen met degenen die plonzen,
46
en wij pleegden de Dag des Oordeels te loochenen,
47
totdat de zekerheid over ons kwam."
48
Dus zal de voorspraak der voorsprekers hun niet baten.
49
Wat mankeert hen dan, dat zij zich van de Gedenkenis afwenden,
50
alsof zij opgeschrikte ezels waren
51
die voor een leeuw gevlucht waren?
52
Neen, iedere man onder hen begeert dat hem opengerolde rollen zouden worden gegeven.
53
Neen! Doch zij vrezen het Hiernamaals niet.
54
Neen! Voorwaar, het is een Gedenkenis.
55
Laat dan wie wil het gedenken.
56
En zij zullen niet gedenken tenzij God het wil. Hij is waardig gevreesd te worden, en Hij is waardig vergiffenis te schenken.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 74 — Al-Moeddaththir (De Gehulde)

Algemene opmerkingen

De zahir-soera: de Profeet is gehuld en het bevel luidt “Sta op en waarschuw!” De gehele boog van gehuld naar waarschuwer weerspiegelt de zahir/batin-dynamiek van 57:3.

Stamanalyse

v.1: Stam د-ث-ر (d-th-r) — “hullen, wikkelen”

De Profeet is letterlijk verhuld — in een j-n-n-achtige staat van verborgenheid. Het bevel “Sta op en waarschuw!” is het bevel om uit de verhulling te treden in de openbaarheid. Wat verborgen is moet zich openbaren.

v.30: “Boven hem zijn negentien”

Het meest numeriek geladen vers der Voordracht. V.31 verklaart ogenblikkelijk: het getal is “een beproeving voor degenen die verhuld hebben” en een middel tot zekerheid voor het Volk des Boeks. Het getal 19 heeft enorme exegese opgewekt — van de bahaa’ie-kalender (19 maanden van 19 dagen) tot aanspraken over de wiskundige structuur der Voordracht.

vv.18–20: Stam ق-د-ر (q-d-r) — “meten”

“Hij overdacht en hij mat (قَدَّرَ). Moge hij vergaan, hoe mat hij!” De man meet de Voordracht naar menselijke maatstaven en bevindt haar te kort — zijn meetwerktuig is te klein voor het gemeten voorwerp. De dubbele verwensing benadrukt de ijdelheid.

Integratieve verbanden

  • Het hullen/onthullen ↔ 73:1: een gepaard soeranpaar waarin de Profeet ook in verhulling wordt aangesproken en opgedragen te rijzen.
  • vv.50–51 “geschrokken ezels die voor een leeuw vluchtten” ↔ 31:19 en 62:5: de ezel als symbool van wie vlucht voor of baat tegen openbaring.
75
Al-Qiyamah De Opstanding
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Neen! Ik zweer bij de Dag der Opstanding,
2
en neen! Ik zweer bij de zelfverwijtende ziel.
3
Meent de mens dat Wij zijn beenderen niet zullen vergaderen?
4
Jawel! Wij zijn in staat zelfs zijn vingertoppen te vormen.
5
Neen, doch de mens begeert voort te zondigen vóór hem.
6
Hij vraagt: "Wanneer is de Dag der Opstanding?"
7
Wanneer dan het gezicht verblind wordt,
8
en de maan verduisterd wordt,
9
en de zon en de maan worden samengebracht,
10
op die Dag zal de mens zeggen: "Waarheen te vluchten?"
11
Neen! Er is geen toevlucht.
12
Tot uw Heer is op die Dag de bestemming.
13
De mens zal op die Dag worden bericht over hetgeen hij voorgezonden en achtergelaten heeft.
14
Neen, de mens zal een getuige zijn tegen zichzelf,
15
ook al brengt hij zijn verontschuldigingen voort.
16
Beweeg uw tong er niet mee om het te bespoedigen.
17
Voorwaar, op Ons rust het vergaderen en het voordragen ervan.
18
Wanneer Wij het dan voordragen, volg gij dan de voordracht ervan.
19
Dan voorwaar, op Ons rust de uitleg ervan.
20
Neen! Doch gij bemint het vluchtige leven,
21
en gij verzaakt het Hiernamaals.
22
Aangezichten zullen op die Dag stralend zijn,
23
blickend naar hun Heer.
24
En aangezichten zullen op die Dag somber zijn,
25
wetend dat een ramp hen zal treffen.
26
Neen! Wanneer het de sleutelbeenderen bereikt,
27
en er gezegd wordt: "Wie is een genezer?"
28
en hij meent dat het het afscheid is,
29
en been met been verstrengeld is,
30
tot uw Heer is op die Dag het drijven.
31
Want hij bevestigde niet, noch bad hij,
32
doch hij loochende en wendde zich af,
33
dan ging hij naar zijn gezin, paraderend.
34
Wee u, en wee!
35
Dan wee u, en wee!
36
Meent de mens dat hij doelloos zal worden gelaten?
37
Was hij niet een druppel zaad die werd uitgestort?
38
Dan was hij een klonter, en Hij schiep en vormde hem,
39
en Hij maakte van hem de twee soorten, het mannelijke en het vrouwelijke.
40
Is Hij dan niet in staat de doden het leven te geven?
Commentary

Aantekeningen bij Soera 75 — Al-Qijaamah (De Opstanding)

Algemene opmerkingen

De Opstanding is het Grote Opstaan — wanneer al het horizontale (dood, begraven, verborgen) verticaal wordt (opgestaan, geopenbaard, rekenschap afleggend). De Dag waarop het batin permanent zahir wordt.

Stamanalyse

v.1: Stam ق-و-م (q-w-m) — “opstaan, opstanding”

Dezelfde stam als مَقَام (standplaats/Manifestatie, 55:46), قَوَّامُون (hoeders, 4:34), en المُسْتَقِيم (het Rechte, 1:6).

v.2: Stam ل-و-م (l-w-m) — “berispen”

“Ik zweer bij de zichzelf berispende ziel (النَّفْسِ اللَّوَّامَة).” God zweert bij het geweten naast de Opstanding: de innerlijke rechter en de uiterlijke Rechter. De zichzelf berispende ziel is het batin van het oordeel; de Opstanding is haar zahir. Geweten is verinnerlijkte opstanding.

vv.16–19: Stam ق-ر-أ (q-r-alif) — “voordracht”

God vergadert, draagt voor en zet uiteen — de drie stadia der openbaring. De Profeet moet volgen, niet haasten. Het بَيَان (uiteenzetting, hetzelfde woord als “de Uitdrukking” in 55:4) is Gods verantwoordelijkheid.

Integratieve verbanden

  • v.2 zichzelf berispende ziel ↔ 50:16–18: het geweten is de inwendige getuige die overeenkomt met de uitwendige optekenende engelen.
  • v.19 بَيَان ↔ 55:4: Gods uiteenzetting en het menselijk vermogen tot uitdrukking delen dezelfde stam.
76
Al-Insan De Mens
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Is er over de mens een tijdspanne gekomen dat hij een ding was dat niet herdacht werd?
2
Voorwaar, Wij schiepen de mens uit een gemengde druppel, om hem te beproeven; en Wij maakten hem horend, ziend.
3
Voorwaar, Wij leidden hem naar de weg, hetzij hij dankbaar zij of ondankbaar.
4
Voorwaar, Wij hebben voor degenen die verhullen ketenen en boeien en een Laai bereid.
5
Voorwaar, de rechtvaardigen zullen drinken uit een beker wier mengsel van kamfer is,
6
een bron waaruit de dienaren Gods drinken, haar overvloedig doen stromen.
7
Zij vervullen de gelofte en vrezen een Dag wier kwaad wijdverspreid zal zijn,
8
en zij voeden, uit liefde voor Hem, de behoeftige, de wees, en de gevangene:
9
"Wij voeden u slechts om het Aanschijn Gods; wij begeren van u noch vergelding noch dank.
10
Voorwaar, wij vrezen van onze Heer een Dag, grimmig en benard."
11
Dus zal God hen beschutten tegen het kwaad van die Dag en hun glans en vreugde schenken,
12
en zal hen belonen, omdat zij geduldig waren, met een Tuin en zijde.
13
Aanliggend daarin op rustbanken, zullen zij daarin noch zon noch bittere koude zien.
14
En nabij boven hen zijn haar schaduwen, en haar trossen zijn volkomen onderdanig gemaakt.
15
En er zullen onder hen vaten van zilver en bekers van kristal worden rondgegeven,
16
kristal van zilver, die zij naar maat hebben afgemeten.
17
En daarin wordt hun te drinken gegeven een beker wier mengsel van gember is,
18
een bron daarin genaamd Salsabil.
19
En er zullen op hen jongelingen wachten, eeuwig gemaakt; wanneer gij hen ziet, acht gij hen verspreide parelen.
20
En wanneer gij kijkt, zult gij gelukzaligheid en een groot rijk zien.
21
Op hen zijn kleding van fijne groene zijde en brokaat, en zij zijn getooid met armbanden van zilver; en hun Heer geeft hun een zuivere drank te drinken.
22
"Voorwaar, dit is voor u een vergelding, en uw streven is aanvaard."
23
Voorwaar, Wij, zelfs Wij, hebben tot u de Voordracht nedergezonden, een neerzending.
24
Wees dan geduldig voor het oordeel uws Heren, en gehoorzaam onder hen geen zondaar noch ondankbare.
25
En gedenk de naam uws Heren, ochtend en avond,
26
en in de nacht werp u voor Hem neder, en verheerlijk Hem een lange nacht door.
27
Voorwaar, dezen beminnen het vluchtige leven en laten achter zich een zware Dag.
28
Wij schiepen hen en versterkten hun gestel; en wanneer Wij willen, zullen Wij hen door hun gelijken vervangen, een vervanging.
29
Voorwaar, dit is een Gedenkenis; laat dan wie wil een pad nemen naar zijn Heer.
30
En gij wilt niet, tenzij God het wil. Voorwaar, God is immer Alwetend, Wijs.
31
Hij laat wie Hij wil toe in Zijn barmhartigheid; en de onrechtvaardigen, voor hen heeft Hij een pijnlijke kastijding bereid.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 76 — Al-Insaan (De Mens)

Algemene opmerkingen

De soera confronteert de Mens met een tijd vóór zijn openbaarwording — toen hij verborgen was, onherinnerd. De mens was eens in een j-n-n-staat (verhuld) en werd voortgebracht in een ‘-n-s-staat (geopenbaard).

Stamanalyse

v.1: Stam إ-ن-س (alif-n-s) — “de mens”

“Is er over de mens (الإنسان) een tijdspanne gekomen waarin hij een onherinnerd ding was?” De stam draagt de zin van maatschappelijk, zichtbaar, vertrouwd zijn — het tegengestelde van ج-ن-ن (verhulling). De Mens is de zichtbare tegenhanger der Verschijningen.

v.3: Stam ك-ف-ر (k-f-r) vs. ش-ك-ر (sj-k-r) — “bedekken” vs. “danken”

“Hetzij hij dankbaar is (شاكرا) of ondankbaar (كفورا).” De twee mogelijkheden: شُكْر (opengaan, dankbaarheid) versus كُفْر (bedekken, ondankbaarheid). De fundamentele keuze van de mens tussen ontsluieren en verhullen.

v.18: “een bron daarin genaamd Salsabiel (سلسبيل)”

Een hapax legomenon. Het woord kan ontleed worden als سَلْ سَبِيل — “vraag de weg” — een bron wier naam zelf een uitnodiging is om het pad te zoeken. De klankweerklank met س-ل-م (overgave, vrede) en س-ب-ل (weg, pad) maakt de naam der bron tot een samengeperste theologie: zoek-de-weg.

Integratieve verbanden

  • v.1 “een onherinnerd ding” ↔ 19:67: het voortbestaan des mensen als iets onherinnerds is een terugkerend thema.
  • v.8 “zij voeden, uit liefde voor Hem, de behoeftige, de wees en de gevangene” ↔ 69:34 en 74:44: voeden der ontheemden als de bestendige ethische toets door de soera’s heen.
77
Al-Mursalat De Gezondenen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de gezondenen, de een na de ander,
2
en de hevige slagen,
3
en het wijd en zijd verstrooien,
4
en de Maat der scheiding,
5
en de nederdaling der Herinnering,
6
die waarheid bevestigt of waarschuwt:
7
voorwaar, wat Wij u beloofden, zal geschieden.
8
Wanneer dan de sterren worden uitgedoofd
9
en de hemel wordt gespleten
10
en de bergen worden weggeblazen
11
en de boodschappers bijeenkomen:
12
Voor welke dag is dit bepaald?
13
Voor de Dag des Oordeels.
14
En wat zal u de Dag des Oordeels doen kennen?
15
Wee, die Dag, de loochenaars.
16
Hebben Wij niet de vroegeren vernietigd,
17
en toen de lateren doen volgen?
18
Aldus handelen Wij met de boosdoeners.
19
Wee, die Dag, de loochenaars.
20
Hebben Wij u niet geschapen uit een verachte druppel,
21
die Wij in een veilig verblijf legden,
22
voor een vastgestelde tijd?
23
Aldus meten Wij, en Wij meten het best.
24
Wee, die Dag, de loochenaars.
25
Hebben Wij de Aarde niet ontvangend gemaakt,
26
zowel levenden als doden?
27
En Wij maakten daarin vaste en verheven bergen, en Wij gaven u zoet water te drinken.
28
Wee, die Dag, de loochenaars.
29
Gaat in tot hetgeen gij placht te loochenen.
30
Gaat in tot de schaduw met drie zuilen.
31
Geen verse schaduw, niet batend tegen de vlam.
32
Voorwaar, zij zendt vonken uit als een burcht,
33
als gele kamelen.
34
Wee, die Dag, de loochenaars.
35
Deze dag zullen zij niet spreken,
36
en het zal hun niet vergund worden zich te verontschuldigen.
37
Wee, die Dag, de loochenaars.
38
Dit is de Dag des Oordeels: Wij hebben u en de vroegeren verzameld.
39
Indien gij dan een list hebt, wendt haar tegen Mij aan.
40
Wee, die Dag, de loochenaars.
41
Waarlijk, de rechtvaardigen zijn in schaduw en bronnen,
42
en vruchten naar hun begeerte.
43
Eet en drinkt in vreugde om hetgeen gij placht te doen.
44
Voorwaar, aldus belonen Wij hen die goed doen.
45
Wee, die Dag, de loochenaars.
46
Eet en geniet een wijle, voorwaar, gij zijt boosdoeners.
47
Wee, die Dag, de loochenaars.
48
En wanneer hun gezegd wordt: buigt, buigen zij niet.
49
Wee, die Dag, de loochenaars.
50
In welk later bericht geloven zij dan?
Commentary

Aantekeningen bij Soera 77 — Al-Moersalaat (De Gezondenen)

Algemene waarnemingen

Een korte, ritmisch intense Mekkaanse soera die de werkelijkheid van de Dag des Oordeels indrijft. Het bepalende refrein “Wee, die Dag, de loochenaars” (wajloen jawma’idhin lil-moekadhdhibien) verschijnt tienmaal. Merk op dat al-moekadhdhibien (de loochenaars) dezelfde stam ك-ذ-ب (k-dh-b) deelt als toekadhdhiebaani in Soera 55 — de daad van waarheid tegenspreken.

Belangrijkste vertaalkeuzen

“De Gezondenen” voor al-moersalaat

De stam ر-س-ل (r-s-l) — dezelfde stam als rasoem (boodschapper). De “gezondenen” worden gewoonlijk geduid als winden, engelen of boodschappers. De vertaling bewaart deze dubbelzinnigheid.

“Maat van onderscheiding” voor faariqaat farqan

V.4. De stam ف-ر-ق (f-r-q) — scheiden, onderscheiden. Foerqaan (onderscheidingsmaatstaf) deelt deze stam en is een titel der Koran zelf (Soera 25).

Versbijzonderheden

  • Vv.1-7: De eedcluster opent met een cascade van vrouwelijke meervoudsdeelwoorden: gezonden in opeenvolging (‘oerfan), heftig blazend (‘aasiefaat), ver en wijd verspreidend (naashiraat). De identiteit der handelenden is opzettelijk dubbelzinnig.
  • Vv.8-10: Kosmische vernietiging — sterren uitgedoofd (toemiesat), hemel gespleten (foeridjet), bergen weggeblazen (noesifat).
  • Vv.11-14: De boodschappers (ar-roesoel) krijgen hun vastgestelde tijd. De Dag der Scheiding (jawm al-fasl, stam ف-ص-ل, scheiden/beslissen).
  • Vv.20-24: Schepping uit water — maa’in mahien (veracht druppeltje), qaraar makien (veilige verblijfplaats, de baarmoeder), qadar ma’loem (vastgesteld bestek). V.23: “Wij meten af, en Wij meten het best af” — de stam ق-د-ر (q-d-r) speelt op beide betekenissen: afmeten (beschikken) en vermogend zijn.
  • Vv.29-34: De driepijlerige schaduw — een donkere parodie op schaduw die geen verkoeling biedt. Vonken “als een burcht” (kal-qasr), als “gele kamelen” (djimaalatoen soefr) — woestijnbeelden van ontembare kracht.
  • V.35: “Zij zullen niet spreken” — het onvermogen te spreken staat tegenover Gods gave van al-bajaan (Uitdrukking) in 55:4. Wie de gave der uitdrukking ontkende, wordt haar beroofd.
  • V.39: “Indien gij een list hebt, gebruikt haar tegen Mij” — een verpletterende goddelijke uitdaging.
  • Vv.41-44: De rechtvaardigen in schaduw en bronnen — het spiegelbeeld der driepijlerige schaduw. Al-moehsinien (degenen die goed doen, stam ح-س-ن) — ihsaan als het hoogste niveau van aanbidding.
  • V.48: “Buigt! — zij buigen niet” (roekoe’). Wie de lichamelijke daad van overgave weigert, belichaamt de geestelijke weigering.
  • V.50: “In welke latere boodschap geloven zij dan?” Hadieth (boodschap, verhaal) — de soera sluit met een verpletterende vraag. Dit weerklinkt in het Bahaa’ie-begrip van voortschrijdende openbaring: elke nieuwe boodschap bouwt voort op de vorige.

Structuur

Het refrein verdeelt de soera in tien delen, als een rechtszaak: bewijs (eden), aanklacht (vernietiging), bewijsstukken (schepping, aarde), veroordeling (hellevuur), vrijspraak (paradijs), slotverklaring (wat anders gelooft gij?).

Integratieve verbanden

  • Het refrein ك-ذ-ب verhoudt zich tot 55’s toekadhdhiebaani: Soera 55 stelt de vraag 31 maal; Soera 77 benoemt het gevolg 10 maal.
  • V.35 verlies van spraak verhoudt zich tot 55:4 al-bajaan — het verlies is het spiegelbeeld der gave.
  • V.50 “welke latere boodschap” verhoudt zich tot 2:91 en 2:87 — het patroon van ontvangen en weigeren door de eeuwen heen.
78
An-Naba' De Tijding
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Waarover ondervragen zij elkander?
2
Over de machtige tijding
3
waarover zij in geschil zijn.
4
Neen! Zij zullen het te weten komen.
5
Dan neen! Zij zullen het te weten komen.
6
Hebben Wij de aarde niet tot een wieg gemaakt
7
en de bergen tot pinnen?
8
En Wij schiepen u in paren
9
en Wij maakten uw slaap tot een rust
10
en Wij maakten de nacht tot een bedekking
11
en Wij maakten de dag tot een levensonderhoud.
12
En Wij bouwden boven u zeven stevigen
13
en Wij maakten een vlammende lamp
14
en Wij zonden van de regenwolken overvloedig water neder
15
opdat Wij daardoor graan en gewas mogen voortbrengen
16
en dichte, ineengestrengelde tuinen.
17
Voorwaar, de Dag der Scheiding is vastgesteld,
18
de Dag waarop de bazuin wordt geblazen en gij in menigten komt
19
en de hemel wordt geopend en tot poorten wordt
20
en de bergen worden in beweging gezet en tot een luchtspiegeling worden.
21
Voorwaar, de Hel heeft op de loer gelegen,
22
voor de overtreders een oord,
23
daarin verblijvend voor eeuwen,
24
daarin noch koelte noch drank proevend,
25
behalve kokend water en een donkere, vuile afscheiding —
26
een passende vergelding.
27
Voorwaar, zij verwachtten geen afrekening
28
en zij loochenden Onze tekenen volkomen.
29
En elk ding hebben Wij in een Boek opgetekend.
30
Proeft dan! Want Wij zullen u niet vermeerderen dan in kwelling.
31
Voorwaar, voor de godvrezenden is er een triomf:
32
tuinen en wijngaarden
33
en welgepaste gezellinnen
34
en een overvloeiende beker.
35
Zij zullen daarin noch ijdel gepraat noch leugen horen —
36
een vergelding van uw Heer, een gave ten volle,
37
Heer der hemelen en der aarde en hetgeen daartussen is, de Albarmhartige; zij bezitten van Hem geen aanspraak.
38
De Dag wanneer de Geest en de engelen in rijen staan, zullen zij niet spreken, behalve hij aan wie de Albarmhartige het heeft toegestaan, en hij spreekt het juiste.
39
Dat is de Dag der Waarheid; wie dan wil, laat hem een weg van terugkeer tot zijn Heer nemen.
40
Voorwaar, Wij hebben u gewaarschuwd voor een nabije kwelling, de Dag wanneer een mens zal aanschouwen wat zijn handen hebben voorgezonden, en degene die verhulde zal zeggen: "Was ik maar stof!"
Commentary

Aantekeningen bij Soera 78 — An-Naba’ (De Tijding)

Algemene opmerkingen

De “geweldige tijding” waarover zij twisten is niet slechts nieuws maar profetische aankondiging. Elke profeet brengt een naba’ — de vraag “waarover bevragen zij elkander?” is eigenlijk: welke profetie betwist gij?

Stamanalyse

v.2: Stam ن-ب-أ (n-b-alif) — “tijding, profetie”

النبأ deelt de stam met نبي (nabie, profeet). De “geweldige tijding” is een profetische aankondiging.

v.17: Stam ف-ص-ل (f-s-l) — “scheiden”

De “Dag der Scheiding” (الفصل) — de Dag scheidt niet slechts, zij scheidt waarheid van valsheid als een wever draden scheidt.

v.40: Stam ك-ف-ر (k-f-r) — “verhullen”

“Degene die verhulde zal zeggen: Had ik maar stof mogen zijn!” De soera eindigt met de verhuller die wenst te worden tot de aarde die bedekt — een wrange ironie. Wie waarheid verhulde wenst zelf verhuld te worden.

Integratieve verbanden

  • v.38 “de Geest en de engelen” ↔ 97:4: de Geest daalt neer op de Nacht der Macht en staat in rang op de Dag der Scheiding — hetzelfde werktuig omlijst openbaring en oordeel.
  • vv.6–16 scheppingscatalogus ↔ 55:1–13: beide soera’s sommen Gods scheppingsdaden op als bewijs vóór een afrekening.
79
An-Nazi'at De Uitrukkers
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij degenen die geweldig uitrukken
2
en degenen die zacht uittrekken
3
en degenen die glijdend zwemmen
4
dan degenen die in het rennen vooruitrennen
5
dan degenen die de zaak besturen:
6
de Dag wanneer de bevende beeft
7
gevolgd door de opvolger —
8
harten zullen op die Dag sidderen,
9
hun ogen neergeslagen.
10
Zij zeggen: "Zullen wij dan waarlijk tot de vorige staat worden teruggebracht?
11
Wat, wanneer wij verkruimelde beenderen zijn?"
12
Zij zeggen: "Dat zou dan een verliesgevende terugkeer zijn!"
13
Doch het zal slechts een enkele stoot zijn
14
en zie, zij zijn op de open vlakte.
15
Is het verhaal van Mozes tot u gekomen?
16
Toen zijn Heer hem riep in de heilige vallei van Tuwa:
17
"Ga tot Farao; voorwaar, hij heeft overtreden.
18
En zeg: 'Hebt gij de wil om uzelf te zuiveren?
19
En ik zal u naar uw Heer leiden, opdat gij moogt vrezen.'"
20
Toen toonde hij hem het grootste teken,
21
doch hij loochende en was ongehoorzaam,
22
toen wendde hij zich af, zich haastend,
23
en hij vergaderde en verkondigde
24
en zeide: "Ik ben uw heer, de allerhoogste!"
25
Dus greep God hem met de straf des Hiernamaals en des eersten.
26
Voorwaar, daarin is een les voor hem die vreest.
27
Zijt gij moeilijker te scheppen of de hemel? Hij bouwde hem.
28
Hij verhief zijn baldakijn en vormde hem,
29
en Hij verduisterde zijn nacht en bracht zijn voormiddag voort,
30
en de aarde — daarna spreidde Hij haar uit.
31
Hij bracht uit haar haar water en haar weide voort
32
en de bergen zette Hij vast —
33
een voorziening voor u en voor uw vee.
34
Wanneer dan de Grote Ramp komt,
35
de Dag waarop de mens gedenkt waarvoor hij streefde
36
en de Laai wordt voortgebracht voor hem die ziet —
37
wat dan betreft hem die overtrad
38
en het leven dezer wereld verkoos,
39
voorwaar, de Laai zal zijn toevlucht zijn.
40
En wat betreft hem die het standpunt zijns Heren vreesde en de ziel haar gril verbood,
41
voorwaar, de Tuin zal zijn toevlucht zijn.
42
Zij vragen u over het Uur: "Wanneer is haar aankomst?"
43
Welk deel hebt gij in de vermelding ervan?
44
Tot uw Heer is haar eindbestemming.
45
Gij zijt slechts een waarschuwer voor hem die het vreest.
46
Alsof zij, de Dag dat zij het zien, niet langer hadden verwijld dan een avond of haar voormiddag.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 79 — An-Naazi’aat (De Ontrukkenden)

Algemene opmerkingen

Wezens die ontrukken of uittrekken — zielen uit lichamen, sterren uit banen, stammen uit de grond. De dubbelzinnigheid is opzettelijk.

Stamanalyse

v.1: Stam ن-ز-ع (n-z-ayn) — “ontrukken, uittrekken”

النازعات — dezelfde gewelddadige ontrukking geldt voor dood, kosmische ontbinding en ontstaming der goddelozen.

v.18: Stam ز-ك-و (z-k-w) — “zuiveren”

Mozes vraagt Farao: “Hebt gij de wil u te zuiveren?” تزكى — dezelfde stam als زكاة (zakaat, zuiverende aalmoes). Farao wordt niet eerst bedreigd maar uitgenodigd tot zuivering. Zijn weigering in v.21 (“hij loochende en was ongehoorzaam”) maakt de straf rechtvaardig.

v.41: Stam ج-ن-ن (j-n-n) — “verhullen”

“De Tuin (الجنة) zal zijn toevlucht zijn” — de verborgen plaats. Gepaard met v.40 “die de Standplaats zijns Heren vreesde” — het verborgen Rijk is toevlucht voor wie zich niet voor Gods blik verhulde.

Integratieve verbanden

  • v.24 Farao’s “ik ben uw heer, de allerhoogste” ↔ 87:1 “verheerlijk de naam uws Heren, de Allerhoogste”: Farao claimt de titel die God alleen toebehoort — Al-A’la antwoordt met de ware Allerhoogste.
  • vv.27–33 scheppingspassage ↔ 80:24–32: bijna identieke catalogi van hemel, aarde, water, grasland — de twee soera’s vormen een paar.
80
'Abasa Hij Fronste
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Hij fronste en wendde zich af
2
omdat de blinde man tot hem kwam.
3
En wat zou u doen weten? Wellicht zou hij zich zuiveren
4
of herinnerd worden, en de herinnering hem baten.
5
Wat betreft hem die zichzelf toereikend acht,
6
tot hem wendt gij u,
7
hoewel het niet op u rust indien hij zich niet zuivert.
8
Doch wat betreft hem die tot u kwam, strevend
9
en hij vreest —
10
van hem zijt gij afgeleid.
11
Neen! Voorwaar, het is een gedenkenis,
12
laat dan wie wil het ter harte nemen,
13
in geëerde rollen,
14
verheven, gezuiverd,
15
door de handen van schrijvers
16
edel, rechtvaardig.
17
Dat de mens verga! Hoe ondankbaar is hij!
18
Waaruit schiep Hij hem?
19
Uit een druppel schiep Hij hem en mat hem af,
20
dan maakte Hij de weg gemakkelijk voor hem,
21
dan deed Hij hem sterven en begroef hem,
22
dan, wanneer Hij wil, zal Hij hem opwekken.
23
Neen! Hij heeft nog niet vervuld wat Hij hem gebood.
24
Laat de mens dan naar zijn voedsel kijken:
25
dat Wij overvloedig water nedergoten,
26
dan spleten Wij de aarde,
27
en Wij deden daarin graan groeien
28
en druiven en vers kruid
29
en olijven en palmen
30
en dichte tuinen
31
en fruit en veevoeder —
32
een voorziening voor u en voor uw vee.
33
Wanneer dan de Verdovende Stoot komt,
34
de Dag waarop een mens vlucht voor zijn broeder
35
en zijn moeder en zijn vader
36
en zijn echtgenote en zijn zonen —
37
eenieder onder hen zal op die Dag een zaak hebben die hem voldoende bezighoudt.
38
Aangezichten zullen op die Dag stralend zijn,
39
lachend, zich verheugend,
40
en aangezichten zullen op die Dag stof op zich hebben,
41
bedekt met duisternis —
42
dezen zijn degenen die verhulden, de goddelozen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 80 — ‘Abasa (Hij Fronste)

Algemene opmerkingen

God corrigeert Zijn eigen Profeet om een gelaatsuitdrukking — de maatstaf der verantwoordelijkheid strekt zich uit tot onwillekeurige gebaren wanneer een oprechte zoeker wordt afgewezen.

Stamanalyse

v.1: Stam ع-ب-س (‘ayn-b-s) — “fronsen”

Een zichtbare samentrekking van het gelaat. De soera opent met God die Zijn Profeet corrigeert om een gezichtsuitdrukking — het strengste bewijs dat goddelijke verantwoording geen rang ontziet.

v.3: Stam ز-ك-و (z-k-w) — “zuiveren”

De blinde man zou zich “zuiveren” (يزكى) door de boodschap. De zuiveringsstam verbindt het medium (gezuiverde rollen, v.14) met de zoeker — zuiverheid ontmoet zuiverheid.

v.42: Stam ك-ف-ر (k-f-r) — “verhullen”

“Dezen zijn degenen die verhuld hebben, de goddelozen.” Gezichten bedekt met duisternis (v.41) zijn degenen die verhullen — de uiterlijke duisternis weerspiegelt de innerlijke daad van verhulling.

Integratieve verbanden

  • v.17 “verga de mens! Hoe ondankbaar is hij!” ↔ 100:6 “de mens is ondankbaar jegens zijn Heer”: dezelfde diagnose — menselijke ondankbaarheid ondanks het gewezen pad.
  • vv.24–32 voedselcatalogus ↔ 55:10–12: aarde gespleten, graan gegroeid, vrucht voortgebracht — schepping als bewijs van barmhartigheid.
81
At-Takwir De Opvouwing
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de zon wordt opgevouwen
2
en wanneer de sterren vaal worden
3
en wanneer de bergen in beweging worden gezet
4
en wanneer de tienmaands drachtige kamelinnen worden verlaten
5
en wanneer de wilde dieren worden vergaderd
6
en wanneer de zeeën in brand worden gestoken
7
en wanneer de zielen worden gepaard
8
en wanneer het levend begraven meisje wordt gevraagd
9
voor welke zonde zij werd gedood
10
en wanneer de rollen worden opengespreid
11
en wanneer de hemel wordt afgestroopt
12
en wanneer de Laai wordt ontstoken
13
en wanneer de Tuin nabij wordt gebracht —
14
zal een ziel weten wat zij heeft voortgebracht.
15
Neen! Ik zweer bij de terugtrekkenden,
16
de renners, de verbergers,
17
en bij de nacht wanneer hij wijkt
18
en bij de dageraad wanneer hij ademt —
19
voorwaar, het is het woord van een edele boodschapper,
20
begiftigd met macht, veilig bij de Heer des Troons,
21
daar gehoorzaamd, betrouwbaar.
22
En uw metgezel is niet bezeten.
23
En voorwaar, hij zag hem aan de heldere horizon,
24
en hij houdt het Onzienlijke niet achter,
25
en het is niet het woord van een vervloekte duivel.
26
Waarheen gaat gij dan?
27
Het is niets dan een Gedenkenis voor de werelden,
28
voor wie onder u recht wil gaan.
29
En gij wilt niet, tenzij God wil, de Heer der werelden.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 81 — At-Takwier (De Ineenvouwing)

Algemene opmerkingen

De zon wordt ineengevouwen als een tulband die gewonden wordt — het licht wordt niet vernietigd maar weggevouwen. Wat bij de schepping werd ontvouwd, wordt teruggewonden.

Stamanalyse

v.1: Stam ك-و-ر (k-w-r) — “vouwen, winden”

كورت — de zon wordt ineengevouwen. Het beeld is van ontvouwing bij de schepping die bij het einde wordt teruggewonden — het kosmische boekslot van de openbaring.

vv.8–9: Stam و-أ-د (w-alif-d) — “levend begraven”

“Wanneer het levend begraven meisje gevraagd wordt om welke zonde zij gedood werd.” الموءودة — het slachtoffer wordt benoemd, niet de misdaad. Op de Dag is het vermoorde meisje de getuige — de stemloze krijgt een stem.

vv.15–16: Stam خ-ن-س (ch-n-s) — “terugtrekken, verbergen”

“De terugtrekkenden, de renners, de verbergers” — verborgen hemelse bewegingen die zweren bij de waarheid der openbaring. Planeten die schijnbaar achterwaarts bewegen — kosmische verschijningen.

Integratieve verbanden

  • vv.19–21 “het woord van een edele boodschapper… gehoorzaamd, betrouwbaar” ↔ 97:4: Gabriël als drager der openbaring in beide soera’s.
  • v.27 “een Herinnering voor de werelden” ↔ 55:1–2: de Voordracht als universele herinnering — niet tot één volk gericht maar tot alle werelden.
82
Al-Infitar De Splijting
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de hemel gespleten wordt
2
en wanneer de sterren verstrooid worden
3
en wanneer de zeeën losbarsten
4
en wanneer de graven worden omgekeerd —
5
zal een ziel weten wat zij heeft voorgezonden en wat zij heeft achtergehouden.
6
O gij mens! Wat heeft u bedrogen aangaande uw Heer, de Milddadige,
7
Die u schiep, u dan vormde, u dan in de juiste verhoudingen schiep?
8
In welke vorm Hij ook wilde, stelde Hij u samen.
9
Neen! Doch gij loochent het Oordeel,
10
en voorwaar, over u zijn bewakers,
11
edelen, optekenaars,
12
die weten wat gij doet.
13
Voorwaar, de rechtvaardigen zullen in gelukzaligheid zijn
14
en voorwaar, de goddelozen zullen in een laai zijn.
15
Zij zullen haar binnengaan op de Dag des Oordeels
16
en zij zullen er niet uit weg zijn.
17
En wat zal u doen weten wat de Dag des Oordeels is?
18
Dan wat zal u doen weten wat de Dag des Oordeels is?
19
De Dag waarop geen ziel een andere ziel in iets zal baten, en het bevel op die Dag zal Gods zijn.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 82 — Al-Infitaar (De Opensplijting)

Algemene opmerkingen

De hemel splijt open — dezelfde stam als فِطْرَة (fitra, de oorspronkelijke aard) en فَاطِر (Faatir, de Voortbrenger). Wat God opensplijt om te beginnen, splijt Hij opnieuw open om te vernieuwen.

Stamanalyse

v.1: Stam ف-ط-ر (f-th-r) — “opensplijten, voortbrengen”

انفطرت — de opensplijting der hemelen op de Dag des Oordeels weerklinkt met de oorspronkelijke opensplijting der schepping. Het begin en het einde zijn dezelfde goddelijke daad.

v.6: Stam غ-ر-ر (gh-r-r) — “misleiden”

“Wat heeft u misleid aangaande uw Heer, de Edelmoedige?” غرك — de stam der misleiding. De vraag is verplettend: God is الكريم (al-Kariem, de Edelmoedige) — welke mogelijke misleiding doet u afkeren van edelmoedigheid zelf?

vv.10–12: Stam ح-ف-ظ (h-f-zh) — “bewaken”

“Over u zijn bewakers, edelen, optekenend.” De optekenende engelen zijn geen bespieders maar bewakers (stam ح-ف-ظ, bewaren). Zij bewaren uw daden gelijk God u bewaart.

Integratieve verbanden

  • v.19 “het bevel op die Dag is Gods” ↔ 55:29 “elke dag is Hij bezig met een zaak”: goddelijke soevereiniteit werkt dagelijks doch wordt ten volle geopenbaard op de Dag des Oordeels.
  • v.7 “schiep u, vormde u, bracht u in evenwicht” ↔ 87:2–3: dezelfde drieledige scheppingsopeenvolging.
83
Al-Mutaffifin De Bedriegerijen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wee de bedriegers,
2
die, wanneer zij van de mensen de maat nemen, de volle maat nemen,
3
doch wanneer zij voor hen meten of wegen, minder geven.
4
Rekenen dezen er niet op dat zij zullen worden opgewekt
5
voor een machtige Dag,
6
de Dag waarop de mensen voor de Heer der werelden zullen staan?
7
Neen! Voorwaar, het register der goddelozen is in Sijjin.
8
En wat zal u doen weten wat Sijjin is?
9
Een geschreven boek.
10
Wee op die Dag de loochenaars,
11
die de Dag des Oordeels loochenen.
12
En niemand loochent het behalve elke zondige overtreder
13
die, wanneer Onze tekenen hem worden voorgedragen, zegt: "Verhalen der ouden!"
14
Neen! Doch hetgeen zij verdienden heeft op hun harten geroest.
15
Neen! Voorwaar, op die Dag zullen zij van hun Heer gesluierd zijn.
16
Dan voorwaar, zij zullen de Laai binnengaan.
17
Dan zal gezegd worden: "Dit is hetgeen gij pleegt te loochenen."
18
Neen! Voorwaar, het register der rechtvaardigen is in 'Illiyyin.
19
En wat zal u doen weten wat 'Illiyyin is?
20
Een geschreven boek,
21
aanschouwd door de nabijgebrachten.
22
Voorwaar, de rechtvaardigen zullen in gelukzaligheid zijn,
23
op rustbanken, schouwend.
24
Gij zult in hun aangezichten de glans der gelukzaligheid herkennen.
25
Zij worden te drinken gegeven van een verzegelde nectar
26
wiens zegel muskus is — en laat daarvoor de strevers streven —
27
en wiens mengsel van Tasnim is,
28
een bron waaruit de nabijgebrachten drinken.
29
Voorwaar, degenen die zondigden pleegden te lachen over degenen die geloofden,
30
en wanneer zij hen voorbijgingen, knipoogden zij naar elkander,
31
en wanneer zij terugkeerden tot hun volk, keerden zij schertserend terug,
32
en wanneer zij hen zagen, zeiden zij: "Voorwaar, dezen zijn afgedwaald!"
33
Doch zij waren niet als bewakers over hen gezonden.
34
Op deze Dag dan zullen degenen die geloofden lachen over degenen die verhulden,
35
op rustbanken, schouwend.
36
Zijn degenen die verhulden vergolden voor hetgeen zij pleegden te doen?
Commentary

Aantekeningen bij Soera 83 — Al-Moetaffifien (De Bedriegers)

Algemene opmerkingen

Economisch onrecht als toegangszonde: bedrieg de weegschaal en het hart verroest, het hart verroest en gij wordt van uw Heer afgesluierd.

Stamanalyse

v.14: Stam ر-ي-ن (r-j-n) — “verroesten”

“Hetgeen zij verdienden heeft op hun harten verroest (ران).” Roest of aanslag die zich op een oppervlak ophoopt — een bedekkingsparallel met ك-ف-ر: waar kafara waarheid opzettelijk bedekt, bedekt raana het hart door opgehoopte zonde. Het hart wordt ondoorzichtig — en v.15 volgt: “zij zullen van hun Heer afgesluierd zijn.” Roest leidt tot sluier.

v.1: Stam ط-ف-ف (th-f-f) — “te kort doen”

المطففين — bedriegers die voluit nemen maar minder geven. De stam betekent afromen, verminderen. De soera plaatst economisch onrecht als de toegangszonde.

vv.25–26: Stam خ-ت-م (ch-t-m) — “verzegelen”

“Verzegelde nectar wier zegel muskus is.” مختوم — dezelfde stam als “Zegel der Profeten” (33:40). De rechtvaardigen drinken uit een verzegeld vat — gewaarmerkt, bewaard, onvervalst.

Integratieve verbanden

  • vv.1–3 de weegschaal bedriegen ↔ 55:7–9 “de Weegschaal… maakt de Weegschaal niet gebrekkig”: de Bedriegers overtreden precies wat Ar-Rahmaan gebiedt — rechtvaardige maat.
  • v.14 roest op harten ↔ 2:7 “God heeft hun harten verzegeld”: twee mechanismen van geestelijke blindheid — roest (geleidelijke ophoping) en zegel (goddelijk antwoord op volhardende verhulling).
84
Al-Inshiqaq De Scheuring
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de hemel gescheurd wordt
2
en gehoor geeft aan haar Heer, zoals het moet,
3
en wanneer de aarde wordt uitgestrekt
4
en uitwerpt wat in haar is en geledigd wordt
5
en gehoor geeft aan haar Heer, zoals het moet —
6
O gij mens! Voorwaar, gij zwoegt naar uw Heer toe, een zwaar gezwoeg, en gij zult Hem ontmoeten.
7
Wat dan betreft hem die zijn boek in zijn rechterhand wordt gegeven,
8
hij zal met een gemakkelijke afrekening worden afgerekend
9
en zal naar zijn volk terugkeren, zich verheugend.
10
Doch wat betreft hem die zijn boek achter zijn rug wordt gegeven,
11
hij zal om vernietiging roepen
12
en zal de Laai binnengaan.
13
Voorwaar, hij was onder zijn volk zich verheugend;
14
voorwaar, hij meende dat hij nooit zou terugkeren.
15
Neen! Voorwaar, zijn Heer was immer waakzaam over hem.
16
Neen! Ik zweer bij de avondgloed
17
en bij de nacht en wat zij vergadert
18
en bij de maan wanneer zij vol is —
19
gij zult zekerlijk trede na trede berijden.
20
Wat mankeert hen dan dat zij niet geloven?
21
En wanneer de Voordracht hun wordt voorgedragen, werpen zij zich niet neder.
22
Neen, degenen die verhullen loochenen,
23
en God weet het best wat zij herbergen.
24
Geef hun dan tijding van een pijnlijke kwelling,
25
behalve degenen die geloven en rechtvaardige werken doen — voor hen is een onuitputtelijk loon.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 84 — Al-Insjiqaaq (De Splijting)

Algemene opmerkingen

De hemel splijt en gehoorzaamt zijn Heer — ware splijting is onderwerping. Menselijk schisma is weigering. Het leven is harde arbeid naar een ontmoeting met God.

Stamanalyse

v.1: Stam ش-ق-ق (sj-q-q) — “splijten”

انشقت — de hemel splijt en gehoorzaamt zijn Heer, “zoals hij moet” (v.2). Wanneer de hemel splijt is het geen opstand maar gehoorzaamheid. Ware splijting is toewijding; menselijk schisma is weigering.

v.6: Stam ك-د-ح (k-d-h) — “zwoegen”

“Gij zwoegt naar uw Heer, een hard zwoegen.” كادح — degene die zwoegt totdat de huid versleten is. Het leven is harde arbeid naar een ontmoeting met God — geen straf maar pelgrimstocht. De ontmoeting is onvermijdelijk; slechts de aard van de arbeid verschilt.

v.19: Stam ط-ب-ق (th-b-q) — “laag op laag”

“Gij zult onherroepelijk laag op laag (طبقا عن طبق) doorrijden.” De stam duidt op voortschrijdende beweging door toestanden — dood, opstanding, oordeel als opeenvolgende lagen. Dit is niet cyclisch maar opwaarts.

Integratieve verbanden

  • vv.16–18 eed bij schemering, nacht en volle maan ↔ 91:1–4: beide soera’s zweren bij hemelse cycli, maar Al-Insjiqaaq benadrukt overgangen — schemering, vergadering, volheid.
  • v.19 “laag op laag” ↔ voortschrijdende openbaring: het koranische visioen van menselijke geestelijke voortgang weerspiegelt het bahaa’ie-begrip van opeenvolgende Bedeelingen — elke een nieuwe tabaqah (laag).
85
Al-Buruj De Sterrenbeelden
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de hemel der sterrenbeelden
2
en bij de Beloofde Dag
3
en bij de getuige en het betuigde:
4
mogen vergaan de lieden der greppel,
5
het vuur rijk aan brandstof,
6
toen zij erbij zaten
7
en zij getuigen waren van hetgeen zij de gelovigen aandeden.
8
En zij wroken zich op hen om niets anders dan dat zij geloofden in God, de Machtige, de Geprezene,
9
Hij aan Wie het gezag der hemelen en der aarde behoort; en God is Getuige over alle dingen.
10
Voorwaar, degenen die de gelovige mannen en de gelovige vrouwen vervolgden, en dan geen berouw toonden — voor hen is de kwelling der Hel en voor hen is de kwelling des Brandens.
11
Voorwaar, degenen die geloven en rechtvaardige werken doen — voor hen zijn Tuinen waaronder rivieren stromen; dat is de grote triomf.
12
Voorwaar, de greep uws Heren is streng.
13
Voorwaar, Hij is het Die begint en herhaalt,
14
en Hij is de Vergevende, de Liefdevolle,
15
Heer des Troons, de Glorierijke,
16
Doener van wat Hij wil.
17
Is het verhaal der legers tot u gekomen —
18
van Farao en Thamud?
19
Neen, degenen die verhullen zijn in loochening,
20
en God omvat hen van achter.
21
Neen, het is een glorierijke Voordracht
22
op een Bewaarde Tafel.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 85 — Al-Boeroedj (De Sterrenbeelden)

Algemene opmerkingen

De hemel der sterrenbeelden toont zijn tekenen openlijk, in contrast met degenen die op aarde de tekenen proberen te onderdrukken. Het Volk der Geul verbrandt gelovigen levend — de uiterste vervolging. Toch biedt v.10 zelfs hen berouw aan.

Stamanalyse

v.14: Stam و-د-د (w-d-d) — “liefhebben”

“Hij is de Vergevende, de Liefdevolle (الودود).” Direct na “de greep uws Heren is streng” (v.12) — goddelijke liefde en goddelijke strengheid zijn geen tegenspraken maar twee gezichten van dezelfde betrokkenheid.

v.10: Stam ف-ت-ن (f-t-n) — “vervolgen, beproeven”

“Degenen die de gelovige mannen en vrouwen vervolgden (فتنوا)” — dezelfde stam als فتنة (fitna, beproeving/vervolging). “Vervolgens geen berouw hadden” houdt in dat zij berouw hadden kunnen hebben.

vv.21–22: “een glorierijke Voordracht in een Bewaard Schrijfblad (لوح محفوظ)”

De Voordracht bestaat in een bewaarde, transcendente bron — het Bewaarde Schrijfblad en het Verborgen Boek (56:78) wijzen naar dezelfde werkelijkheid.

Integratieve verbanden

  • v.13 “Hij begint en herhaalt” ↔ voortschrijdende openbaring: Gods scheppingspatroon is aanvang en terugkeer — elke Bedeeling een nieuw begin dat de eeuwige boodschap herhaalt.
  • v.21–22 ↔ 56:77–78: de Voordracht in haar transcendente, bewaarde bron.
86
At-Tariq De Nachtkomer
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de hemel en de nachtkomer —
2
en wat zal u doen weten wat de nachtkomer is?
3
De doordringende ster.
4
Er is geen ziel of er is een bewaker over haar.
5
Laat de mens dan bezien waaruit hij is geschapen:
6
hij is geschapen uit een gutsend water
7
voortkomend van tussen de ruggengraat en de ribben.
8
Voorwaar, Hij is in staat hem terug te brengen,
9
de Dag waarop de geheimen worden beproefd.
10
Dan zal hij geen kracht en geen helper hebben.
11
Bij de hemel van de weerkerende regen
12
en bij de aarde van het splijtende zaad —
13
voorwaar, het is een beslissend woord
14
en het is geen scherts.
15
Voorwaar, zij beramen een plan
16
en Ik beraam een plan.
17
Verleen dan uitstel aan degenen die verhullen; verleen hun een weinig uitstel.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 86 — At-Taariq (De Nachtklopper)

Algemene opmerkingen

De doorborende ster klopt op de duisternis — openbaring als een nachtkomer die arriveert wanneer men het minst verwacht en doordringt.

Stamanalyse

v.1: Stam ط-ر-ق (th-r-q) — “kloppen, bij nacht komen”

الطارق — degene die bij nacht klopt. De stam draagt zowel de zin van nachtelijke aankomst als van hameren/slaan. De doorborende ster is niet slechts helder maar arriveert — zij klopt op de duisternis.

v.11: Stam ر-ج-ع (r-dj-ayn) — “terugkeren”

“De hemel van de terugkerende regen (الرجع).” De terugkeer van de regen en de terugkeer van de mens worden samen bezworen — natuurlijke kringlopen getuigen van opstanding.

v.12: Stam ص-د-ع (s-d-ayn) — “splijten”

“De aarde van het splijtende zaad (الصدع).” De gepaarde eden — terugkerende regen boven, splijtende aarde beneden — kaderen de schepping als een kringloop van nederdaling en opkomst, precies zoals de opstanding zal zijn.

Integratieve verbanden

  • v.4 “er is geen ziel of zij heeft een bewaker over zich” ↔ 82:10–12: het bewakerbeginsel doorheen beide soera’s — elke ziel wordt bewaakt, bewaard, verantwoord.
  • v.13 “een beslissend woord, geen scherts” ↔ 77:50: de Voordracht is geen vermaak maar scheiding van waarheid en valsheid.
87
Al-A'la De Allerhoogste
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Verheerlijk de naam uws Heren, de Allerhoogste,
2
Die schiep en vervolgens in de juiste verhoudingen schiep,
3
en Die mat en vervolgens leidde,
4
en Die de weide voortbracht
5
en haar toen tot verduisterde stoppels maakte.
6
Wij zullen u doen voordragen, en gij zult niet vergeten,
7
behalve wat God wil; voorwaar, Hij weet wat openbaar is en wat verborgen.
8
En Wij zullen u vergemakkelijken naar de gemakkelijkste weg.
9
Herinner dan, indien de herinnering baat.
10
Hij die vreest zal gedenken,
11
en de ellendigste zal het mijden,
12
hij die het Grote Vuur zal binnengaan,
13
en dan noch daarin sterft noch leeft.
14
Hij heeft welvaren die zichzelf zuivert
15
en de naam zijns Heren gedenkt, en bidt.
16
Neen, doch gij verkiest het leven dezer wereld,
17
terwijl het Hiernamaals beter en bestendiger is.
18
Voorwaar, dit is in de vroegere Schriften,
19
de Schriften van Abraham en Mozes.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 87 — Al-A’la (De Allerhoogste)

Algemene opmerkingen

De directe weerlegging van Farao’s aanspraak in 79:24 (“ik ben uw heer, de allerhoogste”). De soera herstelt de titel bij God. Zij verwijst uitdrukkelijk naar de geschriften van Abraham en Mozes.

Stamanalyse

v.1: Stam ع-ل-و (‘ayn-l-w) — “hoog zijn, verheffen”

الأعلى — de overtreffende trap: niet slechts hoog maar de allerhoogste. Het bevel “verheerlijk de naam uws Heren, de Allerhoogste” is de directe weerlegging van elke valse aanspraak op opperheerschappij.

v.7: Stam ظ-ه-ر / خ-ف-ي — “het openbare en het verborgene”

“Hij kent het openbare en het verborgene” — het zahir/batin-beginsel. Gods kennis omvat beide dimensies.

vv.18–19: Stam ص-ح-ف (s-h-f) — “rollen, geschriften”

“De vroegere Geschriften, de Geschriften van Abraham en Mozes.” De soera claimt uitdrukkelijk dat haar inhoud reeds in eerdere openbaringen aanwezig was — voortschrijdende openbaring bevestigd binnen de tekst zelf.

Integratieve verbanden

  • vv.14–15 “welgevaren is hij die zich zuivert en de naam zijns Heren herinnert” ↔ 91:9 “welgevaren is hij die haar zuivert”: identieke taal, identieke voorwaarde — zuivering als het pad naar welvaart.
  • vv.18–19 ↔ 53:36–37: ook Soera An-Nadjm verwijst naar de rollen van Abraham en Mozes.
88
Al-Ghashiyah De Overweldigende
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Is de tijding der Overweldigende tot u gekomen?
2
Aangezichten, op die Dag, neergeslagen,
3
zwoegend, afgetobd,
4
een verschroeiend vuur binnengaand,
5
te drinken gegeven uit een kokende bron.
6
Geen voedsel voor hen behalve bittere doorn,
7
die noch voedt noch baat tegen de honger.
8
Aangezichten, op die Dag, gelukzalig,
9
met hun streven welvoldaan,
10
in een verheven Tuin,
11
waarin zij geen ijdel gepraat horen,
12
waarin een stromende bron is,
13
waarin verheven rustbanken zijn
14
en bekers neergezet
15
en kussens in rijen gerangschikt
16
en tapijten uitgespreid.
17
Beschouwen zij niet de kamelen, hoe zij geschapen zijn?
18
En de hemel, hoe hij verheven is?
19
En de bergen, hoe zij zijn opgericht?
20
En de aarde, hoe zij is uitgespreid?
21
Herinner dan; gij zijt slechts een herinnerer.
22
Gij zijt geen opzichter over hen —
23
behalve hem die zich afwendt en verhult;
24
hem zal God kastijden met de grotere kastijding.
25
Voorwaar, tot Ons is hun terugkeer,
26
dan voorwaar, op Ons rust hun afrekening.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 88 — Al-Ghaasjijah (De Overweldigende)

Algemene opmerkingen

De Dag des Oordeels is zelf een bedekking — zij overweldigt alle andere werkelijkheden. De ironie: wie waarheid verhulde wordt nu door de Waarheid verhuld.

Stamanalyse

v.1: Stam غ-ش-ي (gh-sj-j) — “overweldigen, bedekken”

الغاشية — dat wat bedekt of overweldigt. Een bedekkingsstam naast ك-ف-ر en ر-ي-ن. De Dag des Oordeels bedekt alles — wie waarheid bedekte wordt nu door Waarheid bedekt.

v.22: Stam س-ي-ط-ر (s-j-th-r) — “overheersen”

“Gij zijt geen overheerser (بمسيطر) over hen.” De Profeet wordt uitdrukkelijk dwingend gezag ontzegd. Zijn rol is slechts herinnering (v.21). Een grondleggend vers voor godsdienstvrijheid in de koranische ethiek.

v.12: Stam ع-ي-ن (‘ayn-j-n) — “bron EN oog”

“Een vloeiende bron” — عين draagt de dubbele betekenis: de bron in de verheven Tuin is ook een oog — een bron van inzicht die vloeit.

Integratieve verbanden

  • vv.17–20 “kijken zij niet naar de kamelen… de hemel… de bergen… de aarde” ↔ 78:6–16: beide soera’s nodigen uit tot beschouwing der natuur als bewijs.
  • v.22 geen overheerser ↔ 2:256 “geen dwang in de godsdienst”: godsdienstvrijheid als koranisch beginsel.
89
Al-Fajr De Dageraad
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de Dageraad
2
en bij tien nachten
3
en bij het even en het oneven
4
en bij de nacht wanneer hij wijkt —
5
is daarin een eed voor een die verstand bezit?
6
Hebt gij niet gezien hoe uw Heer handelde met Ad,
7
Iram der zuilen,
8
wier gelijke niet geschapen was in de landen?
9
En Thamud, die de rotsen uithouwden in het dal?
10
En Farao der palen?
11
Die in de landen overtraden
12
en daarin veel verderf aanrichtten?
13
Dus goot uw Heer over hen een zweepslag der kastijding.
14
Voorwaar, uw Heer is op de wacht.
15
Wat de mens betreft, wanneer zijn Heer hem beproeft en hem eert en hem zegent, zegt hij: Mijn Heer heeft mij geëerd!
16
Doch wanneer Hij hem beproeft en zijn voorziening beperkt, zegt hij: Mijn Heer heeft mij vernederd!
17
Neen! Doch gij eert de wees niet
18
en gij dringt niet aan op het voeden der behoeftigen
19
en gij verslindt de erfenis met verslindende hebzucht
20
en gij bemint de rijkdom met buitensporige liefde.
21
Neen! Wanneer de aarde tot stof wordt vermalen, gemalen en nogmaals gemalen,
22
en uw Heer komt, en de engelen rang op rang,
23
en de Hel wordt voortgebracht op die Dag — op die Dag zal de mens gedenken, doch wat zal de gedenkenis hem baten?
24
Hij zal zeggen: Had ik maar voorgezonden voor mijn leven!
25
Op die Dag dan zal niemand straffen zoals Hij straft
26
en niemand zal binden zoals Hij bindt.
27
O gij ziel in rust!
28
Keer terug tot uw Heer, welvoldaan, welbehaaglijk.
29
Treed dan binnen onder Mijn dienaren
30
en treed Mijn Tuin binnen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 89 — Al-Fadjr (De Dageraad)

Algemene opmerkingen

De dageraad als de opensplijting der duisternis — het dagelijkse bewijs dat duisternis niet standhoudt. De eed bij de dageraad zweert bij de dagelijkse opstanding.

Stamanalyse

v.1: Stam ف-ج-ر (f-dj-r) — “opensplijten, dageraad”

De stam geeft ook فجور (foedjoer, goddeloosheid) — letterlijk een losbarsting van kwaad. Dageraad en goddeloosheid delen een stam omdat beide door een oppervlak breken. De eed “bij de Dageraad” zweert bij het dagelijkse bewijs dat duisternis niet standhoudt.

vv.27–30: Stam ن-ف-س (n-f-s) — “ziel, adem”

“O gij ziel in vrede! Keer terug tot uw Heer.” النفس المطمئنة — de ziel in vrede, het gevestigde zelf. De hoogste standplaats der ziel in de Voordracht. Het bevel “keer terug” (ارجعي) gebruikt dezelfde stam als radj’ (terugkeer) in 86:11. Regen keert terug, zielen keren terug.

v.21: Stam د-ك-ك (d-k-k) — “verpulveren”

“Wanneer de aarde vergruisd wordt, vergruizing op vergruizing (دكا دكا).” De aarde die als wieg was uitgespreid (78:6) wordt tot niets vermalen.

Integratieve verbanden

  • vv.17–20 wees, behoeftige, erfenis, vermogen ↔ 107:1–3: drie soera’s (Al-Fadjr, Ad-Doeha, Al-Maa’oen) delen dezelfde sociale ethiek — zorg voor wezen en armen als toets des geloofs.
  • vv.27–30 “de ziel in vrede… treed Mijn Tuin binnen” ↔ 55 de verborgen Rijken: de Tuin die de vreedzame ziel betreedt is de djanna — de verborgen werkelijkheid die opengaat voor wie terugkeert.
90
Al-Balad De Stad
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Neen! Ik zweer bij deze stad —
2
en gij zijt een bewoner van deze stad —
3
en bij een verwekker en hetgeen hij verwekte:
4
voorwaar, Wij schiepen de mens in zwoegen.
5
Denkt hij dat niemand macht over hem heeft?
6
Hij zegt: Ik heb rijkdom in overvloed verkwist!
7
Denkt hij dat niemand hem heeft gezien?
8
Hebben Wij niet voor hem twee ogen gemaakt
9
en een tong en twee lippen
10
en hem naar de twee paden geleid?
11
Doch hij heeft de steile bergpas niet bestegen.
12
En wat zal u doen weten wat de steile bergpas is?
13
Het vrijmaken van een nek,
14
of het voeden op een dag van honger
15
van een wees die een verwant is
16
of een behoeftige in het stof.
17
Dan zij hij van degenen die geloven en elkander aanmanen tot standvastigheid en elkander aanmanen tot barmhartigheid.
18
Dezen zijn de metgezellen der rechterhand.
19
En degenen die Onze tekenen verhulden — zij zijn de metgezellen der linkerhand.
20
Over hen is een vuur gesloten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 90 — Al-Balad (De Stad)

Algemene opmerkingen

De steile doorgang (العقبة) IS de daadwerkelijke consequentie van het geloof: slaven bevrijden, wezen voeden, behoeftigen voeden. Geestelijke opgang is maatschappelijk handelen.

Stamanalyse

vv.11–12: Stam ع-ق-ب (‘ayn-q-b) — “de steile doorgang”

العقبة — een bergpas die inspanning vereist. De steile doorgang IS de consequentie van het geloof: bevrijden (v.13), voeden (vv.15–16). Vóór geloof, vóór geduld — bevrijd iemand.

v.13: Stam ر-ق-ب (r-q-b) — “een nek, een slaaf”

“Het bevrijden van een nek (رقبة).” Letterlijk nek — synecdoche voor een persoon in knechtschap. De eerste definitie der steile doorgang is bevrijding.

v.4: Stam ك-ب-د (k-b-d) — “zwoegen, ontbering”

“Wij schiepen de mens in zwoegen (كبد).” Het woord betekent lever (het orgaan verbonden met lijden) en ontbering. De menselijke toestand is van nature moeizaam — weerklinkend met 84:6.

Integratieve verbanden

  • v.17 “elkander tot barmhartigheid aansporen” ↔ 55:1 “de Albarmhartige”: de stam ر-ح-م verbindt onderlinge menselijke barmhartigheid met Gods primaire zelfidentificatie.
  • vv.19–20 “metgezellen der linkerhand… vuur over hen gesloten” ↔ 104:8: het vuur dat de goddelozen omsluit verschijnt in beide soera’s — omsluiting als het tegengestelde van de open steile doorgang.
91
Ash-Shams De Zon
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de zon en haar ochtendglans
2
en bij de maan wanneer hij haar volgt
3
en bij de dag wanneer hij haar onthult
4
en bij de nacht wanneer hij haar omhult
5
en bij de hemel en wat hem bouwde
6
en bij de aarde en wat haar spreidde
7
en bij een ziel en wat haar vormde
8
en haar haar goddeloosheid en haar godsbewustzijn ingaf —
9
hij heeft welvaren die haar zuivert
10
en hij heeft gefaald die haar bederft.
11
Thamud loochende in hun overtreding,
12
toen de ellendigste hunner opstond.
13
Toen zeide de boodschapper Gods tot hen: De kameelin Gods! En haar drank!
14
Doch zij loochenden hem en verlamden haar, dus verpletterde hun Heer hen om hun zonde en maakte het gelijk,
15
en Hij vreest haar gevolg niet.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 91 — Asj-Sjams (De Zon)

Algemene opmerkingen

De ziel is gevormd met evenwicht — vervolgens begiftigd met zowel goddeloosheid als godvrezendheid. De vorming is neutraal; de keuze is aan de mens.

Stamanalyse

v.7: Stam س-و-ي (s-w-j) — “vormen, gelijkmaken”

“Bij een ziel en Hetgeen haar vormde (سواها).” De stam betekent gelijkmaken, evenredigen, voltooien. De ziel is gevormd met evenwicht — vervolgens begiftigd met beide mogelijkheden (v.8).

v.8: Stam ف-ج-ر / ت-ق-و — “goddeloosheid / godvrezendheid”

“En haar ingaf haar goddeloosheid en haar godvrezendheid (فجورها وتقواها).” Beide worden door God in de ziel gelegd. De stam ف-ج-ر (losbarsten van kwaad) tegenover ت-ق-و (zich beschermen, zich bewust zijn van God). De ziel is een strijdtoneel tussen losbarsting en zelfbescherming.

v.9: Stam ز-ك-و (z-k-w) — “zuiveren”

“Welgevaren is hij die haar zuivert (زكاها).” Welvaart (أفلح, aflaaha — ook “ploegen”) komt door zuivering. De landbouwmetafoor is ingebed: welvaren is de ziel bewerken gelijk men de aarde bewerkt.

Integratieve verbanden

  • vv.11–15 Thamoed-verhaal ↔ 89:9 “Thamoed, die de rotsen uithieuw”: Al-Fadjr noemt hun prestatie; Asj-Sjams vertelt hun ondergang. Samen tonen zij dat beschavingsgrootheid niet tegen geestelijk falen beschermt.
  • v.8 dubbele ingeving ↔ 55:7–9 de Weegschaal: de twee ingevingen der ziel zijn de innerlijke versie van de kosmische Weegschaal — weeg juist of val.
92
Al-Layl De Nacht
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de nacht wanneer hij omhult
2
en bij de dag wanneer hij ontsluiert
3
en bij hetgeen het mannelijke en het vrouwelijke schiep:
4
voorwaar, uw streven is verscheiden.
5
Wat betreft hem die geeft en godsbewust is
6
en het beste bevestigt —
7
Wij zullen hem vergemakkelijken naar het gemak.
8
En wat betreft hem die gierig is en zichzelf toereikend acht
9
en het beste loochent —
10
Wij zullen hem vergemakkelijken naar ontbering.
11
En zijn rijkdom zal hem niet baten wanneer hij valt.
12
Voorwaar, op Ons rust de leiding,
13
en voorwaar, aan Ons behoort het Hiernamaals en het eerste.
14
Dus heb ik u gewaarschuwd voor een laaiend vuur.
15
Niemand zal het binnengaan behalve de ellendigste,
16
die loochende en zich afwendde.
17
En de meest godsbewuste zal er verre van worden gehouden,
18
hij die zijn rijkdom geeft om zichzelf te zuiveren
19
en niemand heeft bij hem enige gunst die vergolden moet worden —
20
slechts het Aanschijn zoekend van zijn Heer, de Allerhoogste.
21
En hij zal waarlijk welvoldaan zijn.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 92 — Al-Lail (De Nacht)

Algemene opmerkingen

De nacht bedekt gelijk de Dag ontsluit — het dagelijkse ritme van bedekking en ontsluiering. God vergemakkelijkt gelijkelijk — de richting hangt af van de keuze des mensen.

Stamanalyse

v.1: Stam غ-ش-ي (gh-sj-j) — “omsluieren”

“Bij de nacht wanneer hij omsluiert (يغشى).” Dezelfde stam als الغاشية (88:1, de Overweldigende). De nacht bedekt; de dag onthult (v.2, تجلى tadjalla — schijnen, zich openbaren). Bedekking en onthulling zijn het dagelijkse ritme.

vv.7, 10: Stam ي-س-ر (j-s-r) — “vergemakkelijken”

“Wij zullen hem vergemakkelijken naar de vergemakkelijking” / “Wij zullen hem vergemakkelijken naar de ontbering.” God vergemakkelijkt gelijkelijk — de richting hangt af van de keuze (geven vs. gierigheid, bevestigen vs. loochenen). Gemak is geen comfort; het is de verwijdering van hindernissen op welk pad men ook gekozen heeft.

v.20: Stam و-ج-ه (w-dj-h) — “aanschijn”

“Slechts het Aanschijn zijns Heren, de Allerhoogste, zoekend.” وجه — gezicht, aanschijn, richting. De meest godvrezende zoekt niet beloning maar het Gelaat Gods. Hetzelfde woord als in 55:27: “slechts het Aanschijn uws Heren blijft.”

Integratieve verbanden

  • vv.1–2 nacht omsluiert / dag onthult ↔ 91:3–4: de twee soera’s zijn een gepaard stel, zwerend bij dezelfde cyclus in omgekeerde volgorde.
  • v.20 “de Allerhoogste” ↔ 87:1: de meest godvrezende van Al-Lail zoekt dezelfde Heer wiens naam Al-A’la opent.
93
Ad-Duha De Ochtenduren
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de ochtenduren
2
en bij de nacht wanneer zij stil is:
3
uw Heer heeft u niet verlaten, noch verafschuwt Hij u.
4
En voorwaar, het Hiernamaals is beter voor u dan het eerste.
5
En voorwaar, uw Heer zal u geven, en gij zult welvoldaan zijn.
6
Vond Hij u niet als wees en gaf u onderdak?
7
En Hij vond u dolend en leidde u?
8
En Hij vond u behoeftig en verrijkte u?
9
Wat dan de wees betreft, onderdrukt hem niet,
10
en wat betreft degene die vraagt, berispt hem niet,
11
en wat betreft de gunst uws Heren, verkondigt haar.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 93 — Ad-Doeha (De Morgengloed)

Algemene opmerkingen

Licht na duisternis, geruststelling na verlatenheid. De persoonlijke geschiedenis des Profeets wordt universeel onderricht: omdat God u beschutting bood, moet gij anderen beschutten.

Stamanalyse

v.1: Stam ض-ح-و (dh-h-w) — “morgenhelderheid”

الضحى — de heldere morgenuren na zonsopgang. De stam draagt warmte en zichtbaarheid. Gepaard met “de nacht wanneer hij stil is” (v.2) beweegt de soera van licht naar duisternis naar geruststelling: de morgen keert altijd terug.

v.3: Stam ق-ل-ي (q-l-j) — “verafschuwen”

“Noch verafschuwt Hij u (قلى).” De ontkenning is nadrukkelijk: God heeft u niet verlaten (ودعك) noch verafschuwt u. Twee stammen, twee ontkenningen — de donkere nacht der ziel des Profeets wordt op het diepste punt beantwoord.

v.6: Stam ع-و-ل (‘ayn-w-l) — “beschutten”

“Vond Hij u niet als wees en bood u beschutting (آوى)?” De levensgeschiedenis des Profeets wordt universeel onderricht: omdat God u beschutte (vv.6–8), moet gij anderen beschutten (vv.9–11). Levensverhaal wordt ethiek.

Integratieve verbanden

  • vv.9–11 wees, bedelaar, schenking ↔ 89:17–20 en 107:1–3: drie soera’s delen dezelfde sociale ethiek — zorg voor wezen en armen als het minimum antwoord op goddelijke schenking.
  • v.4 “het Hiernamaals is beter voor u dan het eerste” ↔ 87:17: identiek onderricht, bijna identieke bewoording.
94
Ash-Sharh De Verruiming
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Hebben Wij niet uw borst voor u verruimd
2
en van u uw last afgenomen
3
die uw rug neerdrukte
4
en uw roem voor u verheven?
5
Zo komt voorwaar met ontbering verlichting.
6
Voorwaar, met ontbering komt verlichting.
7
Wanneer gij dan vrij zijt, streeft voort
8
en wendt u tot uw Heer in verlangen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 94 — Asj-Sjarh (De Verruiming)

Algemene opmerkingen

“Hebben Wij uw borst niet verruimd?” — het hart wordt ruim genoeg gemaakt om openbaring te ontvangen. Dezelfde stam geeft شرح (sjarh, commentaar/verklaring): een tekst openen is de borst openen.

Stamanalyse

v.1: Stam ش-ر-ح (sj-r-h) — “openen, verruimen”

De stam betekent openleggen, verklaren, ruimte maken. “Hebben Wij uw borst niet verruimd?” — het hart wordt wijd genoeg gemaakt om openbaring te ontvangen.

vv.5–6: Stam ع-س-ر / ي-س-ر (‘ayn-s-r / j-s-r) — “ontbering / verlichting”

“Met ontbering komt verlichting” — tweemaal herhaald voor nadruk. العسر (al-‘oesr) is bepalend (DE ontbering — één specifieke); يسرا (joesra) is onbepaald (EEN verlichting — potentieel onbegrensd). Klassieke grammatici merkten op: één bepaalde ontbering, twee onbepaalde verlichtingen. Ontbering is begrensd; verlichting is onbegrensd.

v.4: Stam ذ-ك-ر (dh-k-r) — “vermaardheid, herinnering”

“En uw vermaardheid (ذكرك) verheven.” Dezelfde stam als dhikr (aanroeping Gods). God verhief de herinnering aan de Profeet — telkens wanneer God wordt genoemd, wordt Muhammad naast Hem genoemd in de sjahaadah.

Integratieve verbanden

  • vv.5–6 ontbering/verlichting ↔ 92:7, 10: Al-Lail toont de twee paden; Asj-Sjarh belooft dat het pad der ontbering verlichting in zich draagt.
  • v.7 “wanneer gij vrij zijt, streef voort” ↔ 84:6 “gij zwoegt naar uw Heer”: rust is niet het einde — bevrijding van één last is het begin van de volgende inspanning.
95
At-Tin De Vijg
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de vijg en de olijf
2
en bij de berg Sinaï
3
en bij deze veilige stad:
4
voorwaar, Wij schiepen de mens in de schoonste gestalte,
5
vervolgens brachten Wij hem terug tot het laagste der lagen,
6
behalve degenen die geloven en rechtvaardige werken doen — voor hen is een onuitputtelijk loon.
7
Wat doet u dan na dit alles het Oordeel loochenen?
8
Is God niet de wijste der rechters?
Commentary

Aantekeningen bij Soera 95 — At-Tien (De Vijg)

Algemene opmerkingen

Vier eden, vier heilige plaatsen, vier Bedeelingen. De vijg wijst naar het land van Jezus; de olijf naar Abraham en Mozes; de Sinaï is uitdrukkelijk; “deze veilige stad” is Mekka.

Stamanalyse

v.1: De vijg en de olijf als geografische merktekens

التين en الزيتون — niet willekeurige vruchten maar plaatsaanduidingen. De vijg wijst naar het land van Jezus (de vijgenboom in Marcus 11); de olijf naar het land van Mozes en Abraham (de Olijfberg); de Sinaï (v.2) is uitdrukkelijk; “deze veilige stad” (v.3) is Mekka. Vier eden, vier heilige plaatsen, vier Bedeelingen.

v.4: Stam ق-و-م (q-w-m) — “gestalte, rechtop staan”

“Wij schiepen de mens in de fijnste gestalte (تقويم).” Dezelfde stam als قيامة (opstanding) en het Rechte Pad (المستقيم). De mens is geschapen in de meest rechtopstaande vorm — zowel lichamelijk als geestelijk. De val tot “laagste der lagen” (v.5) is een val uit deze rechtopstandigheid.

v.8: Stam ح-ك-م (h-k-m) — “oordelen, wijs zijn”

“Is God niet de wijste der rechters (أحكم الحاكمين)?” De stam verenigt wijsheid en gerechtigheid. De retorische vraag sluit de soera: na schepping, val en uitzondering — wie zou beter oordelen?

Integratieve verbanden

  • vv.4–5 fijnste gestalte → laagste der lagen ↔ 91:8–10: de ziel begiftigd met beide mogelijkheden weerspiegelt de mens die edel geschapen en vervolgens teruggebracht wordt. Zuivering is de terugweg.
  • vv.1–3 vier heilige plaatsen ↔ voortschrijdende openbaring: vijg (Jezus), olijf (Abraham), Sinaï (Mozes), Mekka (Muhammad) — de edenreeks volgt de profetische keten.
96
Al-Alaq De Klonter
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Draag voor! In de naam uws Heren Die schiep —
2
de mens schiep uit een klonter.
3
Draag voor! En uw Heer is de Milddadigste,
4
Die door de pen onderwees,
5
de mens onderwees wat hij niet wist.
6
Neen! Voorwaar, de mens overtreedt
7
wanneer hij zich zonder behoefte acht.
8
Voorwaar, tot uw Heer is de terugkeer.
9
Hebt gij hem gezien die verbiedt
10
een dienaar wanneer hij bidt?
11
Hebt gij gezien of hij op leiding is
12
of godsbewustzijn gebiedt?
13
Hebt gij gezien of hij loochent en zich afwendt?
14
Weet hij niet dat God ziet?
15
Neen! Indien hij niet ophoudt, zullen Wij hem bij het voorhoofdshaar grijpen —
16
een liegend, zondig voorhoofdshaar.
17
Laat hem dan zijn aanhang roepen;
18
Wij zullen de wachters der Hel roepen.
19
Neen! Gehoorzaam hem niet, doch werp u neder en nader.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 96 — Al-‘Alaq (Het Klontersel)

Algemene opmerkingen

“Draag voor!” — het eerste geopenbaarde woord. Deze stam geeft ons القرآن (al-Qor’aan, de Voordracht). De twee kanalen der openbaring — stem en schrift — worden in de eerste vijf verzen benoemd.

Stamanalyse

v.1: Stam ق-ر-أ (q-r-alif) — “voordragen, lezen”

اقرأ — het eerste geopenbaarde woord. Verbindt direct met 55:2: “leerde de Voordracht” — Gods eerste bevel aan de mensheid via Muhammad is dezelfde daad die 55:2 als Gods eerste onderricht benoemt.

v.2: Stam ع-ل-ق (‘ayn-l-q) — “zich vastklampen, hechten”

“Schiep de mens uit een klampend klontersel (علق).” De stam betekent hechting, afhankelijkheid, verbinding. De mens begint als iets dat klampt — stoffelijk aan de baarmoeder, geestelijk aan God. De titel “Het Klontersel” benoemt ’s mensen wezenlijke toestand: wij zijn wezens die hechten.

v.4: Stam ق-ل-م (q-l-m) — “de pen”

“Die leerde door de pen (القلم).” God onderwijst via twee middelen: voordracht (mondeling, v.1) en de pen (geschreven, v.4). De twee kanalen der openbaring — stem en tekst — worden in de eerste vijf geopenbaarde verzen benoemd.

Integratieve verbanden

  • v.1 “Draag voor!” ↔ 55:2 “leerde de Voordracht”: de eerste openbaring gebiedt wat Ar-Rahmaan beschrijft als Gods eerste daad van onderricht.
  • vv.6–7 “de mens overtreedt wanneer hij zichzelf zonder nood ziet” ↔ 80:5 “die zichzelf toereikend acht”: dezelfde diagnose — zelfgenoegzaamheid als de stam der overtreding.
97
Al-Qadr De Macht
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Voorwaar, Wij hebben het nedergezonden in de Nacht der Macht.
2
En wat zal u doen weten wat de Nacht der Macht is?
3
De Nacht der Macht is beter dan duizend maanden.
4
De engelen en de Geest dalen daarin neder, met het verlof huns Heren, met elk bevel.
5
Vrede is het, tot het aanbreken van de dageraad.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 97 — Al-Qadr (De Macht)

Algemene opmerkingen

De Nacht der Macht is ook de Nacht der Maat en de Nacht der Beschikking. Macht, maat en bestemming convergeren in één stam. De gehele Nacht is vrede (salaam) — dezelfde stam als islaam.

Stamanalyse

v.1: Stam ق-د-ر (q-d-r) — “meten, beschikken, macht hebben”

القدر — de Nacht is niet slechts machtig maar de nacht waarop alle dingen gemeten en beschikt worden voor het komende jaar.

v.4: Stam ن-ز-ل (n-z-l) — “nederdalen”

De engelen en de Geest “dalen daarin neder (تنزل).” De Nacht der Macht wordt bepaald door nederdaling: het Boek daalt neder, de engelen dalen neder, de Geest daalt neder. De hemel stroomt de aarde in.

v.5: Stam س-ل-م (s-l-m) — “vrede, heelheid”

“Vrede is zij, tot het aanbreken der dageraad (سلام).” De gehele Nacht is vrede, ongebroken tot de dageraad. De stam van islaam (toewijding/vrede) doordrenkt deze nacht. De Nacht der Macht IS een nacht van Toewijding.

Integratieve verbanden

  • v.4 “de engelen en de Geest dalen neder” ↔ 78:38 “de Dag waarop de Geest en de engelen in rang staan”: de Geest daalt neer op de Nacht der Macht en staat in rang op de Dag der Scheiding — nederdaling en oprichting als de twee uitersten van het goddelijke plan.
  • v.3 “beter dan duizend maanden” ↔ 84:19 “laag op laag”: de Nacht comprimeert een leven in één nacht — geestelijke lagen zijn niet gebonden aan gewone tijd.
98
Al-Bayyinah Het Duidelijke Bewijs
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Degenen die verhulden onder de Lieden des Boeks en degenen die deelgenoten stellen zouden niet ophouden totdat het Duidelijke Bewijs tot hen kwam:
2
een boodschapper van God, gezuiverde geschriften voordragend,
3
waarin oprechte geschriften zijn.
4
En degenen aan wie het Boek was gegeven verdeelden zich niet dan nadat het Duidelijke Bewijs tot hen was gekomen.
5
En hun was niets bevolen dan God te aanbidden, de godsdienst zuiver aan Hem toewijdend, als zoekers der waarheid, en het gebed te onderhouden en de aalmoezen te geven; en dat is de godsdienst der oprechten.
6
Voorwaar, degenen die verhulden onder de Lieden des Boeks en degenen die deelgenoten stellen zullen in het vuur der Hel zijn, daarin verblijvend; dezen zijn het slechtste der schepping.
7
Voorwaar, degenen die geloven en rechtvaardige werken doen — dezen zijn het beste der schepping.
8
Hun loon bij hun Heer is Tuinen van Eden, waaronder rivieren stromen, daarin voor eeuwig verblijvend. God is welvoldaan over hen en zij zijn welvoldaan over Hem. Dat is voor hem die zijn Heer vreest.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 98 — Al-Bajjinah (Het Heldere Bewijs)

Algemene opmerkingen

Het Heldere Bewijs dat verdeeldheid veroorzaakt en de Uitdrukking die God onderwijst (55:4) delen dezelfde stam ب-ي-ن. Helderheid zelf verdeelt: zodra waarheid helder gemaakt wordt, moeten mensen kiezen.

Stamanalyse

v.1: Stam ب-ي-ن (b-j-n) — “helderen, onderscheiden”

البينة — het Heldere Bewijs. De stam geeft بيان (bajaan, Uitdrukking — 55:4) en مبين (moebien, duidelijk/helder). Het Heldere Bewijs dat verdeeldheid veroorzaakt (v.4) en de Uitdrukking die God onderwijst (55:4) delen dezelfde stam.

v.5: Stam ق-ي-م (q-j-m) — “rechtopstaand, zelfstandig”

“Oprechte geschriften” en “de godsdienst der oprechtheid (دين القيمة).” Dezelfde stam als قيامة (opstanding) en المستقيم (het Rechte Pad). De geschriften zijn niet slechts juist maar zelfstandig — rechtopstaand op hun eigen waarheid.

v.4: Stam ف-ر-ق (f-r-q) — “verdelen”

“Zij verdeelden zich niet dan nadat het Heldere Bewijs tot hen kwam (تفرقوا).” Het drama: het Heldere Bewijs, dat zou moeten verenigen, veroorzaakt verdeeldheid omdat mensen weigeren te aanvaarden wat helder is. Elke nieuwe Manifestatie brengt helderheid, en telkens is de reactie scheuring.

Integratieve verbanden

  • v.1 “zouden niet ophouden totdat het Heldere Bewijs kwam” ↔ voortschrijdende openbaring: het Volk des Boeks en de afgodenaanbidders verwachtten beiden een bewijs — toen het arriveerde, herkenden sommigen het en verdeelden anderen zich.
  • v.5 “de godsdienst zuiver makend voor Hem” ↔ 109:6 “u uw godsdienst en mij mijn godsdienst”: zuivere toewijding en godsdienstig onderscheid zijn complementair.
99
Az-Zalzalah De Aardbeving
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de aarde geschud wordt met haar schudding
2
en de aarde haar lasten voortbrengt
3
en de mens zegt: Wat scheelt haar? —
4
op die Dag zal zij haar tijdingen vertellen,
5
omdat uw Heer haar geïnspireerd heeft.
6
Op die Dag zullen de mensen in verspreide groepen te voorschijn komen om hun daden te worden getoond.
7
Wie dan een atooms gewicht aan goed doet, zal het zien
8
en wie een atooms gewicht aan kwaad doet, zal het zien.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 99 — Az-Zalzalah (De Aardbeving)

Algemene opmerkingen

De aarde beeft met HAAR beving, brengt HAAR lasten voort, vertelt HAAR tijdingen. De aarde is een actieve getuige, niet een passief toneel. Zij ontvangt goddelijke ingeving (wahi) gelijk profeten.

Stamanalyse

vv.1–2: Stam ز-ل-ز-ل (z-l-z-l) — “beven, schudden”

زلزلت… زلزالها — de aarde wordt geschud met HAAR schudding. Het bezittelijk voornaamwoord “haar” is de sleutel: de aardbeving is niet opgelegd maar behoort de aarde toe. Zij beeft met haar eigen beving, brengt haar eigen lasten voort (v.2), vertelt haar eigen tijdingen (v.4).

v.5: Stam و-ح-ي (w-h-j) — “ingeven”

“Uw Heer heeft haar ingegeven (أوحى).” Hetzelfde woord als voor Gods ingeving aan profeten. De aarde ontvangt wahi — goddelijke ingeving. De grond onder uw voeten is een ontvanger van openbaring, bevolen te getuigen.

vv.7–8: Stam ذ-ر-ر (dh-r-r) — “atoom, klein deeltje”

“Een atoomgewicht (ذرة).” Niets ontsnapt aan de afrekening — geen atoom van goed, geen atoom van kwaad. De kracht der soera ligt in deze totaliteit.

Integratieve verbanden

  • vv.7–8 atoomgewicht ↔ 101:6–8 de Weegschaal: de atomaire nauwkeurigheid van Az-Zalzalah voedt de weging van Al-Qaari’ah. Elk atoom wordt gewogen.
  • v.5 de aarde ingegeven ↔ 55:10 “de aarde legde Hij neder voor alle wezens”: de aarde neergelegd in Ar-Rahmaan is dezelfde aarde die getuigt in Az-Zalzalah.
100
Al-Adiyat De Stormlopers
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de stormlopende rossen, hijgend,
2
dan de vonkenslaanders,
3
dan de overvallers bij dageraad,
4
dan jagen zij daarmee een stofspoor op,
5
dan dringen zij daarmee door in een heir:
6
voorwaar, de mens is ondankbaar jegens zijn Heer
7
en voorwaar, hij is daarvan een getuige
8
en voorwaar, in de liefde voor rijkdom is hij heftig.
9
Weet hij niet? Wanneer hetgeen in de graven is wordt omgekeerd
10
en hetgeen in de harten is wordt voortgebracht —
11
voorwaar, hun Heer is op die Dag wél kundig van hen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 100 — Al-‘Aadijaat (De Stormlopers)

Algemene opmerkingen

De eed bij de stormende paarden veroordeelt misdirected energie — de paarden stormen met gerichte kracht, de mens stormt door het leven met gelijke felheid maar gericht op rijkdom in plaats van God.

Stamanalyse

v.1: Stam ع-د-و (‘ayn-d-w) — “stormlopen, vijandig zijn”

العاديات — de stormende paarden. De stam betekent zowel rennen/stormlopen als vijandig zijn. De eed zweert bij gerichte energie om verspilde energie te veroordelen.

v.6: Stam ك-ف-ر (k-f-r) — “ondankbaar, verhullend”

“De mens is ondankbaar jegens zijn Heer (كنود).” كنود — intens ondankbaar, de schenkingen bedekkend. Hoewel een ander woord dan كافر, overlappen de betekenissen: كنود zijn is de ontvangen gaven bedekken. Ondankbaarheid is een vorm van verhulling.

vv.9–10: “graven omgekeerd, borsten voortgebracht”

Twee onttrekkingen: uit de grond, uit de borst. Niets blijft begraven. Het verborgene in het hart wordt naar buiten gekeerd gelijk graven worden omgewoeld.

Integratieve verbanden

  • v.6 “de mens is ondankbaar” ↔ 80:17 “hoe ondankbaar is hij!”: dezelfde diagnose in beide soera’s — menselijke ondankbaarheid als de standaardtoestand die overwonnen moet worden.
  • vv.9–10 graven omgekeerd, borsten voortgebracht ↔ 82:4–5: Al-Infitaar en Al-‘Aadijaat delen het beeld van graven en geheimen die op de Dag ontsloten worden.
101
Al-Qari'ah De Slag
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
De Slag!
2
Wat is de Slag?
3
En wat zal u doen weten wat de Slag is?
4
De Dag waarop de mensen als verspreide motten zullen zijn
5
en de bergen als gekaard wol.
6
Wat dan betreft hem wiens weegschalen zwaar zijn,
7
hij zal in een behaaglijk leven zijn.
8
En wat betreft hem wiens weegschalen licht zijn,
9
zijn verblijf zal de Afgrond zijn.
10
En wat zal u doen weten wat het is?
11
Een verschroeiend vuur.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 101 — Al-Qaari’ah (De Kloppende)

Algemene opmerkingen

De Dag des Oordeels arriveert als iemand die op de deur hamert — onmogelijk te negeren. Bijna-homofonie met ق-ر-أ (q-r-alif, voordragen, stam van Qor’aan): wat werd voorgedragen wordt wat treft.

Stamanalyse

vv.1–3: Stam ق-ر-ع (q-r-ayn) — “slaan, kloppen”

القارعة — de Kloppende, de Slaande. De stam betekent op een deur kloppen, hard slaan. Merk de bijna-gelijkluidendheid op met ق-ر-أ (voordragen, stam der Voordracht): de Voordracht en de Kloppende zijn akoestisch verbonden. Wat werd voorgedragen wordt wat treft.

vv.6–8: Stam و-ز-ن (w-z-n) — “wegen, de weegschaal”

“Wiens schalen zwaar zijn / wiens schalen licht zijn.” Dit verbindt direct met 55:7–9: “de hemel verhief Hij, en Hij stelde de Weegschaal op… maakt de Weegschaal niet gebrekkig.” De kosmische Weegschaal van Ar-Rahmaan wordt de persoonlijke weegschaal van Al-Qaari’ah. Elk mens draagt eigen schalen.

v.9: Stam ه-و-ي (h-w-j) — “afgrond, vallen”

“Zijn verblijf zal de Afgrond zijn (هاوية).” De stam betekent vallen, storten. Wie wiens schaal licht is valt — niet geduwd maar leeggemaakt van gewicht. Lichtheid der daden IS de val.

Integratieve verbanden

  • vv.6–8 de Weegschaal ↔ 55:7–9: Al-Qaari’ah is de persoonlijke toepassing van Ar-Rahmaans kosmisch beginsel.
  • v.4 “verspreide motten” ↔ 81:1–6 kosmische ontrafeling: beide soera’s gebruiken beelden van desintegratie.
102
At-Takathur De Wedijver
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wedijver in vermeerdering leidt u af
2
totdat gij de graven bezoekt.
3
Neen! Gij zult het te weten komen.
4
Dan neen! Gij zult het te weten komen.
5
Neen! Indien gij maar wist met de kennis der zekerheid —
6
gij zult waarlijk het Laaiende Vuur zien.
7
Dan zult gij het waarlijk zien met het oog der zekerheid.
8
Dan zult gij waarlijk op die Dag worden gevraagd over de gunsten.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 102 — At-Takaathoer (De Wedijver)

Algemene opmerkingen

Wedijver in ophoping — de wederkerige Vorm VI duidt op mensen die met elkander wedijveren om méér te hebben. God geeft ware Overvloed om niet (108:1); de mens put zich uit door te wedijveren om namaak-overvloed.

Stamanalyse

v.1: Stam ك-ث-ر (k-th-r) — “vermenigvuldigen, vermeerderen”

التكاثر — wedijver in ophoping. Dezelfde stam als كوثر (kawthar, Overvloed — 108:1). De ironie: God geeft ware Overvloed om niet, terwijl de mens zich uitput door te wedijveren om namaak-overvloed.

v.7: Stam ع-ي-ن (‘ayn-j-n) — “oog, met zekerheid zien”

“Gij zult het ongetwijfeld zien met het oog der zekerheid (عين اليقين).” De stam ع-ي-ن betekent zowel oog als bron. Zekerheid vloeit uit direct zien, gelijk water uit een bron vloeit. Drie graden van zekerheid verschijnen: kennis der zekerheid (v.5, علم اليقين), oog der zekerheid (v.7), en elders حق اليقين (waarheid der zekerheid, 56:95).

Integratieve verbanden

  • v.1 wedijver in vermeerdering ↔ 104:2 “die vermogen vergaart en het telt”: At-Takaathoer diagnosticeert de kwaal (wedijverende ophoping); Al-Hoemazah noemt de patiënt (de lasteraar-ophoger).
  • v.8 “gevraagd over de schenkingen” ↔ 55 refrein: de schenkingen (نعيم, na’iem) waarover gij gevraagd zult worden zijn dezelfde Schenkingen die Ar-Rahmaan opsomt. Ophoping leidt af van dankbaarheid.
103
Al-Asr De Tanende Dag
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Bij de tanende dag,
2
voorwaar, de mensheid is in een staat van verlies,
3
behalve degenen die geloven en rechtvaardige werken doen, en elkander aanmanen tot waarheid, en elkander aanmanen tot standvastigheid.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 103 — Al-‘Asr (De Tanende Dag)

Algemene opmerkingen

Drie verzen. Imam Sjaafi’ie zou gezegd hebben: “Had God slechts deze soera geopenbaard, zij had de mensheid volstaan.” De gehele koranische boodschap in samengeperste vorm: de menselijke toestand (verlies), het vierdelige geneesmiddel (geloof, daden, waarheid, geduld).

Stamanalyse

v.1: Stam ع-ص-ر (‘ayn-s-r) — “persen, tijdperk”

العصر — dezelfde stam geeft ons عَصِير (sap — wat uitgeperst wordt) en عَصْر (het namiddaggebed). “De Tanende Dag” vangt het tijdelijke verval; “Het Tijdperk” vangt de kosmische reikwijdte. Beide zijn aanwezig: de dag taant, het tijdperk perst, de tijd drukt — en in die persing wordt wat wezenlijk is gewonnen, gelijk sap uit vrucht.

v.2: Stam خ-س-ر (ch-s-r) — “verlies”

“De mens verkeert in verlies (خُسْر).” Dezelfde stam als in 55:9 (وَلَا تُخْسِرُوا الْمِيزَانَ, “maakt de Weegschaal niet gebrekkig”). De menselijke toestand IS een tekort op de Weegschaal.

v.3: Het vierdelige geneesmiddel

Geloof (أ-م-ن) + rechtvaardige daden (ص-ل-ح) + elkander aansporen tot waarheid (ح-ق-ق) + elkander aansporen tot geduld (ص-ب-ر). De wederkerige Vorm VI (تواصوا) = elkander aansporen. Waarheid wordt niet van bovenaf opgelegd maar onder gelijken gedeeld. Geen der twee paren (innerlijk/uiterlijk) volstaat alleen.

Integratieve verbanden

  • v.2 خسر (verlies) ↔ 55:9 تخسروا (gebrekkig maken): de menselijke toestand IS een tekort op de Weegschaal.
  • v.3 تواصوا (wederzijds aansporen) ↔ 9:71 “de gelovige mannen en vrouwen zijn elkanders beschermers”: gemeenschap als wederzijdse ondersteuning.
104
Al-Humazah De Lasteraar
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wee elke lasteraar, kwaadspreker,
2
die rijkdom vergaart en het telt,
3
menend dat zijn rijkdom hem onsterfelijk heeft gemaakt.
4
Neen! Hij zal zekerlijk in de Verbrijzelaar worden geworpen.
5
En wat zal u doen weten wat de Verbrijzelaar is?
6
Het ontstoken vuur Gods,
7
dat opspringt over de harten.
8
Voorwaar, het is over hen gesloten
9
in uitgestrekte pilaren.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 104 — Al-Hoemazah (De Lasteraar)

Algemene opmerkingen

Wie andermans naam vermorzelt wordt zelf vermorzeld — de straf weerspiegelt de zonde. De Vermorzelaar (الحطمة) vernielt de lasteraar (الهمزة) die anderen vernield heeft.

Stamanalyse

v.1: Stam ه-م-ز (h-m-z) — “lasteren, met woorden vermorzelen”

الهمزة — degene die andermans reputatie vermorzelt door insinuatie. Het gepaarde begrip لمزة (loemazah, roddelaar) gebruikt de stam ل-م-ز (wenken, spottend gebaren). Samen: openlijk vermorzelen en heimelijk bespotten — het volle spectrum van karaktermoord.

v.4: Stam ح-ط-م (h-th-m) — “vermorzelen, verbrijzelen”

“Hij zal ongetwijfeld geworpen worden in de Vermorzelaar (الحطمة).” Wie reputaties vermorzelt wordt in de Vermorzelaar geworpen. De straf weerspiegelt de zonde.

v.7: Stam ف-ء-د (f-alif-d) — “hart”

“Dat opspringt over de harten (الأفئدة).” Het vuur Gods richt zich op de harten — niet op het vlees. De zonde des lasteraars was een zonde des harten (kwaadwilligheid, hebzucht); het vuur keert terug naar zijn bron.

Integratieve verbanden

  • vv.8–9 “gesloten over hen in uitgestrekte zuilen” ↔ 90:20 “vuur over hen gesloten”: omsluiting door vuur in beide soera’s — de goddelozen worden ingesloten, het tegengestelde van de open poort der steile doorgang (90:11–12).
  • vv.2–3 vermogen als valse onsterfelijkheid ↔ 102:1 “wedijver in vermeerdering”: beide soera’s ontmaskeren de waan dat ophoping de dood overwint.
105
Al-Fil De Olifant
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Hebt gij niet gezien hoe uw Heer handelde met het volk van de Olifant?
2
Deed Hij hun plan niet op een dwaalspoor geraken?
3
En Hij zond tegen hen vogels in zwermen,
4
hen bekogeld met stenen van gebakken klei,
5
en Hij maakte hen als verslonden kaf.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 105 — Al-Fiel (De Olifant)

Algemene opmerkingen

Het machtigste leger herleidt tot wat de wind verstrooit — leeggemaakt van substantie. De vogels in zwermen (أبابيل) zijn een zeldzaam woord voor een buitengewone gebeurtenis.

Stamanalyse

v.2: Stam ك-ي-د (k-j-d) — “list, krijgslist”

“Maakte Hij hun list niet vruchteloos (كيدهم)?” Dezelfde stam als in 77:39 en 86:15–16. Abraha’s leger smeedde tegen de Ka’bah met overweldigende militaire macht; God bracht het tot niets.

v.3: “vogels in zwermen (أبابيل)”

Een zeldzaam woord, vermoedelijk betekenend in opeenvolgende golven. De zeldzaamheid is veelbetekenend: een buitengewone gebeurtenis ontvangt een buitengewoon woord. De vogels worden niet naar soort benoemd maar naar formatie — gecoördineerd goddelijk ingrijpen.

v.5: Stam ع-ص-ف (‘ayn-s-f) — “verteerde kafschillen”

عصف — kaf, gedroogde schillen, wat overblijft nadat het graan verteerd is. Het machtigste leger herleidt tot wat de wind verstrooit.

Integratieve verbanden

  • vv.1–5 ↔ 89:6–13 vernietiging van Aad, Thamoed, Farao: Al-Fiel voegt zich bij de reeks historische vernietigingen die Gods soevereiniteit over wereldlijke macht aantonen.
  • v.5 “verteerde kafschillen” ↔ 106:4 “voedde hen tegen honger”: het leger wordt voedselafval terwijl Qoeraisj gevoed wordt. Vernietiging en voorziening uit dezelfde Heer des Huizes.
106
Quraysh De Quraysh
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Voor het samenbinden der Quraysh,
2
hun samenbinden voor de reis van winter en van zomer:
3
laat hen dan de Heer van dit Huis aanbidden,
4
Die hen voedde tegen de honger en hen beveiligde tegen de vrees.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 106 — Qoeraisj (De Qoeraisj)

Algemene opmerkingen

De sociale band die Mekka’s welvaart mogelijk maakte wordt benoemd en vervolgens naar haar bron verwezen. De keten: God onderhoud het Huis, het Huis onderhoud de handel, de handel onderhoud Qoeraisj. Verwijder de eerste schakel en alles stort in.

Stamanalyse

vv.1–2: Stam إ-ل-ف (alif-l-f) — “samenbinden, vertrouwd zijn”

إيلاف — de stam betekent vertrouwdheid, verbond, verbond van vrije doorgang. De herhaling benadrukt: Qoeraisj’s handelsroutes (winter naar Jemen, zomer naar Syrië) berustten op bindende overeenkomsten.

v.3: Stam ر-ب-ب (r-b-b) — “Heer, onderhouder”

“De Heer van dit Huis (رب).” Niet slechts meester maar voeder, onderhouder, opvoeder. Qoeraisj wordt opgedragen de رب der Ka’bah te aanbidden — Degene die het Huis onderhoudt dat hun handel onderhoudt.

Integratieve verbanden

  • vv.3–4 “voedde hen tegen honger, beveiligde hen tegen vrees” ↔ 105:1–5: Soera’s 105–106 worden traditioneel als paar gelezen. God vernietigde het olifantenleger (105) om het Huis te beschermen wiens Heer Qoeraisj voedt en beveiligt (106).
  • v.4 beveiliging tegen vrees ↔ 95:3 “deze veilige stad”: de veiligheid van Mekka wordt bezworen in At-Tien en verklaard in Qoeraisj.
107
Al-Ma'un Kleine Vriendelijkheden
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Hebt gij hem gezien die het Oordeel loochent?
2
Dat is hij die de wees verstoot
3
en niet aandringt op het voeden der behoeftigen.
4
Wee dan de biddenden
5
die achteloos zijn in hun gebed,
6
die vertoon maken
7
en kleine vriendelijkheden weigeren.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 107 — Al-Maa’oen (De Kleine Hulpbetoning)

Algemene opmerkingen

De kleinste daden van hulp — een pot uitlenen, zout aanbieden, water delen — zijn het maatstaf des geloofs. De toets is niet geloofsbelijdenis maar gedrag: voedt hij de wees?

Stamanalyse

v.1: Stam د-ي-ن (d-j-n) — “oordeel, godsdienst, schuld”

“Hebt gij hem gezien die het Oordeel loochent (الدين)?” Het woord omvat tegelijk oordeel, godsdienst en schuld/wederkerigheid. Het Oordeel loochenen is alle drie loochenen: dat er afrekening is, dat er een levenswijze is, dat men iets verschuldigd is aan wie dan ook.

v.7: Stam م-ع-ن (m-‘ayn-n) — “kleine hulpbetoning, vloeiend water”

الماعون — de kleinste daden van hulp: een pot uitlenen, zout aanbieden, water delen. De stam verband houdt met معين (ma’ien, een vloeiende bron). Het weigeren van kleine hulp is het afdammen van een bron — het blokkeren van wat natuurlijk zou moeten vloeien tussen mensen.

v.1: Stam ر-أ-ي (r-alif-j) — “zien, beschouwen”

“Hebt gij gezien…?” De soera opent met de eis dat de luisteraar kijkt. Wie het Oordeel loochent wordt getoond door zijn daden — niet door zijn theologie. De toets is niet geloofsbelijdenis maar gedrag.

Integratieve verbanden

  • vv.2–3 wees en behoeftige ↔ 89:17–18 en 93:9–10: de driehoek Al-Fadjr, Ad-Doeha en Al-Maa’oen deelt dezelfde sociale ethiek.
  • vv.4–6 “wee de biddenden die achteloos zijn” ↔ 83:29–32: beide soera’s ontmaskeren valse godsdienstigheid — gebed zonder welwillendheid (107) en bespotting der oprechten (83).
108
Al-Kawthar De Overvloed
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Voorwaar, Wij hebben u de Overvloed gegeven.
2
Bid dan tot uw Heer en offer.
3
Voorwaar, het is hij die u haat die is afgesneden.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 108 — Al-Kawthar (De Overvloed)

Algemene opmerkingen

Drie verzen: overvloed, gebed-en-offer, en de afsnijding van de tegenstander. Wat God geeft is niet slechts “veel” maar overvloeiend. Geestelijke nakomelingschap overleeft biologische afstamming.

Stamanalyse

v.1: Stam ك-ث-ر (k-th-r) — “overvloed”

الكوثر — de intensieve vorm: overweldigende overvloed. Traditioneel geïdentificeerd als een rivier in het paradijs, doch de stam betekent eenvoudig overvloedig goed — elke soort van zegening.

v.2: Stam ن-ح-ر (n-h-r) — “offeren”

“Bid dan tot uw Heer en offer (انحر).” Gebed en offer als gepaarde antwoorden op overvloed — dankbaarheid uitgedrukt door aanbidding en geven.

v.3: Stam ب-ت-ر (b-t-r) — “afsnijden”

“Uw belager — hij is de afgesnedene (الأبتر).” Wie de Profeet aanvalt is zelf afgesneden. Geestelijke nakomelingschap overleeft biologische afstamming.

Integratieve verbanden

  • v.1 overvloed ↔ 55:13 “welke der Schenkingen uws Heren”: de goddelijke overvloed is de Schenkingen, en hen tegenspreken is zichzelf afsnijden.
  • v.3 “afgesneden” ↔ 2:27 “snijden door wat God gebood samen te voegen”: afsnijding als de anti-goddelijke daad.
109
Al-Kafirun Degenen Die Verhullen
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zeg: O gij die verhult!
2
Ik aanbid niet wat gij aanbidt
3
en gij aanbidt niet wat ik aanbid.
4
En ik zal niet aanbidden wat gij hebt aanbeden
5
en gij zult niet aanbidden wat ik aanbid.
6
U uw godsdienst, en mij mijn godsdienst.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 109 — Al-Kaafiroen (Zij die Verhullen)

Algemene opmerkingen

De soeratitel zelf voert de kernontdekking van het project uit — dit zijn niet “ongelovigen” naar identiteit maar mensen verwikkeld in de daad van verhulling. Het ultieme vers van godsdienstvrijheid.

Stamanalyse

De titel: Stam ك-ف-ر (k-f-r) — “verhullen”

الكافرون = “Zij die Verhullen.” De titel benoemt geen identiteit maar een handeling — verhulling kan ophouden; het is geen blijvende categorie.

vv.2–5: Stam ع-ب-د (‘ayn-b-d) — “aanbidden, dienen”

لَا أَعْبُدُ — viermaal herhaald in zes verzen. De soera is gebouwd op de aanbiddingsstam. “Ik aanbid niet wat gij aanbidt” is geen vijandigheid maar helderheid van onderscheiding.

v.6: Stam د-ي-ن (d-j-n) — “godsdienst, vergelding”

“U uw godsdienst en mij mijn godsdienst (دِينِ).” Dezelfde stam als 1:4 (Dag des Oordeels/Vergelding). Elk gaat zijn eigen weg van vergelding.

Integratieve verbanden

  • v.6 “u uw godsdienst” ↔ 2:256 “geen dwang in de godsdienst”: godsdienstvrijheid als koranisch beginsel, beide gebruikend de d-j-n-stam.
  • Titel “Zij die Verhullen” ↔ 55:13 refrein: de daad van verhullen is wat de Voordracht bestrijdt, niet de mensen zelf.
110
An-Nasr De Hulp
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Wanneer de hulp Gods komt, en de opening,
2
en gij de mensen de godsdienst Gods in menigten ziet binnengaan,
3
verheerlijk dan met de lof uws Heren en zoek Zijn vergiffenis; voorwaar, Hij is immer Berouwvol.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 110 — An-Nasr (De Hulp)

Algemene opmerkingen

Op het moment van overwinning luidt het bevel: zoek vergiffenis. Triomf vereist nederigheid, niet viering. De “opening” der voorlaatste soera weerkaatst de naam der eerste soera (de Fatihah, de Opening).

Stamanalyse

v.1: Stam ن-ص-ر (n-s-r) — “helpen, bijstaan”

نصر — dezelfde stam geeft أنصار (ansaar, helpers — de Medinensische aanhangers) en نصارى (nasaara, christenen — mogelijk “de helpers”). Hulp, overwinning en de benaming voor christenen delen één stam.

v.1: Stam ف-ت-ح (f-t-h) — “openen”

الفتح — overwinning als opening. Dezelfde stam als فاتحة (Faatihah, de Opening des Boeks). De Opening der voorlaatste soera weerkaatst de eerste soera.

v.3: Stam غ-ف-ر (gh-f-r) — “bedekken, vergeven”

استغفر (Vorm X: zoek vergiffenis). Op het moment van overwinning luidt het bevel: zoek vergiffenis. God bedekt zonde barmhartig (غ-ف-ر) terwijl de mens waarheid schadelijk bedekt (ك-ف-ر) — twee soorten bedekking.

Integratieve verbanden

  • v.1 “de Opening” ↔ 1:1 Al-Fatihah: de voorlaatste soera noemt de stam der eerste soera.
  • v.3 “zoek vergiffenis” ↔ 40:55 غفر vs. k-f-r: God bedekt zonde barmhartig; de mens bedekt waarheid schadelijk.
111
Al-Masad De Vezel
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Mogen de handen van Abu Lahab vergaan, en moge hij vergaan!
2
Zijn rijkdom baatte hem niet, noch hetgeen hij verdiende.
3
Hij zal een vuur van vlammen binnengaan
4
en zijn vrouw, de draagster van brandhout,
5
om haar hals een touw van palmvezel.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 111 — Al-Masad (De Vezel)

Algemene opmerkingen

Abu Lahab (Vader der Vlam) — zijn bijnaam wordt zijn bestemming. Hij wordt verteerd door het vuur waarnaar hij is vernoemd. Zijn vrouw draagt brandstof met “een touw van gedraaide vezel” om haar nek — wie laster verspreidt wordt gebonden door wat zij verspreidt.

Stamanalyse

v.1: Stam ت-ب-ب (t-b-b) — “vergaan, te gronde gaan”

“Verga de handen van Abu Lahab, en verga hij (تبت)!” De verdubbeling (handen + hijzelf) benadrukt totale ondergang — zowel zijn daden (handen) als zijn wezen.

Abu Lahab: Stam ل-ه-ب (l-h-b) — “vlam, vuur”

“Vader der Vlam” — zijn bijnaam wordt zijn bestemming. Hij wordt verteerd door het vuur waarnaar hij is vernoemd. Vergelijk met 55:15 waar de verschijningen uit vuur geschapen zijn — Abu Lahab is de mens die wordt wat de verschijningen zijn.

v.5: Stam م-س-د (m-s-d) — “gedraaide vezel”

Zijn vrouw draagt brandstof met “een touw van gedraaide vezel (مسد)” om haar nek — wie laster verspreidt wordt gebonden door wat zij verspreidt.

Integratieve verbanden

  • v.1 “verga de handen” ↔ 2:79 “wee hun om hetgeen hun handen geschreven hebben”: handen als werktuigen van zelfvernietiging.
  • Abu Lahab (Vader der Vlam) ↔ 55:15 “stroom des vuurs”: vuur als zowel het medium der verschijningen als het lot van wie zich tegen openbaring keert.
112
Al-Ikhlas De Oprechtheid
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zeg: Hij is God, de Ene,
2
God de Eeuwigdurende,
3
Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt,
4
en niemand is Hem gelijk.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 112 — Al-Ikhlaas (De Oprechtheid)

Algemene waarnemingen

Vier verzen die volgens de overlevering een derde der Koran in gewicht evenaren. De gehele theologie der goddelijke eenheid (tawhied) samengeperst in vier regels.

Stamanalyse

V.1: Qoel hoewa-llaahoe ahad

Ahad (stam و-ح-د, w-h-d): niet slechts het getal een (waahid) maar het absoluut unieke — het enige, zonder dat een reeks mogelijk is. Waahid = eerste in een reeks; ahad = de enige, buiten elke reeks.

V.2: Allaahoe as-samad

As-Samad (stam ص-م-د, s-m-d): vast, ondoordringbaar, zelfgenoegzaam, eeuwig. “Eeuwigdurend” vangt de duur, doch de stam betekent meer: Degene tot Wie allen zich wenden in nood, Die Zelf niets behoeft. Waarop alles leunt, Die op niets leunt. De uiteindelijke grondslag.

V.3: Lam jalid wa-lam joelad

Jalid (stam و-ل-د, w-l-d): verwekken, baren. De verleden tijd met lam: “Hij verwekte niet” — het geschiedde nimmer. Joelad — lijdende vorm: “noch werd Hij verwekt.” God is noch oorzaak noch gevolg in een voortbrengende keten.

V.4: Wa-lam jakon lahoe koefoewan ahad

Koefoe (stam ك-ف-أ, k-f-’): gelijk, vergelijkbaar, gelijkwaardig. Niets kan naast God op de Weegschaal worden geplaatst. Het anti-shirk-vers (anti-vereenzelviging) in zijn zuiverste vorm.

Bahaa’ie-lezing

‘Abdoe’l-Bahaa gebruikt deze soera om de Bahaa’ie-opvatting der goddelijke eenheid te verklaren: Gods eenheid is absoluut en Zijn wezen onkenbaar. De Manifestaties Gods zijn niet God in wezen maar volmaakte spiegels Zijner eigenschappen. “Hij verwekt niet” betekent dat Gods verhouding tot de Manifestatie niet biologisch of emanatief is maar een van volmaakte weerspiegeling.

Integratieve verbanden

  • V.1 ahad (uniek) verhoudt zich tot 2:163 “een God” (waahid) — Al-Ikhlaas gaat dieper.
  • V.2 as-Samad (zelfgenoegzaam) verhoudt zich tot 55:27 “slechts het Aangezicht uws Heren blijft” — God als het enige dat standhoud wanneer al het overige vergaat.
  • V.3 “verwekte niet” verhoudt zich tot 19:88-92 — de kosmische breuk veroorzaakt door de claim van zoonschap.
  • V.4 koefoe (gelijk) verhoudt zich tot 4:48 “dat iets met Hem vereenzelvigd worde” — geen gelijke = geen vereenzelviging = zuivere tawhied.
113
Al-Falaq De Dageraad
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zeg: Ik zoek toevlucht bij de Heer der Dageraad,
2
tegen het kwaad van hetgeen Hij schiep,
3
en tegen het kwaad der verduistering, wanneer zij invalt,
4
en tegen het kwaad dergenen die op de knopen blazen,
5
en tegen het kwaad van een afgunstige, wanneer hij afgunst koestert.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 113 — Al-Falaq (De Dageraad)

Algemene opmerkingen

Een der twee “toevluchtssoera’s” (المعوذتان) — 113 en 114. Soera 113 zoekt toevlucht tegen uitwendig kwaad; Soera 114 tegen het inwendige kwaad (de influisteraar). De vier kwaden zijn gerangschikt in opklimmende subtiliteit.

Stamanalyse

v.1: Stam ف-ل-ق (f-l-q) — “splijten, openbreken”

الفلق — de Dageraad IS de splijting der duisternis. Dezelfde stam als in 6:95 (فَالِقُ الْحَبِّ وَالنَّوَىٰ, “de Splijter van het zaad en de dadelpit”). God splijt zaden tot leven en duisternis tot licht — dezelfde daad. De dageraad als dagelijkse opstanding.

v.4: Stam ن-ف-ث (n-f-th) — “blazen” / ع-ق-د (‘ayn-q-d) — “knopen”

“De blazenden (النفاثات) op de knopen (العقد).” De stam ع-ق-د geeft عَقْد (contract, verbond). “Knopen” zijn banden — verbonden, verhoudingen, verbintenissen. De blazenden op de knopen zijn zij die banden trachten te ontbinden, verbonden te verbreken, wat samengebonden was los te maken. Vergelijk met 2:27 “die doorsnijden wat God gebood samen te voegen.”

v.5: Stam ح-س-د (h-s-d) — “afgunstig zijn”

De afgunstige “wanneer hij afgunstig is” — afgunst als een actieve, gewilde staat, niet een passief gevoel.

De structuur van het kwaad

Vier kwaden in opklimmende subtiliteit:

  1. Het kwaad der schepping in het algemeen (v.2) — breed, uitwendig
  2. Het duister wanneer het invalt (v.3) — atmospherisch
  3. De blazenden op de knopen (v.4) — maatschappelijk, relationeel
  4. De afgunstige wanneer hij afgunstig is (v.5) — persoonlijk, psychologisch

Van kosmisch → atmospherisch → sociaal → innerlijk. Soera 114 voltooit de reis door het meest innerlijke kwaad te behandelen: de influisteraar binnenin.

Integratieve verbanden

  • v.1 الفلق (splijting/dageraad) ↔ 82:1 إذا السماء انفطرت: splijting als zowel schepping (dageraad) als vernietiging (eindtijd).
  • v.4 العقد (knopen/verbonden) ↔ 2:27 “snijden door wat God gebood samen te voegen”: verbondbreking als kwaad.
114
An-Nas De Mensheid
In de Naam van God, de Albarmhartige, de Meest Barmhartige.
1
Zeg: Ik zoek toevlucht bij de Heer der mensheid,
2
Koning der mensen,
3
God der mensen,
4
tegen het kwaad van de fluisteraar, de terugtrekker,
5
die fluistert in de boezems der mensheid,
6
van verborgenen en mensen.
Commentary

Aantekeningen bij Soera 114 — An-Naas (De Mensheid)

Algemene opmerkingen

De laatste soera der Voordracht. Het laatste woord der gehele Voordracht is وَالنَّاسِ (wan-naas, “en de mensen”) — het Boek dat begon met Gods naam eindigt met de mensheid. De boog der Voordracht is van God naar schepping naar mensheid — en het laatste belang is het beschermen van het menselijke hart tegen de influisteraar.

Stamanalyse

vv.1–3: Drie goddelijke titels

  • رَبِّ النَّاسِ (Heer der Mensheid) — ر-ب-ب: de voeder, de onderhouder.
  • مَلِكِ النَّاسِ (Koning der Mensheid) — م-ل-ك: de soeverein, de heerser.
  • إِلَٰهِ النَّاسِ (God der Mensheid) — إ-ل-ه: degene die aanbeden wordt.

Drie opklimmende titels: Heer (verhouding van zorg) → Koning (verhouding van gezag) → God (verhouding van aanbidding). Elk verdiept de band.

v.4: Stam و-س-و-س (w-s-w-s) — “influisteren” / خ-ن-س (ch-n-s) — “terugtrekken”

الوسواس — de verdubbeling (وسوس) drukt herhaling uit: influistering na influistering, onophoudelijk. الخناس — de Terugtrekker: wie influistert en zich verbergt, wie suggereert en terugwijkt. Het gevaarlijkste kwaad is datgene dat niet openlijk bestreden kan worden omdat het zich terugtrekt zodra gij u wendt om het onder ogen te zien.

v.6: Stam ج-ن-ن (j-n-n) — “de verborgenen”

الجنة — de verborgenen, de verschijningen. DEZELFDE stam als جَنَّة (djanna, tuin/verborgen Rijk). De influisteraar komt uit zowel de verborgen dimensie (djinn) als de zichtbare dimensie (mensen). Kwaad heeft zowel een verborgen als een openbare bron.

Het laatste woord der Voordracht — الناس (mensheid) — brengt ons ten volle cirkel: het Boek begon met بِسْمِ اللَّهِ (in de Naam Gods) en eindigt met والناس (en de mensheid). Van Gods naam naar menselijke werkelijkheid. De gehele Voordracht past tussen deze twee polen.

Integratieve verbanden

  • v.4 الوسواس (de influisteraar) ↔ 2:36 “Satan deed hen uitglijden”: de influisteraar als de kracht die de goddelijk-menselijke verhouding verstoort.
  • v.6 الجنة والناس (verschijningen en mensen) ↔ 55:33 “o mensen der verschijningen en der mensheid”: het laatste vers der Voordracht spreekt hetzelfde tweevoudige gehoor aan als het refrein van Soera 55.