Ridván Messages

Dutch · Universal House of Justice

Met ons hart vol bewondering voor de volgelingen van Bahá’u’lláh, kondigen wij u met blijdschap aan dat bij de aanvang van deze zeer vreugdevolle Ridvánperiode er in elk continent van de aarde een nieuwe aanvulling intensieve groeiprogramma’s op gang komt, waardoor wereldwijd het totale aantal de 1500 is gepasseerd en het doel van het Vijfjarenplan één jaar voor de afsluiting ervan is verzekerd. Wij buigen het hoofd in dankbaarheid aan God voor deze verbazingwekkende prestatie, deze schitterende overwinning. Allen die in het veld hebben gewerkt zullen begrijpen wat een zegen Hij Zijn gemeenschap heeft geschonken door haar een vol jaar te gunnen om het nu overal gevestigde patroon van uitbreiding en consolidatie te versterken, in voorbereiding op de taken waartoe zij geroepen zal worden in de volgende mondiale onderneming – een plan dat vijf jaar zal duren, het vijfde in een reeks die uitdrukkelijk tot doel heeft het proces van toetreding in troepen te bevorderen.

Wij voelen ons geroepen, nu wij bij deze feestelijke gelegenheid stilstaan, om duidelijk te maken dat hetgeen zulk een diep gevoel van trots en dankbaarheid in ons hart oproept niet zozeer de numerieke prestatie is die u heeft geleverd, hoe opmerkelijk deze ook is, maar een combinatie van ontwikkelingen op het diepere niveau van de cultuur waarvan deze prestaties getuigen. De belangrijkste daarvan is de toename die wij hebben gezien in de bekwaamheid van de vrienden om met anderen over geestelijke zaken te praten en met gemak te spreken over de Persoon van Bahá’u’lláh en Zijn openbaring. Zij hebben goed begrepen dat onderrichten een basisvoorwaarde is van een leven van grootmoedig geven.

In recente boodschappen hebben wij onze vreugde geuit over de gestage toename van het tempo van het onderricht in de hele wereld. Dat de individuele gelovige deze fundamentele, spirituele verplichting op zich neemt is en zal altijd een essentieel kenmerk van het bahá’í-leven zijn. De vestiging van 1500 intensieve groeiprogramma’s heeft laten zien hoe moedig en doelbewust de gelovigen nu buiten hun naaste kring van familieleden en vrienden treden, bereid om door de leidende Hand van de Algenadige naar ontvankelijke zielen geleid te worden, ongeacht in welke buurt of streek deze ook wonen. Zelfs de meest bescheiden schattingen wijzen erop dat er nu tienduizenden mensen deelnemen aan periodieke campagnes om, op basis van wederzijds begrip, vriendschapsbanden aan te knopen met mensen die zij voorheen als vreemden beschouwden.

Bij hun inspanningen om de essentiële punten van het Geloof ronduit en ondubbelzinig te presenteren, hebben de gelovigen zeer veel profijt gehad van het heldere voorbeeld in Boek 6 van het Ruhi Instituut. Wanneer de logica die aan die presentatie ten grondslag ligt wordt begrepen, en de drang om die om te zetten in een formule is overwonnen, leidt ze tot een gesprek tussen twee zielen – een gesprek dat zich kenmerkt door het diepgaande begrip dat ontstaat en de aard van de relatie die tot stand komt. Naarmate het gesprek verder reikt dan de eerste ontmoeting en echte vriendschappen ontstaan, kan deze poging tot direct onderricht een katalysator worden voor een duurzaam proces van geestelijke transformatie. Of het eerste contact met zulke nieuwe vrienden leidt tot een uitnodiging om zich als lid van de Bahá’í-gemeenschap in te schrijven, of om deel te nemen aan een van de activiteiten van de gemeenschap is niet het allerbelangrijkste. Het is belangrijker dat iedere ziel zich welkom zal voelen om samen met de gemeenschap bij te dragen aan de verbetering van de samenleving, en daarmee begint aan een pad van dienstbaarheid aan de mensheid waarop, aan het begin of verderop, een officiële inschrijving kan volgen.

Het belang van deze ontwikkeling moet niet worden onderschat. Wanneer er in een cluster een samenhangend actiepatroon is gevestigd, dient er aandacht geschonken te worden aan de uitbreiding ervan door een netwerk van medewerkers en kennissen, terwijl tegelijkertijd de krachten worden gericht op kleinere bevolkingskernen die elk een middelpunt van intensieve activiteit moeten worden. In een stadscluster kan zo’n actiecentrum het best door de grenzen van een buurt bepaald worden. In een cluster dat voornamelijk een plattelandskarakter heeft, kan een klein dorp een geschikte plaats voor dit doel bieden. Degenen die in zulke locaties dienen, zowel plaatselijke bewoners als bezoekende onderrichters, kunnen hun werk het best als gemeenschapsopbouw beschouwen. Hun onderrichtinspanningen als “deur tot deur” aan te duiden, ook als het eerste contact eventueel inhoudt dat de bewoners van een huis zonder voorafgaand bericht worden bezocht, doet geen recht aan een proces waarmee wordt getracht om bij een bevolking het vermogen op te wekken om hun eigen geestelijke, maatschappelijke en intellectuele ontwikkeling ter hand te nemen. Om de activiteiten die dit proces aandrijven op gang te houden, en waaraan nieuwe vrienden worden gevraagd mee te doen – bijeenkomsten die het godvruchtige karakter van de gemeenschap versterken; klassen waarin het gevoelige hart en de geest van kinderen worden gevoed; groepen waarin de bruisende energie van jeugdigen wordt gekanaliseerd; leerkringen die voor iedereen toegankelijk zijn en die mensen van verschillende achtergronden de mogelijkheid geven om op gelijke voet vooruit te komen en de toepassing van de leringen in hun persoonlijke en collectieve leven te onderzoeken – kan een tijd lang hulp van buiten de plaatselijke bevolking nodig zijn. Het is echter te verwachten dat de vermenigvuldiging van deze kernactiviteiten spoedig gedragen zal worden door menselijke hulpbronnen die uit de buurt of uit het dorp zelf afkomstig zijn – door mannen en vrouwen die graag de materiële en spirituele omstandigheden in hun omgeving willen verbeteren. In het gemeenschapsleven zal dan geleidelijk aan een ritme ontstaan dat overeenstemt met de capaciteit van een groeiende kern van mensen die aan Bahá’u’lláh’s visie van een nieuwe Wereldorde zijn toegewijd.

Binnen deze context toont ontvankelijkheid zich in een wens om deel te nemen aan het proces van gemeenschapsopbouw dat door de kernactiviteiten in gang wordt gezet. In de ene cluster na de andere waar een intensief groeiprogramma nu in werking is, hebben de vrienden in dit komende jaar de taak om binnen een of meer ontvankelijke bevolkingsgroepen te onderrichten, waarbij ze een directe methode gebruiken om de grondbeginselen van hun Geloof uit te leggen, en die zielen te vinden die ernaar verlangen de apathie die de samenleving hen oplegt van zich af te schudden en zij aan zij in hun buurt of dorp te werken om een proces van collectieve transformatie in gang te zetten. Als de vrienden volharden in hun inspanningen om zo de manieren en methoden van gemeenschapsopbouw in klein verband te leren, zijn wij er zeker van dat het langgekoesterde doel van universele deelname in de aangelegenheden van het Geloof in meerdere ordes van grootte binnen bereik komt.

Om deze uitdaging aan te kunnen zullen de gelovigen en de instellingen die hen dienen het instituutproces in het cluster moeten versterken en binnen de grenzen daarvan het aantal mensen dat als leerkringbegeleider kan werken aanzienlijk uitbreiden; want het moet erkend worden dat de kans die de vrienden nu krijgen om in buurten en dorpen een levendig gemeenschapsleven aan te moedigen dat zich kenmerkt door een zo helder besef van het doel, is alleen mogelijk geworden door cruciale ontwikkelingen die in de afgelopen tien jaar hebben plaatsgevonden op dat gebied van de bahá’í-cultuur dat verband houdt met verdieping.

Toen wij in december 1995 vroegen om wereldwijd trainingsinstituten op te richten, bestond het in de bahá’í-gemeenschap meest voorkomende model om gelovigen te helpen hun kennis van het Geloof te verdiepen hoofdzakelijk uit incidentele cursussen en studieklassen, wisselend van duur, die een scala van onderwerpen behandelden. Dat model voldeed goed aan de behoeften van een opkomende wereldwijde bahá’í-gemeenschap, nog relatief gering in aantal en hoofdzakelijk gericht op haar geografische verspreiding over de aarde. Wij maakten destijds echter duidelijk dat er een andere benadering van de studie van de geschriften vorm zou moeten krijgen, een benadering die grote groepen tot actie zou aanzetten, wilde het proces van toetreding in troepen aanzienlijk worden versneld. In dit verband vroegen wij dat trainingsinstituten steeds grotere groepen gelovigen zouden helpen de Zaak te dienen door te voorzien in cursussen te die de kennis, inzichten en vaardigheden zouden bijbrengen die vereist zijn om de vele taken die te maken hebben met versnelde uitbreiding en consolidatie te verrichten.

De geschriften van het Geloof te lezen en te streven naar een beter begrip van de inhoud van Bahá’u’lláh’s ontzagwekkende Openbaring zijn plichten die aan elk van Zijn volgelingen zijn opgelegd. Aan allen is opgelegd in de oceaan van Zijn openbaring te delven en, overeenkomstig hun vermogens en aanleg, hun deel te nemen van de parels van wijsheid die zich daarin bevinden. Hierdoor was het vanzelfsprekend dat plaatselijke studieklassen, winter- en zomerscholen en speciaal georganiseerde bijeenkomsten waar gelovigen die een goede kennis van de geschriften hadden met anderen inzichten in specifieke onderwerpen konden delen, belangrijke kenmerken werden van het bahá’í-leven. Net zoals de gewoonte van het dagelijks lezen een integraal onderdeel van de bahá’í-identiteit zal blijven, zo zullen deze vormen van studie een plaats blijven behouden in het gezamenlijke leven van de gemeenschap. Maar het begrip van de implicaties van de Openbaring, zowel aangaande persoonlijke groei als maatschappelijke vooruitgang, wordt vele malen groter als studie en dienstbaarheid worden samengevoegd en gelijktijdig plaatsvinden. Daar, in het veld van dienstbaarheid, wordt kennis getest, rijzen vragen op vanuit de praktijk en worden nieuwe begripsniveaus bereikt. Met het nu in land na land gevestigde systeem van leren op afstand – waarvan de voornaamste onderdelen de leerkring, de begeleider en het curriculum van het Ruhi Instituut zijn – heeft de wereldwijde bahá’í-gemeenschap de capaciteit verkregen om het voor duizenden, nee miljoenen mensen, mogelijk te maken de geschriften in kleine groepen te bestuderen met het uitgesproken doel de bahá’í-leringen in werkelijkheid om te zetten en het werk van het Geloof naar het volgende stadium te brengen: duurzame uitbreiding en consolidatie op grote schaal.

Laat niemand de aldus geschapen mogelijkheden onderschatten. Door de krachten van de huidige maatschappij wordt passiviteit aangekweekt. Een verlangen om te worden vermaakt wordt vanaf de kindertijd, met toenemende doeltreffendheid, gevoed, waardoor generaties opkomen die zich graag laten leiden door ieder die bekwaam blijkt te zijn in het aanspreken van oppervlakkige emoties. Zelfs in veel leersystemen worden leerlingen behandeld alsof ze ontvangers zijn, ontworpen om informatie op te nemen. Dat de bahá’í-wereld erin geslaagd is een cultuur te ontwikkelen die een manier van denken, studeren en handelen aanmoedigt waarin allen zichzelf beschouwen als betreders van het gemeenschappelijke pad van dienstbaarheid – elkaar steunend en samen optrekkend, met respect voor de kennis die eenieder op elk gegeven moment bezit en daarbij de neiging om de gelovigen te verdelen in categorieën als verdiept of onwetend uit de weg gaat – is een enorme prestatie. En daarin ligt de dynamiek van een onbedwingbare beweging.

Wat dringend noodzakelijk is, is dat de kwaliteit van het leerproces dat op het niveau van de leerkring vorm krijgt het volgende jaar aanmerkelijk toeneemt zodat het potentieel van plaatselijke bevolkingen om een dergelijke dynamiek te scheppen gerealiseerd wordt. Veel zal afhangen van hen die hierin als begeleiders dienen. Aan hen is de uitdaging de omgeving te scheppen die in de cursussen van het instituut is voorzien, een omgeving die bevorderlijk is voor de geestelijke bekrachtiging van mensen die zichzelf zullen gaan zien als actieve instrumenten voor hun eigen leerproces, als voorvechters van een constante inspanning om kennis toe te passen om persoonlijke en gemeenschappelijke transformatie te verwezenlijken. Als dit ontbreekt zal de kracht, benodigd om de veranderingen voort te stuwen, hoeveel leerkringen er in een cluster ook gevormd worden, niet worden opgewekt.

Als het werk van de begeleider een steeds hogere graad van uitmuntendheid moet bereiken, moeten wij voor ogen houden dat de eerste verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen in een gebied of land berust bij het trainingsinstituut. Terwijl ernaar gestreefd wordt om het aantal deelnemers te doen toenemen, moet het instituut als structuur – vanaf het bestuur, tot de coördinatoren op verschillende niveaus, tot de begeleiders aan de basis – evenveel nadruk leggen op de effectiviteit van het systeem als geheel, want per slot van rekening zal aanhoudende kwantitatieve groei afhangen van kwalitatieve vooruitgang. Op clusterniveau moet de coördinator bij zijn of haar inspanningen om hen die dienen als begeleider te vergezellen, zowel praktische ervaring als dynamiek inbrengen. Hij of zij moet periodieke bijeenkomsten voor hen beleggen om na te denken over hun inspanningen. Georganiseerde samenkomsten om een keuze uit het materiaal van het instituut te bestuderen kan soms nuttig zijn, mits ze geen behoefte aan voortdurende training veroorzaken. De vaardigheden van een begeleider ontwikkelen zich gestaag als iemand in actie komt en anderen helpt bij te dragen aan het doel van de huidige opeenvolging van mondiale Plannen, door de reeks cursussen te doorlopen en de praktische elementen daarvan toe te passen. En terwijl mannen en vrouwen van alle leeftijden de reeks doorlopen en hun studie van elke cursus met de hulp van begeleiders afronden, moeten anderen klaar staan om hen te vergezellen in diensten die overeenstemmen met hun krachten en interesses – in het bijzonder de coördinatoren die verantwoordelijk zijn voor kinderklassen, voor jeugdgroepen en voor leerkringen, daden van dienstbaarheid die van doorslaggevend belang zijn voor bestendiging van het systeem zelf. Het zekerstellen dat de juiste mate van levenskracht door dit systeem pulseert, moet in de loop van de volgende twaalf maanden in elk land het doel blijven van een intensief leerproces.

De zorg voor de geestelijke opvoeding van kinderen is al lange tijd onderdeel van de cultuur van de bahá’í-gemeenschap, een zorg die uitmondde in twee, naast elkaar staande realiteiten. Een daarvan, de pogingen om de prestaties van de bahá’ís van Iran te evenaren, werd gekarakteriseerd door het vermogen systematisch kinderklassen van opvolgend niveau aan kinderen van bahá’í-gezinnen aan te bieden, doorgaans met het doel om opkomende generaties te laten delen in de basiskennis van de geschiedenis en leringen van het Geloof. In de meeste delen van de wereld was het aantal van hen die hiervan voordeel hadden betrekkelijk klein. De andere realiteit kwam op in gebieden, zowel landelijk als stedelijk, waar grootschalige toetreding plaatsvond. Bij die ervaring domineerde een meer inclusieve houding. Terwijl kinderen uit gezinnen van alle achtergronden graag bahá’í-klassen volgden en daar ook welkom waren, stonden toch verscheidene factoren in de weg om de lessen met de benodigde regelmaat, jaar na jaar te geven. Wat zijn wij verheugd te zien dat deze dualiteit, een gevolg van historische omstandigheden, begint weg te vallen naarmate de door de instituten opgeleide vrienden, overal bezig zijn om klassen, open voor iedereen, op systematische basis, aan te bieden.

Een dergelijk veelbelovend begin dient nu krachtdadig opgevolgd te worden. In elk cluster met een lopend intensief groeiprogramma moet ernaar gestreefd worden om het voorzien in geestelijke opvoeding voor een toenemend aantal kinderen uit gezinnen van vele achtergronden, te systematiseren – een vereiste van het gemeenschapopbouwend proces dat in buurten en dorpen aan stuwkracht wint. Dit zal een veeleisende taak zijn, een die geduld en samenwerking vereist van zowel ouders als instellingen. Het Ruhi Instituut is reeds verzocht om snel zijn plannen te voltooien voor de cursussen voor het opleiden van kinderklasleraren op verschillende niveaus, inclusief de bijbehorende lessen, beginnend met de jonge kinderen van 5 of 6 jaar en doorlopend tot de 10 of 11-jarigen, om de huidige kloof te dichten tussen de bestaande lessen en zijn tekstboeken voor de jeugd, zoals Geest van Geloof en het aangekondigde Kracht van de Heilige Geest, die voorzien in een duidelijke bahá’í-component in het programma voor die leeftijdsgroep. Naarmate deze toegevoegde cursussen en lessen beschikbaar komen, zullen instellingen in elk land in staat zijn de leraren en coördinatoren voor te bereiden die nodig zijn om, klas voor klas, de kern van een programma voor de geestelijke opvoeding van kinderen op te zetten, waaromheen bijkomende elementen kunnen worden georganiseerd. Intussen moeten de instellingen hun best doen de leraren te voorzien van geschikte materialen, van onder andere die nu in gebruik zijn, om daarvan naar behoefte gebruik te maken in hun klassen met kinderen van verschillende leeftijden.

Het Internationaal Onderrichtcentrum heeft onze durende dankbaarheid verdiend voor de onmisbare stimulans die het verleende aan de inspanningen om het snelle bereiken van het doel van het Vijfjarenplan te verzekeren. De mate van energie te zien die het inbracht in deze wereldomvattende onderneming, terwijl het zo volhardend de vooruitgang op elk continent volgde en zo nauw met de Continentale Raadgevers samenwerkte, verschafte een glimp van de ontzagwekkende kracht inherent aan het Bestuursstelsel. Terwijl het Onderrichtcentrum nu zijn aandacht met evenveel kracht richt op vraagstukken die te maken hebben met de doeltreffendheid van activiteiten op clusterniveau, zal het ongetwijfeld speciale aandacht besteden aan het ten uitvoer brengen van bahá’í-kinderklassen. Wij vertrouwen erop dat zijn analyse van de ervaringen die het komende jaar worden opgedaan in enkele geselecteerde clusters, representatief voor diverse maatschappelijke realiteiten, , hun licht zullen werpen op praktische vraagstukken, die het vestigen van vaste klassen, voor kinderen van elke leeftijd, in buurten en dorpen mogelijk zal maken.

De snelle verspreiding van het programma voor de geestelijke bekrachtiging van de jeugd is nog een uitdrukking van de culturele ontwikkeling in de bahá’í-gemeenschap. Terwijl mondiaal de tendens is om van deze leeftijdsgroep een beeld te projecteren als zijnde problematisch, verloren in een worsteling van fysieke en emotionele verandering, gevoelloos en zelfvernietigend, beweegt de bahá’í-gemeenschap zich - in de taal die gebezigd wordt en de methodes die ze toepast – onmiskenbaar in tegengestelde richting, en ziet in de jeugd daarentegen onbaatzuchtigheid, een scherp gevoel voor rechtvaardigheid, gretigheid om over de wereld te leren en een verlangen een bijdrage te leveren aan het bouwen aan een betere wereld. Het ene na het andere verslag, waarin de jeugd in landen over de hele planeet hun gedachten uitspreken als deelnemers in het programma, getuigt van de juistheid van deze visie. Alles wijst erop dat het programma hun toenemende bewustzijn betrekt in het onderzoeken van de werkelijkheid, wat hen helpt de opbouwende en vernietigende krachten die in de maatschappij werkzaam zijn te analyseren en te herkennen welke invloed deze krachten uitoefenen op hun denken en doen, waardoor hun geestelijk inzicht scherper wordt, hun uitdrukkingskracht toeneemt en morele structuren die hen hun leven lang van nut zullen zijn versterkt. Op een leeftijd waarop ontluikende intellectuele, geestelijke en fysieke krachten binnen hun bereik komen, wordt hen het gereedschap gegeven om de krachten die hen van hun ware identiteit als nobel wezen zouden kunnen beroven te bestrijden, en om te werken voor het gemeenschappelijk welzijn.

Dat in een groot deel van het programma thema’s vanuit een bahá’í-perspectief worden verkend, maar niet op de manier van godsdienstonderwijs, heeft in verschillende verbanden en omstandigheden de weg geopend voor de uitbreiding ervan naar de jeugd. In veel van zulke gevallen zullen zij die het programma toepassen, dan ook vol vertrouwen het gebied van maatschappelijke actie betreden, waarbij zij een scala aan vragen en mogelijkheden tegenkomen, die door het Bureau voor Sociaal-economische Ontwikkeling in het Heilige Land worden opgevolgd en verwerkt in een wereldomvattend leerproces. De verzamelde hoeveelheid kennis en ervaring heeft al geleid tot het vermogen in verscheidene clusters, verspreid over de aarde, om elk meer dan duizend jeugdigen in het programma te ondersteunen. Om anderen te helpen snel in die richting vooruitgang te boeken, vestigt het Bureau met behulp van een leger gelovigen een netwerk van locaties in alle continenten die gebruikt kunnen worden om training te geven aan coördinatoren van vele tientallen clusters. Deze sleutelfiguren blijven na hun terugkeer in hun respectieve clusters de coördinatoren steunen en zorgen dat zij een geestelijke omgeving kunnen scheppen waarin het jeugdprogramma kan wortelen.

Op dit werkterrein zal ongetwijfeld de kennis toenemen, hoewel een werkpatroon al duidelijk is. Alleen de capaciteit van de bahá’í-gemeenschap beperkt de reikwijdte van haar antwoord op de oproep van scholen en burgerlijke groepen. Binnen de clusters die thans het brandpunt zijn van een intensief groeiprogramma, zijn er grote verschillen in omstandigheden; van die met slechts een paar verspreid liggende jeugdgroepen, tot die met een aantal dat groot genoeg is om de diensten te vereisen van een toegewijde coördinator, die voortdurend ondersteund kan worden vanuit een locatie voor de verspreiding van het geleerde. Om zeker te stellen dat deze capaciteit bij het gehele spectrum van deze clusters toeneemt, vragen wij om 32 leerlocaties, die elk zo’n twintig clusters met voltijds coördinatoren dienen, om tegen het einde van het huidige Plan in werking te zijn. In alle andere van deze clusters moet in het komende jaar voorrang worden gegeven aan het scheppen van capaciteit om het programma aan te bieden, waarbij het aantal groepen systematisch wordt vermenigvuldigd.

De ontwikkelingen die wij tot dusver hebben vermeld – de toegenomen vaardigheid om het Geloof direct te onderrichten en zinvolle gesprekken aan te gaan over thema’s van geestelijk belang met mensen van elke rang en stand; het opbloeien van een methode van het bestuderen van de geschriften, gekoppeld aan actie; de hernieuwde belofte om blijvend te voorzien in geestelijke educatie voor de jongeren in buurten en dorpen; de zich verbreidende invloed van een programma dat bij de jeugd een besef van een tweevoudig moreel doel inboezemt, om de hen eigen latente krachten te ontwikkelen en bij te dragen aan de transformatie van de samenleving – zijn alle in niet geringe mate versterkt door nog een andere vooruitgang op het niveau van cultuur, waarvan de implicaties werkelijk vérreikend zijn. Deze evolutie in het collectieve bewustzijn is waarneembaar in de toenemende frequentie waarin het woord ‘vergezellen’ voorkomt in gesprekken onder de vrienden; een woord dat een nieuwe betekenis heeft gekregen nu het is opgenomen is de gangbare woordenschat van de bahá'í-gemeenschap. Het is een teken van de aanmerkelijke versterking van een cultuur waarin leren de werkwijze is; een werkwijze die de kundige deelname van steeds meer mensen aanmoedigt in een verenigd streven om de leringen van Bahá'u'lláh toe te passen bij de opbouw van een goddelijke beschaving hetgeen, zoals de Behoeder verklaarde, de voornaamste opdracht van het Geloof is. Een dergelijke benadering biedt een schril contrast met de geestelijk bankroete en zieltogende methoden van een oude maatschappelijke orde waarin zo vaak wordt getracht de menselijke krachten te exploiteren door overheersing, door hebzucht, door schuldgevoel of door manipulatie.

In de betrekkingen tussen de vrienden komt deze cultuurontwikkeling dan tot uitdrukking in de kwaliteit van hoe zij met elkaar werken. Leren als werkwijze vereist dat allen een nederige houding aannemen, een toestand waarin men zichzelf vergeet, volledig op God vertrouwt, zich verlaat op Zijn al-schragende kracht en overtuigd is van Zijn nimmerfalende steun, in de wetenschap dat Hij, en Hij alleen, de mug in een adelaar kan veranderen, de druppel in een onbegrensde zee. En in zo een staat werken zielen zonder ophouden samen, niet zozeer verheugd over hun eigen verworvenheden, maar over de vooruitgang en diensten van anderen. Zo gebeurt het dat hun gedachten te allen tijde erop gericht zijn elkaar te helpen de hoogten van dienstbaarheid aan Zijn Zaak te beklimmen en in de hemel van Zijn kennis op te stijgen. Dit is wat wij zien in het huidige activiteitenpatroon dat zich overal ter wereld ontvouwt, verbreid door jong en oud, door oudgedienden en nieuwkomers, terwijl ze zij-aan-zij werken.

Niet alleen heeft deze vooruitgang in cultuur invloed op persoonlijke verhoudingen, maar het effect kan ook worden gevoeld in de wijze van behandelen van de bestuurlijke zaken van het Geloof. Daar het leren een kenmerk is geworden van de werkwijze van de gemeenschap, zijn bepaalde aspecten van besluitvorming met betrekking tot uitbreiding en consolidatie toebedeeld aan de gelovigen zodat planning en uitvoering meer in reactie op de omstandigheden in het veld gedaan kan worden. Met name is er ruimte gecreëerd, in de instelling van de reflectiebijeenkomst, voor degenen die betrokken zijn bij activiteiten op clusterniveau, om van tijd tot tijd samen te komen om in het licht van de ervaring en leiding van de instituten overeenstemming te bereiken over de huidige stand van zaken en hun directe stappen voorwaarts te bepalen. Er is door het instituut een vergelijkbare ruimte gecreëerd voor degenen die in een cluster dienen als begeleiders, leraren van kinderklassen en animatoren van jeugdgroepen, waardoor zij afzonderlijk kunnen samenkomen om te consulteren over hun ervaringen. Nauw verbonden aan dit consultatieve proces aan de basis zijn de instanties van het trainingsinstituut en het Cluster Onderrichtcomité, samen met de Hulpraadsleden, wier gezamenlijke interactie voorziet in nog weer een ruimte waarin besluiten met betrekking tot groei worden genomen, in dit geval met een hogere graad van formaliteit. De werking van dit systeem op clusterniveau, voortkomend uit dringende behoefte, wijst op een belangrijk kenmerk van bahá'í-bestuur: evenals een levend organisme, heeft het in zich gecodeerd het vermogen om niveaus van steeds hogere complexiteit te huisvesten aangaande structuren en processen, betrekkingen en activiteiten, naarmate het zich ontvouwt onder de leiding van het Universele Huis van Gerechtigheid.

Dat de instellingen van het Geloof op alle niveaus – van lokaal en regionaal tot nationaal en continentaal – in staat zijn een zo groeiende complexiteit met steeds grotere behendigheid te beheren is zowel een teken als een noodzaak van hun gestage volwassenwording. Zich ontwikkelende betrekkingen tussen bestuurlijke structuren hebben de Plaatselijke Geestelijke Raad op de drempel gebracht van een nieuw stadium in de uitvoering van zijn verantwoordelijkheden om het Woord van God te verbreiden, de krachten van de gelovigen te mobiliseren en een omgeving te scheppen die geestelijk opbouwend is. Bij eerdere gelegenheden hebben wij uitgelegd dat de volwassenheid van een Geestelijke Raad niet alleen kan worden bepaald naar de regelmaat van zijn bijeenkomsten en de efficiëntie van zijn functioneren. Zijn kracht moet, in belangrijke mate, eerder worden gemeten naar de vitaliteit van het geestelijke en sociale leven van de gemeenschap die hij dient – een groeiende gemeenschap die constructieve bijdragen verwelkomt van zowel degenen die formeel zijn geregistreerd en van hen die dat niet zijn. Het doet ons genoegen te zien dat huidige benaderingen, methoden en instrumenten aan de Plaatselijke Geestelijke Raden, zelfs de pasgevormde, de middelen verschaffen om deze verantwoordelijkheden te vervullen nu zij gereed staan om te verzekeren dat in hun plaatsen de vereisten van het Vijfjarenplan voldoende worden behaald. De betrokkenheid van de Raad zelf bij het Plan wordt inderdaad beslissend voor elke poging om grote aantallen te verwelkomen – op zichzelf een vereiste voor de uiting van de volle draagwijdte van zijn krachten en vermogens.

De ontwikkeling die wij in de komende jaren zeker zullen zien bij Plaatselijke Geestelijke Raden is mogelijk gemaakt door de groeiende kracht van de Nationale Geestelijke Raden; hun vermogen om strategisch te denken en handelen is merkbaar toegenomen, vooral omdat ze hebben geleerd het proces van gemeenschapsopbouw aan de basis met grotere precisie en doelmatigheid te analyseren en, waar nodig, hulp, middelen, bemoediging en liefdevolle leiding in te brengen. In landen waar de omstandigheden het vereisen hebben zij in dit verband een aantal van hun taken aan Regionale Raden overgedragen, daarmee bepaalde bestuurlijke functies gedecentraliseerd, institutionele capaciteit in gebieden onder hun jurisdictie uitgebreid en ontwikkelen meer complexe middelen voor interacties. Het is niet overdreven te zeggen dat de volledige betrokkenheid van Nationale Raden een grote rol speelde bij het geven van de laatste stuwkracht die nodig was om het doel van het huidige Plan te behalen en wij verwachten verdere ontwikkelingen in deze richting te zien wanneer zij zich, in samenspel met de Raadgevers, in de loop van de kritieke, snel voorbijvliedende maanden die voor ons liggen tot het uiterste zullen inspannen om hun gemeenschappen gereed te maken om van start te gaan met de volgende vijfjarenonder-neming.

Ongetwijfeld vormt de evolutie van het instituut van de Raadgevers een van de opmerkelijkste vorderingen in het Bahá’í Bestuursstelsel in de afgelopen tien jaar. Dat instituut had in zijn ontwikkeling reeds buitengewone sprongen gemaakt toen, in januari 2001, de Raadgevers en de Hulpraden in het Heilige Land bijeenkwamen voor de conferentie ter gelegenheid van de ingebruikname door het Internationale Onderrichtcentrum van zijn permanente zetel op de berg Karmel. Het lijdt geen twijfel dat de krachten die bij die gebeurtenis vrijkwamen het instituut snel voorwaarts hebben gestuwd. De mate van invloed die de Raadgevers en hun hulpraden hebben uitgeoefend op de vooruitgang van het Plan toont aan dat zij hun natuurlijke positie in de voorste gelederen van het onderrichtsterrein hebben ingenomen. Wij zijn vol vertrouwen dat het komende jaar de instellingen van het Bestuursstelsel nog verder in samenwerking met elkaar zal verbinden, daar allen ernaar streven, elk in overeenstemming met zijn ontwikkelende functies en verantwoordelijkheden, om de lerende houding die een belangrijk kenmerk van het functioneren van de gemeenschap is geworden, te versterken - wat hoogst urgent is in de clusters die ervaring opdoen met intensieve groeiprogramma’s.

Bahá’u’lláh’s Openbaring is onmetelijk. Zij roept op tot diepgaande verandering, niet alleen op persoonlijk niveau maar ook in de structuur van de samenleving. “Is het immers niet het doel van iedere Openbaring”, zo verkondigt Hijzelf, “om in de hele aard van de mensheid een verandering tot stand te brengen, een verandering die zich uiterlijk en innerlijk kenbaar zal maken en die zowel het innerlijke leven als de uiterlijke omstandigheden zal beïnvloeden?” Het werk dat thans in alle delen van de wereld voortgaat vertegenwoordigt het nieuwste stadium van het voortdurende bahá’í-streven om de kiem te vormen van de glorieuze wereldbeschaving die in Zijn leringen ligt vervat, waarvan de opbouw een onderneming van oneindig grote complexiteit en omvang is, die van de mensheid een eeuwenlange inspanning zal vragen om tot bloei te komen. Er zijn geen kortere wegen, geen recepten. Alleen wanneer men zich inspant om te putten uit inzichten vanuit Zijn Openbaring, gebruikmaakt van de steeds toenemende kennis van het menselijk ras, Zijn leringen intelligent toepast op het leven van de mensheid en consulteert over de vragen die rijzen, zal het benodigde leren plaatsvinden en capaciteit worden ontwikkeld.

In dit langlopende proces van capaciteit opbouwen, heeft de bahá’í-gemeenschap bijna anderhalf decennium besteed aan het systematiseren van haar ervaring op het terrein van onderricht, het leren om bepaalde activiteiten voor steeds meer mensen open te stellen en haar verbreiding en consolidatie gaande te houden. Alle mensen zijn welkom in de hartelijke omarming van de gemeenschap en ontvangen de steun van Bahá’u’lláh’s levenschenkende boodschap. Er is voor een ziel die hunkert naar de Waarheid voorzeker geen grotere vreugde dan bescherming te vinden in de vesting van de Zaak en kracht te putten uit de verenigende kracht van het Verbond. Toch kan ieder mens en elke groep mensen, ongeacht of zij tot Zijn volgelingen worden gerekend of niet, uit Zijn leringen inspiratie putten, baat vinden bij alle juwelen van wijsheid en kennis die hen zullen helpen om de moeilijkheden die zij ondervinden tegemoet te treden. Natuurlijk zal de beschaving die de mensheid wenkt niet alleen door de inspanningen van de bahá’í-gemeenschap worden verkregen. Talloze groeperingen en organisaties die worden bezield door de geest van wereldsolidariteit die een indirecte uiting is van Bahá’u’lláh’s conceptie van het principe van de eenheid der mensheid, zullen bijdragen aan de beschaving die bestemd is uit de verwarring en chaos van de huidige samenleving te verrijzen. Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat de capaciteit die in de loop van opeenvolgende mondiale Plannen in de bahá’í-gemeenschap tot stand is gebracht haar steeds geschikter maakt om hulp te verlenen bij de vele en diverse aspecten van het bouwen aan beschaving, hetgeen voor haar nog onontgonnen leerterreinen opent.

In onze Ridvánboodschap van 2008 gaven wij aan dat wanneer de vrienden doorgaan met het werk op clusterniveau zij steeds verder betrokken zouden raken bij het leven van de maatschappij om hen heen en worden uitgedaagd om het proces van systematisch leren waarmee zij bezig zijn, uit te breiden om een groeiend terrein van menselijke inspanningen te omsluiten. In elk cluster begint een rijkgeschakeerd gemeenschapsleven te ontstaan als daden van gemeenschappelijke aanbidding, afgewisseld met gesprekken die in intieme huiselijke sfeer plaatsvinden, worden verweven met activiteiten die voorzien in geestelijke opvoeding en onderwijs voor alle leden van de bevolking – volwassenen, jongeren en kinderen. Maatschappelijk bewustzijn neemt spontaan toe als er bijvoorbeeld onder ouders steeds vaker levendige gesprekken gevoerd worden over de aspiraties van hun kinderen en er op initiatief van de jeugd dienstbaarheidsprojecten ontstaan. Wanneer er in een cluster eenmaal ruim voldoende menselijke hulpbronnen aanwezig zijn en het groeipatroon stevig is gevestigd kan, en moet zelfs, de betrokkenheid van de gemeenschap bij de samenleving toenemen. Op dit cruciale punt in de ontvouwing van het Plan, nu zoveel clusters een dergelijk stadium naderen, lijkt het juist dat overal de vrienden gaan nadenken over de aard van de bijdragen die hun groeiende, levendige gemeenschappen zullen leveren aan de materiële en geestelijke vooruitgang van de samenleving. In betrekking hiermee zal het nuttig blijken om te denken in termen van twee onderling verbonden, elkaar wederzijds versterkende werkterreinen: betrokkenheid bij maatschappelijke actie en deelname aan de in de samenleving heersende dialogen.

In de loop van tientallen jaren heeft de bahá’í-gemeenschap op deze beide terreinen veel ervaring opgedaan. Er zijn natuurlijk veel bahá’ís die door hun beroep met maatschappelijke actie en de publieke dialoog bezig zijn. Een aantal non-gouvernementele organisaties, die door de leringen van het Geloof geïnspireerd zijn en op het regionale en nationale niveau opereren, werken op het terrein van sociaal-economische ontwikkeling voor vooruitgang van hun volk. Instellingen van Nationale Geestelijke Raden dragen langs verschillende wegen bij aan de promotie van ideeën die het algemeen welzijn bevorderen. Op het internationale niveau vervullen de instellingen van het bureau bij de Verenigde Naties van de Bahá’í International Community een soortgelijke functie. De vrienden die aan de basis van de gemeenschap werken zullen, wanneer zij de zorgen van de maatschappij om hen heen trachten aan te pakken, gebruikmaken van deze ervaring en bekwaamheid, in de mate waarin dit nodig en wenselijk is.

Heel toepasselijk beschouwd als een spectrum, kan maatschappelijke actie variëren van tamelijk informele kortdurende activiteiten van één persoon of kleine vriendengroepen tot programma’s voor sociaal-economische ontwikkeling die een hoog niveau van complexiteit en perfectie bezitten en door bahá’í-geïnspireerde organisaties worden uitgevoerd. Ongeacht de reikwijdte of grootte, bij alle maatschappelijke actie wordt getracht de leringen en principes van het Geloof toe te passen teneinde een aspect van het sociale of economische leven van een bevolking te verbeteren, hoe bescheiden ook. Zulke pogingen onderscheiden zich dan door hun uitgesproken doel om naast het geestelijke welzijn ook het materiële welzijn van de bevolking te bevorderen. Dat de wereldbeschaving die nu aan de horizon van de mensheid verschijnt een dynamische samenhang tussen de materiële en de geestelijke levensbehoeften moet bereiken staat in de bahá’í-leringen centraal. Het is duidelijk dat dit ideaal diepgaande gevolgen heeft voor het karakter van iedere maatschappelijke actie die door bahá’ís wordt nagestreefd, wat de reikwijdte of invloedssfeer ervan ook is. Hoewel de omstandigheden van land tot land, misschien wel van cluster tot cluster zullen verschillen, en de vrienden tot een scala van activiteiten zullen aanzetten, zijn er toch bepaalde fundamentele concepten die allen in gedachten moeten houden. Een ervan is het centraal staan van kennis voor het maatschappelijk bestaan. Het laten voortbestaan van onwetendheid is een zeer ernstige vorm van onderdrukking; het versterkt de vele muren van vooroordeel die barrières vormen voor de verwezenlijking van de eenheid van de mensheid, tegelijkertijd het doel en het werkende principe van Bahá’u’lláh’s Openbaring. Toegang tot kennis is het recht van ieder mens en deelname aan het voortbrengen, toepassen en verspreiden ervan is een verantwoordelijkheid die allen op zich moeten nemen in de grote onderneming van het opbouwen van een welvarende wereldbeschaving - ieder mens naargelang zijn of haar talenten en mogelijkheden. Gerechtigheid vereist universele deelname. Hoewel maatschappelijke actie dus kan inhouden dat er in enige vorm wordt voorzien in goederen en diensten, moet de voornaamste zorg ernaar uitgaan dat er binnen een bepaalde bevolkingsgroep bekwaamheid wordt opgebouwd om deel te hebben aan het scheppen van een betere wereld. Maatschappelijke verandering is geen project dat een groep mensen ten uitvoer brengt ten bate van een andere groep. De reikwijdte en complexiteit van maatschappelijke actie moet evenredig zijn aan de menselijke hulpbronnen die in een buurt of dorp voor de uitvoering ervan beschikbaar zijn. Activiteiten kunnen dus het best op bescheiden schaal worden opgezet en organisch groeien naarmate de capaciteit van de bevolking zich ontwikkelt. Natuurlijk bereikt capaciteit nieuwe hoogten wanneer de voorvechters van maatschappelijke verandering leren om steeds doelmatiger elementen uit Bahá’u’lláh’s Openbaring, in combinatie met de inhoud en methoden van de wetenschap, toe te passen op hun maatschappelijke werkelijkheid. Zij moeten deze werkelijkheid trachten te begrijpen op een wijze die strookt met Zijn leringen – door in hun medemensen juwelen van onschatbare waarde te zien en de invloeden te herkennen van het tweeledige proces van integratie en verval, zowel op het hart en de geest, alsook op maatschappelijke structuren.

Succesvolle maatschappelijke actie verrijkt de deelname aan de gespreksthema’s in de samenleving, net zoals de inzichten die verworven worden door in bepaalde dialogen mee te doen kunnen helpen om de concepten die maatschappelijke actie vormgeven te verhelderen. Op clusterniveau kan betrokkenheid in het publieke debat variëren van een eenvoudige daad als het introduceren van bahá’i-ideeën in een alledaagse conversatie, tot meer officiële activiteiten zoals het schrijven van artikelen en het bijwonen van bijeenkomsten die aan maatschappelijk belangrijke thema’s zijn gewijd – klimaatverandering en milieu, bestuur en mensenrechten, om er enkele te noemen. Het houdt ook betekenisvolle interactie met lokale groepen en organisaties in dorpen en buurten in.

Wij voelen ons met betrekking hiertoe genoodzaakt om een waarschuwing te laten horen: Het is belangrijk dat allen zich realiseren dat de waarde van betrokkenheid bij maatschappelijke actie en publiek debat niet beoordeeld moet worden op het vermogen om inschrijvingen te brengen. Hoewel inspanningen op deze twee gebieden zeker wel een toename in de grootte van de bahá’í-gemeenschap zou kunnen veroorzaken, worden ze niet voor dit doel ondernomen. Oprechtheid is in dit verband een noodzakelijke voorwaarde. Er dient bovendien voor gezorgd te worden dat de ervaring van bahá’ís niet wordt overdreven of dat er ongepaste aandacht wordt gevraagd voor beginnende projecten, zoals het jeugdprogramma voor geestelijke bekrachtiging, die het best met rust gelaten kunnen worden om in hun eigen tempo te volgroeien. In alle gevallen is het wachtwoord bescheidenheid. Daar waar de vrienden hun enthousiasme over hun overtuiging uitdragen, zouden zij ervoor moeten waken een sfeer van triomfalisme uit te stralen, nauwelijks gepast in eigen kring, laat staan in andere omstandigheden.

Met het voor u beschrijven van deze nieuwe kansen die zich nu op het clusterniveau gaan voordoen, vragen wij u niet om ook maar enigermate uw huidige koers te wijzigen. Evenmin moet gedacht worden dat zulke kansen een alternatief gebied van dienen zou voorstellen dat met het uitbreiding- en consolidatiewerk concurreert om de beperkte hulpbronnen en krachten van de gemeenschap. In het komende jaar moet de versterking van het instituutproces en het activiteitenpatroon dat het voortbrengt doorgaan, en onderricht moet bij elke gelovige op de eerste plaats blijven staan. Er moet niet voorbarig gestreefd worden naar meer betrokkenheid bij het maatschappelijke leven. Het zal vanzelf beginnen als de vrienden in elk cluster volharden bij het in praktijk brengen van de voorzieningen van het Plan door middel van een proces van actie, reflectie, consultatie en studie, en als gevolg daarvan leren. Betrokkenheid bij het maatschappelijke leven zal tot bloei komen wanneer de bekwaamheid van de gemeenschap om haar eigen groei te bevorderen en haar levenskracht te behouden geleidelijk toeneemt. Ze zal een samenhang met de inspanningen tot uitbreiding en consolidatie van de gemeenschap bereiken naar de mate waarin zij gebruikmaakt van elementen van het conceptuele kader waardoor de huidige serie mondiale Plannen wordt geleid. En ze zal bijdragen aan de beweging van bevolkingsgroepen in de richting van Bahá’u’lláh’s visie van een welvarende en vreedzame wereldbeschaving in de mate waarin er creatief van deze elementen gebruik wordt gemaakt in nieuwe leergebieden.

Dierbare vrienden: hoe vaak heeft de Geliefde Meester niet de hoop uitgesproken dat het hart van de gelovigen zou overvloeien van liefde voor elkaar, dat zij geen scheidslijnen zouden dulden, maar de hele mensheid als één familie zouden zien. “Zie geen vreemden,” luidt zijn aansporing: “zie liever alle mensen als vrienden, want eenheid en liefde zijn moeilijk te voelen als u zich richt op het anders zijn.” Alle ontwikkelingen die in de voorgaande passages zijn onderzocht zijn, op het diepste niveau, niets anders dan een uitdrukking van universele liefde die door de kracht van de Heilige Geest wordt verkregen. Want is het niet de liefde voor God die alle sluiers van vervreemding en scheiding wegbrandt en harten in volmaakte eenheid samenbindt? Is het niet Zijn liefde die u in het veld van dienstbaarheid aanspoort en u in staat stelt om in elke ziel het vermogen om Hem te kennen en te aanbidden te zien? Bent u niet tot actie aangespoord door de wetenschap dat Zijn Manifestatie met vreugde een leven vol lijden verdroeg uit liefde voor de mensheid? Kijk binnen uw eigen gelederen naar uw dierbare bahá’í-broeders en zusters in Iran. Zijn zij niet het voorbeeld van een standvastigheid die geboren is uit de liefde voor God en het verlangen hem te dienen? Getuigt hun vermogen om boven de wreedste en bitterste vervolging uit te stijgen niet van het vermogen van miljoenen onderdrukte mensen in de wereld om op te staan en een beslissende rol te spelen in de opbouw van het Koninkrijk van God op aarde? Zet door, niet ontmoedigd door verdeeldheidzaaiende maatschappelijke opvattingen, en breng Bahá’u’lláh’s boodschap naar wachtende zielen in elke stadsbuurt, in ieder plattelandsgehucht, in elke plaats op de wereld, trek hen aan tot Zijn gemeenschap, de gemeenschap van de Grootste Naam. U bent nooit weg uit onze gedachten en gebeden en wij zullen doorgaan met de Almachtige te smeken om u te sterken met Zijn wondere genade.

Aan het begin van dit glorieuze seizoen wordt onze blik verlicht wanneer wij de thans weer onthulde pracht zien van de vergulde koepel die de verheven Graftombe van de Báb kroont. Hersteld in de hemelse glans die daar door Shoghi Effendi voor was bedoeld, straalt dit majestueuze bouwwerk opnieuw over land, zee en lucht, bij dag en bij nacht, getuigend van de luister en heiligheid van Hem Wiens gewijde stoffelijke resten daarin geborgen liggen.

Dit vreugdevolle moment valt samen met de afsluiting van een veelbelovend hoofdstuk in de ontvouwing van het Goddelijk Plan. Er rest nog slechts één decennium van de eerste eeuw van het Vormende Tijdperk, de eerste honderd jaar onder de weldadige beschutting van het Testament van ‘Abdu’l-Bahá. Het Vijfjarenplan dat nu eindigt wordt gevolgd door een ander welks kenmerken reeds in de gehele bahá’í-wereld tot onderwerp van diepgaande studie zijn gemaakt. Wij zouden werkelijk niet dankbaarder kunnen zijn voor de reactie op onze boodschap aan de Conferentie van de Continentale Colleges van Raadgevers en die op de Ridvánboodschap van twaalf maanden geleden. Niet tevreden met een fragmentarisch begrip van de inhoud, keren de vrienden telkens opnieuw terug naar deze boodschappen, alleen of in groepen, bij officiële vergaderingen en spontane bijeenkomsten. Hun begrip is verrijkt door actieve en ter zake kundige deelname aan de groeiprogramma’s die in hun cluster worden ontwikkeld. Als gevolg daarvan heeft de bahá’í-gemeenschap wereldwijd in een paar maanden tijd welbewust in zich opgenomen wat er nodig is om zich voort te bewegen naar een zekere start voor het komende decennium.

In dezelfde periode heeft op diverse continenten de opeenstapeling van politieke beroering en economische onrust regeringen en volkeren geschokt. Samenlevingen zijn tot op de rand van revolutie gebracht en in bepaalde sommige gevallen ertoe overgegaan. Leiders ondervinden dat wapens noch rijkdom veiligheid garanderen. Waar de verlangens van het volk onvervuld zijn gebleven heeft zich een overvloed aan verontwaardiging opgehoopt. Wij herinneren ons hoe nadrukkelijk Bahá’u’lláh de heersers van de aarde heeft gewaarschuwd: “Uw volk is uw rijkdom. Waakt ervoor, dat uw bestuur de geboden van God niet schendt en gij uw beschermelingen niet overlevert aan de uitbuiter”. Een waarschuwing is op zijn plaats: hoe fascinerend het schouwspel van het hartstochtelijk verlangen van mensen naar verandering ook moge zijn, men moet zich bedenken dat er belangen zijn die het verloop van de gebeurtenissen manipuleren. En zolang het geneesmiddel dat door de goddelijke Geneesheer is voorgeschreven niet wordt toegediend, zullen de beproevingen van dit tijdperk aanhouden en heviger worden. Een oplettende waarnemer van deze tijd zal zonder aarzeling de versnellende desintegratie, grillig maar gestaag, van een jammerlijk gebrekkige wereldorde erkennen.

Toch is de tegenhanger daarvan eveneens waarneembaar, het opbouwende proces dat de Behoeder in verband bracht met “het ontluikende Geloof van Bahá’u’lláh” en beschreef als “de voorbode van de Nieuwe Wereldorde die weldra door dit Geloof moet worden gevestigd”. De indirecte invloed ervan kan worden waargenomen in de stroom van gevoelens, vooral bij de jonge mensen, die voortkomt uit een verlangen om aan sociale ontwikkeling bij te dragen. Het is een gunst die aan de volgelingen van de Aloude Schoonheid is verleend dat dit verlangen, dat in ieder land onverbiddelijk uit de menselijke geest opwelt, tot uitdrukking kan komen in het werk dat de bahá’í-gemeenschap uitvoert om onder de diverse bevolkingen van de planeet capaciteit voor doelmatige actie op te bouwen. Kan enig voorrecht hiermee vergeleken worden?

Om zich dit werk te kunnen voorstellen, laat elke gelovige zijn blik richten op ‘Abdu’l-Bahá, wiens “baanbrekende reizen” naar Egypte en het Westen nu, na honderd jaar, worden herdacht. Onvermoeibaar zette hij de leringen uiteen op elke plek waar mensen bijeenkomen: in huizen en zendingsposten, kerken en synagogen, parken en openbare pleinen, treinwagons en oceaanstomers, clubs en sociëteiten, scholen en universiteiten. Onverzettelijk in het verdedigen van de waarheid, maar op een oneindig beminnelijke wijze, paste hij de universele goddelijke principes toe op de dringende noden van de tijd. Aan allen zonder onderscheid – ambtsdragers, wetenschappers, arbeiders, kinderen, ouders, ballingen, activisten, geestelijken, sceptici – schonk hij liefde, wijsheid, troost, wat iemands specifieke behoefte ook mocht zijn. Terwijl hij hun ziel verhief, prikkelde hij hun veronderstellingen, heroriënteerde hun zienswijzen, verruimde hun bewustzijn en gaf richting aan hun krachten. Hij betoonde in woord en daad zulk een mededogen en grootmoedigheid dat harten volkomen werden getransformeerd. Niemand werd afgewezen. Wij hopen ten zeerste dat het herhaaldelijk overpeinzen gedurende deze gedenkperiode, van de Meesters weergaloze staat van dienst, zijn oprechte bewonderaars zal inspireren en sterken. Houdt zijn voorbeeld voor ogen en vestig uw blik erop, laat het uw innerlijke gids zijn bij het nastreven van het doel van het Plan.

Bij de aanvang van het eerste mondiale Plan van de bahá’í-gemeenschap beschreef Shoghi Effendi op meeslepende wijze de opeenvolgende stadia waarin het goddelijk licht was ontstoken in de Síyáh-chál, werd gehuld in de lamp van openbaring in Baghdád, werd verspreid naar landen in Azië en Afrika juist toen het met toegenomen helderheid scheen in Adrianopel en later in ‘Akká, over de zeeën heen werd gericht naar de overige continenten en waardoor het steeds verder zou worden verspreid over de staten en gebiedsdelen van de wereld. Hij kenschetste het laatste deel van dit proces als de “doordringing van dat licht … in alle resterende gebieden van de aardbol” en duidde het aan als “het stadium waarin het licht van Gods zegevierende Geloof, schijnend in al zijn kracht en glorie de gehele planeet zal hebben overgoten en omgeven.” Hoewel dat doel nog verre van vervuld is, straalt het licht in menig gebied reeds zeer krachtig. In sommige landen schijnt het in elk cluster. In het land waar dat ondoofbare licht voor het eerst werd ontstoken, brandt het helder ondanks degenen die het zouden willen uitdoven. In verscheidene naties bereikt het een stabiele gloed in hele buurten en dorpen, wanneer kaars na kaars in hart na hart wordt aangestoken door de Hand van Voorzienigheid; het verlicht diepgaande gesprekken op ieder niveau van interactie tussen mensen, het werpt zijn stralen op ontelbare initiatieven die worden ondernomen om het welzijn van een bevolking te bevorderen. En telkens straalt het uit van een trouwe gelovige, een bruisende gemeenschap, een liefdevolle Geestelijke Raad – elk een baken van licht tegen de duisternis.

Wij bidden vurig aan de Heilige Drempel dat ieder van u, dragers van de onsterfelijke vlam, omringd moge zijn door de krachtige bevestigingen van Bahá’u’lláh wanneer u aan anderen de vonk van geloof doorgeeft.

1. Het luisterrijke seizoen van Riḍván nadert en vanaf de hoogten die de gemeenschap van de Grootste Naam heeft bereikt, zijn er aan de horizon prachtige vergezichten te zien. Er is een uitgestrekt terrein doorkruist: er zijn nieuwe groeiprogramma’s verschenen, en terwijl er in de komende twaalf maanden nog honderden moeten opkomen zijn er, in bijna elk van de clusters die nodig zijn om het doel van het Vijfjarenplan om de 5000 te bereiken, al inspanningen geleverd om het vereiste actiepatroon op gang te brengen. Bestaande programma’s winnen aan kracht en vele laten duidelijker zien wat het betekent voor de Zaak van God om dieper in het maatschappelijke landschap van een cluster en binnen een buurt of een dorp te reiken. De paden die naar aanhoudende uitbreiding en consolidatie op grote schaal leiden worden met steviger stappen gevolgd, waarbij dappere jongeren vaak het tempo aangeven. De wijzen waarop de maatschappij-opbouwende kracht van het Geloof tot uiting kan komen worden steeds duidelijker, en die bepalende kenmerken waardoor de verdere ontvouwing van het groeiproces in een cluster moet worden aangegeven worden geleidelijk aan zichtbaar.

2. De roep om dit werk uit te voeren en te ondersteunen is gericht tot elke volgeling van Bahá’u’lláh, en het zal een reactie oproepen in elk hart dat lijdt vanwege de beklagenwaardige toestand van de wereld, de erbarmelijke omstandigheden waar zo veel mensen niet aan kunnen ontkomen. Want uiteindelijk is het de systematische, vastberaden en onzelfzuchtige actie die binnen de brede omarming van het raamwerk van het Plan wordt ondernomen, die het meest constructieve antwoord is van elke betrokken gelovige op de zich vermenigvuldigende kwalen van een ontregelde maatschappij. In het afgelopen jaar is het nog duidelijker geworden dat, in verschillende landen op verschillende manieren, de maatschappelijke consensus betreffende idealen die traditioneel een volk verenigden en bijeenhielden meer en meer is verzwakt en verloren gaat. Hij kan niet langer een betrouwbare bescherming bieden tegen een veelheid van op eigenbelang gerichte, intolerante en giftige ideologieën die gevoed worden door ontevredenheid en wrok. Met een wereld in tweestrijd, die dag na dag minder zeker van zichzelf lijkt te zijn, worden de voorstanders van destructieve doctrines brutaal en schaamteloos. Wij brengen de ondubbelzinnige uitspraak van de Meest Verheven Pen in herinnering: “Zij haasten zich naar Hellevuur en zien het aan voor licht.” Goedbedoelende leiders van naties en volkeren blijven zitten met de strijd om de evidente scheuringen in de samenleving te herstellen, en zijn niet bij machte om de verbreiding ervan te voorkomen. De effecten van dit alles zijn niet slechts zichtbaar in de openlijke conflicten of een ineenstorting van structuur. In het wantrouwen dat buren tegen buren opzet en familiebanden afsnijdt; bij het antagonisme van zoveel van wat doorgaat voor maatschappelijk discours; in de achteloosheid waarmee gebruik wordt gemaakt van het beroep doen op onwaardige menselijke motivaties om macht te winnen en rijkdommen te vergaren – in dit alles liggen onmiskenbaar de tekenen dat de morele kracht die de samenleving schraagt in ernstige mate is uitgeput.

3. Toch is er geruststelling in de wetenschap dat, te midden van de ineenstorting, een nieuw soort collectief leven vorm krijgt die praktische uitdrukking verschaft aan alles wat in het menselijk wezen hemels is. Wij hebben opgemerkt hoe, vooral in die plaatsen waar intensiteit bij het onderricht en gemeenschapsopbouwende activiteiten in stand wordt gehouden, de vrienden zich hebben kunnen beschermen tegen de krachten van materialisme die aan hen hun waardevolle krachten dreigen te onttrekken. Niet alleen dat, maar door het kunnen beheersen van de diverse andere beroepen op hun tijd, verliezen zij nooit het zicht op de heilige en urgente taken die hen wachten. Een dergelijke aandacht voor de noden van het Geloof en voor de belangen van de mensheid is in elke gemeenschap vereist. Waar een groeiprogramma is gevestigd in een voordien ongeopende cluster, zien wij hoe de eerste tekenen van activiteit voortkomen uit de liefde voor Bahá’u’lláh die de toegewijde gelovige in zijn hart draagt. Niettegenstaande de mate van complexiteit waarin uiteindelijk moet worden voorzien naargelang een gemeenschap groter wordt, begint alle activiteit met dit eenvoudige element van liefde. Het is de essentiële draad waaruit, cyclus na cyclus, een patroon van geduldige en geconcentreerde inspanning wordt geweven om kinderen, jongeren en volwassenen te laten kennismaken met geestelijke ideeën; om een gevoel voor aanbidding te voeden door samenkomsten voor gebed en toewijding; om aan te moedigen tot gesprekken die het begrip verhelderen; om steeds grotere aantallen mensen aan te zetten tot een levenslange studie van het scheppende Woord en het omzetten daarvan naar daden; om samen met anderen het vermogen tot dienen te ontwikkelen; en om elkaar te vergezellen bij het toepassen van hetgeen geleerd is. Geliefde vrienden, geliefden van de Abhá Schoonheid: wij bidden vurig voor u bij elke gelegenheid waarbij wij ons naar Zijn heilige Drempel begeven, dat uw liefde voor Hem u de kracht moge geven om uw leven ten dienste te stellen van Zijn Zaak.

4. De rijke inzichten die vanuit clusters komen en uit centra van intensieve activiteit daarbinnen, waar de dynamiek van het gemeenschapsleven grote aantallen mensen heeft omarmd, verdienen speciale vermelding. Wij zijn blij te zien hoe een cultuur van wederzijdse steun, gebaseerd op vriendschap en nederige dienstbaarheid, zich op geheel natuurlijke wijze heeft gevestigd in zulke wijken waar systematisch steeds meer zielen in de schoot van de activiteiten van de gemeenschap worden gebracht. In steeds meer omgevingen blijkt de beweging van een bevolking naar de visie van Bahá’u’lláh voor de nieuwe samenleving niet langer uitsluitend een betoverend vergezicht te zijn, maar een opkomende werkelijkheid.

5. Wij willen nog enkele woorden richten tot diegenen onder u in wiens omgeving merkbare vooruitgang nog moet plaatsvinden en die verlangen naar verandering. Heb vertrouwen. Het zal niet altijd zo blijven. Is de geschiedenis van ons Geloof niet vol van verslagen van een ongunstig begin en toch wonderbaarlijke resultaten? Hoe vaak hebben niet de daden van een paar gelovigen - jong of oud - of van een enkel gezin of zelfs van een eenzame ziel, wanneer bevestigd door de kracht van Gods hulp, geleid tot het scheppen van levendige gemeenschappen in een schijnbaar ongastvrij klimaat? Denk niet dat het in uw eigen omstandigheid wezenlijk anders is. Verandering in een cluster, of het nu snel of moeizaam wordt bereikt, vloeit niet voort uit een stereotiepe benadering, noch uit een willekeurige activiteit; het zet zich voort op het ritme van actie, reflectie en consultatie en wordt voortgestuwd door plannen die de vrucht zijn van ervaring. Afgezien hiervan en ongeacht de directe resultaten, is dienstbaarheid aan de Geliefde op zichzelf een bron van blijvende geestelijke vreugde. Put ook moed uit het voorbeeld van uw geestverwanten in de Bakermat van het Geloof, hoe hun positieve visie, hun veerkracht als gemeenschap en hun standvastigheid bij het verkondigen van het Goddelijk Woord op het niveau van denken en doen in hun samenleving veranderingen tot stand brengen. God is met u, met eenieder van u. Laat in de twaalf maanden van het Plan die nog resten iedere gemeenschap vanuit haar huidige positie vooruitgaan naar een sterkere positie.

6. Het hoogst belangrijke werk van uitbreiding en consolidatie legt een solide fundament voor de inspanningen waartoe de bahá’í-wereld wordt opgeroepen om op tal van andere gebieden te ondernemen. In het Bahá’í-wereldcentrum worden inspanningen geïntensiveerd om methodisch de inhoud te catalogiseren en te indexeren van de duizenden Tafelen die dat oneindig kostbaar legaat vormen, de heilige Teksten van ons Geloof, in bewaring gehouden ten behoeve van de gehele mensheid – dit, om de publicatie van delen van de Geschriften te versnellen, zowel in hun oorspronkelijke taal als in het Engels. De inspanningen om acht Mashriqu’l-Adhkárs te vestigen, heilige Tempels opgericht ter ere van God, worden vlot voortgezet. Het werk voor externe zaken op nationaal niveau heeft overduidelijk aan effectiviteit gewonnen en wordt steeds systematischer; het wordt verder gestimuleerd door de uitgave van een document dat zes maanden geleden aan Nationale Geestelijke Raden werd gezonden, dat is gebaseerd op de ruime ervaring die gedurende de afgelopen twintig jaar werd gegenereerd en voorziet in een uitgebreid kader voor de ontwikkeling van deze inspanningen in de toekomst. Intussen zijn er twee nieuwe bureaus van Bahá’í International Community geopend in Addis Abeba en Jakarta; nevenbureaus van de in New York en Genève gevestigde bureaus bij de Verenigde Naties, en van het bureau in Brussel, waarmee de mogelijkheden worden verruimd om de standpunten van de Zaak in Afrika en Zuidoost-Azië op internationaal niveau aan te bieden. Vaak gedreven door de vereisten van groei is een aantal Nationale Raden hun bestuurlijke capaciteit aan het opvoeren, zichtbaar in hun doordacht rentmeesterschap van de hen beschikbare middelen, hun inspanningen om zich diepgaand vertrouwd te maken met de toestand van hun gemeenschappen, en hun waakzaamheid om ervoor te zorgen dat de verrichtingen van hun nationale kantoren steeds krachtiger worden; de noodzaak om de indrukwekkende hoeveelheid kennis die nu op dit gebied wordt bijeengebracht te systematiseren heeft geleid tot de oprichting in het Wereldcentrum van het Bureau voor de Ontwikkeling van Bestuurlijke Systemen. Initiatieven voor maatschappelijke actie van diverse aard blijven zich in veel landen vermenigvuldigen, waardoor veel te leren is over hoe de wijsheid die de Leringen in zich bergen kan worden toegepast om sociale en economische omstandigheden te verbeteren; zo veelbelovend is dit veld dat wij een zeven leden tellend Internationaal Adviescollege voor het Bureau van Sociaal-Economische Ontwikkeling hebben ingesteld, waarmee de volgende fase in de ontwikkeling van dat bureau wordt ingeleid. Drie leden van de commissie zullen ook dienen als coördinerend team van het bureau en woonachtig zijn in het Heilige Land.

7. Terwijl wij met deze Riḍván zien hoeveel er gedaan moet worden, zien wij dat velen klaar staan om het te doen. In duizenden clusters, buurten en dorpen, storten zich verse bronnen van geloof en zekerheid uit, die de geest van hen die door hun opwekkende wateren worden geraakt doen herleven. Op enkele plaatsen is het een gestage stroom, op andere reeds een rivier. Het is voor een ziel nu niet het moment om aan de oever te blijven talmen – laat ieder zich geven aan de voortgaande golfslag.

Er zijn drie volle jaren voorbijgegaan sinds de aanvang van het huidige stadium in de ontvouwing van het Goddelijke Plan, een onderneming die de volgelingen van Bahá’u’lláh samenbindt in één verenigde geestelijke inspanning. Slechts twee jaren scheiden de vrienden van God van zijn vastgelegde afronding. De twee essentiële bewegingen die het groeiproces blijven aandrijven – de gestage stroom deelnemers door de reeks cursussen van het trainingsinstituut en de beweging van clusters langs een continuüm van ontwikkeling – zijn beide enorm versterkt door de stroom van energie die is vrijgekomen tijdens de vorig jaar gehouden jongerenconferenties. Het vergrote vermogen dat de bahá’í-gemeenschap heeft verworven om grote aantallen jonge mensen te mobiliseren in het veld van dienstbaarheid kan nu meer vrucht gaan dragen. Want in de tijd die ons rest vragen de cruciale taken dringend om aandacht teneinde bestaande groeiprogramma’s te versterken en nieuwe te beginnen. De gemeenschap van de Grootste Naam is in een goede positie om, voordat deze periode afloopt, aan de clusters waar zulke programma’s reeds zijn opgekomen de resterende tweeduizend van het gestelde doel toe te voegen.

Hoe verblijdt het ons te zien dat deze inspanning krachtdadig wordt voortgestuwd, overal in de wijdverbreide gebieden van de aarde en in een verscheidenheid van omstandigheden en omgevingen, in al zo’n drieduizend clusters. Veel clusters staan op het punt waarop stuwkracht wordt gegenereerd door de implementatie van enkele eenvoudige actielijnen. In andere is, na opeenvolgende activiteiten-cycli, het aantal personen dat initiatieven ontplooit binnen het raamwerk van het Plan toegenomen en de mate van activiteit geïntensiveerd; naarmate de kwaliteit van het proces van geestelijke educatie door ervaring wordt verhoogd, worden zielen gemakkelijker aangetrokken om eraan deel te nemen. Van tijd tot tijd kan er een luwte in de activiteit zijn, of een belemmering op de weg voorwaarts; grondige consultatie over de redenen voor de impasse, in combinatie met geduld, moed en volharding, maakt het terugwinnen van de stuwkracht mogelijk. In steeds meer clusters neemt het groeiprogramma in reikwijdte en complexiteit toe, evenredig aan de toenemende capaciteit van de drie voorvechters van het Plan – het individu, de gemeenschap en de instellingen van het Geloof – om een wederzijds ondersteunende omgeving te scheppen. En wij zijn zeer verheugd dat, zoals verwacht, er steeds meer clusters zijn waar honderd of meer personen thans de betrokkenheid van duizend of meer bevorderen bij het weven van een geestelijk, dynamisch en transformerend levenspatroon. Hetgeen natuurlijk al vanaf het begin aan het proces ten grondslag ligt, is een collectieve beweging naar de visie van materiële en geestelijke welvaart die is uiteengezet door Hem die de Levenschenkende der Wereld is. Maar wanneer zulke grote aantallen betrokken zijn, wordt de beweging van een hele bevolking waarneembaar.

Deze beweging is met name zichtbaar in die clusters waar een lokale Mashriqu’l-Adhkár opgericht zal worden. Een daarvan, bij wijze van voorbeeld, is in Vanuatu. De vrienden die op het eiland Tanna wonen hebben een uiterste inspanning geleverd om het besef over het geplande Huis van Aanbidding te versterken en hebben al op verschillende manieren maar liefst één derde van de 30.000 inwoners van het eiland betrokken in een zich uitbreidende conversatie over het belang ervan. De vaardigheid om een verheffend gesprek onder zoveel mensen gaande te houden is verfijnd door jaren ervaring met het delen van de leringen van Bahá’u’lláh en het uitbreiden van het bereik van een levendig trainingsinstituut. Met name de jeugdgroepen op het eiland gedijen, aangespoord door de steun van de dorpshoofden die zien hoe de deelnemers geestelijk worden bekrachtigd. Aangemoedigd door de eenheid en de toewijding die er onder hen bestaat hebben deze jonge mensen niet slechts de matheid van passiviteit in henzelf verdreven, maar vonden zij door diverse praktische projecten middelen om voor de verbetering van hun gemeenschap te werken, en ten gevolge daarvan worden mensen van alle leeftijden, niet in de laatste plaats hun eigen ouders, aangespoord tot constructieve actie. Onder de gelovigen en de bredere gemeenschap wordt de gift om zich voor advies en voor de oplossing van moeilijke omstandigheden te kunnen keren naar een Plaatselijke Geestelijke Raad erkend, en op zijn beurt worden de besluiten van de Geestelijke Raden steeds meer gekarakteriseerd door wijsheid en gevoeligheid. Er is hier veel wat erop wijst dat wanneer de elementen van het raamwerk van het Plan voor actie worden gecombineerd in een samenhangend geheel, de invloed op een bevolking heel diepgaand kan zijn. En het is tegen de achtergrond van aanhoudende uitbreiding en consolidatie – de dertigste cyclus van het intensieve groeiprogramma werd onlangs beëindigd – dat de vrienden, samen met de overige eilandbewoners, actief onderzoeken wat het betekent dat er in hun midden een Mashriqu’l-Adhkár, een ‘gemeenschappelijk centrum voor de zielen der mensen’ wordt opgericht. Met de actieve ondersteuning van traditionele leiders hebben de eilandbewoners van Tanna niet minder dan honderd ontwerpideeën voor de tempel aangeboden, die de mate aantoont waarin het Huis van Aanbidding tot de verbeelding heeft gesproken en betoverende vergezichten onthullen voor de invloed die de Tempel zal hebben op de levens die in zijn schaduw worden geleefd.

Deze bemoedigende uiteenzetting treft men ook aan in talloze gevorderde clusters waar de implicaties van de leringen van Bahá’u’lláh worden toegepast op de levensomstandigheden in buurten en dorpen. In elk daarvan leert een bevolking, zich steeds meer bewust van de Persoon van Bahá’u’lláh, door reflectie en ervaring, consultatie en studie, hoe te handelen naar de waarheden die zijn vervat in Zijn Openbaring, zodanig dat de uitbreidende kring van geestelijk gelijkgestemden steeds nauwer verbonden raakt door banden van gezamenlijke aanbidding en dienstbaarheid.

Op velerlei wijzen zetten de gemeenschappen die het verst gevorderd zijn een uitnodigend pad uit dat anderen kunnen volgen. Wat ook het niveau van activiteit in een cluster is, het is toch het vermogen onder de lokale vrienden om binnen een gemeenschappelijk raamwerk te leren waardoor vooruitgang langs het pad van ontwikkeling wordt gecultiveerd. Iedereen heeft deel aan deze onderneming; ieders bijdrage verrijkt het geheel. Ongeacht de hulpbronnen waarover de gemeenschap beschikt of het aantal activiteiten dat wordt ondernomen zijn de meest dynamische clusters die waarin de vrienden beseffen dat het hun taak is vast te stellen wat er nodig is om vooruitgang te laten plaatsvinden – de ontluikende capaciteit die moet worden bevorderd, de nieuwe vaardigheden die moeten worden verkregen, de initiatiefnemers van een geheel nieuwe actie die moeten worden vergezeld, de ruimte voor reflectie die moet worden gecultiveerd, de collectieve inspanning die coördinatie behoeft – om vervolgens creatieve wegen te vinden waarin de benodigde tijd en hulpbronnen beschikbaar kunnen worden gemaakt om dit te bereiken. Het feit op zich dat elke reeks omstandigheden haar eigen uitdagingen met zich meebrengt stelt iedere gemeenschap in staat om niet slechts te profiteren van wat in de rest van de bahá’í-wereld is geleerd, maar ook om bij te dragen aan die grote hoeveelheid kennis. Bewustzijn van deze realiteit bevrijdt iemand van de vruchteloze zoektocht naar een vaste formule voor actie terwijl toch de inzichten die in diverse omgevingen worden opgedaan het groeiproces kunnen inspireren wanneer het in iemands eigen buurt een bepaalde vorm aanneemt. Deze hele benadering staat haaks op de beperkte opvattingen over ‘succes’ en ‘mislukking’ die krampachtigheid veroorzaken of wilskracht verlammen. Onthechting is nodig. Wanneer inspanningen geheel vanwege God worden geleverd dan behoort alles wat zich voordoet aan Hem en elke overwinning die in Zijn Naam is behaald is een gelegenheid om Zijn lof te verkondigen.

Zoveel in de Geschriften van ons Geloof beschrijft het verband tussen geleverde inspanning en de in antwoord daarop verleende hemelse hulp: “Als ge slechts hiervoor moeite doet”, stelt de Meester ons in een van zijn Tafelen gerust, “staat het vast dat deze grootsheid zal uitstralen, dat deze wolken van genade hun regen zullen uitstorten, deze levenwekkende wind zal opsteken en waaien, deze zoetgeurende muskus zich wijd en zijd zal verspreiden.” Bij onze veelvuldige bezoeken aan de Heilige Graftomben smeken wij de Almachtige vurig uit uw naam dat Hij u moge schragen en sterken, dat uw inspanningen om in contact te komen met diegenen die nog niet bekend zijn met de goddelijke leringen en hen te bevestigen in Zijn Zaak rijkelijk gezegend mogen worden en dat uw vertrouwen op Zijn grenzeloze gunsten onwrikbaar moge zijn. Nooit bent u weg uit onze gebeden en nooit zullen wij ophouden ons bij onze smeekbeden uw toegewijde getrouwe daden te gedenken. Terwijl wij de verplichtingen overdenken die voor de volgelingen van de Gezegende Schoonheid liggen tijdens de komende twee jaar, is de Meesters nadrukkelijke oproep tot actie een aansporing voor de geest: “Scheur de sluiers vaneen, verwijder de hindernissen, biedt de levenschenkende wateren aan en wijs naar het pad van verlossing.”

“Het Boek van God ligt wijd open en Zijn Woord roept de mensheid tot Hem op.” In zulke opwekkende woorden beschrijft de Verheven Pen de komst van de dag van vereniging en verzameling. Bahá'u'lláh vervolgt: “O vrienden van God, neigt uw oor naar de stem van Hem, Wien de wereld onrecht heeft aangedaan, en houdt vast aan alles wat Zijn Zaak zal verheffen.” Later spoort Hij Zijn volgelingen aan: “Overlegt met elkaar in de grootst mogelijke vriendschap en in een geest van volmaakte kameraadschap, en wijdt de kostbare dagen van uw leven aan de verbetering van de wereld en de verspreiding van de Zaak van Hem, Die de aloude en soevereine Heer is van allen.”

Geliefde medewerkers: Deze aangrijpende uitspraak komt ons spontaan voor de geest wanneer wij wereldwijd uw toegewijde inspanningen in antwoord op de roep van Bahá'u'lláh zien. Aan alle kanten is de prachtige reactie op Zijn oproep waarneembaar. Voor hen die de tijd nemen om na te denken over de ontvouwing van het Goddelijk Plan, wordt het onmogelijk om te ontkennen hoe de kracht van het Woord van God opkomt in de harten van vrouwen en mannen, kinderen en jongeren, in land na land, in cluster na cluster.

Een wereldwijde gemeenschap is bezig haar vermogen te verfijnen om haar directe werkelijkheid te lezen, haar mogelijkheden te analyseren en verstandig gebruik te maken van de methoden en instrumenten van het Vijfjarenplan. Zoals verwacht groeit ervaring het snelst in clusters waar de grenzen van het leren bewust worden verlegd. Op zulke plaatsen worden de middelen om een steeds groter aantal mensen in staat te stellen hun capaciteit voor dienstbaarheid te versterken goed begrepen. Een krachtig trainingsinstituut functioneert als steunpilaar voor de inspanningen die de gemeenschap levert om het Plan te bevorderen, en vaardigheden en vermogens die door deelname aan instituutscursussen zijn ontwikkeld, worden zo snel mogelijk in het veld ingezet. Sommigen ontmoeten, door hun dagelijkse sociale omgang, zielen die openstaan voor het onderzoek van geestelijke vraagstukken dat op allerlei plekken plaatsvindt. Sommigen verkeren in de positie om te reageren op ontvankelijkheid in een dorp of buurt, misschien doordat zij naar dat gebied zijn verhuisd. Steeds meer mensen nemen verantwoordelijkheid op zich en vergroten daarmee de gelederen van hen die als begeleiders, animatoren en leraren van kinderklassen dienen; die besturen en coördineren of die zich op een andere manier inzetten ter ondersteuning van het werk. De toewijding van de vrienden aan het leren vindt uitdrukking in standvastigheid bij hun eigen inspanningen en een bereidheid om anderen bij hun inspanningen te vergezellen. Verder zijn zij in staat om twee elkaar aanvullende dimensies van het actiepatroon dat zich in het cluster ontwikkelt vastberaden in het oog te houden: de ene, de driemaandelijkse activiteitencyclus – de ritmische hartslag van het groeiprogramma – en de andere, de verschillende stadia van een opvoedingsproces voor kinderen, voor jeugd, en voor jongeren en volwassenen. Terwijl zij de relatie die deze drie

stadia met elkaar verbindt goed begrijpen, zijn de vrienden zich ervan bewust dat elk stadium zijn eigen dynamiek, zijn eigen vereisten en zijn eigen natuurlijke verdienste heeft. En bovenal zijn zij zich bewust van de werking van machtige, geestelijke krachten, waarvan de effecten even goed te zien zijn in de kwantitatieve gegevens die de vooruitgang van de gemeenschap weerspiegelen als in de verzameling verhalen die over haar prestaties vertellen. Het is vooral beloftevol dat zoveel van deze kenmerkende en opvallende elementen die de meest vergevorderde ontwikkeling van een cluster karakteriseren ook zichtbaar zijn in gemeenschappen die in een veel vroegere fase van hun ontwikkelingsstadium verkeren.

Naarmate de ervaring van de vrienden toenam groeide hun vermogen om binnen een cluster een rijk en complex levenspatroon te onderhouden, dat honderden of zelfs duizenden mensen omvatte. Wat verheugt het ons te bemerken hoeveel inzichten de gelovigen door hun inspanningen verwerven. Zij begrijpen bijvoorbeeld dat de geleidelijke ontvouwing van het Plan op het clusterniveau een dynamisch proces is, een proces dat noodzakelijkerwijs complex is en zich niet leent voor een snelle vereenvoudiging. Zij zien hoe het vordert naargelang hun vermogen toeneemt om zowel menselijke hulpbronnen te doen opstaan alsook de activiteiten van hen die opstaan te coördineren en goed te organiseren. De vrienden beseffen dat het mogelijk wordt om, als deze vermogens zijn versterkt, een breder scala van initiatieven te integreren. Evenzo zijn zij tot de erkenning gekomen dat een nieuw geïntroduceerd element enige tijd speciale aandacht vergt, maar dat dit in geen geval de betekenis vermindert van andere aspecten van hun inspanningen voor gemeenschapsopbouw. Want zij begrijpen dat als leren hun werkwijze moet zijn, zij alert moeten zijn op het potentieel dat wordt geboden door welk instrument van het Plan dan ook waarvan blijkt dat het vooral geschikt is voor een bepaald tijdstip en dat zij, zonodig, meer energie in de ontwikkeling daarvan moeten investeren. Dit wil echter niet zeggen dat elke persoon bezig moet zijn met hetzelfde onderdeel van het Plan. De vrienden hebben ook geleerd dat de belangrijkste focus van de uitbreidingsfase van elke cyclus van een groeiprogramma niet noodzakelijk op hetzelfde doel gericht hoeft te zijn. De omstandigheden kunnen vereisen dat in een bepaalde cyclus de aandacht er bijvoorbeeld hoofdzakelijk op gericht is om door middel van individuele en gezamenlijke intensieve onderrichtsactiviteiten zielen uit te nodigen om het Geloof te omhelzen. In een andere cyclus zou de aandacht gericht kunnen zijn op het vermenigvuldigen van een bepaalde kernactiviteit.

Voorts zijn de vrienden zich ervan bewust dat het werk van de Zaak op verschillende plaatsen in een verschillend tempo verloopt, en dat op goede grond - het is tenslotte een organisch verschijnsel, en zij putten vreugde en bemoediging uit elk voorbeeld van vooruitgang dat zij zien. Inderdaad, zij herkennen het profijt dat voortkomt uit de bijdrage van elke persoon aan de vooruitgang van het geheel en zo wordt de dienstbaarheid van een ieder, in overeenstemming met de mogelijkheden die door iemands omstandigheden ontstaan, door allen verwelkomd. Reflectiebijeenkomsten worden steeds meer gezien als gelegenheden waar het totaal van de inspanningen van de gemeenschap het onderwerp van serieuze en aanmoedigende beraadslaging is. De deelnemers vernemen wat er overal is bereikt, begrijpen hun eigen werk in dat licht en breiden hun kennis over het groeiproces uit door de raadgevingen van de instellingen in zich op te nemen en te putten uit de ervaring van hun medegelovigen. Zulke ervaring wordt ook gedeeld bij talloze andere gelegenheden die ontstaan voor consultatie onder de vrienden die intensief bij specifieke activiteiten betrokken zijn, hetzij dat zij een gezamenlijke actielijn volgen of in een bepaald deel van het cluster dienen. Al deze inzichten vinden hun plaats in het bredere begrip dat vooruitgang het gemakkelijkst wordt bereikt in een omgeving die met liefde is bezield – een omgeving waarin tekortkomingen met verdraagzaamheid door de vingers worden gezien, hindernissen met geduld worden overwonnen en een beproefde aanpak met enthousiasme wordt omarmd. En zo komt het dat, door de wijze leiding van instituten en instellingen

van het Geloof die op elk niveau functioneren, de pogingen van de vrienden, hoe bescheiden deze op persoonlijk vlak ook zijn, zich verenigen in een collectieve prestatie om te verzekeren dat ontvankelijkheid voor de roep van de Gezegende Schoonheid snel wordt opgemerkt en doeltreffend gevoed. Een cluster in deze toestand is duidelijk een cluster waar de relaties tussen het individu, de instellingen en de gemeenschap - de drie hoofdrolspelers van het Plan - zich gezond ontwikkelen.

Binnen dit landschap van bruisende activiteit verdient één panorama bijzondere aandacht. In de boodschap die drie jaar geleden aan u werd gericht, spraken wij de hoop uit dat in clusters waar een intensief groeiprogramma in werking was de vrienden zouden trachten meer te leren over de wijzen van gemeenschapsopbouw door in buurten en dorpen centra van intensieve activiteit te ontwikkelen. Onze verwachtingen zijn overtroffen, want zelfs in clusters waar het groeiprogramma nog niet intensief is hebben de inspanningen van enkele mensen om kernactiviteiten te starten onder de bewoners van kleine gebieden, hun doeltreffendheid keer op keer aangetoond. In wezen richt deze benadering zich op de reactie op Bahá'u'lláh’s leringen van bevolkingsgroepen die klaar zijn voor de geestelijke transformatie die door Zijn Openbaring wordt gevoed. Door deelname aan het educatieve proces dat door het trainingsinstituut in gang wordt gezet, worden zij gemotiveerd de apathie en onverschilligheid die door de maatschappelijke krachten worden ingeprent af te werpen en in plaats daarvan actiepatronen na te streven die levensveranderend blijken te zijn. Waar deze aanpak in een wijk of dorp al enkele jaren is gevorderd en de vrienden hun focus hebben behouden, worden opmerkelijke resultaten geleidelijk maar onmiskenbaar duidelijk. Jongeren worden bekrachtigd om verantwoordelijkheid te nemen voor de ontwikkeling van diegenen rondom hen die jonger zijn dan zijzelf. Oudere generaties verwelkomen de bijdrage van de jongeren aan zinvolle discussies over de aangelegenheden van de gehele gemeenschap. De discipline die door het educatieve proces van de gemeenschap wordt aangekweekt ontwikkelt bij jong en oud het vermogen om te consulteren en er ontstaat nieuwe ruimte voor betekenisvolle gesprekken. Toch is verandering niet louter beperkt tot de bahá'ís en degenen die bij de kernactiviteiten waartoe het Plan oproept betrokken zijn, van wie redelijkerwijs verwacht kan worden dat zij na verloop van tijd een nieuwe manier van denken zullen aannemen. De geest zelf van die plaats wordt beïnvloed. Er ontstaat bij een flink deel van de bevolking een devotionele houding. De gelijkwaardigheid van man en vrouw komt meer tot uiting. De opvoeding van kinderen, zowel jongens als meisjes, dwingt meer aandacht af. Het karakter van de verhoudingen binnen gezinnen – gevormd door eeuwenoude aannames – verandert zichtbaar. Het plichtsgevoel jegens de eigen gemeenschap en de fysieke omgeving neemt toe. Zelfs de gesel van vooroordeel, die zijn rampzalige schaduw over elke samenleving werpt, begint te zwichten voor de onweerstaanbare kracht van eenheid. Kortom, het werk van gemeenschapsopbouw waar de vrienden mee bezig zijn beïnvloedt cultuuraspecten.

Terwijl in het afgelopen jaar uitbreiding en consolidatie gestaag vooruit zijn gegaan, was er in andere belangrijke actiegebieden eveneens vooruitgang, vaak nauw corresponderend met elkaar. Een uitstekend voorbeeld hiervan zijn de vorderingen op het niveau van cultuur die in enkele dorpen en buurten gezien worden en die voor een niet gering deel te danken zijn aan hetgeen geleerd is door betrokkenheid van bahá'ís bij maatschappelijke actie. Ons Bureau voor Sociale en Economische Ontwikkeling heeft onlangs een document opgesteld met het distillaat uit dertig jaar ervaring die op dit terrein is opgedaan sinds dit Bureau in het Bahá'í-wereldcentrum werd opgericht. Eén van de observaties is dat inspanningen om aan maatschappelijke actie deel te nemen een vitale impuls krijgen door het trainingsinstituut. Dit komt niet slechts doordat het voor meer menselijke hulpbronnen zorgt. Het is aangetoond dat de geestelijke inzichten, eigenschappen en vermogens die door het instituut worden ontwikkeld even cruciaal zijn voor deelname aan maatschappelijke actie als voor het bijdragen aan het groeiproces. Bovendien wordt uitgelegd hoe de verschillende terreinen

waarvoor de Bahá'í-gemeenschap zich inspant worden geleid door een gemeenschappelijk, zich ontwikkelend, conceptueel kader dat is samengesteld uit elkaar wederzijds versterkende elementen, hoewel deze op verschillende actieterreinen uiteenlopende vormen aannemen. Het door ons beschreven document werd onlangs aan Nationale Geestelijke Raden gezonden en wij nodigen hen uit om in consultatie met de Raadgevers te overwegen hoe de concepten die erin worden onderzocht kunnen helpen de bestaande pogingen tot verrichtingen op het gebied van maatschappelijke actie die onder hun bescherming worden uitgevoerd uit te breiden en het bewustzijn van deze belangrijke dimensie van bahá'í-ondernemingen te verhogen. Dit dient niet te worden opgevat als een algemene oproep voor wijdverspreide activiteit op dit terrein – de opkomst van maatschappelijke actie dient zich vanzelf aan naarmate een groeiende gemeenschap aan kracht wint – maar het is het goede moment voor de vrienden om dieper na te denken over de implicaties van hun inspanningen voor de transformatie van de samenleving. Door de toename van het leren dat zich op dit terrein voordoet wordt steeds vaker een beroep gedaan op het Bureau voor Sociale en Economische Ontwikkeling en er worden stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat het functioneren ervan daarmee gelijke tred houdt.

Een bijzonder opmerkelijk feit in de afgelopen twaalf maanden is dat de Bahá'í-gemeenschap herhaaldelijk en in zeer veel verschillende contexten, in verband wordt gebracht met inspanningen om de verbetering van de samenleving te bewerkstelligen in samenwerking met gelijkgezinden. Van de internationale arena tot de basis van het dorpsleven, hebben opinieleiders in allerlei omgevingen uitgesproken dat zij zich ervan bewust zijn dat bahá'ís niet slechts het welzijn van de mensheid voor ogen hebben, maar dat zij een overtuigend beeld hebben van wat er bereikt moet worden en over effectieve middelen beschikken om hun aspiraties te verwezenlijken. Deze uitingen van waardering en steun zijn ook gekomen van voorheen onverwachte kanten. Zelfs in de Bakermat van het Geloof worden bijvoorbeeld de bahá'ís, ondanks reusachtige obstakels die door de onderdrukker op hun weg worden geplaatst, steeds meer erkend vanwege de diepgaande implicaties van hun boodschap voor de toestand van hun natie en gerespecteerd voor hun onbuigzame vastbeslotenheid om bij te dragen aan de vooruitgang van hun geboorteland.

Het lijden dat de gelovigen in Iran hebben verdragen, vooral in de decennia nadat de recentste golf van vervolgingen aanving, heeft hun broeders en zusters in andere landen aangespoord om voor hen op te komen. Eén van de onschatbare gaven die de wereldwijde Bahá'í-gemeenschap ten gevolge van dat uithoudingsvermogen heeft verworven willen wij in dit verband noemen: een indrukwekkend netwerk van gespecialiseerde bureaus op nationaal niveau, dat heeft bewezen systematisch relaties met overheden en organisaties van het maatschappelijke middenveld te kunnen ontwikkelen. Parallel hieraan is door de processen van de opeenvolgende Plannen het vermogen van de gemeenschap verfijnd om deel te nemen aan heersende discoursen op elke plaats waar deze zich voordoen – van persoonlijke gesprekken tot internationale fora. Aan de basis ontwikkelt zich deelname aan dit soort activiteit spontaan, door dezelfde organische benadering die de gestage toename van de betrokkenheid van de vrienden bij maatschappelijke actie kenmerkt, en er is geen speciale poging tot stimulering nodig. Op het nationale niveau is het echter vaker een aandachtspunt aan het worden voor dezelfde toegewijde bureaus die al functioneren in tientallen nationale gemeenschappen en het vindt plaats volgens het bekende en vruchtbare patroon van actie, reflectie, consultatie en studie. Om dergelijke inspanningen te versterken, om het leren op dit gebied te bevorderen en te zorgen dat de stappen die worden gezet coherent zijn met de andere activiteiten van de Bahá'í-gemeenschap, hebben wij onlangs in het Bahá'í-wereldcentrum het Bureau voor Publiek Discours opgericht. Wij zullen het Bureau verzoeken de Nationale Geestelijke Raden op dit gebied te helpen door het

geleidelijk aan in gang zetten en coördineren van activiteiten en het systematiseren van ervaring.

Vooruitgang stimuleren vindt ook op andere gebieden plaats. In Santiago, Chili, waar de Moedertempel van Zuid-Amerika wordt opgericht, gaat het werk aan de bouw snel verder. De betonconstructie van de fundering, de kelder en de servicetunnel is voltooid, evenals de pilaren die de bovenbouw zullen dragen. De verwachting die met dit project gepaard gaat neemt toe en een zelfde gevoel van verwachting roert zich in de zeven landen waar nationale of plaatselijke Mashriqu’l-Adhkárs zullen worden opgericht. In elk daarvan zijn de voorbereidingen begonnen en er wordt nu gebruikt gemaakt van de bijdragen die de gelovigen aan de tempelfondsen schenken. Echter, praktische overwegingen zoals locatie, ontwerp en middelen vormen slechts één aspect van het werk dat door de vrienden wordt ondernomen. In wezen is hun inspanning geestelijk van aard, een inspanning waaraan de gehele gemeenschap deelneemt. De Meester verwijst naar de Mashriqu’l- Adhkár als “de magneet voor goddelijke bevestigingen”, “het machtige fundament van de Heer”, en “de stevige pijler van het Geloof van God”. Overal waar hij wordt opgericht zal hij vanzelfsprekend een integraal onderdeel uitmaken van het proces van opbouw van de hem omringende gemeenschap. Nu alreeds, in de plaatsen waar een Huis van Aanbidding zal komen, neemt bij alle gelovigen het besef van deze werkelijkheid toe en zij erkennen dat hun collectieve leven steeds meer die verbinding van aanbidding en dienstbaarheid moet weerspiegelen die door de Mashriqu’l-Adhkár wordt belichaamd.

Wij zien de Bahá'í-gemeenschap zich dus op elk front gestaag vooruit bewegen, vorderend in begrip, gretig om door ervaring inzichten te verwerven, bereid om nieuwe taken op zich te nemen als de middelen het mogelijk maken, alert in haar reactie op nieuwe verplichtingen, bewust van de noodzaak te zorgen voor samenhang tussen de verschillende actiegebieden waaraan zij werkt, geheel toegewijd aan de vervulling van haar missie. Haar enthousiasme en toewijding blijken duidelijk uit de enorme vurigheid die werd opgewekt door de aankondiging, ongeveer twee maanden geleden, van de 95 jongerenconferenties over de gehele wereld. Wij zijn niet alleen blij met de reactie van de jongeren zelf, maar ook met de steunbetuigingen van hun medegelovigen, die beseffen dat de jongere volgelingen van Bahá'u'lláh fungeren als een essentiële stimulans voor het gehele lichaam van de Zaak.

Wij zijn van hoop vervuld bij het zien van de opeenvolgende bewijzen van de verspreiding van Bahá'u'lláh’s boodschap, de reikwijdte van haar invloed en het groeiend besef van de idealen die ze bevat. In deze periode van gedenkdagen roepen wij de “Dag van overweldigend geluk” in herinnering, van deze Ridván gescheiden door anderhalve eeuw, toen de Abhá Schoonheid voor het eerst Zijn Zending verkondigde aan Zijn metgezellen in de Najíbíyyih tuin. Vanuit die geheiligde plek is het Woord van God uitgegaan naar elke stad en elke kust, de mensheid oproepend tot een ontmoeting met haar Heer. En uit die eerste stoet van door God in vervoering gebrachte minnaars is een gevarieerde, vastberaden gemeenschap opgebloeid, bont geschakeerde bloemen in de tuin die Hij heeft aangelegd. Met elke voorbijgaande dag keert een groeiend aantal pas ontwaakte zielen zich in smeking naar Zijn Graftombe, de plaats waar wij, ter ere van die gezegende Dag en in dankbaarheid voor elke weldaad die Hij de gemeenschap van de Grootste Naam schenkt, ons hoofd buigen in gebed aan de Heilige Drempel.

1. In de namiddag van de elfde dag van het Feest van Riḍván honderd jaar geleden, hief ‘Abdu'l-

Bahá, die voor een publiek van honderden mensen stond, een werkmans’ bijl en doorkliefde de

grasmat die de Tempelgrond bij Grosse Pointe, ten noorden van Chicago, bedekte. Degenen die

waren uitgenodigd om op die lentedag met hem deze baanbrekende handeling te verrichten,

kwamen van verschillende achtergronden – Noors, Indiaas, Frans, Japans, Perzisch, inheems

Amerikaans, om er maar enkele te noemen. Het was alsof het Huis van Aanbidding, nog

ongebouwd, de wensen van de Meester vervulde die op de avond voor de ceremonie waren

uitgesproken voor elk van deze gebouwen: “dat de mensheid een ontmoetingsplaats moge vinden”

en “dat de verkondiging van de eenheid der mensheid van hun open hof van heiligheid zal

uitgaan”.

2. Zijn toehoorders bij die gelegenheid, en allen die hem hebben gehoord gedurende zijn reizen naar

Egypte en het Westen, moeten de verreikende implicaties van zijn woorden voor de samenleving,

voor haar waarden en voornaamste zorgen slechts vaag hebben begrepen. Kan zelfs in deze tijd

iemand er aanspraak op maken iets meer dan een glimp, een aanduiding te hebben opgevangen, ver

en vaag, van de toekomstige samenleving die de Openbaring van Bahá'u'lláh zal doen ontstaan?

Want laat niemand veronderstellen dat de samenleving waartoe de mensheid door de goddelijke

leringen wordt gedreven zal voortkomen uit louter aanpassingen van de huidige orde. Verre van

dat. In een toespraak van ‘Abdu'l-Bahá enkele dagen nadat hij de hoeksteen van de Moedertempel

van het Westen had gelegd, zei hij dat “een van de gevolgen van de manifestatie van geestelijke

krachten zal zijn dat de wereld van de mens zich in een nieuwe maatschappelijke vorm zal

schikken,” dat “de gerechtigheid van God in alle menselijke aangelegenheden zichtbaar zal

worden.” Deze en talloze andere uitspraken van de Meester waartoe de Bahá'í-gemeenschap zich in

deze eeuwfeestperiode telkens weer wendt doen besef ontstaan van de afstand die de samenleving

zoals deze nu is ingericht scheidt van de ontzagwekkende visie die zijn Vader aan de wereld

schonk.

3. Helaas, ondanks de prijzenswaardige inspanningen, in ieder land, van goedbedoelende mensen die

werken om de omstandigheden in de maatschappij te veranderen, lijkt het velen toe dat de

obstakels die de verwezenlijking van zulk een visie in de weg staan onoverkomelijk zijn. Hun hoop

wordt tenietgedaan door foutieve aannames omtrent de menselijke natuur die zo diep zijn

doorgedrongen in de structuur en tradities van veel van de huidige levenswijzen dat zij de status

van gevestigd feit hebben verkregen. Deze aannames lijken geen rekening te houden met het

buitengewone reservoir van geestelijk vermogen dat beschikbaar is voor iedere verlichte ziel die er

een beroep op doet; in plaats daarvan rekenen zij ter rechtvaardiging op het falen van de mensheid,

waarvan de voorbeelden dagelijks een algemeen gevoel van wanhoop versterken. Zo wordt door

een gelaagde sluier van valse veronderstellingen een fundamentele waarheid verborgen: de

toestand van de wereld weerspiegelt een vervorming van de menselijke geest, niet zijn ware aard. Het doel van elke Manifestatie van God is een transformatie teweeg te brengen in zowel het

innerlijk leven als de uiterlijke toestand van de mensheid. En deze transformatie doet zich van

nature voor naarmate een zich uitbreidende groep mensen, verenigd door de goddelijke

voorschriften, gezamenlijk geestelijke capaciteiten tracht te ontwikkelen om bij te dragen aan een

proces van maatschappelijke verandering. Net als de harde aarde die de Meester een eeuw geleden

openbrak, kunnen de heersende theorieën van het tijdperk aanvankelijk ongevoelig voor

verandering lijken, maar zij zullen ongetwijfeld vervagen en door de “voorjaarsregens van Gods

milddadigheid”, zullen “de bloemen van waar begrip” fris en zuiver opkomen.

4. Wij danken God dat u – de gemeenschap van Zijn Grootste Naam – door de kracht van Zijn Woord

omgevingen cultiveert waarin waar begrip kan opbloeien. Zelfs zij die omwille van het Geloof

gevangenschap ondergaan, laten door hun onuitsprekelijke opoffering en standvastigheid “de

hyacinten van kennis en wijsheid” opbloeien in welwillende harten. Overal op aarde zijn

geestdriftige zielen bezig met het werk om een nieuwe wereld op te bouwen door de systematische

uitvoering van de voorzieningen van het Vijfjarenplan. De aspecten van het Plan worden zo goed

begrepen dat wij het niet nodig vinden om deze hier verder toe te lichten. Onze smeekbeden,

opgedragen aan de Drempel van een Almilddadige Voorzienigheid, zijn dat de hulp van de

Allerhoogste Schare aan ieder van u wordt geschonken bij het bijdragen aan de vooruitgang van het

Plan. Het is onze vurige wens, die wordt versterkt door het aanschouwen van uw toegewijde

inspanningen in het afgelopen jaar, dat u het standvastig toepassen van de kennis die u door

ervaring verwerft intensiveert. Nu is het niet het moment om te aarzelen; te veel mensen blijven

onbewust van de nieuwe dageraad. Wie anders dan u kan de goddelijke boodschap overbrengen?

“Bij God,” bevestigt Bahá'u'lláh, doelend op de Zaak, “dit is de arena van inzicht en onthechting,

van visie en verheffing, waar behalve de dappere ruiters van de Barmhartige, die elke band met de

wereld van het bestaan hebben verbroken, niemand zijn strijdros de sporen kan geven”.

5. Waar te nemen hoe de bahá'í-wereld aan het werk is, is werkelijk het aanschouwen van een helder

perspectief. In het leven van de gelovige die boven alles verlangt anderen uit te nodigen tot omgang

met de Schepper en dienstbaar te zijn aan de mensheid, kunnen tekenen worden waargenomen van

de geestelijke transformatie die de Heer van het Tijdperk voor iedere ziel bestemd heeft. Bij elke

bahá'í-gemeenschap die zich wijdt aan het ontwikkelen van capaciteit bij haar leden, jong en oud,

en bij haar vrienden en medewerkers, om het algemeen welzijn te dienen, kan in de geest die de

activiteiten bezielt een aanduiding worden gezien van de wijze waarop een samenleving die op

goddelijke leringen is gegrondvest zich zou kunnen ontwikkelen. En in die gevorderde clusters

waar activiteit, bepaald door het raamwerk van het Plan in overvloed bestaat, en de eisen om de

samenhang in handelwijze zeker te stellen zeer dwingend zijn, laten de opkomende bestuurlijke

structuren een glimp zien, hoe vaag dan ook, van de wijze waarop de instellingen van het Geloof

stapsgewijs een vollediger scala van hun verantwoordelijkheden om welzijn en vooruitgang van de

mens te bevorderen op zich zullen nemen. Het is dus duidelijk, de ontwikkeling van het individu,

de gemeenschap en de instellingen draagt een geweldige belofte in zich. Maar daarenboven

bemerken wij met uitzonderlijke vreugde hoe de verhoudingen die deze drie met elkaar verbinden

worden gekenmerkt door liefdevolle genegenheid en wederzijdse steun.

6. In tegenstelling daarmee weerspiegelen de betrekkingen tussen de drie overeenkomstige actoren in

de wereld als geheel – de burger, de staat en de maatschappelijke instellingen – de onenigheid

waardoor het turbulente overgangsstadium van de mensheid wordt gekenmerkt. Niet bereid om

zich als onderling afhankelijke delen van een organisch geheel te gedragen, zitten zij vast in een

strijd om de macht die uiteindelijk zinloos blijkt te zijn. Hoe anders is de samenleving die door ‘Abdu'l-Bahá in talloze Tafelen en toespraken wordt beschreven – waar dagelijkse interacties, ook

de betrekkingen tussen staten – worden gevormd door het bewustzijn van de eenheid der mensheid.

Relaties die van dit bewustzijn doortrokken zijn worden door bahá'ís en hun vrienden aangekweekt

in dorpen en buurten over de hele wereld; hieruit kunnen de zuivere geuren van wederkerigheid en

samenwerking, van eensgezindheid en liefde waargenomen worden. Binnen een zo bescheiden

kader verschijnt een duidelijk alternatief voor het bekende maatschappelijke conflict. Zo blijkt dat

de persoon die zich op verantwoordelijke wijze wil uiten, oplettend deelneemt aan consultatie die

aan het algemeen welzijn is gewijd en de verleiding weerstaat om aan zijn persoonlijke mening

vast te houden; dat een bahá'í-instelling, in erkenning van de behoefte aan gecoördineerde en op

vruchtbare doelen gerichte actie, er niet op uit is om te heersen maar om te voeden en te

bemoedigen; dat de gemeenschap die haar eigen ontwikkeling ter hand moet nemen erkent dat de

eenheid die voortkomt uit het van ganser harte deelnemen aan de door de instellingen ontworpen

plannen een bezit van onschatbare waarde is. Onder invloed van Bahá'u'lláh’s Openbaring

verkrijgen de relaties tussen deze drie nieuwe warmte, nieuw leven; bij elkaar vormen zij een

voedingsbodem waarin een wereldwijde geestelijke beschaving, die het stempel van goddelijke

inspiratie draagt, geleidelijk tot wasdom komt.

7. Het licht van de Openbaring is bestemd om elk domein van streven te verlichten; binnen elk

domein dienen de betrekkingen die de samenleving ondersteunen hervormd te worden; op elk

terrein zoekt de wereld voorbeelden van hoe mensen met elkaar dienen om te gaan. Wij geven u het

economische leven van de mensheid ter overweging - vanwege het opmerkelijke aandeel daarvan

in het veroorzaken van de onrust waarin zoveel mensen recentelijk verwikkeld zijn geraakt - waar

onrechtvaardigheid onverschillig wordt getolereerd en onevenredige winst beschouwd wordt als

een symbool van succes. Dergelijke schadelijke opvattingen zijn zo diep verankerd dat het moeilijk

is voor te stellen hoe ooit één mens de gangbare maatstaven waardoor de betrekkingen op dit

terrein worden bepaald kan veranderen. Niettemin zijn er bepaalde praktijken die een bahá'í zou

schuwen, zoals oneerlijkheid bij zijn transacties of de economische uitbuiting van anderen. Trouw

gehoor geven aan de goddelijke aanmaningen vereist dat er geen tegenstelling bestaat tussen

iemands economisch gedrag en zijn overtuigingen als bahá'í. Door in zijn leven die principes van

het Geloof toe te passen die verband houden met eerlijkheid en billijkheid kan één enkele ziel een

maatstaf aanhouden die ver boven de lage drempel ligt waaraan de wereld zichzelf meet. Uit

gebrek smacht de mensheid naar een levenspatroon wat men kan nastreven; wij verwachten van u

dat u gemeenschappen kweekt die door hun leefwijze de wereld hoop zullen geven.

8. In onze Riḍvánboodschap van 2001 gaven wij te kennen dat wij in landen waar het proces van

toetreding in troepen voldoende was gevorderd en de omstandigheden in nationale

gemeenschappen gunstig waren, wij goedkeuring zouden verlenen aan de oprichting van een Huis

van Aanbidding op nationaal niveau en de opkomst hiervan zou een kenmerk worden van het

Vijfde Tijdvak van het Vormende Tijdperk van het Geloof. Met buitengewone vreugde kondigen

wij nu aan dat in twee landen nationale Mashriqu’l-Adhkárs zullen worden opgericht: de

Democratische Republiek Congo en Papoea-Nieuw-Guinea. In deze landen wordt aantoonbaar aan

de door ons gestelde criteria voldaan en de reactie van hun bevolking op de mogelijkheden die door

de huidige serie Plannen worden geschapen is niets minder dan opmerkelijk geweest. Nu de bouw

van de laatste continentale tempel in Santiago in gang is gezet, levert de aanvang van projecten om

nationale Huizen van Aanbidding te bouwen opnieuw een bevredigend bewijs dat het Geloof van

God in de grond van de samenleving doordringt.

9. Er is nog een stap mogelijk. De Mashriqu’l-Adhkár, door ‘Abdu'l-Bahá beschreven als “een van de

belangrijkste instellingen in de wereld”, verenigt twee essentiële, innig verbonden aspecten van het

bahá'í-leven: aanbidding en dienstbaarheid. De eenheid van deze beide aspecten wordt ook

weerspiegeld in de samenhang die bestaat tussen de gemeenschapsopbouwende kenmerken van het

Plan, in het bijzonder het ontluiken van een geest van devotie die tot uitdrukking komt in

gebedsbijeenkomsten, en een opvoedingsproces waardoor capaciteit wordt opgebouwd voor het

dienen van de mensheid. De onderlinge samenhang van aanbidding en dienstbaarheid is vooral

sterk in die clusters in de wereld waar bahá'í-gemeenschappen aanmerkelijk groter en

levenskrachtiger geworden zijn en waar betrokkenheid bij maatschappelijke actie aanwijsbaar is.

Enkele hiervan zijn benoemd tot centra voor de verspreiding van kennis zoals het aankweken van

de bekwaamheid bij de vrienden om in betrokken regio’s het jeugdprogramma vooruit te helpen.

Zoals wij onlangs hebben aangegeven stimuleert het vermogen om dit programma gaande te

houden eveneens de ontwikkeling van leerkringen en kinderklassen. Naast zijn hoofddoelstelling

versterkt het leercentrum zo ook het gehele systeem van uitbreiding en consolidatie. In clusters als

deze kan in de komende jaren de verschijning van een plaatselijke Mashriqu’l-Adhkár worden

overwogen. Met een hart dat overloopt van dankbaarheid aan de Aloude Schoonheid verheugen wij

ons u mede te delen dat wij consultaties gaan beginnen met de respectieve Nationale Geestelijke

Raden over de oprichting van het eerste plaatselijke Huis van Aanbidding in elk van de volgende

clusters: Battambang, Cambodja; Bihar Sharif, India; Matunda Soy, Kenia; Norte del Cauca,

Columbia en Tanna, Vanuatu.

10. Ter ondersteuning van de twee nationale en vijf lokale Mashriqu’l-Adhkárs hebben wij besloten in

het Bahá'í-wereldcentrum een Tempelfonds in te stellen ten bate van al zulke projecten. De

vrienden overal worden hierbij uitgenodigd om offervaardig bij te dragen, zoveel als hun middelen

toestaan.

11. Geliefde medewerkers: het baanbrekende werk dat honderd jaar geleden door de hand van ‘Abdu'l-

Bahá werd verricht, zal nu opnieuw in zeven andere landen plaatsvinden, en dit is slechts de

voorbode van de tijd waarin in elke stad en elk dorp, in gehoorzaamheid aan het gebod van

Bahá'u'lláh, een gebouw wordt gevestigd voor de aanbidding van de Heer. Vanuit deze

Dageraadsplaatsen van Gods Gedachtenis zullen de stralen van Zijn licht schijnen en de lofzangen

te Zijner ere klinken.

Nog maar drie jaar geleden stelden wij de bahá’í-wereld voor de uitdaging om het raamwerk voor actie dat bij de afsluiting van het laatste mondiale Plan zo duidelijk naar voren was gekomen te gaan benutten. Zoals wij hadden gehoopt kwam de reactie onmiddellijk. Vol energie begonnen overal de vrienden het doel na te streven om in niet minder dan 1500 regio’s wereldwijd intensieve groeiprogramma’s te vestigen en het aantal van deze programma’s nam snel toe. Maar niemand had zich toen kunnen voorstellen hoe ingrijpend de Heer der Heerscharen, in Zijn onnaspeurlijke wijsheid, Zijn gemeenschap in zo korte tijd bedoelde te trans¬¬formeren. Wat een doelgerichte en zelfverzekerde gemeenschap was het die halverwege het huidige Plan in eenenveertig regionale conferenties over de hele wereld haar prestaties vierde! Wat een buitengewoon contrast vormden haar samenhang en energie met de chaos en verwarring van een wereld gevangen in een crisisspiraal! Dit was inderdaad de gemeenschap der gelukzaligen waarnaar de Behoeder had verwezen. Dit was een gemeen¬schap die beseft met welke enorme latente krachten zij is begiftigd, en zich bewust is van de rol die zij bestemd is te spelen in de wederopbouw van een ontwrichte wereld. Dit was een gemeen¬schap in opkomst, aan zware onderdrukking onderworpen in één deel van de wereld, maar die toch onverschrok¬ken en niet ontmoedigd als een verenigd geheel oprijst en haar bekwaamheid vergroot om Bahá’u’lláh’s doel, de mensheid van het juk van de smartelijkste verdrukking te bevrijden, te bereiken. En in de bijna tachtigduizend deelnemers die de conferenties bijwoonden zagen wij de opkomst op het historisch toneel van een individuele gelovige, volledig vertrouwend op de werkzaamheid van de methoden en werktuigen van het Plan en opmerkelijk bedreven in het hanteren daarvan. Elk van deze zielen van deze machtige zee getuigde van de transformeren¬de kracht van het Geloof. Ieder van hen was een bewijs van Bahá’u’lláh’s belofte om al degenen, die onthecht en oprecht opstaan om Hem te dienen, te zullen bijstaan. Ieder van hen liet een glimp zien van dat mensenras, toegewijd en moedig, zuiver en geheiligd, bestemd om zich in de loop van generaties onder de directe invloed van Bahá’u’lláh’s Openbaring te ontwikkelen. In hen zagen wij de eerste tekenen van de vervulling van onze verwachting die wij bij de aanvang van het Plan uitspraken, dat de stichtelijke invloed van het Geloof naar honderdduizenden zou worden verspreid door het instituutproces. Alles wijst erop dat aan het eind van de Ridvánperiode het aantal intensieve groeiprogramma’s in de wereld de duizend zal overschrijden. Wat kunnen wij aan het begin van dit meest vreugdevolle Feest meer doen dan in nederigheid het hoofd te buigen voor God en Hem dank te zeggen voor Zijn onbegrensde weldadigheid voor de gemeenschap van de Grootste Naam.

Duizenden en duizenden, de diversiteit van de gehele mensenfamilie omvattend, zijn bezig met de systematische studie van het Scheppende Woord in een ambiance die tegelijkertijd serieus en verheffend is. Terwijl zij zich door een proces van actie, reflectie en consultatie inspannen om de aldus verworven inzichten toe te passen, zien zij hun vermogen om de Zaak te dienen naar nieuwe hoogten stijgen. Gehoorgevend aan het diepste verlangen van elk hart om met zijn Maker in verbinding te staan verrichten zij daden van gezamenlijke aanbidding op uiteenlopende locaties, verenigen zich met anderen in gebed, wekken geestelijke ontvankelijkheid en scheppen een levenspatroon dat zich onderscheidt door zijn devotionele karakter. Terwijl zij elkaar thuis ontmoeten en op bezoek gaan bij familieleden, vrienden en kennissen, knopen zij zinvolle gesprekken aan over thema´s die van geestelijk belang zijn, verdiepen hun kennis van het Geloof, maken hen deelgenoot van Bahá’u’lláh’s boodschap en nodigen groeiende aantallen uit om met hen mee te werken in een machtige geestelijke onderneming. Zich bewust van de aspiraties van de kinderen in de wereld en van hun behoefte aan geestelijke opvoeding, breiden zij hun inspanningen verder uit om steeds grotere groepen deelnemers te betrekken bij klassen die middelpunten van aantrekkings¬kracht voor de jonge mensen worden en die het Geloof steviger in de samenleving wortelen. Zij helpen jeugdigen om in een cruciale fase van hun leven hun weg te vinden en hen in staat te stellen hun energie te richten op de vooruitgang van de beschaving. En met het voordeel van een grotere rijkdom aan menselijke hulpbronnen, kan een toenemend aantal van hen hun geloof tot uitdrukking brengen door een opkomende vloed van inspanningen die gericht zijn op de noden van de mensheid in zowel hun geestelijke als materiële aspecten. Zo is het voor ons liggende panorama nu wij deze Riḍván stilstaan om de vooruitgang van de wereldwijde bahá’í-gemeenschap gade te slaan.

2. Bij verschillende gelegenheden hebben wij aangegeven dat het doel van de reeks mondiale Plannen, die de bahá’í-wereld zullen voeren naar het eeuwfeest van het Vormende Tijdperk van het Geloof in 2021, bereikt zal worden door een opvallende vooruitgang in de activiteit en de ontwikkeling van de individuele gelovige, van de instellingen en van de gemeenschap. En nu, halverwege van wat een kwarteeuw van samenhangende, gerichte inspanning zal worden, zijn de bewijzen van toegenomen vermogen overal zichtbaar. Van bijzondere betekenis is de zich uitbreidende invloed van de dyna¬miek, die voortvloeit uit de wisselwerking tussen de drie deelnemers aan het Plan. De instellingen, van het nationale tot aan het plaatselijke niveau, zien met steeds grotere helderheid hoe zij voorwaarden kunnen scheppen die bevorderlijk zijn voor het tot uitdrukking laten komen van de geestelijke krachten van een groeiend aantal gelovigen in het nastreven van een gezamenlijk doel. De gemeenschap functioneert steeds meer als die omgeving waarin persoonlijke inspanning en gezamenlijke actie, bemiddeld door het instituut, elkaar kunnen aanvullen om vooruitgang te boeken. De levendigheid die zij vertoont en het eensgezinde doel dat de inspiratiebron voor haar inspanningen is, trekken tot haar aanzwellende gelederen uit alle lagen van de bevolking die mensen aan die met geestdrift hun tijd en energie willen wijden aan het welzijn van de mensheid. Dat de deuren van de gemeenschap voor elke ontvankelijke ziel wijder open staan om binnen te komen en steun van Bahá’u’lláh’s Openbaring te ontvangen is duidelijk. Er is geen groter bewijs van het succes van de wisselwerking tussen de drie deelnemers aan het Plan dan de dramatische versnelling in het tempo van onderricht die in het afgelopen jaar werd waargenomen. De vooruitgang die in het proces van toetreding in troepen werd geboekt, was inderdaad opmerkelijk.

3. Binnen de sfeer van deze versterkte interacties wordt het persoonlijke initiatief steeds doeltreffender. In voorgaande boodschappen hebben wij gesproken over hoe het instituutproces de individuele gelovige stimuleert tot het nemen van initiatief. In ieder continent zijn de vrienden bezig met het bestuderen van de Geschriften met het uitgesproken doel te leren hoe de leringen toegepast kunnen worden voor de groei van het Geloof. Een opmerkelijk aantal mensen neemt nu de verantwoordelijk¬heid op zich voor de geestelijke vitaliteit van hun gemeenschappen. Vol energie voeren ze die daden van dienstbaarheid uit die passen bij een gezond groeipatroon. Naargelang zij hebben volhard in het veld van dienstbaarheid aan de Zaak, terwijl zij een bescheiden, lerende houding aanhielden, verenigden hun moed en wijsheid, geestdrift en scherpzinnigheid, hun vurigheid en behoedzaam¬heid, vastberadenheid en vertrouwen in God zich des te meer om elkaar te versterken. In hun presentatie van de boodschap van Bahá’u’lláh en de uitleg van de waarheden ervan, hebben zij de woorden van Shoghi Effendi ter harte genomen dat zij moeten “aarzelen” noch “weifelen”, “overdrijven” noch “iets afdoen” aan de waarheid die zij voorstaan. Zij zijn noch “fanatiek”, noch “overdreven ruim van opvatting”. Doordat zij vastberaden bleven onderrichten zijn ze bekwamer geworden in het vaststellen of de ontvankelijkheid van hun toehoorder vereist dat zij “behoedzaam” of “vrijmoedig” zijn, “snel moeten handelen” of “de tijd nemen”, een “directe” of “indirecte” methode moeten toepassen.

4. Wat wij bemoedigend blijven vinden is hoe goed gedisciplineerd dit persoonlijke initiatief is. Geleidelijk aan maken gemeenschappen overal zich de lessen die geleerd zijn door systematisering eigen, en het kader dat door de huidige reeks Plannen is uitgezet verleent bestendigheid en flexibi¬liteit aan de inspanningen van de vrienden. Verre van hen te belemmeren stelt dit kader hen in staat kansen te grijpen, relaties op te bouwen en een visie van systematische groei in werkelijkheid om te zetten. Kortom, het geeft vorm aan hun gezamenlijke krachten.

5. Wanneer wij overzien wat er in de gehele wereld is bereikt, wordt ons hart vervuld van een bijzon¬dere bewondering voor de gelovigen in Iran, die onder de meest zware omstandigheden moedig zijn opgestaan om hun land te dienen en die hun energie er nu op richten om het nieuwe kracht te geven, hoewel de wegen die voor hen openstaan begrensd zijn. En gezien de beperkingen die aan het bestuur van het Geloof zijn opgelegd, zijn zij op individuele basis hun landgenoten gaan informeren over de leringen van Bahá’u’lláh door hen rechtstreeks te betrekken in gesprekken over Zijn verlossende boodschap. Toen zij hiermee begonnen, ontvingen zij niet slechts ongekende steun van verlichte zielen, maar troffen zij ook een ontvankelijkheid aan die veel groter is dan zij ooit voor mogelijk hadden gehouden.

6. Elke volgeling van Bahá’u’lláh die zich bewust is van de krachten van integratie en desintegratie die in de huidige samenleving aan het werk zijn, ziet de relatie tussen de opkomende ontvankelijkheid voor het Geloof in alle delen van de wereld en het falen van de stelsels in de wereld. Dat deze ontvankelijkheid zal toenemen naargelang de kwellingen van de mensheid verhevigen is zeker. Laat hier geen misverstand over bestaan: de ontwikkeling van vaardigheden die in gang is gezet om te kunnen reageren op de groter wordende ontvankelijkheid is nog in zijn vroegste stadium. Door de omvang van de behoeften van een wereld die in chaos verkeert zullen deze vaardigheden in de komende jaren tot het uiterste worden getest. De mensheid wordt zwaar aangevallen door onder¬drukkende krachten, of deze nu voortkomen uit de diepten van religieus vooroordeel of de toppen van buitensporig materialisme. Bahá’ís zijn in staat de oorzaken van dit onheil te zien. “Welke ‘verdrukking’ is smartelijker,” vraagt Bahá’u’lláh, “dan dat een ziel die de waarheid zoekt, en tot de kennis van God wenst te komen, niet zou weten waarheen zich te wenden en bij wie dit te zoeken?” Er is geen tijd te verliezen. Er moet een voortdurende vooruitgang worden bereikt in de activiteit en ontwikkeling van de drie deelnemers aan het Plan.

7. ´Abdu’l-Bahá heeft zeer lovend gesproken over “twee oproepen” tot “succes en voorspoed” die gehoord kunnen worden vanaf de “hoogten van het geluk van de mensheid”. De ene is de roep van “beschaving” van “vooruitgang van de materiële wereld”. Deze omvat de “wetten”, “verordeningen”, “kunsten en wetenschappen” waardoor de mensheid zich ontwikkelt. De andere is de “zielroerende roep van God”, waarvan het eeuwige geluk van de mensheid afhangt. “Deze tweede roep”, heeft de Meester uitgelegd, “is gebaseerd op de instructies en aansporingen van de Heer en de vermaningen en onbaatzuchtige gevoelens die tot het gebied van de moraal behoren die, als een stralend licht, de lamp van de werkelijkheden van het mensdom verhelderen en verlichten. De doordringende kracht hiervan is het Woord van God.” Terwijl u doorgaat met het werk in uw regio’s zult u steeds verder betrokken worden bij het leven van de maatschappij om u heen, en worden uitgedaagd om het proces van systema¬tisch leren waarmee u bezig bent uit te breiden om een groeiend terrein van menselijke inspanningen te omvatten. In de benadering die u kiest, de methoden die u aanneemt en de middelen die u gebruikt, zult u dezelfde mate van samenhang moeten bereiken die het nu opkomende groeipatroon kenmerkt.

8. Het gaande houden van groei in regio na regio zal afhangen van de kwaliteiten die uw diensten aan de volkeren van de wereld kenmerken. Zo vrij dienen uw gedachten en handelingen te zijn van elk spoor van vooroordeel – raciaal, religieus, economisch, nationaal, van stam, klasse of cultuur – dat zelfs de vreemdeling in u een liefhebbende vriend ziet. Zo hoog dient uw standaard van voortref¬felijkheid te zijn en zo kuis en zuiver uw leven dat de morele invloed die van u uitgaat tot het bewustzijn van de gehele samenleving doordringt. Alleen als u het rechtschapen gedrag laat zien waartoe de geschriften van het Geloof elke ziel oproepen, zult u in staat zijn om te strijden tegen de talloze vormen van corruptie, openlijk en bedekt, die de levenskracht van de samenleving aantasten. Alleen als u waardigheid en edelmoedigheid ziet in elk menselijk wezen – en dit onafhankelijk van rijkdom of armoede – zult u in staat zijn om voor de zaak van gerechtigheid op te komen. En naarmate de bestuurlijke processen van uw instellingen geregeerd worden door de principes van bahá’í-consultatie zal de grote massa van de mensheid een toevlucht kunnen vinden in de bahá’í-gemeenschap.

Heb vertrouwen dat, terwijl u onverwijld doorgaat, de Schare in de hoge zijn krachten bundelt en klaar staat om u te hulp te komen. Onze voortdurende gebeden zullen u omringen.

Het eerste jaar van het Vijfjarenplan geeft op veelzeggende wijze blijk van de geest van toewijding waarmee Bahá’u’lláh’s volgelingen het actiekader dat in onze boodschap van 27 december 2005 werd gepresenteerd hebben omarmd, en van hun toewijding aan het bevorderen van het proces van toetreding in troepen. In regio’s waar dit kader in de samenhang van al zijn elementen wordt gebruikt, wordt gestage vooruitgang geboekt, zowel wat betreft de deelname van de gelovigen en hun vrienden aan het gemeenschapsleven als wat betreft de numerieke groei, waarbij sommige regio’s om de paar maanden honderden inschrijvingen rapporteren en andere tientallen. Wat van wezenlijk belang is voor deze ontwikkeling, is een dieper besef van de geestelijke aard van de onderneming, samen met een gegroeid inzicht in het gereedschap voor besluitvorming dat in de hoofdkenmerken van het Plan is omschreven.

2. Voordat wij de huidige reeks mondiale Plannen gericht op het enkele doel van de bevordering van het proces van toetreding in troepen lanceerden, had de Bahá’í-gemeenschap in veel delen van de wereld een stadium doorgemaakt van snelle, grootschalige uitbreiding – een uitbreiding die uiteindelijk onmogelijk gaande gehouden kon worden. Toen was de uitdaging dus niet zozeer het uitbreiden van de gelederen van de Zaak met nieuwe volgelingen, tenminste uit bevolkings¬groepen die ontvankelijk bleken te zijn, maar om hen op te nemen in het gemeenschapsleven en uit hun midden voldoende mensen te doen opstaan die zich aan de verdere uitbreiding ervan wilden wijden. Het was voor de bahá’í-wereld zo cruciaal deze uitdaging aan te gaan dat wij dit tot een centraal kenmerk van het Vierjarenplan maakten en Nationale Geestelijke Raden opriepen om het merendeel van hun krachten te besteden aan het creëren van institutionele capaciteit, in de vorm van het trainingsinstituut, om menselijke hulpbronnen te ontwikkelen. Wij wezen erop dat steeds grotere groepen gelovigen het voordeel zouden behoeven van een officieel trainings-programma dat was opgezet om hen de kennis en geestelijke inzichten, de vaardigheden en bekwaamheden te geven die nodig zijn om de daden van dienstbaarheid uit te voeren die uitbreiding en consolidatie op grote schaal gaande zouden kunnen houden.

3. Als wij nu observeren hoe het functioneert in die regio’s die in een krachtige groeifase verkeren, merken wij op dat de vrienden in elk van deze regio’s het instituutproces zijn blijven versterken, en geleerd hebben hun groeiende kern van actieve aanhangers van het Geloof te mobiliseren, een doelmatig systeem voor de coördinatie van hun inspanningen op te zetten, hun persoonlijke initiatieven met hun gezamenlijke inspanningen te verweven tot een effectief patroon van samengebundelde actie, en gebruik te maken van de analyse van relevante informatie bij de planning van hun activiteitencyclussen. Dat zij de middelen hebben ontdekt om het werk van uitbreiding en consolidatie hand in hand te laten gaan, de sleutel tot duurzame groei, is hiermee aangetoond. Dergelijk bewijs zal elke toegewijde gelovige ertoe inspireren om vastbesloten op het uitgezette pad van het systematisch leren te blijven.

4. De resultaten van deze jaren van wonderbaarlijke inspanning zijn niet beperkt gebleven tot die regio’s waar het werk van uitbreiding en consolidatie op grote schaal aldus tot nieuw leven was gewekt. De aanpak waarmee werd begonnen tijdens het Vierjarenplan, gevolgd door het Twaalfmaandenplan en het vorige Vijfjarenplan, bleek dienstig te zijn bij het scheppen van de omstandigheden waaronder de gelovigen hun inspanningen tot een brede kring van mensen konden uitbreiden en hen konden betrekken bij de verschillende aspecten van het gemeenschaps¬leven. Het nut van het tien jaar lange proces van het opbouwen van capaciteit bij de drie deelnemers aan de mondiale Plannen is nu volstrekt duidelijk. De noodzaak om inzicht te verwerven in de dynamiek van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen was overal aanwezig. Overal moesten de vrienden leren wat de voorwaarden voor gestage groei zijn – systematische actie bevorderen en afleidingen vermijden, bepaalde elementen van gezamenlijke besluitvorming naar de basis van de gemeenschap brengen en gemeenschappen creëren die voelen dat zij een missie hebben, stimuleren dat iedereen deelneemt en verschillende segmenten van de samenleving een plaats geven in hun activiteiten, in het bijzonder kinderen en jeugd, de toekomstige voorvechters van de Zaak van God en de bouwers van Zijn beschaving.

5. Nu er een zo stevige basis is gelegd, dient bij elke gelovige de gedachte aan onderricht voorop te staan. Ofwel bij hun persoonlijke inspanning hun vrienden tijdens firesides te onderrichten en hen dan in de kernactiviteiten te betrekken, of deze activiteiten als hun belangrijkste onderrichtmiddel te gebruiken; ofwel dat zij als gemeenschap hun werk met kinderen en jeugd tot de eerste aanzet in een regio maken, of zich eerst richten op de oudere generaties; ofwel dat zij in hun gezamenlijke inspanningen in teams gezinnen bezoeken als onderdeel van een intensieve campagne, of een tijd lang regelmatig de zoekers bij hen thuis bezoeken – dit zijn beslissingen die alleen genomen kunnen worden in overeenstemming met de omstandigheden en mogelijkheden van de vrienden en de aard van de bevolkingsgroepen waarmee zij omgaan. Wat allen moeten erkennen, los van de omstandigheden, is zowel de schreeuwende behoefte van een mensheid die, verstoken van geestelijk voedsel, dieper in wanhoop verzinkt, als de dringende verantwoordelijkheid om te onderrichten die aan ieder van ons is toevertrouwd als leden van de gemeenschap van de Grootste Naam.

6. Bahá’u’lláh heeft Zijn volgelingen het gebod gegeven te onderrichten. Duizenden en nog eens duizenden zijn reeds vol energie bezig de bepalingen van het Plan in praktijk te brengen om voor hen wegen te openen om zielen naar de Oceaan van Zijn Openbaring te leiden. Wij zien vol verwachting uit naar de dag dat onderricht de overheersende passie in het leven van elke gelovige zal zijn, en de eenheid van de gemeenschap zo sterk zal zijn dat deze hartstocht tot uiting kan komen in niet aflatende activiteit op het veld van dienstbaarheid. Dit is wat wij vurig voor u hopen en dit is het voorwerp van onze hartstochtelijke gebeden aan de Heilige Drempel.

Ridván 2006 is een met een geest van overwinning en verwachting beladen moment. Overal kunnen de volgelingen van Bahá’u’lláh terecht trots zijn op de omvang van hun prestaties gedurende het Vijfjarenplan, dat nu zijn einde nadert. En de toekomst kunnen zij tegemoet zien met een vertrouwen dat alleen is weggelegd voor diegenen wier vastbeslotenheid wordt gestaald door ervaring. De gehele bahá’í-wereld wordt in beroering gebracht als ze zich bezint op de omvang van de vijf jaren durende onderneming die voor haar ligt, de mate van toewijding die deze zal vergen en de resultaten die voorbestemd zijn eruit voort te komen. Onze gebeden voegen zich bij de uwe wanneer u zich, dankbaar voor het voorrecht getuige te zijn van het ontvouwen van Zijn plan voor de mensheid, tot Bahá’u’lláh keert.

2. In onze boodschap van 27 december 2005 aan de Raadgevers die bijeen waren in het Heilige Land, op diezelfde dag gestuurd aan alle Nationale Geestelijke Raden, hebben wij de hoofdlijnen uiteengezet van het Vijfjarenplan dat de periode van 2006 tot 2011 beslaat. De vrienden en hun instellingen werden aangespoord de boodschap grondig te bestuderen en de inhoud ervan is u ongetwijfeld goed bekend. Wij roepen u nu allen, zonder uitzondering, op uw energie te richten op het zeker stellen van het doel, om gedurende de komende vijf jaar in niet minder dan 1500 clusters over de gehele wereld intensieve groeiprogramma’s in te stellen. Dat in de maanden na het vertrek van de Raadgevers uit het Wereldcentrum de basis voor het lanceren van het Plan in land na land zo snel en systematisch werd gelegd, duidt het vurige verlangen aan waarmee de bahá’í-gemeenschap de uitdaging waar ze voor gesteld wordt, op zich neemt. Hoewel het niet nodig is hier verder uit te weiden over de vereisten van het Plan, voelen we ons gedrongen u ter overdenking enkele kanttekeningen aan te bieden, ten aanzien van de wereldwijde context waarin u uw persoonlijke en gezamenlijke inspanningen voortzet.

3. Meer dan zeventig jaar geleden schreef Shoghi Effendi zijn World Order brieven, waarin hij een doordringende analyse gaf van de krachten die in de wereld werkzaam zijn. Met een welsprekend¬heid die alleen hij bezat, beschreef hij twee grote processen die in beweging zijn gezet door Bahá’u’lláh’s Openbaring, het ene destructief en het andere integrerend, maar beide de mensheid voortstuwend naar de Wereldorde die Hij ontwierp. Wij worden er door de Behoeder voor gewaarschuwd “niet te worden misleid door het pijnlijk langzame proces dat kenmerkend is voor de ontvouwing van een beschaving” waaraan zo moeizaam wordt gewerkt om deze te vestigen, of ons “op een dwaalspoor te laten brengen door de kortstondige oplevingen van herstelde voorspoed die nu en dan in staat lijken een halt toe te roepen aan de vernietigende invloed van de chronische kwalen die de instellingen van een ineenstortend tijdperk treffen”. Geen terugblik op de loop der gebeurtenissen in de voorbije decennia kan ontkennen dat de processen die hij zo nauwkeurig analyseerde, in kracht toenemen.

4. Men hoeft slechts de steeds dieper wordende morele crisis die de mensheid overspoelt te overdenken om de mate waarin de ontbindende krachten het stramien van de maatschappij hebben verscheurd te beseffen. Zijn niet de tekenen van zelfzucht, van achterdocht, van angst en bedrog die de Behoeder zo duidelijk bespeurde zo wijdverbreid dat ze zelfs voor de oppervlakkige toeschouwer overduidelijk zijn? Doemt niet de dreiging van terrorisme waarvan hij sprak zo

grootschalig op het internationale toneel op dat het de geest van jong en oud in elke hoek van de aardbol bezighoudt? Heeft niet de onlesbare dorst naar en het koortsachtig najagen van aardse ijdelheden, rijkdommen en genoegens hun macht en invloed zo geconsolideerd dat deze nu meer gezag hebben dan menselijke waarden als geluk, trouw en liefde? Heeft niet het verzwakken van de gezinssolidariteit en de onverantwoordelijke houding tegenover het huwelijk dusdanige proporties aangenomen dat ze het bestaan van deze basiseenheid van de samenleving in gevaar brengen? “De verwording van de menselijke natuur, de ontaarding van het menselijke gedrag, het verderf en het uiteenvallen van menselijke instituten,” waarvoor Shoghi Effendi waarschuwde, laten zich jammer genoeg “van hun slechtste en weerzinwekkendste kant zien”.

5. De Behoeder wijt de schuld aan het morele verval van de mensheid voor het grootste deel aan het verval van religie als maatschappelijke kracht. “Als de lamp van religie verduisterd word,” zo vestigt hij onze aandacht op de woorden van Bahá’u’lláh, “dan zullen daar chaos en verwarring uit voortkomen en het licht van eerlijkheid en rechtvaardigheid, van rust en vrede zal ophouden te schijnen”. De decennia die volgden op het schrijven van zijn brieven hebben niet alleen een voortdurende achteruitgang in het vermogen van religie om morele invloed uit te oefenen gezien, maar ook het verraad van de massa’s door het onbetamelijke gedrag van religieuze instellingen. Pogingen haar nieuwe kracht te geven hebben slechts geleid tot een fanatisme dat, als het niet onder controle wordt gebracht, de grondslag van beschaafde betrekkingen tussen de mensen zou kunnen vernietigen. De vervolging van de Bahá’ís in Iran, recentelijk geïntensiveerd, is alleen al ruimschoots voldoende bewijs van de vastberadenheid van de krachten van duisternis om de vlam van geloof, waar die ook maar helder brandt, te doven. Hoewel overtuigd van de uiteindelijke overwinning van de Zaak, mogen wij de waarschuwing van de Behoeder dat het Geloof zal hebben te strijden met vijanden die machtiger en verraderlijker zijn dan die het in het verleden hebben gekweld, niet vergeten.

6. Het is niet nodig de impotentie van de politiek uitgebreid te becommentariëren, nog een thema dat zo meesterlijk door de Behoeder in zijn World Order brieven is behandeld. De steeds dieper wordende economische kloof tussen rijk en arm, het hardnekkige voortduren van eeuwenoude vijandschap tussen naties, de aanzwellende aantallen ontheemden, de buitengewone toename van georganiseerde misdaad en geweld, het alomtegenwoordige gevoel van onveiligheid, het ineenstorten van basisvoorzieningen in zoveel gebieden, de onzorgvuldige exploitatie van natuurlijke hulpbronnen – dit zijn slechts enkele van de vele tekenen van het onvermogen van wereldleiders om levensvatbare plannen te bedenken voor de verlichting van de kwalen van de mensheid. Dit wil niet zeggen dat er geen oprechte pogingen zijn gedaan, in feite zijn die decennium na decennium toegenomen. Ongeacht hoe ingenieus deze pogingen ook zijn, ze schieten toch tekort om de “de oorsprong van het kwaad weg te nemen dat het evenwicht van de huidige samenleving zo grof verstoort”. De Behoeder verklaarde dat “zelfs niet het daadwerkelijk opzetten van het apparaat dat nodig is voor de politieke en economische eenwording van de wereld ... het tegengif zou kunnen bevatten tegen het gif dat gestadig de vitaliteit van de georganiseerde volken en naties ondermijnt”. “Wat anders,” stelde hij vol vertrouwen, “dan de onvoorwaardelijke aanvaarding van het goddelijke plan,” dat door Bahá’u’lláh is verkondigd, “dat in haar wezen het door God aangewezen plan voor de eenwording van de mensheid in deze tijd belichaamt, gekoppeld aan de vaste overtuiging van de feilloze doelmatigheid van al haar regels, is uiteindelijk in staat de krachten van innerlijke ontbinding te weerstaan die, indien onbelemmerd, zeker zouden doorgaan de belangen van een vertwijfelde maatschappij aan te tasten”.

7. Shoghi Effendi’s beschrijving van het steeds sneller gaande proces van ontbinding in de wereld is zeker indringend. Even treffend is de nauwkeurigheid waarmee hij de krachten die verbonden zijn met het proces van integratie analyseerde. Hij sprak van een “geleidelijke verspreiding van de geest van wereldsolidariteit die spontaan oprijst uit de chaos van een ontregelde maatschappij” als een indirecte manifestatie van Bahá’u’lláh’s concept van het principe van de eenheid der mensheid. Deze geest van solidariteit is zich gedurende de decennia blijven verspreiden en vandaag de dag is het effect ervan zichtbaar in een reeks ontwikkelingen, van het verwerpen van diep ingewortelde

raciale vooroordelen tot het dagende bewustzijn van wereldburgerschap, van een verhoogd bewustzijn op het gebied van het milieu tot gezamenlijke inspanningen ter bevordering van de volksgezondheid, van de zorgen over mensenrechten tot het systematisch streven naar universeel onderwijs, van het opzetten van interreligieuze activiteiten tot het tot bloei komen van duizenden plaatselijke, nationale en internationale organisaties die betrokken zijn bij een of andere vorm van sociale actie.

8. Toch zijn voor de volgelingen van Bahá’u’lláh díe ontwikkelingen in het proces van integratie het significantst welke direct verbonden zijn met het Geloof, waarvan vele met zorg werden gevoed door de Behoeder zelf, en die sinds hun zeer bescheiden begin ontzagwekkende vooruitgang hebben geboekt. Uit de kleine kern van gelovigen aan wie hij zijn eerste onderrichtplannen overbracht is een wereldwijde gemeenschap gegroeid, aanwezig in duizenden plaatsen, ieder een vast patroon van activiteiten volgend dat de principes en het streven van het Geloof belichaamt.

Op het in de eerste decennia van zijn beleidsperiode zo nauwgezet gelegde fundament van het Bestuursstelsel is een groot, nauw verbonden netwerk van Nationale en Plaatselijke Raden opgezet dat toegewijd de aangelegenheden van de Zaak in meer dan honderdtachtig landen beheert. Uit de eerste door hem ingestelde contingenten van Hulpraadsleden voor de Bescherming en voor de Verspreiding van het Geloof is een legioen van bijna duizend trouwe werkers voortgekomen, die in het veld dienen onder leiding van eenentachtig Raadgevers, die bekwaam geleid worden door het Internationale Onderrichtcentrum. De ontwikkeling van het Bestuurlijke Wereldcentrum van het Geloof binnen het terrein van het Geestelijk Wereldcentrum, een proces waar de Behoeder zoveel energie aan besteedde, passeerde een beslissend stadium toen het Universele Huis van Gerechtig¬heid zijn Zetel op de berg Karmel betrok, met de daaropvolgende voltooiing van het gebouw voor het Internationale Onderrichtcentrum en het Centrum voor de Bestudering van de Teksten. Het Instituut Huqúqu’lláh heeft zich gestaag ontwikkeld onder het beheer van de Hand van de Zaak van God Dr. `Alí-Muhammad Varqá, vijftig jaar geleden door Shoghi Effendi als Gevolmachtigde aangesteld, in 2005 uitmondend in de instelling van een internationaal college dat als doel heeft de voortgaande wijdverspreide toepassing van deze machtige wet, die een bron is van onschatbare zegeningen voor de gehele mensheid, te bevorderen. De inspanningen van de Behoeder om het Geloof in internationale kringen bekend te maken hebben geleid tot een uitgebreid systeem van externe betrekkingen, met het vermogen zowel de belangen van het Geloof te verdedigen als zijn universele boodschap te verkondigen. Het respect dat het Geloof geniet steeds wanneer zijn vertegenwoordigers spreken in internationale forums is een opvallende prestatie. De trouw en toewijding die de leden van een gemeenschap die de verscheidenheid van het gehele mensdom weerspiegelt aan de dag leggen jegens het Verbond van Bahá’u’lláh zijn een bron van kracht zoals geen andere georganiseerde groep ter beschikking heeft.

9. De Behoeder voorzag dat het Universele Huis van Gerechtigheid in de opeenvolgende tijdvakken van het Vormende Tijdperk een reeks wereldomvattende ondernemingen zou lanceren die “de eenheid” van Nationale Geestelijke Raden “zou symboliseren en hun activiteiten coördineren en verenigen”. Gedurende drie opeenvolgende tijdvakken heeft de bahá’í-gemeenschap zich ijverig ingespannen binnen het raamwerk van de door het Huis van Gerechtigheid uitgevaardigde wereldomvattende plannen en is ze erin geslaagd een patroon van bahá’í-leven te vestigen dat de persoonlijke spirituele ontwikkeling bevordert en de gezamenlijke energie van haar leden kanaliseert in de richting van de spirituele heropleving van de maatschappij. Ze heeft het vermogen verworven grote aantallen ontvankelijke zielen met de boodschap te bereiken, hen te bekrachtigen en hun begrip van de hoofdzaken van het Geloof dat zij hebben omarmd te verdiepen. Ze heeft geleerd het principe van beraadslaging dat door haar Stichter verkondigd werd, te vertalen in een effectief gereedschap voor collectieve besluitvorming en haar leden op te voeden in het gebruik ervan. Ze heeft programma’s opgezet voor de spirituele en morele opvoeding van haar jonge leden en deze niet alleen aangewend voor haar eigen kinderen en jeugd maar ook voor die van de bredere gemeenschap. Met het talent dat haar ter beschikking staat heeft ze een rijke literatuur met werken in tientallen talen tot stand gebracht, zowel gericht op haar eigen behoeften als op de interesse van het publiek in het algemeen. Ze is in toenemende mate betrokken bij de aangelegenheden van de

maatschappij als geheel en neemt tal van projecten voor economische en sociale ontwikkeling op zich. Vooral sinds het begin van het vijfde tijdvak in 2001 heeft ze belangrijke stappen gezet op weg naar het vergroten van haar menselijke hulpbronnen door een trainingsprogramma waarmee de basis van de gemeenschap wordt bereikt en heeft ze methoden en instrumenten ontdekt voor het scheppen van een duurzaam groeipatroon.

10. De gebiedende noodzaak van het bevorderen van het proces van toetreding in groepen moet in de context van de wisselwerking van de hier beschreven krachten worden bezien. Het Vijfjarenplan dat nu begint vereist dat u uw energie op dit proces richt om er zeker van te zijn dat de twee complementaire bewegingen in de kern ervan worden versneld. Dit moet uw voornaamste zorg zijn. Naarmate uw inspanningen vrucht dragen en de dynamiek van de groei een nieuw niveau van complexiteit bereikt, zullen er zich de komende vijf jaar voor het Wereldcentrum zelf uitdagingen en mogelijkheden voordoen om zich te richten op gebieden als externe betrekkingen, sociale en economische ontwikkeling, bestuur en de toepassing van de bahá’í wetgeving. De groei van de gemeenschap heeft het al nodig gemaakt dat nieuwe voorzieningen worden getroffen om het aantal pelgrims in iedere groep te verdubbelen tot vierhonderd, te beginnen in oktober 2007. Er zijn verscheidene andere projecten die ook moeten worden voortgezet. Daaronder de verdere ontwik¬keling van de tuinen rondom de Graftombe van Bahá’u’lláh, de Ridván Tuin en Mazra’ih, de restauratie van het Internationale Archiefgebouw, structurele reparaties, waarvan de volle omvang nog niet duidelijk is, aan de Graftombe van de Báb en de bouw van het Huis van Aanbidding in Chili zoals voorzien door de Behoeder, de laatste van de continentale Mashriqu’l-Adhkárs. Naarmate deze ondernemingen voortschrijden, zullen wij van tijd tot tijd een beroep op u doen om hulp, zowel in de vorm van financiële ondersteuning als van gespecialiseerde talenten, daarbij in gedachten houdend dat de hulpbronnen van het Geloof in zo groot mogelijke mate tot het uiterste naar de vereisten van het Plan moeten worden gekanaliseerd.

11. Geliefde vrienden: dat de ontbindende krachten in omvang en kracht toenemen kan niet worden ontkend. Het is evenzeer duidelijk dat de gemeenschap van de Grootste Naam van kracht naar kracht is geleid door de Hand van Voorzienigheid en nu in omvang moet toenemen en haar hulpbronnen moet vergroten. De koers die in het Vijfjarenplan is uitgezet is duidelijk. Hoe kunnen diegenen onder ons die zich bewust zijn van de benarde toestand van de mensheid en van de richting waarin de geschiedenis zich ontvouwt, anders doen dan naar ons beste vermogen opstaan en ons aan haar doel wijden? Zijn de woorden van de Behoeder dat “de weg is bereid” voor ons vandaag de dag niet even waar als toen hij ze schreef tijdens het eerste Zevenjarenplan? Laat zijn woorden weerklinken in uw oren: “Er is geen tijd te verliezen”. “Aarzelen kan niet meer.” “Een dergelijke kans komt nooit weer terug”. “Proberen en volharden zal de uiteindelijke en volledige overwinning zeker stellen.” Wees verzekerd van onze voortdurende gebeden voor uw leiding en bescherming aan de Heilige Drempel.

De doorbraken die zijn bereikt in de bahá'í-wereld sinds het begin van het Vijfde Tijdvak van het Vormende Tijdperk hebben ons onmetelijke vreugde bezorgd. De afgelopen twaalf maanden zijn daarop geen uitzondering geweest. De bahá'í-gemeenschap heeft haar systematische progressie voortgezet en bevindt zich nu, aan het begin van het laatste jaar van het Vijfjarenplan, in een positie van opmerkelijke sterkte – een sterkte die is bereikt door de zware en doelbewuste inspanningen van de vrienden overal om het proces van toetreding in groepen te bevorderen.

2. Hoewel ze ontoereikend zijn om de volle betekenis van de ontwikkelingen weer te geven, geven de statistieken wel een indicatie van de omvang van wat er bereikt wordt. De menselijke hulpbronnen van het Geloof zijn gestaag vermenigvuldigd. Alles bij elkaar hebben wereldwijd meer dan 200.000 personen boek 1 van het Ruhi instituut gevolgd, en vele duizenden hebben het niveau bereikt waarop zij effectief kunnen functioneren als begeleiders van de leerkringen die steeds vaker gehouden worden, in ieder deel van de wereld; bij de laatste telling waren het er meer dan 10.000. Het aantal zoekenden dat deelneemt aan de kernactiviteiten neemt nog steeds toe, waarbij de 100.000 enkele maanden geleden is overschreden. In de tussentijd hebben zo’n 150 regio’s zich ontwikkeld tot het punt waarop intensieve groeiprogramma’s zijn gestart of klaar staan om in gang gezet te worden. Alles duidt erop dat dit aantal aan het eind van het Plan aanzienlijk zal zijn overschreden.

3. Bij het vieren van deze resultaten verdient de vooruitgang in het leren, die eraan ten grondslag ligt, gelijke erkenning. Intensieve instituutcampagnes, waarbij de juiste aandacht geschonken wordt aan de praktijk, zijn nog steeds het middel om groei op regioniveau te stimuleren. Naarmate de noodzakelijke voorwaarden op deze manier geschapen waren, werden er passende systematische programma’s voor de uitbreiding en consolidatie van het Geloof opgestart. Er wordt waardevolle kennis opgebouwd over de aard van intensieve groeiprogramma’s, en bepaalde kenmerken van deze programma’s worden nu goed begrepen. Zulke programma’s bestaan vaak uit een reeks cycli van elk enkele maanden, gewijd aan planning, uitbreiding en consolidatie. De ontwikkeling van menselijke hulpbronnen gaat onverminderd voort van de ene cyclus naar de volgende, waardoor het proces van uitbreiding niet alleen op gang wordt gehouden, maar ook steeds meer vaart krijgt. Hoewel er ongetwijfeld nog vele lessen te leren zijn, maakt de tot nu toe opgedane ervaring het al mogelijk om de aanpak in steeds meer regio’s over de hele wereld te herhalen.

4. Het doet werkelijk genoegen dat de behaalde overwinningen zowel kwantitatieve als kwalitatieve dimensies hebben. Aan de basis van deze prestaties ligt de voortdurende versterking van het geestelijk leven van bahá'í-gemeenschappen overal. Deze nieuwe geestelijke vitaliteit verklaart de toenemende deelname van mensen van uiteenlopende achtergronden aan meditatieve bijeenkomsten, kinderklassen en leerkringen, die in vele gevallen heeft geleid tot hun erkenning van Bahá'u'lláh als de Manifestatie van God voor deze Dag, en tot hun geloofsverklaring.

5. Evenzo hebben zich in het Wereldcentrum nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Wij hebben besloten dat de tijd rijp is om een Internationaal College van Gevolmachtigden van Ḥuqúqu’lláh in het leven te roepen, om het werk van de Regionale en Nationale Colleges van Gevolmachtigden van Ḥuqúqu’lláh te begeleiden en er toezicht op te houden. Het College zal nauw samenwerken met de Hoofdgevolmachtigde, Hand van de Zaak van God dr. `Alí-Muhammad Varqá, en zal bij het uitoefenen van zijn plichten gebruik kunnen maken van zijn kennis en raadgevingen. De drie leden die nu zijn benoemd in het Internationale College van Gevolmachtigden zijn Sally Foo, Ramin Khadem en Grant Kvalheim. De duur van hun aanstelling zal later worden bepaald. De leden van het College zullen niet naar het Heilige Land verhuizen, maar zullen bij het uitoefenen van hun functie gebruik maken van de diensten van het Bureau van Ḥuqúqu’lláh in het Wereldcentrum.

6. Op alle niveaus en in iedere richting boekt de Zaak duidelijk voortgang – van groeiende uitbreiding en consolidatie aan de basis tot institutionele ontwikkelingen met internationale reikwijdte. Zulke bemoedigende tekenen van groeiende solidariteit binnen de gemeenschap komen in een tijd waarin de bewijzen van de neergang in de maatschappij helaas maar al te duidelijk zijn. Onnodig hier de kenmerken te herhalen van de instorting waarin een gedemoraliseerde wereld gevangen zit. Toch moet niet vergeten worden dat het precies deze omstandigheden zijn die de ontvankelijkheid voor de Leringen verhogen, en die nieuwe gelegenheden scheppen voor de verspreiding ervan.

7. In onze boodschap van 26 november 1999 refereerden wij aan een reeks wereldwijde ondernemingen, ontworpen om de bahá'í-gemeenschap door de laatste jaren van de eerste eeuw van het Vormende Tijdperk van het Geloof te voeren. Ieder Plan, zo gaven wij aan, zou gericht zijn op het centrale doel van het bevorderen van het proces van toetreding in groepen. Het eerste in de reeks, het huidige Vijfjarenplan, zal over twaalf korte maanden ten einde lopen, waarna wij de volgelingen van Bahá'u'lláh zullen oproepen om te beginnen aan een volgend Plan van vijf jaar. Wat wij de vrienden in de tussenliggende periode vragen te doen, is om al hun energie aan te wenden voor het resoluut en actief in praktijk brengen van het systematisch leren dat zo energiek wordt gestimuleerd door het Internationaal Onderrichtscentrum. Geen enkele bahá'í mag de onschatbare gelegenheid die wordt geboden door de resterende dagen van het Plan verloren laten gaan, om op deze wijze de fundamenten te versterken voor een nog ambitieuzere onderneming, die volgende Riḍván van start zal gaan. Onze vurigste gebeden in de Heilige Graftomben zullen u omringen.

w.g. Het Universele Huis van Gerechtigheid

Drie jaren van het Vijfjarenplan zijn nu voorbij. De processen die in gang werden gezet in het Vierjarenplan, die werden versterkt door speciale aandacht voor de bahá’í-opvoeding van kinderen tijdens het Twaalfmaandenplan, en die gedurende deze afgelopen jaren onverflauwd werden voortgezet, doen nu de hoge verwachtingen waarmee ze werden gelanceerd in vervulling gaan. In elk deel van de wereld versterken de drie deelnemers aan het Plan -de individuele gelovige, de gemeenschap en de instituten- die ieder een onderscheiden rol spelen, elkaars acties. De kernactiviteiten leerkringen, kinderklassen en meditatieve bijeenkomsten zijn wezenlijke aspecten en elkaar onderling versterkende verworvenheden geworden, waardoor alle andere elementen van het bahá’í-gemeenschapsleven krachtiger en succesvoller zijn. De menselijke hulpbronnen nemen toe en de Plaatselijke Geestelijke Raden komen tegemoet aan de nieuwe vereisten van deze toenemende vitaliteit.

De bekwaamheid die over de gehele wereld is ontwikkeld voor de bahá’í-opvoeding van kinderen is buitengewoon indrukwekkend. De eerste inspanningen voor de spirituele bekrachtiging van de jeugd werpen resultaten af. De ontwikkeling van clusters van elk activiteitenniveau naar een hoger niveau vordert goed en, terwijl dit plaatsvindt, sluit een kring van mensen die nog geen bahá’í zijn, maar enthousiast betrokken zijn bij de kernactiviteiten van het Plan, zich aan bij de kern van geregistreerde gelovigen. Structuren voor het beheren van intensieve groei komen reeds voor in bepaalde gevorderde clusters. Terwijl nationale raden voorzien in de behoeften van alle clusters in hun land, hebben ze de waarde ervan leren kennen om speciale aandacht te geven aan bepaalde veelbelovende prioriteitsclusters, deze aan te moedigen en te helpen zich te ontwikkelen totdat de menselijke hulpbronnen die ze door de trainingsinstituten hebben voortgebracht hen in staat stellen centra van snelle, aanhoudende groei te worden.

Zoals was voorzien, blijkt het trainingsinstituut een motor van groei te zijn. Bij het vaststellen van de kansen en behoeften van hun respectievelijke gemeenschappen heeft de grote meerderheid der Nationale Geestelijke Raden ervoor gekozen het cursusmateriaal dat door het Ruhi Instituut is ontwikkeld over te nemen, daar ze vonden dat dat het best beantwoordde aan de behoeften van het Plan. Dit had het bijkomende voordeel dat hetzelfde materiaal in veel talen is vertaald en, waar bahá’ís ook naar toe reizen, ze ontdekken dat andere vrienden hetzelfde pad volgen en bekend zijn met dezelfde boeken en methoden.

Een door conflicterende inzichten en belangen verscheurde chaotische internationale samenleving wordt belaagd door opkomend terrorisme, groeiende wetteloosheid en corruptie en uitgehold door economische achteruitgang, armoede en ziekte. In haar midden wordt de bahá’í-gemeenschap in toenemende mate zichtbaar, geïnspireerd door een goddelijk geopenbaarde visie, bouwend op hechte grondslagen, groeiend in kracht door de processen die nu plaatsvinden en niet uit het veld geslagen door schijnbare tegenslagen. Een voorbeeld van het vermogen van de bahá’í-wereld een antwoord te hebben op onverwachte omstandigheden zagen we een jaar geleden, toen een veelvoud van gevaren de afgelasting van de Internationale Bahá’í-conventie vereisten. De verkiezing van het Universele Huis van Gerechtigheid werd op de juiste wijze gehouden en het Plan ging door zonder dat er één stap gemist werd. Tegelijkertijd was het mogelijk, ondanks de ontwrichting en het chaotische leven in Irak, contact te leggen met de bahá’ís in dat land en hun Plaatselijke Geestelijke Raden opnieuw te vormen. Nu, met deze Ridván, kondigen wij met grote vreugde de verkiezing aan van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá’ís van Irak, die weer wordt gekozen na meer dan dertig jaar verstikkende onderdrukking, om zijn rechtmatige plaats in de internationale bahá’í-gemeenschap in te nemen.

Wat het Goddelijke Plan in dit stadium vereist is dat wij vol vertrouwen en op dynamische wijze voortgaan in de huidige richting, niet afgeschrikt door de stormen die de wereld der mensheid teisteren. Weest ervan verzekerd dat de Gezegende Schoonheid uw stappen zal leiden en de Heerscharen van de Verhevenste Schare iedere inspanning van u voor de vooruitgang van Zijn Geloof zullen bekrachtigen.

Nu het Vijfjarenplan zijn derde jaar ingaat neemt de vaart toe: wat er het afgelopen jaar bereikt is laat de resultaten van de twaalf maanden ervoor ver achter zich. Deze geweldige vaart is zowel te danken aan de bereikte toegenomen samenhang tussen de samenstellende elementen in het Plan, als aan het stimulerende effect van de geest van onrust waarvan de planeet doordrongen is.

2. De omstandigheden rond het begin van dit nieuwe bestuursjaar zijn tegelijk kritiek, vol uitdaging en van uitzonderlijk belang. Het hele verloop van het afgelopen jaar werd verstoord door crisis na crisis, met als hoogtepunt het uitbreken van oorlog in het Midden-Oosten. De implicaties zijn niet minder belangrijk voor de voortgang van de gemeenschap van de Grootste Naam, dan voor de evolutie van een steeds meer wereldomvattende maatschappij die worstelt met een turbulente transitie. De timing, schaal en tendens van deze transitie zijn noodzakelijkerwijs onvoorspelbaar geweest. Waarlijk, hoe snel heeft de huidige verandering in het tij van de toestand in de wereld zich voltrokken! Door de resulterende strijd, waarbij de landen waarin de vroegste geschiedenis van de Zaak vorm kreeg zo duidelijk betrokken zijn, worden wij opnieuw herinnerd aan Bahá'u'lláhs waarschuwing dat het “evenwicht in de wereld is verstoord door de vibrerende invloed van deze grootste, deze nieuwe Wereldorde.” Het is vooral opmerkelijk dat de gebeurtenissen van deze crisis rechtstreeks invloed hebben op een gebied met een zo rijke bahá'í erfenis als Irak.

3. De ontwrichtingen tengevolge van deze en andere omstandigheden in de wereld zinspelen in één geval op het aanbreken van een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de hooggeprezen, maar smartelijk onderdrukte bahá'í-gemeenschap van een land waarin de Manifestatie van God voor deze Dag een volle tien jaar verbleef. In een ander geval werden hierdoor de voorbereidingen voor de Negende Internationale Conventie in het Wereldcentrum van ons Geloof gedwarsboomd. Maar hoe teleurstellend dit ook moge zijn, het is geen reden voor ontsteltenis. Wanneer het Grote Plan van God Zijn Kleine Plan doorkruist, mag er geen twijfel over bestaan dat er te zijner tijd door de voorzienigheid Gods een weg zal worden gebaand naar een kans met onbegrensde mogelijkheden om de belangen van Zijn glorieuze Zaak te bevorderen.

4. Door het verdriet, de angsten en de verbijstering, opgeroepen door dit jongste conflict in de ontvouwing van de Kleine Vrede, zijn de gevoelens van bitterheid en woede om de steeds weerkerende crises die de planeet teisteren verhevigd. De bezorgdheid van mensen over de hele wereld wordt op dit moment publiekelijk uitgebeeld in woedende demonstraties die te overweldigend zijn om genegeerd te worden. De kwesties waarover geprotesteerd wordt en de emoties die dit oproept dragen vaak bij aan de chaos en verwarring die men door deze openlijke uitingen hoopt op te lossen. Voor de vrienden van God is er een ondubbelzinnige verklaring voor de gebeurtenissen: zij hoeven zich slechts de visie en principes die het Geloof biedt te herinneren willen zij effectief op de door de wijdverbreide consternatie en ontsteltenis veroorzaakte uitdagingen reageren. Laat hen ernaar streven de leringen die hierop betrekking hebben beter te begrijpen door de brieven van Shoghi Effendi die in The World Order of Bahá'u'lláh zijn gepubliceerd te bestuderen; vooral “The Goal of a New World”, “America and the Most Great Peace” en “The Unfoldment of World Civilization”.

5. Terwijl de wereld zijn tumultueuze koers vervolgt, heeft het Vijfjarenplan het operationele vermogen bereikt om onze gemeenschap in staat te stellen enorme stappen voorwaarts te maken naar het hoofddoel: het bevorderen van het proces van toetreding in groepen. De details van deze zo bemoedigende stand van zaken voor het Geloof op alle vijf de continenten zijn reeds gegeven in onze brief van 17 januari: wij nodigen u uit deze nader te bestuderen. Slechts enkele belangrijke details dienen nu benadrukt te worden: de opdeling in regio’s is in 179 landen voltooid; er bestaan thans circa 17.000 van deze voedingsbodems voor uitbreiding. Overdenkingsbijeenkomsten op regioniveau zijn een krachtig middel geworden om ideeën en daden te verenigen over instellingen en plaatsen heen: zij hebben een sterke stimulans verleend aan initiatieven van instellingen en individuele personen in een wederzijds ondersteunende geest. Het instituutproces heeft nog duidelijker dan tevoren zijn invloed laten zien als stuwende kracht voor uitbreiding en consolidatie. De kernactiviteiten van het Plan hebben een schaal bereikt die die van het jaar ervoor ver achter zich laat. Als gevolg hiervan is in de hele wereld een toenemend aantal vrienden thans actief in het onderrichts- en bestuurswerk die zo blijk geven van de aanstekelijke geest van vertrouwen waardoor het enthousiasme van hun inspanningen wordt geïnspireerd. Jongeren en kinderen worden structureler betrokken bij de programma’s van de gemeenschap, en steeds meer niet-bahá'ís nemen deel aan leerkringen, meditatieve bijeenkomsten en kinderklassen. Het is waarlijk bemoedigend om te zien dat, in de korte periode sinds het begin van het Plan, toen in veel gemeenschappen deze drie kernactiviteiten sporadisch voorkwamen, zij regulier zijn geworden en in aantal zijn toegenomen. Ziehier een momentopname van een wereldgemeenschap die doelgericht in beweging is als nooit tevoren.

6. Terwijl dit groeipatroon gedurende het afgelopen jaar steeds hechter geworteld raakte in de uitvoering van het Plan, voltrokken zich ook andere belangrijke ontwikkelingen. In de arena van externe betrekkingen hebben agentschappen van de Bahá'í International Community zo veel en zulke gevarieerde activiteiten ontplooid dat wij ze hier onmogelijk kunnen beschrijven. Het gezamenlijk effect ervan is echter zo indrukwekkend dat ze niet ongenoemd kunnen blijven. Het hoogtepunt van de activiteiten was de boodschap die wij afgelopen april richtten aan de religieuze leiders van de wereld. Deze verschafte een nieuwe impuls aan de benadering van de bahá'í-gemeenschap om de aandacht van de invloedrijkste elementen in de maatschappij te vestigen op punten van cruciaal belang voor het verzekeren van de vrede in de wereld. Dankzij de coördinatie van het Bureau Voorlichting van de Bahá'í International Community en de alerte en efficiënte reactie van de Nationale Geestelijke Raden, werd de boodschap in korte tijd uitgereikt aan de bovenste gelederen en de andere echelons van religieuze gemeenschappen over de hele wereld. Het doel van dit initiatief is om bij alle betrokkenen onder de aandacht te brengen hoe dringend noodzakelijk het is dat de religieuze leiding het probleem van religieus vooroordeel aanpakt; een probleem dat een steeds ernstiger gevaar voor het welzijn van de mensheid wordt. De eerste reacties van vele ontvangers geven aan dat de boodschap serieus wordt genomen en zelfs op sommige plaatsen interreligieuze activiteiten in een nieuw perspectief zet.

7. Op het gebied van sociale en economische ontwikkeling is een tempo bereikt dat steeds dieper het effect doet voelen van de inspanningen van instellingen en individuele personen op zowel de interne ontwikkeling van de gemeenschap als op de samenwerking van de gemeenschap met anderen. Het Bureau voor Sociale en Economische Ontwikkeling meldt dat er gedurende het tweede jaar van het Plan acht nieuwe bahá'í-geïnspireerde ontwikkelingsinstanties zijn gevestigd, werkzaam op uiteenlopende gebieden zoals de vooruitgang van vrouwen, gezondheid, landbouw, de opvoeding van kinderen en de ontwikkeling van jongeren.

8. In het Heilige Land is de Engelse vertaling van Bahá'u'lláhs Arabische epistel dat bekend staat als Javáhiru’l-Asrár, uitgebracht onder de titel “Gems of Divine Mysteries”. De restauratie van Bahá'u'lláhs cel in de gevangenis van `Akká werd voltooid, en het werk aan de rest van de bovenste verdieping van het cellencomplex is begonnen. Vanaf het volgende pelgrimsseizoen, dat in oktober 2003 begint, zal het aantal pelgrims per groep verhoogd worden van 150 naar 200.

9. Verder waren de werkzaamheden om de ontwikkeling van instellingen aan het Wereldcentrum te bevorderen vooral zichtbaar in de voortgaande ontwikkeling van de instelling van Huqúqu’lláh onder de eminente leiding van de Gevolmachtigde, Hand van de Zaak van God `Alí-Muhammad Varqá. Door zijn wijze initiatieven en constante inspanningen inspireerde dr. Varqá de educatie van de vrienden overal aangaande de wet van Huqúqu’lláh. In de tien jaar sinds het universeel van kracht worden van de wet, is een netwerk van nationale en regionale raden van gevolmachtigden tot stand gebracht, die coördinatie en richting geven aan de diensten van een toenemend aantal assistenten en afgevaardigden. Kennis over deze grootse wet is wijdverbreid, en vrienden uit alle continenten geven er gehoor aan in een geest van toewijding. De Gevolmachtigde hoopt dat diegenen die de beloofde zegeningen voortvloeiend uit gehoorzaamheid aan deze wet nog niet te baat hebben genomen, door deze geest van toewijding geraakt zullen worden.

10. In de bijna twee jaar sinds wij de bijzondere noodzaak van financiële steun aankondigden om de gebouwen en tuinen van het Wereldcentrum op passend niveau te onderhouden, is het Kapitaalfonds voor het Wereldcentrum gevestigd. De bijdragen hebben nog niet het niveau van de jaarlijkse behoefte bereikt. Wij voelden ons echter gehouden om vijf miljoen dollar van de ontvangen bijdragen opzij te zetten als een gereserveerd fonds om een kapitaal op te bouwen als bron van investeringsinkomsten voor het oorspronkelijke doel. Om de noodzakelijke kosten te helpen dekken hebben wij een beroep gedaan op het Internationale Bahá'í Fonds. Hiervoor hebben wij activiteiten geschorst die normaliter op andere gebieden zouden zijn ontplooid.

11. Het doet ons genoegen te vermelden dat er, in antwoord op de oproep van de Nationale Geestelijke Raad van Chili, 185 conceptontwerpen zijn ontvangen van architecten en ontwerpers over de hele wereld voor de bouw van de moedertempel van Zuid-Amerika in Santiago. De definitieve keuze zal te zijner tijd worden bekendgemaakt.

12. Geliefde vrienden, dankbaar door het solide bewijs van de vooruitgang die wijd en zijd wordt geboekt, vertrouwen wij op de voortgaande bevestiging van onze Opperste Heer voor de toegewijde inspanningen die u zich getroost binnen het kader van het Vijfjarenplan – een Plan dat is toegesneden op de vereisten van deze tijd. Moge uw doorzettingsvermogen in het volbrengen ervan de opgestuwde krachten doen vrijkomen die, door de gunst en genade van de Abhá Schoonheid, het proces van toetreding in groepen in ieder land met krachtige pulsen vooruit kunnen brengen.

De opeenstapeling van gebeurtenissen binnen en buiten het Geloof bij het begin van het Vijfde Tijdvak van het Vormende Tijdperk biedt een ontzagwekkend schouwspel. Binnen de Zaak deed het historisch belang van de evenementen van afgelopen mei die de voltooiing van de gebouwen op de Berg Karmel markeerden ons versteld staan, terwijl de krachtige invloed ervan ogenblikkelijk aan de hele planeet werd overgebracht door satellietuitzendingen en de uitgebreidste mediapubliciteit die ooit een bahá'í-gelegenheid gekregen heeft. Terwijl de jongste tekenen van de concrete ontvouwing van de Tafel van Karmel in adembenemende pracht voor de ogen van de wereld werden blootgelegd, maakte de Zaak van Bahá'u'lláh in haar voortgaande opkomst uit de verborgenheid een grote stap voorwaarts. Aldus werd een onuitwisbare indruk in de annalen van de Beschikking opgetekend.

2. Dit uiterlijke blijk van de levenskracht die ons onbedwingbaar Geloof bezielt had zijn equivalent in de stuwkracht van de interne processen die sedert de aanvang van het Vijfjarenplan afgelopen Ridván aan het werk zijn. Dit brengt ons ertoe de gedelegeerden die bijeen zijn op nationale conventies en alle andere volgelingen van Bahá'u'lláh over de hele wereld uit te nodigen om met ons enkele krachtige hoogtepunten van de uitwerking van het Plan in het eerste jaar te overdenken - hoogtepunten die het hart slechts kunnen verblijden en vertrouwen schenken in de ontelbare mogelijkheden van de koers waarop het Plan is ingezet.

3. Geestdriftig reagerend op de vereisten van het Plan hielden de Nationale Geestelijke Raden vóór en direct na Ridván een reeks planningsbijeenkomsten met de Continentale Raadgevers. Deze gaven het tempo aan voor een krachtige start, gekarakteriseerd door de stappen die werden genomen om een nieuw aspect van het proces van toetreding in groepen te introduceren. In elke nationale gemeenschap begonnen bahá'í-instituten hun land systematisch in kaart te brengen, met het doel het in te delen in regio’s met elk een samenstelling en grootte passend bij een beheersbare schaal van activiteiten voor groei en ontwikkeling. Zoals reeds door zo’n 150 landen werd gerapporteerd, maakt een dergelijke indeling het mogelijk om een patroon van goed geordende uitbreiding en consolidatie te verwezen¬lijken. Zo schept het tevens een perspectief, of visie, van een systematische groei die gedragen kan worden van regio tot regio door een heel land heen. Met dit perspectief worden maagdelijke regio’s, net als de maagdelijke gebieden uit vroegere campagnes, doelen voor thuisfrontpioniers, terwijl geopende regio’s zich richten op hun interne ontwikkeling, gemobiliseerd door het wederzijds versterkende werk van de drie samenstellende elementen van het Plan; het individu, de instituten en de gemeenschap.

4. Het is uiterst bemoedigend te zien dat de voortgang van dit werk wordt gestimuleerd door het trainings-instituutproces, dat het afgelopen jaar aanzienlijk werd versterkt door de in vele landen gevoerde campagnes om het aantal getrainde begeleiders te vermeerderen. Waar een trainingsinstituut stevig gevestigd is en constant functioneert, vermenigvuldigen zich betrekkelijk gemakkelijk drie kern-activiteiten – leerkringen, meditatieve bijeenkomsten en kinderklassen. In feite verschafte de toegenomen deelname aan deze activiteiten door belangstellenden, op uitnodiging van hun bahá'í- vrienden, een nieuwe dimensie aan het doel ervan, met nieuwe inschrijvingen tot gevolg. Dit is, voorzeker, een richting die grote beloftes inhoudt voor het onderrichtswerk. Deze kernactiviteiten, die in het begin voornamelijk werden opgezet ten behoeve van de gelovigen zelf, worden als vanzelf poorten tot toetreding in groepen. Door leerkringen, meditatieve bijeenkomsten en kinderklassen te combineren binnen het raamwerk van regio’s, is een model van samenhang in actielijnen in gebruik genomen en worden reeds welkome resultaten geboekt. Wij hebben het vertrouwen dat wereldwijde toepassing van dit model enorme mogelijkheden inhoudt voor de voortgang van de Zaak in de komende jaren.

5. Deze opwindende vooruitzichten werden nog dichterbij gebracht door de geweldige energie die het Internationale Onderrichtscentrum heeft geïnvesteerd in het verrijken van het begrip van de wereld-gemeenschap betreffende systematische groei. Gebruikmakend van de recentelijk begonnen nieuwe diensttermijn voor Hulpraadsleden, riep het Onderrichtscentrum op tot het houden van 16 regionale oriëntatieconferenties in de laatste maanden van het jaar. Naar elk van deze conferenties vaardigde het twee van zijn leden af. Door de aandacht te richten op het thema “trainingsinstituten en systematische groei” voorzagen deze conferenties, die werden bijgewoond door vrijwel alle leden van de Colleges in de gehele wereld, de deelnemers van een rijkdom aan informatie die, door hun onvermoeibare inspanningen, tot alle gelederen van de gemeenschap zal doordringen.

6. Een gemeenschap zo rijk begiftigd, zo ervaren, zo gericht op een goddelijk geïnspireerd actieplan, ziet uit op een wereld waarvan de bevolking, sinds de evenementen van mei 2001 in het Heilige Land, nog dieper is weggezonken in een moeras van veelsoortige aandoeningen. En toch is het juist de bedoeling dat de Zaak onder deze schijnbaar ondoenlijke omstandigheden vooruitgang boekt, en zij zal ook gedijen. The Summons of the Lord of Hosts, het onlangs verschenen boek met de Engelse vertaling van de volledige teksten van Bahá'u'lláh’s Tafelen aan de koningen en leiders van de wereld, komt als een gepaste herinnering aan de rampzalige gevolgen van het negeren van Zijn waarschuwingen tegen onrecht, tirannie en corruptie. De heftige schokken die worden toegebracht aan het bewustzijn van mensen overal, benadrukken de urgentie van de remedie die Hij heeft voorgeschreven. Wij, Zijn verspreide groepen trouwe volgelingen, zijn zo wederom aangekomen in een tijd van onweerstaanbare kansen – kansen om Zijn Zaak te onderrichten, om Zijn prachtige Stelsel op te bouwen, om opofferingsgezind te voorzien in de dringend noodzakelijke materiële middelen waarvan de voortgang en uitvoering van geestelijke activiteiten onvermijdelijk afhangen.

7. Onze onontkoombare taak is, zonder vrees of aarzeling, de huidige beroering volledig te benutten teneinde de herscheppende werking van die éne Boodschap die de vrede in de wereld kan verzekeren te verspreiden en aan te tonen. Heeft de Gezegende Schoonheid ons niet gesterkt en verzekerd met krachtige woorden? “Laat de lotgevallen van de wereld u niet bedroeven” is Zijn liefdevolle raad.

“Ik zweer bij God,” zo vervolgt Hij, “de zee van vreugde is vol verlangen uw nabijheid te bereiken, want al het goede werd voor u geschapen en zal, naar de noden van de tijd, voor u worden geopen-baard.”

8. Zet dan door, onbelemmerd door enige twijfel, ongehinderd door enig obstakel, met het Plan in de hand.

Met grote vreugde in ons hart en hooggespannen verwachtingen bereiken wij deze Ridvánperiode in een overgangstijd waarin een nieuwe geestesgesteldheid zich onder ons allen manifesteert. In onze hele wereldgemeenschap leeft een verhoogd bewustzijn van het belang van procesmatig denken, de noodzaak van planning en de waarde van systematisch uitgevoerde activiteiten bij het bevorderen van groei en het ontwikkelen van de menselijke hulpbronnen, waardoor uitbreiding kan worden volgehouden en consolidatie verzekerd. De waarde van een samenhangend begrip van deze voorwaarden voor vooruitgang kan niet worden overschat, evenmin als het belang van het bestendigen ervan door goed georganiseerde training. Dat onze gemeenschap op zulk een tijdstip van bewustzijn is aangekomen, is daarom voor ons een belangrijke mijlpaal. Wij zijn de Gezegende Schoonheid innig dankbaar dat wij dit tijdstip kunnen herkennen en begroeten, precies bij de aanvang van de wereldwijde onderneming die tijdens deze vreugdevolle dagen van start gaat.

2. De wilskracht die uit dit bewustzijn is voortgekomen was kenmerkend voor de conferentie van de Continentale Raadgevers en de leden van hun Hulpraden die januari jongstleden in het Heilige Land bijeen waren. Deze gebeurtenis bracht een dermate verlichtende ervaring teweeg dat zij het begin markeerde van een nieuw tijdvak in het Geloof, het vijfde van het Vormende Tijdperk. De vernieuwde vitaliteit die tijdens deze historische bijeenkomst werd vertoond werd gaandeweg begrepen als een blijk van de toenemende kwaliteit van de activiteiten in de gehele gemeenschap. Deze waarneming werd bevestigd door de inspanningen die gedurende het afgelopen jaar werden verricht ten behoeve van het vestigen van de grondvoorwaarden om vooruitgang te boeken bij het proces van toetreding in groepen. Aldus werd de weg gebaand voor het Vijfjarenplan, het eerste dat wij in het vijfde tijdvak gaan ondernemen.

3. Door de nog verdere uitbreiding van grote inspanningen uit het voorafgaande Vierjarenplan, waardoor meer dan 300 trainingsinstituten in het leven werden geroepen, bereikte het Twaalfmaandenplan zijn doel. Het belang ervan werd nog groter door de aanzienlijke respons van instituten en personen op de oproep om meer gericht te zijn op de geestelijke opvoeding van kinderen en het betrekken van de jeugd bij het bahá’í gemeenschapsleven. Het opleiden van kinderklasbegeleiders en het integreren van de jeugd in het proces rondom de instituten zijn in een aantal landen geregelde onderdelen van de bahá'í activiteiten geworden. Ondanks de korte tijdsspanne had het Twaalfmaandenplan een belang dat zwaarder weegt dan de specifiek aangewezen doelen. Het plan was een belangrijke schakel tussen een zeer veelbewogen tijdvak in de bahá'í geschiedenis, en de immens veelbelovende vooruitzichten van een nieuw tijdvak waarop de gemeenschap, door wat er in het plan bereikt werd, zo goed is voorbereid. Het is tevens in onze annalen gegrift vanwege de blijvende effecten van de activiteiten van het Geloof aan het einde van de twintigste eeuw – een eeuw die de aandachtige bespiegeling verdient van iedere bahá'í die de tumultueuze krachten wil begrijpen die het leven op de planeet en de processen van de Zaak zelf hebben beïnvloed, op een cruciaal tijdstip in de maatschappelijke en geestelijke evolutie van de mensheid. Ten behoeve van een zo achtenswaardige inspanning werd op ons verzoek en onder onze supervisie “Century of Light” gemaakt, een terugblik op de twintigste eeuw.

4. Bij vele gelegenheden gedurende deze éénjarige inspanning waren vooral de naar buiten gerichte activiteiten van het Geloof zichtbaar. Denkt u bijvoorbeeld aan de prominente deelname van bahá'í vertegenwoordigers in de millennium-evenementen die in mei, augustus en september plaatsvonden op verzoek van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. De implicaties van een zo nauwe en opvallende betrokkenheid van de Internationale Bahá'í-gemeenschap bij de processen van de Kleine Vrede zullen pas na verloop van tijd goed begrepen kunnen worden. Een van de andere hoogtepunten was het continentale colloquium in India, georganiseerd door het “Institute for Studies in Global Prosperity” [“Instituut voor het bestuderen van mondiale welvaart”], een nieuw agentschap onder de vleugels van de Internationale Bahá'í-gemeenschap. Onder het thema “wetenschap, religie en ontwikkeling” namen leidende Indiase niet-gouvernementele organisaties deel, naast befaamde instituten als UNESCO, UNICEF, de wereldgezondheidsorganisatie WHO en de wereldbank. In oktober werd de Bahá'í World News Service (BWNS) op het Internet geopend, met als doel zowel bahá'ís als niet-bahá'ís te bereiken met artikelen over ontwikkelingen uit de gehele bahá'í wereld.

5. De intensieve activiteiten op het Bahá'í Wereldcentrum van het afgelopen jaar zijn grotendeels al aan de vrienden bekendgemaakt via eerdere berichten, waarin melding werd gemaakt van successen als het betrekken door het Internationaal Onderrichtscentrum van zijn permanente zetel op de berg Karmel, de conferentie van de Continentale Raadgevers en de leden van hun Hulpraden die januari jongstleden plaatsvond in het Heilige Land en de voltooiing van de Karmel projecten, waaraan nu de laatste hand wordt gelegd ter voorbereiding op de feestelijke evenementen in mei. In oktober werden er voor het eerst pelgrims en bezoekers ontvangen in het nieuwe ontvangstcentrum in Haifa, dat nu volledig in gebruik genomen is. In Bahjí is de verfraaiing van de heilige plaats door de ontwikkeling van de tuinen voortdurend doorgegaan; deze activiteiten hebben echter een nieuwe impuls gekregen door het project dat afgelopen jaar in gang werd gezet om een bezoekerscentrum aan de noordkant van het terrein te bouwen, voorbij de Collins Gate. Het gebouw is volledig opgetrokken en zal in de komende maanden worden voltooid; op alle gebieden vordert het werk, waaronder de afwerking en aanleg van de tuinen. De nieuwe faciliteiten zullen het Wereldcentrum beter in staat stellen om de steeds toenemende aantallen pelgrims, kortverblijvende bahá'í bezoekers en speciale gasten te ontvangen.

6. Ter afsluiting van deze samenvatting van het jaar verheugen wij ons u te kunnen mededelen dat, na bijna dertig jaar, de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Indonesië opnieuw is gevestigd tijdens de Nationale Conventie in Djakarta afgelopen Ridván. Een verbod op bahá'í activiteiten dat in augustus 1962 was opgelegd had al die tijd de activiteiten van de Indonesische bahá'ís ernstig beknot, maar zij bleven standvastig en wijs op hun lange lijdensweg, totdat veranderde omstandigheden in dat land tot het opheffen van het verbod hebben geleid. Mogen wij dan niet durven hopen dat vergelijkbare vreugdevolle berichten aangaande onze zwaarbeproefde geloofsgenoten in Iran, Egypte en andere landen niet al te lang op zich zullen laten wachten?

7. Geliefde vrienden, twintig jaar na nu zal de bahá'í wereld het eeuwfeest van de aanvang van het Vormende Tijdperk vieren. Wij blikken terug op het ochtendgloren van het Tijdperk vanuit de gunstige positie van verworvenheden die bij het begin nauwelijks voorstelbaar konden zijn. Voor ons liggen horizonten die de gemeenschap dringend oproepen tot nog grotere verrichtingen in de korte spanne tijds die haar van dat eeuwfeest scheidt. Deze hoogten kunnen en moeten worden beklommen. Het Vijfjarenplan, waarop wij de dringende en blijvende aandacht van de vrienden op de gehele wereld vestigen, is bedoeld om deze uitdaging aan te gaan. Het is het eerste van een reeks campagnes die gedurende deze twintig jaar zullen worden gevoerd. Dit plan markeert de volgende fase in het doel om het proces van toetreding in groepen een belangrijke stap voorwaarts te brengen. Het vraagt een versnelling van dit essentiële proces, en eist bovendien continuïteit bij de systematische inspanningen van de drie deelnemers: de individuele bahá'í, de instituten en de gemeenschap.

8. Het is nu niet nodig om verder in te gaan op de vereisten van het plan, want deze zijn reeds uiteengezet in onze boodschap aan de bijeengekomen Raadgevers in het Heilige Land en vervolgens met alle Nationale Geestelijke Raden gedeeld. Spoedig na hun conferentie zijn de Raadgevers begonnen consultaties te houden met de Nationale Raden over de uitvoering van het plan in de hun toegewezen gebieden. De richting van het plan is dan ook aan de vrienden overal bekend, terwijl regionale en lokale voorbereidingen voor het nastreven van het belangrijkste doel in volle gang zijn. Er bestaat inmiddels een algemeen bewustzijn dat er pogingen zullen worden gedaan om het Geloof verder te laten doordringen tot meer en meer gebieden binnen de landen. Zo zullen, waar omstandigheden dat toelaten, plaatselijke gemeenschappen die dicht bij elkaar liggen worden gemobiliseerd om deel te nemen aan intensieve groeiprogramma's. Voor andere benaderingen zal het nodig zijn om nieuwe gebieden systematisch te openen, waarvoor thuisfrontpioniers zullen moeten opstaan in dezelfde toegewijde geest die degenen die in vroeger tijden over de wereld uitzwierven ertoe aanzette om over continenten en zeeën heen maagdelijke gebieden te openen. Het zij voldoende te zeggen dat het proces dat deze goddelijk geïnspireerde onderneming bezielt zich op den duur verder zal ontplooien, naarmate daarmee in verband staande elementen geleidelijk worden ingebracht en systematisch in de uitvoering worden geïntegreerd.

9. Een van de kenmerken van het Vijfde Tijdvak zal zijn, dat het gebedsleven van de gemeenschap wordt verrijkt door het oprichten van nationale Huizen van Aanbidding, naargelang de omstandigheden in de nationale gemeenschappen dat toelaten. De planning van deze projecten zal door het Universele Huis van Gerechtigheid worden bepaald, rekening houdend met de voortgang van het proces van toetreding in groepen in de landen. Deze ontwikkeling zal zich ontvouwen in elkaar opvolgende stadia van `Abdu'l-Bahá's goddelijk Plan. Na de voltooiing van de moedertempel van het Westen begon de Behoeder een programma voor het bouwen van continentale tempels. De eerste hiervan waren de Mashriqu'l-Adhkárs in Kampala, Sydney en Frankfurt, die als doelen van het Tienjarenplan gebouwd werden. Het Universele Huis van Gerechtigheid zette deze lijn voort met het bouwen van tempels in Panama, Apia en New Delhi. Dit continentale stadium is echter nog niet voltooid; er moet nog één bouwwerk worden opgetrokken. Met diepgevoelde dankbaarheid en vreugde delen wij op dit gunstige ogenblik het besluit mede om aan dit laatste project te beginnen. Gedurende het Vijfjarenplan zal de bouw van de moedertempel van Zuid Amerika in Santiago, Chili beginnen, en aldus zal een duidelijk uitgesproken wens van Shoghi Effendi in vervulling gaan.

10. Ondertussen is de tijd rijp om in het Wereldcentrum verdere stappen te zetten om de functies van de instituten die de nieuwe gebouwen op de Arc hebben betrokken verder te ontwikkelen. Nu het werk van het Internationaal Onderrichtscentrum significant is gevorderd, zal er in het bijzonder aandacht worden geschonken aan het organiseren van het werk van het Centrum voor het Bestuderen van de Teksten. Het verrijken van de vertalingen in het Engels van de heilige teksten zal een belangrijk onderwerp van deze aandacht zijn. Het doel van het instituut is het assisteren van het Universele Huis van Gerechtigheid bij het raadplegen van de heilige Geschriften en het maken van vertalingen van en commentaren bij de gezaghebbende teksten van het Geloof. Bovendien zal men in het Heilige Land doorgaan met het uitwerken van maatregelen die het mogelijk moeten maken dat nog grotere aantallen pelgrims en bezoekers in het Bahá'í Wereldcentrum kunnen worden ontvangen.

11. In onze Ridván-boodschap van vijf jaar geleden kondigden wij aan dat het voltooien van de projecten op de berg Karmel en de opening van de terrassen van de graftombe van de Báb voor het publiek, op het Wereldcentrum met een grootse viering gemarkeerd zouden worden. Dat moment is nu gekomen, en wij verheugen ons bijzonder op het verwelkomen van vrienden uit praktisch alle landen bij een programma dat vijf dagen lang zal duren, van 21 tot 25 mei. Het verheugt ons tevens te vermelden dat er stappen worden ondernomen om de bahá'í-wereld met deze gebeurtenis te verbinden door middel van directe uitzendingen op het Internet en via satelliet; informatie hierover volgt. Terwijl het Wereldcentrum met de voorbereidingen bezig is, groeit ook het enthousiasme van de mensen in Haifa; het gemeentebestuur heeft besloten om tegelijkertijd met de viering een boek uit te brengen met de titel: “Bahá'í Shrine and Gardens on Mount Carmel, Haifa, Israel: A Visual Journey” [“Bahá'í graftombe en tuinen op de Berg Carmel, Haifa, Israël: een visuele reis”]. Bovendien voert de Israëlische post zijn besluit uit om tegelijkertijd een herdenkingszegel uit te brengen waarop de terrassen zijn afgebeeld. Het belang van de gelegenheid ligt vooral in de onderbreking die ze biedt om de opmerkelijke afstand te overzien die de Zaak in zijn ontwikkeling gedurende de twintigste eeuw heeft afgelegd. Bovendien zal het tijd zijn om na te denken over de toekomstige implicaties van de enorme successen die worden gesymboliseerd door het verrijzen van de monumentale gebouwen op Gods heilige Berg, waardoor de geestelijke en administratieve centra van ons Geloof voor het oog van de wereld zichtbaar zijn geworden.

12. Laat ieder lid van onze gemeenschap, nu wij ons zo verheugen bij deze overdenkingen, zich realiseren dat er geen tijd is om op onze lauweren te rusten. De huidige toestand van de mensheid is te benard om ook maar één moment te aarzelen bij het uitdelen van het brood des levens dat in onze tijd uit de hemel is nedergedaald. Laat er dan ook geen vertraging optreden in het bevorderen van het proces dat zo bijzonder succesvol belooft te zijn in het binnenleiden van de zielen van allen die hongeren naar waarheid tot het feestmaal van de Heer der Heerscharen.

13. Moge Hij die waakt over het lot van Zijn goddelijke systeem, iedere inspanning die u verricht voor het realiseren van uw dringende taken leiden, richting geven en bevestigen.

Wij buigen ons hoofd in dankbaarheid voor de Heer der Heerscharen, terwijl ons hart overvloeit van vreugde nu wij er getuige van zijn wat een verbazingwekkend verschil de vier jaar gemaakt hebben sinds het lanceren van het wereldwijde Plan dat nu afgesloten wordt op dit Festival van Prachten. Zo opvallend was de vooruitgang die geboekt werd gedurende deze periode dat onze wereldgemeenschap hoogten bereikte van waaruit schitterende nieuwe horizonten voor haar toekomstige ondernemingen duidelijk waargenomen kunnen worden.

2 Het kwantitatieve verschil was vooral het resultaat van een meer kritiek kwalitatief verschil. De cultuur van de Bahá’í-gemeenschap beleefde een verandering. Deze verandering is merkbaar in de toegenomen bekwaamheid, het ordelijke patroon van functioneren en in het daaruit voortkomende diepgaande vertrouwen in het Plan van de drie elementen die eraan deelnamen, het individu, de instellingen en de plaatselijke gemeenschap. Dat komt doordat de vrienden zich consequenter bezighielden met het verdiepen van hun kennis van de heilige Leringen en veel leerden - en dit veel systematischer dan tevoren - over hoe ze deze moesten toepassen op het bekendmaken van de Zaak, op het organiseren van hun individuele en collectieve activiteiten en op het werken met hun naasten. Kortom, zij gingen over tot een manier van leren van waaruit doelgerichte actie werd nagestreefd. De voornaamste stuwende kracht achter deze verandering was het systeem van trainingsinstituten die met grote snelheid in de hele wereld werden opgericht, een prestatie die, op het gebied van uitbreiding en consolidatie, op zichzelf gekenschetst mag worden als de grootste erfenis van het Vierjarenplan.

3 In het toegenomen vermogen van individuen om het Geloof te onderrichten, zoals dat zichtbaar geworden is in de stuwkracht van persoonlijke initiatieven, in de toegenomen bekwaamheid van Geestelijke Raden, Raden en comités om de inspanningen van de vrienden te begeleiden, in het invoeren van nieuwe patronen van denken en handelen die het collectieve gedrag van de plaatselijke gemeenschap hebben beïnvloed - in al dergelijke opzichten toonde het systeem van trainingsinstituten zijn onmisbaarheid aan als drijvende kracht voor het proces van toetreding in groepen. Door het uitbreiden van hun werkzaamheid via plaatselijke leerkringen vergrootten veel instituten hun vermogen om uitgestrekte gebieden met hun programma’s te bereiken. Mongolië, bijvoorbeeld, richtte 106 leerkringen op en mocht, als resultaat daarvan, een aanzienlijke toename van nieuwe gelovigen aantekenen. Tegelijk met dit soort ontwikkelingen gaven de leden van onze wereldgemeenschap ook meer aandacht aan het putten uit de kracht van gebed, aan het mediteren over het heilige Woord en aan het ontlenen van geestelijk profijt uit deelname aan gebedsbijeenkomsten. Het is door de werking van deze elementen van een geïntensiveerde individuele en collectieve transformatie dat de omvang van de gemeenschap toeneemt. Hoewel het aantal nieuwe gelovigen tot nog toe slechts in lichte mate dat van de laatste jaren overtroffen heeft, is het enorm bevredigend om te zien dat deze toename nu geografisch wijdverspreid is, er steeds grotere delen van de gemeenschap bij betrokken zijn en dat met succes nieuw verklaarde gelovigen in het leven van de Zaak worden opgenomen.

4 Zo’n gezonde, zo’n veelbelovende toestand van het Geloof heeft onmetelijk veel te danken aan de raadgevende invloed, de rol in de samenwerking en het praktische werk van het instituut van de Raadgevers waarvan de bevoegdheden verruimd werden met betrekking tot de vorming en de begeleiding van instituten – een verruiming die een weerspiegeling was van de tijdige aanzet gegeven door een bruisend en altijd waakzaam Internationaal Onderrichtcentrum.

5 Het centrale thema van het Vierjarenplan, dat van het bevorderen van het proces van toetreding in groepen, bracht een hoge graad van integratie in denken en handelen voort. Het richtte de aandacht op een belangrijk stadium in de ontwikkeling van de Bahá’í-gemeenschap dat gedurende het Vormende Tijdperk bereikt moet worden; want voordat toetreding in groepen breder ondersteund wordt, zullen de omstandigheden niet rijp zijn voor massale bekering, die doorbraak die door Shoghi Effendi in zijn geschriften is beloofd. De thematische gerichtheid van het Plan bracht gevolgen met zich mee voor alle soorten bahá’í activiteiten; dit vroeg om een helderheid van begrip die systematische en strategische planning als eerste vereiste voor individuele en collectieve actie mogelijk maakte. De leden van de gemeenschap zijn geleidelijk gaan beseffen hoe systematisering het proces van groei en ontwikkeling zou vergemakkelijken. Dit verhogen van het bewustzijn was een reusachtige stap die leidde tot een verhoging in het niveau van onderrichtactiviteiten en een verandering in de cultuur van de gemeenschap.

6 De integrerende aspecten van het thema waren duidelijk bij de inspanningen tot planning, tot het uitbouwen van de capaciteit van de instellingen en tot het ontwikkelen van menselijke hulpbronnen. De draden die al deze zaken verbinden kunnen gevolgd worden vanaf het begin van het Plan tot aan het einde ervan. De in december 1995 gehouden conferentie van de Continentale Colleges van Raadgevers in het Heilige Land gaf het begin aan. Daar kregen de raadgevers een oriëntatie over de meest opvallende kenmerken van het Plan. Dit werd gevolgd door hun consultaties met Nationale Geestelijke Raden in nationale planningszittingen die vervolgens doorliepen naar het regionale niveau, waar er hulpraadsleden, Plaatselijke Geestelijke Raden en comités bij werden betrokken. Aldus raakten, op alle niveaus, elementen van het bahá’í bestuur betrokken bij het planningsproces en reikten voorbij dit stadium tot aan het uitvoerende stadium, waar in de instellingen capaciteit gecreëerd moest worden om de toetreding in groepen op te vangen. Er werden in dit opzicht twee belangrijke stappen gezet: de ene was het oprichten van trainingsinstituten, de andere was de officiële oprichting en wijdverbreide invoering van Regionale Bahá’í Raden als een belangrijk kenmerk van het bestuur tussen het lokale en het nationale niveau in om de bestuurlijke capaciteit te versterken van bepaalde gemeenschappen waar de toenemende complexiteit van de kwesties waar de Nationale Geestelijke Raden voor stonden deze ontwikkeling vereisten. Even relevant voor het integreren van de hoofdzaken van het proces waren de strategiën die omschreven werden voor het werk in maatschappelijke en economische ontwikkeling, hetgeen een kritiek onderdeel is van consolidatie, en in externe aangelegenheden, hetgeen een essentiële factor is om het Geloof in staat te stellen de gevolgen te beheersen van het tevoorschijn treden uit de onbekendheid. Het gecombineerde effect bracht klinkende resultaten voort, het opsommen waarvan de ruimte van deze pagina's verre te buiten zou gaan. Wij voelen ons echter geroepen om bepaalde hoogtepunten die de omvang van de successen van het Plan illustreren, op te noemen.

7 In het Heilige Land ging de bouw van de terrassen en de gebouwen op de Arc gestadig voort, waarbij men ervan overtuigd was dat de aangekondigde tijdslimiet voor de voltooiing ervan aan het einde van dit Gregoriaanse jaar gehaald zou worden. Bovendien is het gebouw in Haifa waar wij in onze laatste Ridván-boodschap over spraken in verband met de vergrote omvang van de pelgrimsgroepen dit Ridvánfeest al klaar voor gebruik. In ditzelfde verband werden bouwkundige plannen goedgekeurd voor de zeer noodzakelijke voorziening die gebouwd zal worden in Bahjí om pelgrims en andere bahá’í en niet-bahá’í bezoekers te ontvangen. De vertaling van de Teksten voor het verwachte nieuwe boek met Bahá’u’lláhs Geschriften is voltooid en er worden voorbereidingen getroffen voor de publicatie ervan.

8 Grote stappen in uitbreiding en consolidatie waren duidelijk zichtbaar op andere dan al genoemde wijze: bij het pionierswerk, bij de verkondiging, bij de publicatie van literatuur, bij het gebruik van de kunsten, bij de vorming van Geestelijke Raden en bij de vooruitgang van verenigingen voor bahá’í studies. Zo’n 3300 gelovigen vestigden zich als internationale pionier voor de lange of korte termijn. Dat veel landen die gewoonlijk de ontvangende partij zijn, zelf pioniers naar het buitenland gestuurd hadden was een verdere aanwijzing voor de volwassenwording van de nationale gemeenschappen. Trouw aan de opdracht gegeven aan hun leden muntten de gemeenschappen van Canada en van de Verenigde Staten uit in het aantal pioniers dat hun kust achter zich liet en in het veel groter aantal reizende leraren, waaronder een aanzienlijk aantal jongeren vertegenwoordigd was. Speciaal vermeldenswaardig was ook de hartverwarmende respons van gelovigen van Afrikaanse afkomst in de Verenigde Staten op de oproep om als bahá’í leraar naar Afrika te reizen.

9 De bekendmaking van de Zaak omvatte een verscheidenheid aan acties, inclusief de ondersteuning van een breed scala aan gelegenheden - jaarfeesten, herdenkingen, discussiegroepen, tentoonstellingen en dergelijke - die het mogelijk maakten dat grote aantallen mensen kennismaakten met de leringen van het Geloof. De Huizen van Aanbidding waren centra met een magnetische aantrekkingskracht voor bezoekers, die hun deuren in toenemende aantallen binnengingen, in het bijzonder in India, waar het afgelopen jaar zo’n vijf miljoen mensen werden ontvangen. Aan dergelijke activiteiten werd nog toegevoegd het veelvoudig gebruik van de media om de bahá'í boodschap over te brengen. In de Verenigde Staten reageerden zo’n 60.000 vragenstellers op een mediacampagne opgezet door het Nationaal Onderrichtcomité. Wereldwijd werd kennis over het Geloof, vaker dan tevoren, ongevraagd verspreid door gunstig gestemde artikelen in kranten en tijdschriften. Er was een soortgelijke verbreding van publiciteit door bereidheid van de kant van radio- en televisiestations om regelmatig bahá’í programma’s op te nemen; dit was het geval in landen als de Democratische Republiek Congo en Liberia. Dergelijke gelukkige ontwikkelingen werden bekroond met de onafhankelijke keuze van de internationale mediamaatschappijen om de Graftombe van de Báb en de Terrassen als locatie te gebruiken voor de televisie-uitzending van het onderdeel dat over het Heilige Land ging in het wereldwijde mediaprogramma waarmee de komst van het jaar 2000 werd gevierd.

10 Het gebruik van de kunsten werd een belangrijk kenmerk bij de verkondiging, het onderricht, de verdieping en bij de gebedsactiviteiten van de mondiale gemeenschap. De kunsten trokken jonge mensen aan, die ze toepasten op hun onderricht- en verdiepingsactiviteiten, vooral door de talrijke toneel- en dansworkshops die in vele delen van de wereld opereerden. Maar de dynamiek van de kunst reikte veel verder dan zingen en dansen en omvatte een scala aan tot de verbeelding sprekende activiteiten die de mensen basisonderricht gaven in de Zaak. Waar volkskunst werd gebruikt, in het bijzonder in Afrika, werd het onderrichtwerk op een veel hoger niveau gebracht. Ghana en Liberia, bijvoorbeeld, organiseerden ieder een Licht van eenheid-project om het gebruik van kunst bij het onderricht te bevorderen. In India had de Harmonie in de gemeenschap-groep een soortgelijk doel.

11 Een flinke stoot werd gegeven, meestal op aandrang van de Raadgevers en met steun van het Continentaal Fonds, aan de vertaling en publicatie van bahá’í literatuur, speciaal in Afrika en Azië. Bovendien verscheen de Kitáb-i-Aqdas in een volledige Arabische uitgave en in andere talen.

12 Terwijl de beperking van de vorming van Plaatselijke Geestelijke Raden tot de eerste dag van Ridván zorgde voor de verwachte afname in het aantal van deze instellingen, was de terugval niet ingrijpend. Het aantal is sindsdien stabiel gebleven en een gezond proces van consolidatie heeft plaats. Er werden acht nieuwe zuilen voor het Universele Huis van Gerechtigheid opgericht, waarmee het totaal aantal Nationale Geestelijke Raden op 181 werd gebracht.

13 Bijzonder bevredigend was het toenemende tempo, gedurende deze vier jaren, van het wetenschappelijke werk van de bahá’ís dat gestadig voortging met de essentiële taak van het versterken van de intellectuele fundamenten van het werk van het Geloof. Twee resultaten van onschatbare waarde waren de indrukwekkende verrijking van de bahá’í literatuur en de productie van een verzameling verhandelingen waarin diverse eigentijdse problemen in het licht van de bahá’í principes werden onderzocht. Het netwerk van verenigingen voor bahá’í studies, dat dit jaar zijn vijfentwintigjarig bestaan viert, verwelkomde tijdens het Plan vijf nieuwe leden. Een weerspiegeling van de diversiteit en creativiteit die door dit terrein van dienstverlening worden aangetrokken waren het houden van de eerste bahá'í studieconferentie op Papoea Nieuw Guinea en de baanbrekende concentratie op de geestelijke oorsprong van de traditionele Japanse wetenschap van de Japanse vereniging.

14 Er was beslist kwalitatieve vooruitgang op het gebied van sociale en economische ontwikkeling, hoewel de cijfers die een toename van projecten lieten zien ook indrukwekkend waren. Jaarlijks gerapporteerde activiteiten namen toe van zo’n 1350 aan het begin van het Plan tot meer dan 1800 tegen het einde ervan. De beweging naar een meer systematische benadering bleef het overheersende kenmerk van het werk gedurende deze periode. Om consultatie en actie met betrekking tot de principes van sociale en economische ontwikkeling te bevorderen gaf het Bureau voor Sociale en Economische Ontwikkeling op het Bahá’í-Wereldcentrum ondersteuning aan 13 regionale seminars waaraan naar schatting 700 vertegenwoordigers uit 60 landen deelnamen. Dit bureau zorgde ook voor het opstellen van proefprojecten en materiaal geschikt voor het opstarten van georganiseerde campagnes voor de zelfstandigheid en alfabetisering van jongeren, de opleiding tot werkers in de volksgezondheid, de vooruitgang van vrouwen, en moreel onderricht te bevorderen. Een voorbeeld was het programma in Guyana waarbij meer dan 1500 alfabetiseringsbegeleiders werden opgeleid; een andere was de voltooiing van acht modules voor de vooruitgang van vrouwen in Maleisië, die de basis werden voor trainingsbijeenkomsten in Afrika, Azië en Latijns Amerika. Een plan om bahá'í radiostations te integreren met het werk van trainingsinstituten werd begonnen in de Guaymi streek in Panama. Aangezien instituten het potentieel hebben om onderwijs te verzorgen in sociale en economische ontwikkeling, waren een tiental instituten, die op dit moment experimenteren met dergelijke inspanningen op gebieden die alfabetisering, een opleiding tot werker in de volksgezondheid en beroepsonderwijs omvatten, betrokken bij een beweging in die richting. Een aantal door bahá’ís ondersteunde en door bahá’ís geïnspireerde instellingen heeft zijn krachten gewijd aan projecten zoals het project dat samenwerking inhield met de Wereldgezondheidsorganisatie bij het bestrijden van rivierblindheid in Kameroen; meer dan 30.000 personen hebben de benodigde medische behandeling ontvangen door dit bahá’í project. Een ander voorbeeld is de privé universiteit in Ethiopië, waarvan de studentenpopulatie tot 8000 is gestegen. Nog een ander is de Landegg Academie in Zwitserland die, terwijl er gewerkt werd aan de uitbreiding en consolidatie van het academisch programma, zeer gewaardeerde hulp verleende bij de voortdurende zoektocht naar een remedie voor de afschuwelijke maatschappelijke consequenties van het conflict op de Balkan. Weer een ander is de Nur Universiteit in Bolivia, die, in een samenwerkingsproject met Ecuador, een opleiding bood aan meer dan 100 onderwijzers met het programma voor moreel leiderschap. Op dit gebied van sociale en economische ontwikkeling waren zulke bewijzen voor het opbouwen van capaciteit een grote weldaad voor de doelen van het Plan.

15 Geleid door de strategie voor externe betrekkingen, medegedeeld aan de Nationale Geestelijke Raden in 1994, breidde de capaciteit van de gemeenschap op het gebied van diplomatieke en openbare voorlichting zich eveneens in een verbazingwekkend tempo uit, wat de Bahá’í-gemeenschap in een dynamische verhouding bracht met de Verenigde Naties, regeringen, non-gouvernementele organisaties en de media. De strategie richtte de activiteiten, op nationaal en internationaal niveau, op twee sleuteldoelen: de processen in de richting van wereldvrede beïnvloeden en het Geloof verdedigen. Door de maatregelen genomen voor de verdediging van onze zeer geliefde geloofsgenoten in Iran verkreeg Bahá’í International Community een nieuwe mate van respect en steun die nieuwe gelegenheden schiep voor andere doelen van de te volgen strategie. Om aan de uitdaging van de onhandelbare situatie in Iran het hoofd te bieden bedachten onze instellingen en bureaus voor externe betrekkingen voor externe betrekkingen nieuwe benaderingen om de beschikbare instrumenten van regeringen en van de Verenigde Naties te activeren. De zaak van de vervolgingen in Iran kreeg de aandacht van de hoogste gezagsdragers van de planeet. Het nieuws dat een Iraans hof de doodvonnissen bevestigd had van twee van de vrienden en een soortgelijk vonnis opgelegd had aan een derde riep zelfs een scherpe reactie van de president van de Verenigde Staten op die een duidelijke vermaning liet horen aan Iran. Ten gevolge van de tussenkomst van wereldleiders en van de Verenigde Naties kwam er praktisch een einde aan de terechtstellingen en werd het aantal van degenen die tot langdurige gevangenisstraffen werden veroordeeld drastisch verminderd.

16 Terwijl wij deze interventies verwelkomd hebben, juichen wij de geest van zelfopoffering, de dapperheid en het ontembare geloof toe van onze broeders en zusters in Iran die zulke inspanningen kracht verleend hebben. Deze in het oog vallende eigenschappen van de ziel verbijsteren hun landgenoten wat betreft het uithoudingsvermogen waarmee zij de aanvallen weerstaan die zo venijnig en ongenadig op hen werden losgelaten. Hoe zou men anders kunnen verklaren dat zo weinigen zo lang weerstand geboden hebben aan zo velen gedurende zo lange tijd? Hoe anders zouden ze de actieve betrokkenheid van de wereld hebben kunnen oproepen wanneer zelfs maar één van hen met de dreiging van de dood geconfronteerd werd? De tragedie van Iran is dat de aanvallers tot nu toe niet in staat zijn geweest om in te zien dat de goddelijke beginselen waarvoor deze vervolgden hun bezittingen en zelfs hun leven opgeofferd hebben precies die oplossing bevatten die de hevige verlangens van een bevolking in haar uur van onvrede zouden bevredigen. Maar er kan geen enkele twijfel over bestaan dat de systematische tirannie waaraan onze Iraanse vrienden zo wreed zijn onderworpen uiteindelijk plaats zal maken voor de Kracht van de Almachtige die de mysterieuze loop der gebeurtenissen leidt naar hun verzekerde lotsbestemming in al haar beloofde glorie.

17 Met betrekking tot het andere doel van de strategie voor externe betrekkingen werden de richtlijnen voor actie bepaald door vier thema’s: mensenrechten, de positie van vrouwen, mondiale welvaart en morele ontwikkeling. Onze annalen laten een reusachtige stap voorwaarts zien in het werk aan mensenrechten en de positie van vrouwen. Met betrekking tot het eerste volgde het kantoor bij de Verenigde Naties een creatief programma voor educatie over mensenrechten dat tot dusverre als middel heeft gediend om niet minder dan 99 Nationale Geestelijke Raden de capaciteit tot diplomatiek werk te verschaffen. Wat betreft de positie van vrouwen: het bestaan van 52 nationale bureaus voor de vooruitgang van vrouwen, de bijdragen van talrijke bahá'í vrouwen en mannen aan conferenties en workshops op alle niveaus, de uitverkiezing van bahá'í vertegenwoordigers voor belangrijke posities in sleutel NGO-comités, waaronder het comité voor het Ontwikkelingsfonds voor Vrouwen van de Verenigde Naties, tonen aan hoe de volgelingen van Bahá’u’lláh vol ijver Zijn principe van de gelijkwaardigheid van man en vrouw uitdragen.

18 Er zijn tegelijkertijd een reeks initiatieven tot het verspreiden van informatie over het Bahá’í-geloof voor een gevarieerd publiek. Hieronder zijn innovatieve ondernemingen als het lanceren van “The Bahá’í World” website die gemiddeld al 25.000 bezoekers per maand telt; het uitgeven van een verklaring getiteld: “Wie schrijft de toekomst?” die de vrienden overal helpt om te praten over eigentijdse problemen; het sinds november vorig jaar uitzenden via het Worldwide Web van “Payam-e-Doost”, het radioprogramma in de Perzische taal dat wekelijks een uur uitgezonden wordt in het stadsgebied van Washington DC en dat te allen tijde in de hele wereld op het internet beschikbaar is; en de uitvoering van een zeer origineel televisieprogramma dat morele principes toepast op alledaagse problemen, dat de warme steun gekregen heeft van de regeringsautoriteiten in Albanië, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Roemenië, Slovenië en de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië.

19 Een fenomeen dat in kracht toegenomen is, naarmate de eeuw haar einde nadert, is dat de mensen van de wereld opgestaan zijn om hun aspiraties tot uitdrukking te brengen door middel van wat bekend geraakt is als de “burgerlijk maatschappelijke organisaties”. Het moet een bron van grote voldoening voor bahá’ís overal zijn dat Bahá’í International Community als een NGO die een dwarsdoorsnede van de mensheid vertegenwoordigt als eenheidbrengende factor zoveel vertrouwen heeft gewonnen in belangrijke discussies die vormgeven aan de toekomst van de mensheid. Onze hoofdvertegenwoordiger bij de Verenigde Naties werd benoemd tot vice-voorzitter van het Comité voor Non-Gouvernementele Organisaties, dat opgericht werd door de Economische en Sociale Raad, een positie die Bahá’í International Community een vooraanstaande rol geeft bij de organisatie van het Millennium Forum. Deze bijeenkomst, bijeengeroepen door VN Secretaris-Generaal Kofi Anan en die gehouden zal worden in mei, zal burgerlijk maatschappelijke organisaties de gelegenheid geven om standpunten en aanbevelingen te formuleren over mondiale kwesties die meegenomen worden naar de daaropvolgende Millennium Top in september van dit jaar die bijgewoond zal worden door staatshoofden en regeringsleiders.

20 Het ontwaken van de mensheid voor de spirituele dimensies van de veranderingen die plaatsvinden in de wereld heeft een speciale betekenis voor bahá’ís. De dialoog tussen de religies is geïntensiveerd. Tijdens het Vierjarenplan werd het Geloof er steeds meer als erkende deelnemer bij betrokken. Het Parlement voor de Religies van de Wereld gehouden in Kaapstad bracht zo’n 6000 aanwezigen bijeen, waaronder een sterke bahá’í delegatie. Bahá’ís dienden zowel in het Zuid-Afrikaanse als in het internationale bestuur dat het evenement organiseerde. Voor de bahá’ís kwam hun speciale belangstelling voor de gelegenheid voort uit het feit dat het op het Parlement van 1893, gehouden in Chicago, voor het eerst op een openbare bijeenkomst in het Westen voorgekomen was dat de naam van Bahá’u’lláh genoemd werd. Bij twee interreligieuze evenementen, die laatstleden november in Jordanië werden gehouden, waren ook bahá’ís als uitgenodigde deelnemers aanwezig: een conferentie over conflict en religie in het Midden-Oosten en de jaarvergadering van de Wereldconferentie over Religie en Vrede. Bahá’í vertegenwoordigers woonden evenementen bij in Vaticaanstad en New Delhi onder auspiciën van de rooms-katholieke kerk. Bij de laatste gelegenheid, in aanwezigheid van paus Johannes Paulus II, was Raadgever Zena Sorabjee een van de vertegenwoordigers van religies die de vergadering toespraken. In het Verenigd Koninkrijk werd het Geloof voor het voetlicht toen bahá’í vertegenwoordigers zich bij leden van acht andere grote religies voegden voor een interreligieuze viering van het nieuwe millennium in de Koninklijke Galerij van het Paleis van Westminster waar, in aanwezigheid van vorstelijke personen, de premier, de aartsbisschop van Canterbury en andere voorname personen, verwezen werd naar de bijeenkomst van de “negen grote religies van het Verenigd Koninkrijk.” In Duitsland werden de bahá’ís voor het eerst betrokken bij een dialoog tussen de religies. Dit bracht een ommekeer teweeg in een lang bestaande houding van christelijke kerkgenootschappen die contact vermeden hadden tengevolge van een boek geschreven door een verbondsbreker en uitgegeven door een Lutherse uitgeverij in 1981. De remedie werd verschaft door een wetenschappelijke weerlegging van 600 pagina’s geschreven door drie bahá’ís en in 1995 gepubliceerd door een vooraanstaande niet-bahá'í firma wat een schitterende overwinning betekende voor de Duitse Bahá'í-gemeenschap. Een Engelse vertaling werd gepubliceerd in het laatste jaar van het Plan. De dialoog tussen de religies nam een bijzondere vorm aan toen in 1998 in het Lambeth Paleis vertegenwoordigers van de Wereldbank en van negen grote religies een bijeenkomst hielden die leidde tot de vorming van de ontwikkelingsdialoog van de wereldreligies. Het aangekondigde doel van de dialoog is: proberen de kloof te overbruggen tussen de geloofsgemeenschappen en de Wereldbank ten einde hen in staat te stellen op meer doeltreffende wijze de armoede in de wereld te overwinnen. De frequentie en de brede vertegenwoordiging bij interreligieuze samenkomsten vertegenwoordigt een nieuw verschijnsel in de betrekkingen tussen de religies. Het is duidelijk dat de verschillende religies ernaar streven te komen tot de geest van vriendelijkheid en onderlinge kameraadschap welke Bahá’u’lláh Zijn volgelingen aanspoorde te tonen tegenover de volgelingen van andere religies.

21 De geconcentreerde inspanning van de Bahá'í-gemeenschap vond plaats in een tijd waarin de gehele samenleving met een stortvloed aan strijdige belangen te kampen had. In deze korte, maar intens dynamische tijdsspanne gingen de krachten die aan het werk waren in de Bahá'í-gemeenschap en in de gehele wereld in een meedogenloos tempo voort. In hun kielzog werden opvallender dan daarvoor de maatschappelijke verschijnselen onthuld waar Shoghi Effendi op zinspeelde. Meer dan zestig jaar geleden had hij de aandacht gevestigd op “het gelijktijdige proces van opkomst en verval, van integratie en desintegratie, van orde en chaos, met hun aanhoudende en wederkerige reactie op elkaar”. Deze tweelingprocessen stonden niet los van de processen binnen de Bahá'í-gemeenschap, maar verliepen van tijd tot tijd op zo’n manier dat ze, zoals wij al hebben laten zien, vroegen om de directe betrokkenheid van het Geloof. Ze leken aan tegenovergestelde kanten van dezelfde tijdscorridor te lopen. Aan de ene kant raasden oorlogen gevoed door religieuze, politieke, raciale of stammenconflicten op zo’n 40 plaatsen; plotselinge, volledige ineenstorting van de openbare orde verlamde een aantal landen; terrorisme als politiek wapen nam epidemische vormen aan; een golf van internationale criminele netwerken wekte ongerustheid. Maar aan de andere kant werden ernstige pogingen gedaan tot het toepassen en uitwerken van methoden voor collectieve beveiliging, wat doet denken aan Bahá’u’lláhs voorschriften voor het handhaven van vrede; er werd een oproep gedaan om een internationale strafrechtbank op te richten, nog een daad die overeenstemt met wat bahá’ís verwachten; om de aandacht te vestigen op de dwingende noodzaak voor een geschikt systeem om mondiale kwesties af te handelen zullen wereldleiders samenkomen op een Millenniumtop; nieuwe manieren van communicatie hebben er de weg voor geopend dat iedereen met iedereen op de planeet kan communiceren. De economische desintegratie in Azië dreigde de wereldeconomie te destabiliseren, maar het zette aan tot inspanningen om zowel de directe situatie te verhelpen alsook tot het vinden van manieren om een besef van rechtvaardigheid te brengen in de internationale handel en financiën. Dit zijn maar een paar voorbeelden van de twee tegengestelde, maar op elkaar inwerkende tendensen die op dit moment werkzaam zijn, waarmee Shoghi Effendi's geïnspireerde samenvatting van de krachten die aan het werk zijn in Gods grotere plan, "waarvan de uiteindelijke doelen de eenheid van het mensdom en vrede voor de hele mensheid zijn" bevestigd worden.

22 Bij het afsluiten van deze vier veelbewogen jaren zijn wij aangekomen bij een veelbetekenend samenkomen van begin- en eindpunten gemeten naar de Gregoriaanse tijd en naar het bahá'í tijdperk. In één geval houdt dit samenkomen het opdoeken van de twintigste eeuw in en in het andere opent zij een nieuwe fase in het ontplooien van het Vormende Tijdperk. Het perspectief vanuit deze twee tijdskaders spoort ons ertoe aan om na te denken over een visie op gelijktijdige, wereldvormende tendensen en om dat te doen binnen de context van het inzicht zo aanschouwelijk getekend door Shoghi Effendi bij de geboorte van de Arc die hij bedacht. In de loop van het Plan kreeg deze visie een stralende helderheid terwijl de bouwprojecten op de berg Karmel vorderden, toen de wereldleiders moedige stappen zetten in de richting van het vormgeven aan de structuren voor een wereldwijde politieke vrede en toen plaatselijke en nationale bahá'í instellingen zich naar nieuwe niveaus van ontwikkeling bewogen. Wij dragen een heilige en blijvende herinnering aan de twintigste eeuw mee die onze krachten opwekt, terwijl zij ook onze weg bepaalt: het is de herinnering aan dat tijdstip in de geschiedenis van de mensheid, zo vol mogelijkheden voor de toekomst, toen het Middelpunt van het Verbond van Bahá’u’lláh, tijdens een beleid zonder weerga, de architectuur ontwierp voor een nieuwe wereldorde en toen vervolgens, gedurende enkele van de meest rampzalige jaren, de Behoeder van het Geloof al zijn energie wijdde aan het opbouwen van de structuren van een bestuurlijk systeem dat er, aan het eind van de eeuw, in de volheid van zijn wezen staat voor het oog van de wereld. Wij komen aldus aan een brug tussen tijdperken. De vermogens ontwikkeld door een handvol in vervoering geraakte minnaars van Bahá’u’lláh gedurende een eeuw van strijd en opoffering moeten nu aangewend worden voor de onontkoombare taken die overblijven voor het Vormende Tijdperk, waarvan de vele epoques van onafgebroken werk zullen leiden tot die Gouden Eeuw van ons Geloof wanneer de Allergrootste Vrede de aarde zal omvatten.

23 Op deze Ridván beginnen wij met een Twaalfmaandenplan. Kort als het is, moet en zal het voldoen om bepaalde essentiële taken te volbrengen en om de basis te leggen voor de stuwende kracht van het Goddelijk Plan van de Meester voor de komende twintig jaar. Wat vier jaar geleden zo voorzichtig is begonnen, de systematische verwerving van kennis, eigenschappen en vaardigheden om dienstbaar te zijn, moet uitgebreid worden. De nationale en regionale instituten moeten ten volle de programma’s en systemen waar ze voor gekozen hebben, waar dan ook, in werking stellen. Nieuwe instituten moeten gevormd worden waar de behoefte eraan onderkend is. Er moeten grotere stappen gezet worden om het onderrichtwerk ondernomen vanuit persoonlijk initiatief en institutionele ondersteuning systematisch aan te pakken. Het is gedeeltelijk voor dit doel dat in verscheidene gebieden van elk continent de Raadgevers en de Nationale Raden “gebiedsontwikkelingsprogramma’s” vastgesteld hebben. De resultaten zullen een hoeveelheid ervaring verschaffen ten voordele van toekomstige Plannen. Het individu, de instellingen en de plaatselijke gemeenschap worden aangespoord om hun aandacht te richten op deze essentiële taken, zodat ze helemaal voorbereid zijn op de vijfjarige onderneming die begint op Ridván 2001, een onderneming die de bahá'í wereld zal brengen naar de volgende fase in de bevordering van het proces van toetreding in groepen.

24 Maar meer dan het geven van aandacht aan deze taken ligt er een dringende uitdaging die wij onder ogen moeten zien: onze kinderen moeten spiritueel gekoesterd worden en opgenomen worden in het leven van de Zaak. Men moet hen niet laten rondzwalken in een wereld die zo beladen is met morele gevaren. In de huidige toestand van de maatschappij worden kinderen met een wreed lot geconfronteerd. Miljoenen en miljoenen in het ene land na het andere zijn sociaal ontwricht. Kinderen merken dat ze vervreemd zijn van ouders en andere volwassenen, of ze nu in rijke of armoedige omstandigheden leven. Deze vervreemding heeft haar wortels in een egoïsme dat voortkomt uit materialisme en dat aan de wortel ligt van de goddeloosheid die overal bezit neemt van het hart der mensen. De huidige sociale ontwrichting van kinderen is een zeker teken dat een maatschappij in verval is; deze toestand is echter niet beperkt tot enig ras, klasse, natie of economische situatie, zij gaat daar dwars doorheen. Het doet ons hart verdriet wanneer wij beseffen dat in zo vele delen van de wereld kinderen als soldaten gebruikt worden, als arbeiders uitgebuit worden, praktisch als slaaf verkocht worden, tot prostitutie gedwongen worden, tot voorwerp van pornografie gemaakt worden, in de steek gelaten worden door ouders die gericht zijn op hun eigen verlangens en op andere manieren tot slachtoffer gemaakt worden die te talrijk zijn om op te noemen. Vele van dergelijke verschrikkingen worden de kinderen aangedaan door de ouders zelf. De spirituele en psychologische schade gaat elke inschatting te boven. Onze wereldwijde gemeenschap kan aan de gevolgen van deze omstandigheden niet ontkomen. Dit besef zou ons moeten aansporen tot een dringende en aanhoudende inspanning in het belang van de kinderen en de toekomst.

25 Hoewel kinderactiviteiten een onderdeel gevormd hebben van vroegere Plannen, hebben deze niet beantwoord aan de behoefte. Spiritueel onderwijs aan kinderen en jongeren is van het hoogste belang voor de verdere vooruitgang van de gemeenschap. Het is daarom dringend geboden dat dit tekort verholpen wordt. Instituten moeten in hun programma zeker de training van leraren voor kinderklassen, die hun diensten beschikbaar kunnen stellen voor de plaatselijke gemeenschappen, opnemen. Maar, hoewel het verzorgen van spiritueel en academisch onderwijs voor kinderen essentieel is, vormt dit toch slechts een deel van wat gedaan moet worden aan het vormen van hun karakter en het ontwikkelen van hun persoonlijkheid. Het is ook noodzakelijk dat individuen en instellingen op alle niveaus, dat wil zeggen de gemeenschap als geheel, een juiste houding laten zien tegenover kinderen en algemene belangstelling tonen voor hun welzijn. Zo’n houding moet sterk verschillen van de houding van een snel in verval rakende orde.

26 Kinderen zijn de kostbaarste schat die een gemeenschap kan bezitten want zij hebben de belofte en de garantie voor de toekomst in zich. Zij dragen het zaad voor het karakter van de toekomstige maatschappij die grotendeels vorm krijgt door wat de volwassenen waar de gemeenschap uit bestaat doen of nalaten te doen ten opzichte van kinderen. Zij zijn een onderpand dat door geen gemeenschap straffeloos verwaarloosd kan worden. Een allesomvattende liefde voor kinderen, de manier waarop ze behandeld worden, de kwaliteit van de aandacht die hen gegeven wordt, de geest van volwassen gedrag tegenover hen, deze behoren alle tot de essentiële aspecten van de vereiste houding. Liefde vereist discipline, de moed om kinderen te laten wennen aan ontbering en niet toe te geven aan hun grillen of ze helemaal aan hun lot over te laten. Er dient een sfeer gehandhaafd te worden waarin kinderen voelen dat ze bij de gemeenschap horen en delen in de doelen ervan. Ze moeten op liefhebbende, maar volhardende wijze begeleid worden tot het naleven van bahá’í normen, tot het bestuderen en onderrichten van de Zaak op manieren die passen bij hun omstandigheden.

27 Onder de jonge mensen in de gemeenschap zijn diegenen die bekend zijn als aankomende jeugd, waarvan de leeftijd valt tussen de 12 en de 15. Zij vertegenwoordigen een speciale groep met speciale behoeften, daar ze een beetje tussen de kindertijd en de jongerenleeftijd in zitten, een tijd waarin er veel in hen verandert. Er moet op creatieve wijze aandacht besteed worden aan het hen betrekken bij activiteitenprogramma’s die hun belangstelling zullen vasthouden, hun bekwaamheid om te onderrichten en dienstbaar te zijn vormen en die hen betrekken bij sociale omgang met oudere jongeren. Het gebruik van kunst in diverse vormen kan bij zulke activiteiten van grote waarde zijn.

28 En nu willen wij een paar woorden richten tot de ouders, die de eerste verantwoordelijkheid dragen voor het grootbrengen van hun kinderen. Wij doen een beroep op hen om voortdurend aandacht te geven aan het spirituele onderricht van hun kinderen. Sommige ouders schijnen te denken dat dit uitsluitend de verantwoordelijkheid van de gemeenschap is, anderen geloven dat teneinde de onafhankelijkheid van de kinderen voor het onderzoeken van de waarheid te behouden, ze niet in het Geloof onderricht moeten worden. Nog weer anderen voelen zich niet in staat om zo’n taak op zich te nemen. Geen van deze opvattingen is juist. De geliefde Meester heeft gezegd dat ”het als plicht voorgeschreven is aan de vader en de moeder om met alle mogelijke moeite de dochter en zoon op te leiden”, eraan toevoegend dat “zouden ze deze zaak verwaarlozen, ze daarvoor verantwoordelijk gehouden zouden worden en een berisping zouden verdienen in aanwezigheid van de strenge Heer.” Los van hun opleidingsniveau zijn ouders in een kritieke positie om vorm te geven aan de spirituele ontwikkeling van hun kinderen. Ze moeten nooit hun vermogen om het morele karakter van hun kinderen te vormen onderschatten. Want zij oefenen een onmisbare invloed uit door de thuisomgeving die ze bewust scheppen, door hun liefde voor God, hun streven om zich aan Zijn wetten te houden, hun geest van dienstbaarheid aan Zijn Zaak, hun gebrek aan fanatisme en doordat ze vrij zijn van de verderfelijke gevolgen van roddel. Iedere ouder die gelooft in de Gezegende Schoonheid heeft de verantwoordelijkheid om zich zo te gedragen dat spontane gehoorzaamheid aan ouders, waaraan de Leringen zoveel waarde hechten, wordt opgeroepen. Natuurlijk moeten de ouders, naast de moeite die thuis gedaan wordt, bahá’í kinderklassen ondersteunen die door de gemeenschap verzorgd worden. Men moet ook in gedachten houden dat kinderen in een wereld leven die hen laat kennismaken met wrede werkelijkheden door directe ervaring met de verschrikkingen die al beschreven zijn of door de onvermijdelijke uitstortingen van de massamedia. Velen van hen worden daardoor gedwongen om voortijdig volwassen te worden en daaronder zijn diegenen die op zoek zijn naar normen en discipline waarmee ze de weg kunnen vinden in hun leven. Tegen deze sombere achtergrond van een maatschappij in verval, moeten bahá’í kinderen stralen als symbool van een betere toekomst.

29 Onze verwachtingen leven op bij de gedachte aan het samenkomen van de Continentale Raadgevers in januari 2001 ter gelegenheid van de viering van het feit dat het Internationaal Onderrichtcentrum zijn permanente zetel op de Heuvel van God inneemt. Hulpraadsleden uit de gehele wereld zullen met hen deelnemen aan wat ongetwijfeld één van de historische gebeurtenissen van het Vormende Tijdperk zal blijken te zijn. Het bijeenkomen van zo’n keur van bahá’í functionarissen moet door de aard ervan alleen al talloze voordelen voortbrengen voor een gemeenschap die zich opnieuw dichtbij het beëindigen van één Plan en het aangaan van een nieuw Plan bevindt. Terwijl wij de gevolgen in beschouwing nemen, keren wij ons hart in dankbaarheid naar de zeer dierbare Handen van de Zaak van God, ‘Alí-Akbar Furútan en ‘Alí-Muhammad Varqá, die door hun verblijf in het Heilige Land de toorts van dienstbaarheid hoog houden die de geliefde Behoeder in hun hart ontstak.

30 Met dit Twaalfmaandenplan steken wij een brug over waarnaar wij nooit meer zullen terugkeren. Wij sturen dit Plan de wereld in zonder de aanwezigheid op aarde van Amatu’l-Bahá Rúhíyyih Khánum. Zij bleef praktisch tot het einde van de twintigste eeuw bij ons als een lichtstraal die geschenen heeft gedurende die onvergelijkbare periode van de geschiedenis van de menselijke soort. In de Tafelen van het Goddelijk Plan, betreurde de Meester Zijn onvermogen om door de hele wereld te reizen om de goddelijke oproep aan te heffen en in de intensiteit van Zijn teleurstelling schreef Hij Zijn verlangen op: “zo God wil, zult wellicht gij daarin worden bijgestaan.” Amatu’l-Bahá reageerde met grenzeloze energie, waarbij ze ver uiteenliggende plekken op de aarde aandeed in de 185 landen die het voorrecht hadden om haar onnavolgbare gaven te ontvangen. Haar voorbeeld, dat voor altijd zijn glans zal behouden, verlicht de harten van duizenden na duizenden over de gehele planeet. Zouden wij niet, ondanks de ontoereikendheid van elk gebaar, onze nederige inspanningen gedurende dit Plan op mogen dragen aan de herinnering aan iemand voor wie onderricht het voornaamste doel, de volmaakte vreugde van het leven was?

Wij juichen met dankbaar hart de enthousiaste reacties op alle continenten toe die volgden op de start van het Vierjarenplan de vorige Ridván.

2. Consultaties van de Continentale Raadgevers en Nationale Geestelijke Raden vormden het begin van een uitgebreid planningsproces, waarbij ook de hulpraadsleden en de Plaatselijke Geestelijke Raden werden betrokken. Middels zo’n proces werd aan het nationale en regionale karakter van de afgeleide plannen vormgegeven. Maar deze wereldomspannende inspanning bracht meer voort dan de verschillende opzetten voor de diverse landen, zij heeft ook een krachtige impuls gegeven aan de samenwerkingsrelaties tussen de twee takken van het bestuursstelsel, een zeer welkome voorbode van de overwinningen die ons wachten.

3. Een teken van de directe uitwerking van het Plan was de snelheid waarmee stappen werden genomen om gedurende de laatste twaalf maanden bijna tweehonderd trainingsinstituten te vestigen. Vele daarvan zijn het punt van het opzetten van de organisatie al ver voorbij, ze zijn daadwerkelijk in functie en hebben hun eerste cursussen aangeboden. Bovendien, in de bewegingen van thuisfront- en internationale pioniers en reizende leraren, in de toegenomen aandacht van individuen voor het afvaardigen van onderrichters, in de voorbereidingen die getroffen zijn om te verzekeren dat Plaatselijke Geestelijke Raden alleen op de eerste dag van Ridván worden gevormd, in de toegenomen moeite die men doet om regelmatige gebedsbijeenkomsten te houden, in de zich verbreidende pogingen gebruik te maken van de kunsten bij het onderrichtswerk en bij de gemeenschapsactviteiten – in al deze opzichten kunnen wij bij de vrienden het gespitste bewustzijn van het belang onderscheiden, om zich te concentreren op de vereisten van het hoofddoel van het Plan, namelijk een opmerkelijke vooruitgang te bewerkstelligen in het proces van toetreding in groepen.

4. Evenzeer moeten wij andere ontwikkelingen gedurende het afgelopen jaar erkenning geven, waardoor de grote waarde van de veelvuldige inspanningen die onze wereldgemeenschap zich getroost en de resultaten die worden bereikt, bevestigd wordt. Hieronder waren, om er maar enkele te noemen: het verwerven van het appartement op Avenue de Camoëns 4 in Parijs, waar de geliefde Meester ‘Abdu’l-Bahá gedurende Zijn historische bezoek aan die stad verbleef, de speciale zitting van het Federale Huis van Afgevaardigden in Brazilië ter herdenking van de 75e verjaardag van de introductie van het Bahá’í-geloof in dat land – een unieke, officiële gebeurtenis waarbij Amatu’l-Bahá Rúhíyyih Khánum aanwezig was als eregast, het van start gaan in juli jongstleden van de site van de Bahá’í International Community op het World Wide Web, die tot op heden vanuit meer dan 90 landen en gebieden ruim 50.000 keer werd bezocht, gemiddeld circa 200 keer per dag.

5. De bouwprojecten op de berg Karmel, nauwelijks overtroffen door zulke prestaties, hebben een duizelingwekkend tempo gehandhaafd met als hoogtepunten de voltooiing van de marmeren colonnade van het Centrum voor Studie van de Teksten, het verrijzen van het Internationaal Onderrichtscentrum tot zijn zevende verdieping en het steeds meer tevoorschijn komen van de verreikende kenmerken van de Terrassen van de Graftombe van de Báb. In verband hiermee moet de gedeeltelijke verlaging genoemd worden van dat deel van de openbare weg waarover de reeks terrassen heen zal gaan, en de verwerving en daaropvolgende sloop van het gebouw aan de voet van de berg, hetgeen gold als laatste te overwinnen hindernis om de voltooiing van de lagere terrassen mogelijk te maken, waarover het glorieuze pad oprijst naar het heilige Gebouw en ervoorbij tot de top van de Heuvel van God.

6. Eveneens van dringend belang voor de aldus beschreven vooruitgang was het handhaven van een niveau van bijdragen aan het fonds voor de Arcprojecten, waarmee het doel van afgelopen jaar werd vervuld. Aan de financiële eisen in dit opzicht wordt duidelijk voldaan met niet aflatende heldenmoed zowel door arm als door rijk, en dit moet voor de resterende jaren worden volgehouden. Tevens moet echter een vergelijkbare inspanning, even krachtig en volhardend, tegelijk door de Raden en de vrienden over de gehele wereld geleverd woren om aan de kritieke noden van het Bahá’í Internationaal Fonds te voldoen.

7. Zo’n veelbelovend begin van het Vierjarenplan als wij beleefd hebben, moet in het hart van de leden van onze wereldwijde gemeenschap wel het vertrouwen inboezemen dat zij volledig zijn toegerust voor het tenuitvoerbrengen van de vereisten, zoals uiteengezet in de boodschappen die het in gang hebben gezet, en zoals uitgewerkt in de plannen aangenomen door hun respectievelijke Raden. Een bijkomende en bijzonder gewaardeerde bemoediging nu we dit tweede jaar binnengaan, is het feit dat de omstandigheden de heroprichting van de Nationale Geestelijke Raad van Rwanda deze Ridván mogelijk hebben gemaakt. De overwinning over deze crisis brengt het aantal Nationale Geestelijke Raden die in aanmerking komen voor deelname aan de Achtste Internationale Bahá’í-conventie die volgende Ridván in het Bahá’í-wereldcentrum zal worden gehouden, op 175. Hoe innig hopen wij dat tegen die tijd, precies halverwege het Plan, de bahá’í-wereld een grote sprong voorwaarts zal hebben gemaakt met de vermenigvuldiging van zijn menselijke hulpbronnen, de volwassenwording van zijn Geestelijke Raden, en de ontplooiing van zijn plaatselijke gemeenschappen!

8. De gelegenheid die wordt geboden door de korte tijdsspanne voordat de eeuw eindigt is onnoemelijk kostbaar. Alleen een verenigde en volhardende inspanning door de vrienden om overal het proces van toetreding in groepen voort te doen gaan, kan zulk een historisch moment recht doen. Dringende en onontkoombare verantwoordelijkheden drukken op elk instituut, elk lid van een gemeenschap strevende naar haar door God beloofde bestemming. Aangezien er slechts een korte periode is waarin heel veel moet worden bereikt, is er geen tijd te verliezen, en mag er geen kans verloren gaan. Weest verzekerd, dierbare vrienden, dat de scharen van het Abhá Koninkrijk klaar staan om een ieder te hulp te snellen die wil opstaan om zijn of haar daden van dienstbaarheid aan te bieden aan het zich ontvouwende geestelijke strijdtoneel van deze indrukwekkende dagen.

Toen de Europese bahá'ís drieënveertig jaar geleden in Stockholm in vergadering waren, bijeen geroepen door de geliefde Behoeder om de machtige Tienjaren Kruistocht op uw continent te lanceren, had u slechts drie Nationale Geestelijke Raden (die van de Britse Eilanden, van Duitsland en Oostenrijk en van Italië en Zwitserland) naast zich langzaam ontwikkelende plaatselijke gemeenschappen in de andere landen van West-Europa. In het oosten, afgesneden door politieke barrières, bevonden zich zeer kleine overblijfselen van gemeenschappen, die in vroegere jaren waren opgericht, en in het naburige Turkije was een kleine, worstelende nationale gemeenschap. Toen de Europese gelovigen van die tijd de ontzagwekkende taken die voor hen lagen, in ogenschouw namen, hoorden zij de woorden van de Behoeder, die het historische belang toelichtten van het continent, waarop zij de instellingen van Bahá'u'lláhs embryonale wereldorde moesten bouwen:

2 Een continent, dat zo'n centrale en strategische positie inneemt op de hele planeet, dat zo'n rijke en veelbewogen geschiedenis en zo'n gevarieerd cultuurgoed bezit, van welks bodem zowel de Hellenistische als de Romeinse beschaving is ontsproten, de drijfveer van een beschaving met een aantal kenmerken waarover Bahá'u'lláh lof heeft uitgesproken, op welks zuidelijke kusten het christendom het eerst zijn thuis heeft gevestigd, langs welks oostelijke grensgebieden de machtige strijdkrachten van het Kruis en de Halve Maan zo vaak in botsing kwamen, op welks zuid-westelijke uiteinde een zich snel ontwikkelende islamitische cultuur zijn mooiste vruchten voortbracht, in wiens hart het licht van de Reformatie zo helder scheen, waarbij het zijn stralen tot in de verste gebieden van de aardbol verspreidde....

3 Dit continent van u, welks bodem gezegend is door de voetstappen van Bahá'u'lláh Zelf, en dat twee keer bezocht is door 'Abdu'l-Bahá gedurende Zijn buitengewoon belangrijke reizen die volgden op Zijn bevrijding uit gevangenschap, welks reizigers en geleerden vroeg reageerden op het dageraadslicht van de Babí-Openbaring, waarvan twee regeringen de helpende hand boden tijdens het Heroïsche Tijdperk van het Geloof en welks naties in recente jaren zo effectief tussen beide zijn gekomen ter bescherming van de vervolgde bahá'ís in Irán, dit continent heeft ruimschoots de capaciteit van zijn bevolking getoond om zich achter de banier van de Zaak van God te scharen, wanneer hun hart eenmaal geraakt en hun geest ontwaakt is voor zijn Boodschap.

4 In de loop van deze drieënveertig jaar hebben de Europese bahá'í-gemeenschappen grote vitaliteit aan de dag gelegd. Het aantal Nationale Geestelijke Raden is gestegen tot vierendertig, verspreid over het hele continent en, in het geval van Rusland, enorme gebieden omvattend, helemaal tot aan de Grote Oceaan. Grote overwinningen voor het Geloof zijn behaald door Europese pioniers in Afrika, de Grote Oceaan, het Caribische gebied en Groenland. Uw instellingen hebben zich onderscheiden in externe betrekkingen. Uw gemeenschappen omvatten voortreffelijke geleerden in het Geloof, musici, artiesten, wetenschappers en hen die zich bezighouden met de toepassing van de bahá'í-Leringen op het gebied van de economie en het zakenleven. U heeft zich speciaal ingespannen voor de vooruitgang van vrouwen en voor de versterking van het gezinsleven. De Europese Raad voor Bahá'í-Jongeren voorziet in een brandpunt en een bron van stimulering voor de jongeren in alle delen van Europa, aangevuld door een netwerk van nationale en plaatselijke jongerencomité's, die nauw verbonden zijn met en ondersteund worden door hun Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden. Dit is de tijd voor het voortbouwen op deze verworvenheden, waarbij alle inspanningen duidelijk gericht worden op het centrale doel: de Boodschap van Bahá'u'lláh brengen aan een geestelijk uitgehongerde bevolking.

5 De eerste taak voor uw Nationale Geestelijke Raden onmiddellijk na Ridván zal zijn het, land voor land, in consultatie met de Raadgevers, formuleren van de details van het Vierjarenplan. De deelname van de Plaatselijke Geestelijke Raden en de individuele gelovigen zal door het opzetten van een eigen plaatselijk plan en door de duidelijk te bepalen gedragslijnen te volgen, essentiëel zijn voor het succesvol bereiken van de hoge doelen van dit stadium in de uitvoering van het Goddelijke Plan van 'Abdu'l-Bahá.

6 Europa is een continent met een grote mate van verscheidenheid en ieder van uw Nationale Raden zal met zorg de processen en resultaten bestuderen die gedurende de komende vier jaar benodigd zijn voor de vooruitgang van de Zaak van God in zijn eigen gebied. Ieder moet de huidige toestand van zijn gemeenschap in overweging nemen, evenals het terrein waarop hij aan het werk is, en gebieden waar mogelijk samengewerkt kan worden met andere bahá'í-gemeenschappen. Speciale aandacht zal gegeven moeten worden aan het bereiken van officiële erkenning in die landen waar de instellingen van het Geloof nog niet als rechtspersoon erkend zijn en aan het oprichten van Nationale Geestelijke Raden in een aantal van die onafhankelijke landen en grotere eilanden, zoals de Faeröer-eilanden, die dat nog niet bereikt hebben. Er zijn echter bepaalde elementen van een nog wijdsere visie, die in ogenschouw genomen moeten worden, aangezien zij van toepassing zijn op specifieke landen, groepen landen en het hele continent.

7 Er zijn gebieden die schreeuwen om pioniers en reizende leraren; men kan bijvoorbeeld denken aan het werken onder de Sami en de andere volken van de arctische en sub-arctische gebieden, tot zover noordelijk als Spitsbergen. We denken aan de betekenis van het onderrichten van het Geloof op de eilanden van de Middellandse Zee, de Atlantische Oceaan en de Noordzee, aan het voor het hele continent geldende belang van de zigeunervolken, die zo'n ontvankelijkheid voor de roep van Bahá'u'lláh beginnen te vertonen, aan de mogelijkheid voor de Europese bahá'í-gemeenschappen om de heilzame aard van de Leringen ten opzichte van iedere soort minderheid aan te tonen, aan de specifieke taken, beschreven door de geliefde Behoeder als de bestemming van zekere gemeenschappen en hun verantwoordelijkheden in verafgelegen landen waar hun taal wordt gesproken, aan de implicaties van de vooruitgang van het Geloof in Italië, waar "het hart en de burcht van de voornaamste, oudste en machtige Kerk van het christendom" gevonden wordt, aan de noodzaak tot het snel vergroten van het aantal bahá'í-centra in de enorme gebieden van de Oekraïne en Europees Rusland. Bovendien denken we aan de speciale verantwoordelijkheden en mogelijkheden van de bahá'í-gemeenschap van de Russische Federatie, welks grondgebied voor het grootste deel in Azië ligt en verder moet profiteren van samenwerking met naburige gemeenschappen in centraal, zuidelijk en oostelijk Azië, als ook in Alaska, Canada en de Verenigde Staten. Dit zijn allemaal slechts voorbeelden van de uitdagingen die u in de komende jaren onder ogen moet zien.

8 Het centrale doel van het Vierjarenplan, een significante vooruitgang in het proces van toetreding in groepen, is van speciaal belang voor Europa. Weest niet vertwijfeld: dit is een proces dat in alle delen van Europa voortgang kan boeken, zowel in het westen als in het oosten. Allen moeten erkennen dat toetreding in groepen een onvermijdelijk stadium is in de ontwikkeling van de Zaak. De aard van dit proces wordt verhelderd in de compilatie over dit onderwerp, waarin het duidelijk wordt dat de gewenste uitkomst, een voortdurende toetreding in groepen, niet bereikt kan worden enkel door een reeks van zo nu en dan plaatsvindende, ongecoördineerd inspanningen, hoe enthousiast dan ook. Dit proces zal worden bevorderd door vertrouwen, eenheid in visie, systematische, realistische maar vermetele planning, aanvaarding van het feit dat fouten gemaakt zullen worden en bereidheid om van deze fouten te leren, en bovenal, door zich te verlaten op de leiding en voortdurende bekrachtiging door Bahá'u'lláh.

9 De vestiging van trainingsinstituten op verschillende plaatsen wordt in het Vierjarenplan benadrukt omdat de huidige methoden, hoe waardevol ze ook zijn, op zich niet voldoende zijn om de uitdaging te beantwoorden van dit nieuwe stadium in de groei van de Zaak. De aard en structuur van de trainingsinstituten moeten aangepast worden aan de omstandigheden van ieder land en gebied; hun vorm in Europa zal zonder twijfel niet gelijk zijn aan die van trainingsintituten in de plattelandsgebieden van India. Hun essentiële functies zullen daarentegen dezelfde zijn. Ze zullen een vastberaden aanvaarding van de bahá'í-identiteit van hen die deelnemen, bevorderen: het vermogen om de wereld en zijn toestand te bezien vanuit het gezichtspunt van de Leringen in plaats van het standpunt van iemands nationaliteit of niet-bahá'í achtergrond. Ze zullen helpen bij iedere deelnemer een diepe liefde voor Bahá'u'lláh te ontwikkelen, evenals een gedegen begrip van zijn wezenlijke Leringen en het zich bewust zijn van het belang van de ontwikkeling van het geestelijke leven van een ieder door gebed, meditatie en onderdompeling in de Heilige Geschriften. Ze zullen ook zulke praktische zaken behandelen als hoe het Geloof te onderrichten, omdat er te veel mensen zijn die, door gebrek aan vertrouwen in hun vermogen de Boodschap over te brengen, aarzelen dit te doen. De transformatie die zo'n verdieping in het Geloof teweegbrengt, zal zeker het hart van de individuele vrienden in vlam zetten met het verlangen deze Boodschap te delen met de mensen om hen heen, en dit is het zaad van ieder succes in het onderricht. Zij die de trainingsinstituten hebben bijgewoond zullen in staat zijn de andere bahá'ís, zowel zij die pas als zij die al langer bahá'í zijn, te helpen hun mogelijkheden tot onderricht te vergroten en zo de menselijke hulpbronnen van de Zaak, waarin iedere gelovige een onderrichter is, sterk te doen toenemen.

10 Het onderrichten van de Zaak door de vrienden in Europa moet in reikwijdte toenemen; het moet aan de ene kant gevarieerd, spontaan en individueel, en aan de andere kant gericht, vereend en wederzijds ondersteunend zijn. Het moet zowel inspirerend als praktisch zijn en moet bovenal bezield zijn met sereen geloof in de macht van Bahá'u'lláh. U moet het veld van uw onderrichtswerk verruimen om de plattelandsbevolking en de massa's die in de steden zwoegen, en zowel mensen met weinig opleiding als intellectuelen in de universiteitssteden, te omvatten. U moet bewust iedere laag van de maatschappij benaderen en daarbij uw methode, literatuur en audio-visueel materiaal aanpassen aan ieder publiek. Zowel het hart als het verstand moeten gevoed worden; zowel spirituele kracht als intellectuele helderheid moeten erkend worden als noodzakelijke onderdelen van het onderrichtswerk. U hebt uitgeblonken in het gebruik van de kunst bij proclamatie, uitbreiding en consolidatie van het Geloof; dit is een sleutel tot het openen van vele deuren en moet aangemoedigd en ontwikkeld worden. Uw eenheid, enthousiasme, vertrouwen en volharding, versterkt en geleid door de kracht van het gebed, zullen zeker dienen als kanaal voor goddelijke bekrachtiging, die een magneet voor zoekende zielen zal zijn.

11 Wij van onze kant zullen aan de Heilige Drempel vurig bidden dat u, die zulke historische overwinningen hebt behaald in uw thuisgebieden en over de hele wereld, gedurende het Vierjarenplan een stadium zult binnengaan van nog grotere successen, die de nu nog onvoorstelbare heerlijkheden aankondigen, die voorbestemd zijn zich gedurende de eenentwintigste eeuw te ontvouwen.

Met een hart dat overloopt van dankbaarheid jegens de Gezegende Schoonheid, erkennen wij de overvloedige tekenen van Zijn genade gedurende het Driejarenplan, dat met de nadering van dit Ridvánfeest ten einde loopt. De bezielende geest van het Heilige Jaar, die de prikkel gaf tot het lanceren van het Plan met Ridván 1993, doordrong deze periode van intense inspanning, en maakte onze wereldgemeenschap hechter, veerkrachtiger, volwassener en zelfverzekerder dan voorheen. Tegelijkertijd bereikte het prestige van de gemeenschap nieuwe hoogten. Hoewel dit Plan niet is geëindigd met een indrukwekkende, numerieke uitbreiding, ook al vond er een belangrijke groei in het ledenaantal plaats in verschillende landen, heeft het niettemin geresulteerd in een kwalitatief verrijkte gemeenschap - een gemeenschap die bereid is de directe vooruitzichten op vooruitgang van het Geloof te benutten.

2. De luisterrijke vorderingen van de projecten op de berg Karmel zijn de voortreffelijkste onder de meetbare prestaties van deze periode. In feite werd, ondanks talloze moeilijkheden, het stadium van voltooiing dat werd voorzien in onze boodschap waarin het Driejarenplan werd aangekondigd, geheel bereikt. Met alle fasen van de bouw is een begin gemaakt. De geraamten van het Centrum voor het Bestuderen van de Teksten en de uitbreiding van het Internationale Archiefgebouw zijn opgetrokken en het werk aan deze gebouwen is zo ver gevorderd dat een begin kan worden gemaakt met het afwerken van de binnen- en de buitenkant. De bouw van de permanente zetel van het Internationale Onderrichtscentrum, het derde bouwwerk dat thans op de Arc wordt gebouwd, vordert snel. Zeven terrassen onder het Mausoleum van de Báb zijn nu voltooid en voorspellen de zich ontvouwende pracht van de voet tot de bovenste rand van Gods heilige Berg. Een oplettend publiek is met ontzag vervuld over het schitterende tapijt dat zich over de berghelling ontrolt.

3. De tastbare werkelijkheid van de vorderingen die tot nu toe zo wonderbaarlijk zijn gerealiseerd is het bewijs van een nog diepergaande verworvenheid, namelijk de eenheid van doel die is verwezenlijkt door de gehele wereldomvattende gemeenschap door het werken aan deze reusachtige, collectieve onderneming. De intensiteit van de belangstelling en steun die deze heeft opgeroepen, is tot uitdrukking gekomen in een nooit eerder voorgekomen stroom van bijdragen, die een niveau van opoffering weerspiegelen dat getuigt van de kwaliteit van het geloof en de vrijgevige harten van hen die, over de gehele planeet, Bahá’u’lláh liefhebben. Dat bijdragen aan de projecten op de berg Karmel het voor drie jaar gestelde doel van vierenzeventig miljoen dollar bereikt hebben, is het teken van nog een meetbare en uitzonderlijke prestatie, die het vertrouwen geeft dat de noodzakelijke financiële steun voor deze projecten zal doorgaan tot hun voltooiing tegen het eind van de eeuw.

4. De tekenen van vooruitgang in de afgelopen drie jaar waren zichtbaar op een breed en uiteenlopend gebied. De opmerkelijke inspanningen de gemeenschap uit te breiden en te consolideren, de toename van maatschappelijke en economische ontwikkelingsprojecten, en de ongekende groei van de werkzaamheden op het gebied van externe betrekkingen vormen samen het beeld van een gemeenschap die begiftigd is met nieuwe bekwaamheden.

5. Op onderrichtsgebied was er een algemene toename van activiteiten wat blijkt uit het vormen van twaalf nieuwe Nationale Geestelijke Raden in de loop van het Plan en uit de sterke golf van pioniers en reizende leraren. Gelovigen in veel landen werden geëlektrificeerd door de nieuwe benadering die werd voorgesteld in de oproep tot pionieren die gedurende het Plan uitging. Het aantal pioniers van en naar verschillende landen was hoog, en er was een ware vloed van reizende leraren zowel binnenlands als buitenlands werkzaam. Het systematisch benaderen van collectieve onderrichtsactiviteiten en goed gerichte lange-termijn onderrichtsprojecten waren in een aantal landen vruchtbaar en meer in het oog springend dan ooit tevoren.

6. De energie en creativiteit waarmee de verschillende ontwikkelingen in uitbreiding en consolidatie gepaard gingen, was voor een groot deel te danken aan de ondernemingsgeest van het Internationale Onderrichtscentrum. De activiteiten van het Internationale Onderrichtscentrum, zoals

- de constante leiding en bemoediging van het Continentaal College van Raadgevers,

- het aanbevelen van nieuwe methoden voor het inzetten van pioniers, zoals onderschreven door het Universele Huis van Gerechtigheid in de oproep tot pionieren die uitging in de eerste maanden van het Plan, en de geregelde bijstand aan de Continentale Pioniercomité’s die onder zijn hoede zijn geplaatst,

- de onverflauwde aandacht voor de leerbehoeften van de gemeenschap zoals die tot uitdrukking is gebracht in de interacties met Raadgevers betreffende het opnemen van verdiepingsprogramma’s voor nieuwe gelovigen in onderrichtsprojecten, het opzetten van cursussen en workshops voor het oefenen van verschillende bekwaamheden, de opleiding van leraren voor kinderen, en de vermeerdering van kinderklassen,

- het stimuleren van pogingen om in verschillende delen van de wereld trainingsinstituten te vestigen - al deze activiteiten hebben klinkende resultaten voortgebracht. Grote lof dient ook uit te gaan naar het Onderrichtscentrum voor de invloed die het door de Raadgevers uitoefende inzake het aannemen van basisliteratuur-programma’s in een toenemend aantal landen. Door zulke programma’s werden enkele titels die van essentieel belang zijn voor de verbreiding van het Geloof en de verdieping van de gelovigen geselecteerd, in grote hoeveelheden gedrukt en tegen gereduceerde prijzen ter beschikking gesteld. De opmerkelijke vooruitgang in de ontwikkeling van deze op het Wereldcentrum werkzame vitale instelling was tastbaar bij de voorbereiding en leiding van de conferentie van de Raadgevers in december jl. waar de koers werd uitgestippeld voor het werk van deze hoge functionarissen van het Geloof in de jaren die onmiddellijk voor ons liggen.

7. Een belangrijke ontwikkeling was dat inheemse gelovigen in opvallend toenemende mate de verantwoordelijkheid voor het onderrichts- en consolidatiewerk in hun eigen land op zich namen. In gebieden die in grote beroering verkeren, zoals Angola, Cambodja, Liberia en Sierra Leone maakten de vrienden aanspraak op belangrijke overwinningen, hetzij in het uitvoeren van onderrichtsactiviteiten die resulteerden in belangrijke aantallen verklaringen, hetzij bij het vestigen en het nieuw leven inblazen van bahá’í-raden, hetzij bij het opzetten en ondersteunen van ontwikkelingsprojecten. In gebieden met recentelijk gevormde Nationale Geestelijke Raden, zoals de landen in het vroegere Oostblok, hebben de vrienden een bewonderenswaardig vermogen getoond in het besturen van de aangelegenheden van de Zaak. Een hoogtepunt in deze periode was de golf van vitaliteit, moed en creativiteit in bahá’í-gemeenschappen op eilanden overal ter wereld. De categorieën van activiteiten waren breed opgezet en hadden betrekking op het doen opstaan van plaatselijke leraren, de training en het sturen van tientallen reizende leraren naar naburige eilanden, het stichten van basisscholen, de veelvuldige gelegenheden voor de verkondiging van het Geloof en het ondersteunen van gebeurtenissen die werden bijgewoond door hoge functionarissen en invloedrijke personen. Het feit dat in recente jaren een aantal regeringsleiders van eiland-naties het Bahá’í-wereldcentrum heeft bezocht, geeft blijk van de levenskracht van de activiteiten van de gelovigen in deze over de zeven zeeën verspreid liggende kleine landen. Bij elkaar genomen demonstreren alle voorgaande voorbeelden van de houding en de inspanningen van de vrienden in verschillende omstandigheden een verhoogde betrokkenheid bij het onderrichtswerk en een groeiende volwassenheid en veerkracht die een weerspiegeling is van de diepgang van het geloof dat bahá’ís van verschillende bevolkingsgroepen motiveert.

8. In overeenstemming met deze constateringen waren de voortreffelijke bijdragen aan uitbreiding en consolidatie door de jongeren. Hun activiteiten namen tijdens deze periode van drie jaar steeds toe. Tot daden aangezet door jongerenconferenties en andere bijeenkomsten die rekening hielden met hun interesses, hebben de jongeren overal ter wereld enorme hoeveelheden tijd, energie en ijver in het onderrichtswerk geïnvesteerd als reizende leraren in en buiten hun land en als teams in collectieve onderrichtsprojecten en, door zo te handelen, bevorderden zij honderden nieuwe verklaringen en de vorming van vele Plaatselijke Geestelijke Raden; de betrokkenheid van de jongeren bij muziek en de kunst als een middel de Zaak te verkondigen en te onderrichten karakteriseerden hun inspanningen in veel plaatsen; de verspreiding van dans- en dramaworkshops was bijzonder effectief; deelname van de jongeren aan externe betrekkingen openden op dit gebied nieuwe mogelijkheden voor het Geloof; het zich inzetten voor een “year of service” kwam in ruimere mate voor; tegelijkertijd was er een opmerkelijke toename van het aantal jongeren dat een formele opleiding volgt en hoge academische of beroepsmatige kwalificaties behaalt - alles bij elkaar geeft dit er blijk van dat de jongeren meer doen in directe dienstbaarheid aan het Geloof terwijl ze tegelijkertijd bijdragen aan de algemene ontwikkeling van de maatschappij.

9. Tekenen van de consolidatie van de gemeenschap waren ook waarneembaar in de grotere betrokkenheid van de vrienden bij de sociaal-economische ontwikkeling, in het bijzonder op het gebied van onderwijs. In één opzienbarend geval vroeg een regering de bahá’ís de verantwoordelijkheid voor het beheer van zeven openbare scholen op zich te nemen, en dat deden ze met de steun van het Bureau voor Sociaal-Economische Ontwikkeling op het Wereldcentrum. Vermeldenswaard is ook dat Afrikaanse bahá’í-gemeenschappen die vanwege de politieke onrust in hun vaderland in ballingschap leven, doorgingen met het tot ontwikkeling brengen van landbouw- en andere projecten die het voorzien in eigen behoeften veel dichterbij brachten. Pogingen de status van vrouwen te verbeteren wonnen aan stootkracht in een aantal landen waar, naast de bahá’í-deelname aan projecten die door andere organisaties werden gesponsord, de bahá’í-instellingen comités en bureaus opzetten om de belangen van vrouwen te behartigen. Het Bureau voor de Vooruitgang van de Vrouw van de Bahá’í International Community trad naar voren als een symbool van deze opleving.

10. In een aantal landen was er eveneens een belangrijke bahá’í-deelname aan door de regering gesponsorde programma’s ter verbetering van de gezondheid; in andere gevallen namen bahá’í-groepen het initiatief tot dergelijke programma’s en voerden ze uit. Het werk op het gebied van sociaal-economische ontwikkeling onderscheidde zich ook door het hecht vestigen en consolideren van een aantal belangrijke projecten en organisaties. Drie proefprojecten voor alfabetisering werden begonnen als een eerste stap in een alfabetiseringscampagne die het Bureau voor Sociaal-Economische Ontwikkeling van plan is uit te breiden over de gehele wereld. Het bahá’í-initiatief en de betrokkenheid bij ontwikkelingsprojecten resulteerden ook in proclamatie van het Geloof daar ze de deelname van het publiek en de belangstelling van de massamedia aantrokken.

11. Een sterke toename in de werkzaamheden aan externe betrekkingen, die alle vorige records voor een gelijksoortige periode overtrof, stimuleerde de proclamatie van de Zaak. Een verbazingwekkende inspanning in alle delen van de wereld droeg bij aan een veel grotere zichtbaarheid van het Geloof dan ooit eerder werd bereikt en aan een daaruit resulterende toename van prestige van de internationale bahá’í-gemeenschap. De algemene lijnen van vooruitgang waren ook duidelijk te zien in het gemak waarmee bahá’í-gemeenschappen, groot en klein, openbare gebeurtenissen steunden of er aan deelnamen. Die bleken ook uit het te voorschijn treden van de bahá’ís als een kracht in de samenleving die wordt erkend door gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties en veel prominente personen, en uit de gemakkelijke toegankelijkheid tot de media. De brede berichtgeving die wordt geschonken aan bahá’í-gebeurtenissen en -belangen door de gedrukte en elektronische communicatiemedia is dan ook niet te berekenen.

12. In de stroom van activiteiten overal ter wereld kwamen bepaalde specifieke gebeurtenissen duidelijk uit: de frequentie waarmee hoge publieke functionarissen bahá’ís pleegden uit te nodigen om te participeren aan of te helpen bij evenementen of projecten, de geslaagde initiatieven van bahá’ís bij het beïnvloeden van acties van de regering, het instellen van bahá’í-academische programma’s en cursussen in colleges en universiteiten en de overname van lesmateriaal voor openbare scholen, en het gebruik van kunst door bahá’í instellingen, groepen en enkelingen bij proclamatie-evenementen.

13. In 1995 illustreerden twee voorname evenementen van de Verenigde Naties het aan stootkracht winnen van de opkomst van eenheid van denken in wereldaangelegenheden, en deze namen de actieve aandacht en deelname van de bahá’í-gemeenschap in beslag. In de eerste plaats de Wereldtop voor Sociale Ontwikkeling in Kopenhagen in maart, waarbij 250 vrienden uit meer dan 40 landen betrokken waren, die een indrukwekkende poging ondernamen de deelnemers aan de top en het gerelateerde NGO Forum van de Leringen op de hoogte te stellen. Het was bij deze gelegenheid dat de verklaring “De Welvaart der Mensheid”, uitgebracht door het Bureau Voorlichting van de Bahá’í International Community, het eerst werd verspreid en besproken. Follow-up activiteiten over de gehele wereld omvatten het houden van conferenties en cursussen, evenals de verspreiding van de verklaring. In de tweede plaats was er de Vierde Wereldconferentie over Vrouwen en het daarmee samenvallende NGO Forum dat in september in Beijing werd gehouden en werd bezocht door meer dan 500 bahá’ís van over de gehele wereld, naast de officiële delegatie van de Bahá’í International Community. In datzelfde jaar bracht een derde gebeurtenis, de viering van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties, het Bureau Verenigde Naties van de Bahá’í International Community ertoe een verklaring getiteld “Keerpunt voor Alle Naties”, dat voorstellen voor de ontwikkeling van die wereldorganisatie bevat, uit te brengen en te verspreiden.

14. Eveneens van bijzonder belang bij de externe-betrekkingen-activiteiten waren twee aangelegenheden die de prominente deelname van Amatu’l-Bahá Rúhíyyih Khánum omvatten. De vorige lente was ze het hoofd van de delegatie van vier officiële bahá’í-afgevaardigden naar de Top over de Alliantie tussen Religies en Milieubehoud, waarvan Zijn Koninklijke Hoogheid Prins Philip de beschermheer is en die werd gehouden op Windsor Castle. In oktober was Rúhíyyih Khánum de centrale spreekster bij de Vierde Internationale Dialoog over de Overgang naar een Wereldomvattende Maatschappij, die werd gehouden onder auspiciën van de UNESCO (the United Nations Educational, Scientific, and Cultural Organization) en was georganiseerd door de Bahá’í-leerstoel voor Wereldvrede en de faculteit Geschiedenis van de Universiteit van Maryland.

15. Evenmin kunnen wij bepaalde andere belangrijke kenmerken van deze verslagperiode onvermeld laten. Er werd een uitgave van de Kitáb-i-Aqdas in de oorspronkelijke Arabische tekst gepubliceerd, met voor de eerste keer noten in het Perzisch, als aanvulling op de tekst, zoals in de Engelse editie. De Wet van de Huqúqu’lláh wortelde dieper in het hart van de gelovigen overal ter wereld, en tijdens het laatste jaar van het Plan vestigde de Gevolmachtigde van Huqúqu’lláh, Hand van de Zaak van God, `Alí-Muhammad Várqa, zich in het Heilige Land. Deze belangrijke stap betekent ook dat alle drie Handen van de Zaak van God - Amatu’l-Bahá Rúhíyyih Khánum, de Heer `Ali-Akbar Furutan en Dr. Várqa - nu op het Wereldcentrum wonen, waar ze een bron van inspiratie zijn voor pelgrims, bezoekers en de vrienden die op het Wereldcentrum dienen.

16. Het is tegen een dergelijke achtergrond van bemoedigende ontwikkelingen dat we deze Ridván beginnen met een Vierjarenplan dat ons naar Ridván 2000 zal voeren. We roepen onze broeders en zusters van ieder land dringend en liefdevol op zich bij ons aan te sluiten in een mobilisering van inspanningen die de generaties van de snel naderende eenentwintigste eeuw zal verzekeren van een overvloedige en duurzame erfenis.

17. In het Vierjarenplan wordt naar één belangrijk doel gestreefd: een significante vooruitgang in het proces van toetreding in groepen. Zoals we eerder hebben verklaard dient een dergelijke vooruitgang te worden bereikt door een uitgesproken toename van de activiteiten en ontwikkeling van de individuele gelovige, van de instellingen en van de plaatselijke gemeenschap.

18. De uitdrukking “vooruitgang in het proces van toetreding in groepen” houdt de gedachte in dat de huidige omstandigheden een voortdurende groei van de bahá’í-wereldgemeenschap op grote schaal eisen en dat de bestaande kansen die mogelijk maken. Ze houdt ook in dat deze plotselinge en snelle toename in het licht van de wereldomstandigheden noodzakelijk is. Ze houdt tevens in dat de drie componenten van het opbouwen van het Stelsel van Bahá’u’lláh - de individuele gelovige, de instellingen, en de gemeenschap - een dergelijke groei kunnen bevorderen, ten eerste door geestelijk en verstandelijk de mogelijkheid ervan te aanvaarden, en vervolgens door toe te werken naar het in de armen sluiten van grote aantallen nieuwe gelovigen. Hierdoor worden de middelen voor het bewerkstelligen van hun geestelijke en bestuurlijke opleiding en ontwikkeling teweeg gebracht, waardoor het aantal goed geïnformeerde, actieve leraren en bestuurders vermenigvuldigd wordt, wier betrokkenheid bij het werk van de Zaak zowel een constante toevloed van nieuwe aanhangers, als een ononderbroken ontwikkeling van bahá’í-raden en een gestadige consolidatie van de gemeenschap, zal verzekeren.

19. Vooruitgang van het proces impliceert bovendien dat het proces reeds gaande is en dat plaatselijke en nationale gemeenschappen zich in verschillende fasen van dat proces bevinden. Alle gemeenschappen krijgen nu als taak stappen te ondernemen en de inspanningen vol te houden om een niveau van uitbreiding en consolidatie te bereiken dat evenredig is met hun mogelijkheden. De individuele gelovige en de instellingen, worden, terwijl ze werkzaam zijn op verschillende gebieden, opgeroepen op te staan en te voldoen aan de eisen van deze cruciale tijd in het bestaan van onze gemeenschap en in het lot van de gehele mensheid.

20. De rol van de enkeling is van uniek belang in het werk voor de Zaak. Het is de enkeling die de levenskracht van het geloof, waar het succes van het onderrichtswerk en de ontwikkeling van de gemeenschap van afhangen, zichtbaar maakt. Bahá’u’lláh’s gebod aan iedere gelovige om Zijn Geloof te onderrichten geeft een onontkoombare verantwoordelijkheid die niet kan worden overgedragen aan, of worden overgenomen door, welke instelling van de Zaak dan ook. Alleen de enkeling kan die kwaliteiten aanwenden die het vermogen tot het nemen van initiatief behelzen, alsmede kansen aan te grijpen, vriendschappen te vormen, persoonlijk met anderen om te gaan, relaties op te bouwen, de medewerking van anderen te winnen in gemeenschappelijke dienst aan Geloof en samenleving, en de beslissingen die zijn genomen door beraadslagende lichamen in daden om te zetten. Het is de plicht van de enkeling om “zorgvuldig elke weg tot toenadering [te] overwegen die hij zou kunnen gebruiken bij zijn persoonlijke pogingen om de aandacht te trekken, de belangstelling vast te houden en het geloof te verdiepen van diegenen die hij binnen de gemeenschap van zijn Geloof tracht te brengen.”

21. Om het gebruik van deze bekwaamheden te optimaliseren put de enkeling uit zijn liefde voor Bahá’u’lláh, de kracht van het Verbond, de dynamiek van het gebed, de inspiratie en kennis die hij ontleent aan het regelmatig lezen en bestuderen van de heilige Teksten, en de transformerende krachten die op zijn ziel inwerken wanneer hij ernaar streeft zich te gedragen in overeenstemming met de goddelijke wetten en principes. Daarenboven is de enkeling, aan wie de plicht is gegeven de Zaak te onderrichten, begiftigd met het vermogen bijzondere zegeningen aan te trekken die zijn beloofd door Bahá’u’lláh. De Gezegende Schoonheid beweert met klem: “Al wie in deze Dag zijn mond opent en melding maakt van de naam van zijn Heer, op hem zullen de heerscharen van goddelijke inspiratie neerdalen vanuit de hemel van Mijn Naam, de Alwetende, de Alwijze. Op hem zal tevens de Schare uit den hoge neerdalen waarbij elkeen een kelk uit zuiver licht omhoog houdt.”

22. Shoghi Effendi benadrukte de onvoorwaardelijke noodzaak van persoonlijk initiatief en persoonlijke actie. Hij legde uit dat zonder de “zowel oprechte, voortdurende als overvloedige” ondersteuning van de enkeling, iedere maatregel en ieder plan van zijn Nationale Geestelijke Raad “gedoemd is te falen”, het doel van het Goddelijke Plan van ‘Abdu’l-Bahá wordt “gehinderd”; bovendien zal de steunende kracht van Bahá’u’lláh Zelf “onthouden worden aan ieder individuele persoon die op de lange termijn niet opstaat en zijn plicht vervult”. Hieruit volgt, dat de kern van elke vooruitgang die geboekt moet worden, wordt gevormd door de individuele gelovige, die het vermogen tot uitvoering bezit dat alleen hij kan vrijmaken door zijn eigen initiatief en volhardende actie. Een brief, geschreven uit naam van de Behoeder, brengt zijn advies over betreffende het gevoel van onvermogen, dat het individuele initiatief soms belemmert: “Hiervan noemt u als voornaamste het gebrek aan moed en initiatief onder de gelovigen, en een gevoel van minderwaardigheid dat hen er van weerhoudt om het publiek toe te spreken. Het zijn nu juist die zwakheden waarvan de Behoeder wil dat de vrienden ze overwinnen, want ze verlammen niet alleen hun pogingen, maar doven in feite de vlam van geloof in hun hart. Pas wanneer alle vrienden zich realiseren dat ieder van hen in staat is, in zijn eigen mate, de Boodschap uit te dragen, kunnen zij ooit hopen het doel te bereiken dat een liefdevolle en wijze Meester hen heeft opgedragen…Iedereen is een mogelijke onderrichter. Hij hoeft slechts datgene te gebruiken dat God hem gegeven heeft en zo te bewijzen dat hij trouw is aan wat hem is toevertrouwd.”

23. Wat betreft de instellingen: toetreding in groepen zal evenzeer invloed op hen uitoefenen als zij daar invloed op uitoefenen. De evolutie van plaatselijke en nationale bahá’í-raden vraagt in deze tijd om een nieuwe gemoedstoestand, zowel bij hun leden als bij hen die hen kiezen, want de bahá’í-gemeenschap is betrokken in een immens, historisch proces, dat een kritieke fase binnengaat. Bahá’u’lláh heeft de wereld instellingen gegeven, om werkzaam te zijn in een Stelsel, dat opgezet is om de krachten van een nieuwe beschaving te kanaliseren. Vorderingen in de richting van die glorieuze verwezenlijking vereisen een grote en voortdurende uitbreiding van de bahá’í-gemeenschap, zodat in voldoende draagwijdte wordt voorzien in de rijping van deze instellingen. Dit is een zaak van onmiddellijk belang voor de erkende aanhangers van Bahá’u’lláh in alle landen.

24. Om zo’n uitbreiding te stimuleren en er aan tegemoet te komen, moeten de Plaatselijke Geestelijke Raden zich verheffen tot een nieuw stadium in de uitoefening van hun verantwoordelijkheden als kanaal van goddelijke leiding, planner van het onderrichtswerk, ontwikkelaar van menselijke hulpbronnen, bouwer van gemeenschappen, en liefhebbende herder van de menigten. Zij kunnen deze verwachtingen realiseren door het vergroten van de kundigheid van hun leden in het samen beraadslagen in overeenstemming met de principes van het Geloof, en in het consulteren met de vrienden in hun rechtsgebied, door de geest van dienstbaarheid te bevorderen, door de spontane samenwerking met de Continentale Raadgevers en hun hulpraadsleden, en door het verzorgen van hun externe betrekkingen. De vooruitgang in de evolutie van de instellingen moet vooral duidelijk worden in de verveelvoudigingen van de plaatsen waarin het functioneren van de Geestelijke Raad het vermogen vergroot van de individuele gelovige om de Zaak te dienen en gezamenlijke actie bevordert. Kortom, de volwassenheid van de Geestelijke Raad moet niet alleen afgemeten worden aan de regelmaat van zijn bijeenkomsten en de doeltreffendheid van zijn functioneren, maar ook aan de continuïteit van de groei van zijn bahá’í-ledental, de effectiviteit van de omgang tussen de Raad en de leden van zijn gemeenschap, de kwaliteit van het geestelijke en sociale leven van de gemeenschap en het totale gevoel van vitaliteit van een gemeenschap die bezig is met dynamische, immer-voortschrijdende ontwikkeling.

25. De gemeenschap neemt, los gezien van de enkeling en de instellingen, haar eigen aard en identiteit aan wanneer ze groter wordt. Dit is een noodzakelijke ontwikkeling waarvoor veel aandacht nodig is, zowel wat betreft plaatsen waar inschrijving op grote schaal heeft plaatsgevonden, als wat betreft de verwachting van meer gevallen van toetreding in groepen. Een gemeenschap is natuurlijk meer dan de som van haar leden; het is een veelomvattende eenheid van beschaving, die bestaat uit personen, gezinnen en instellingen die systemen, bureaus en organisaties voortbrengen en aanmoedigen; deze werken samen, met een gemeenschappelijk doel, voor het welzijn van de mensen zowel binnen als buiten haar eigen grenzen. Het is een samenstel van verschillende, op elkaar inspelende deelnemers die eenheid bereiken in een niet-aflatend zoeken naar geestelijke en sociale vooruitgang. Aangezien de bahá’ís overal helemaal aan het begin staan van het proces van het bouwen van een gemeenschap, moeten enorme krachtsinspanningen gewijd worden aan de voorliggende taken.

26. Zoals we in een eerdere boodschap hebben vermeld, vereist het bloeien van de gemeenschap, vooral op het lokale niveau, een betekenisvolle versterking van gedragspatronen: die patronen waardoor de gemeenschappelijke uiting van de deugden van de individuele leden en het functioneren van de Geestelijke Raad, aan de dag worden gelegd in de eenheid en broederschap van de gemeenschap en de dynamiek van zijn activiteit en groei. Dit vraagt om de integratie van de samenstellende delen -volwassenen, jongeren en kinderen- in geestelijke, sociale, onderwijskundige en bestuurlijke activiteiten en om hun betrokkenheid bij plaatselijke onderrichts- en ontwikkelingsplannen. Het impliceert een gemeenschappelijke wil en doelbewustheid voor het voortzetten van de Geestelijke Raad door jaarlijkse verkiezingen. Het brengt de praktijk van gemeenschappelijke aanbidding van God met zich mee. Het is daarom essentieel voor het geestelijke leven van de gemeenschap om regelmatig godsdienstige bijeenkomsten te houden in plaatselijke bahá’í-centra waar die beschikbaar zijn, of ergens anders, zoals de huizen van de gelovigen.

27. Om de mogelijkheden tot uitbreiding en consolidatie, die toetreding in groepen met zich meebrengt, te benutten, moet een vastberaden en wereldwijde inspanning gedaan worden om menselijke hulpbronnen te ontwikkelen. De poging van enkelingen om studieklassen in hun huis te houden, het ondersteunen van af en toe plaatsvindende cursussen door de instellingen, en de informele activiteiten van de gemeenschap zijn, hoewel belangrijk, niet voldoende voor het onderwijs en de training van een snel groeiende gemeenschap. Het is daarom van het allergrootste belang dat er systematische aandacht besteed wordt aan het ontwerpen van methoden om grote aantallen gelovigen in de fundamentele waarheden van het Geloof te onderwijzen, en voor hen te trainen in en te ondersteunen bij het dienen van de Zaak op de manier waarop hun God-gegeven talenten dat mogelijk maken. Er moet niet getalmd worden bij het oprichten van permanente instituten, bestemd om te voorzien in goed georganiseerde, formeel geleide opleidingsprogramma’s op een regelmatige basis. Het is natuurlijk noodzakelijk dat het instituut toegang heeft tot materiële faciliteiten, maar een eigen gebouw hoeft niet nodig te zijn.

28. Deze aangelegenheid vraagt om een intensivering van de samenwerking tussen de Continentale Raadgevers en de Nationale Geestelijke Raden. Want het succes van deze trainingsinstituten zal voor een groot deel afhangen van de actieve betrokkenheid van de Continentale Raadgevers en hun Hulpraadsleden bij hun werkzaamheden. Het zal vooral noodzakelijk zijn dat de Hulpraadsleden in een innige werkrelatie met de instituten staan en natuurlijk ook met de Plaatselijke Geestelijke Raden waarvan de gemeenschappen baat zullen hebben bij de programma’s van het instituut. Aangezien de instituten beschouwd moeten worden als centra voor geleerdheid en aangezien hun aard overeenstemt met, en ruimte biedt voor de uitoefening van de onderwijskundige verantwoordelijkheden van de Hulpraadsleden, zou de innige betrokkenheid bij de werkzaamheden van de instituten nu een onderdeel moeten worden van de zich ontplooiende functies van deze functionarissen van het Geloof. Het zal ook cruciaal voor de ontwikkeling en de uitvoering van de programma’s van de instituten zijn, om gebruik te maken van de talenten en bekwaamheden van toenemende aantallen gelovigen.

29. Aangezien de term “instituut” in de bahá’í-gemeenschap op verschillende manieren gebruikt wordt, is een woord ter verduidelijking nodig. De komende vier jaren zullen een buitengewone periode in de geschiedenis van ons Geloof vertegenwoordigen, een keerpunt van baanbrekende omvang. Wat de vrienden over de hele wereld nu gevraagd wordt om te doen, is om zichzelf, hun materiële middelen, hun bekwaamheden en hun tijd te wijden aan de ontwikkeling van een netwerk van trainingsinstituten op een schaal die nog niet eerder gepoogd is. Het doel van deze centra van bahá’í-geleerdheid is het behalen van een heel praktisch resultaat, namelijk het doen opstaan van grote aantallen gelovigen die getraind zijn in het met doeltreffendheid en liefde bevorderen en vergemakkelijken van het proces van toetreding in groepen.

30. “Bundelt uw krachten op de verspreiding van het Geloof van God”, zo instrueert Bahá’u’lláh Zijn dienaren, met de toevoeging: “Al wie zo’n hoge roeping waardig is, laat hem opstaan om het te bevorderen. Al wie hiertoe niet in staat is, heeft de plicht iemand aan te wijzen die in zijn plaats deze Openbaring bekend zal maken…” Net als iemand een ander afvaardigt om in zijn plaats te onderrichten door de kosten te dragen van een pionier of een reizende leraar, kan iemand een leraar werkzaam aan een instituut afvaardigen, die natuurlijk een leraar van leraren is. Hiervoor kan men bijdragen aan het Continentale Bahá’í-fonds, evenals aan de plaatselijke, nationale en internationale Fondsen die voor dit doel bestemd zijn.

31. In al hun inspanningen om het doel van het Vierjarenplan te behalen, wordt de vrienden ook gevraagd om meer aandacht te besteden aan het gebruik van de kunst, niet alleen voor proclamatie, maar ook voor het werk van uitbreiding en consolidatie. De grafische en uitvoerende kunsten en literatuur hebben een grote rol gespeeld, en kunnen die spelen, in het vergroten van de invloed van de Zaak. Deze mogelijkheid kan in ieder deel van de wereld uitgewerkt worden op het niveau van de volkskunst, of het nu in gehuchten, dorpen of steden is. Shoghi Effendi had hoge verwachtingen van de kunst als een manier om de aandacht te vestigen op de Leringen. Een brief die in zijn naam aan een gelovige is geschreven, brengt zó de mening van de Behoeder over: “De dag zal komen waarop de Zaak zich als een lopend vuurtje zal verspreiden, wanneer zijn geest en leringen op het toneel of in de kunst en literatuur als geheel aangeboden worden. Kunst kan zulke nobele gevoelens beter doen ontwaken dan koude redeneringen, vooral onder het merendeel der mensen.”

32. Terwijl de vrienden en instellingen overal hun energie richten op het voldoen aan de vereisten van het Plan, gaat het werk aan de grote projecten op de berg Karmel door, op weg naar hun verwachte voltooiing aan het eind van de eeuw. Tegen het eind van het Plan met Ridván 2000 zullen het gebouw voor het Centrum van het Bestuderen van de Teksten en de uitbreiding van het Archiefgebouw gebruiksklaar zijn; de bouw aan het Internationale Onderrichtscentrum zal gevorderd zijn tot het eindstadium. Het deel van de openbare weg dat nu het pad van de terrassen boven het Mausoleum van de Báb onderbreekt, zal verlaagd zijn en een brede verbindende brug met zijn eigen tuinen zal gebouwd zijn; vijf van de bovenste terrassen zullen ook voltooid zijn. De overblijvende vier bovenste terrassen en de twee aan de voet van de berg zullen in een gevorderd stadium van ontwikkeling zijn. Ook andere speciale werkzaamheden zullen in het Wereldcentrum uitgevoerd worden. Aandacht zal besteed worden aan zulke zaken als de algemene geldigheid van meer wetten van de Kitáb-i-Aqdas, de voorbereiding van een nieuw boek in het Engels van een keuze uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, de verdere ontwikkeling van de functies van het Internationale Onderrichtscentrum en het bedenken van maatregelen om het aantal pelgrims naar en bezoekers van het Wereldcentrum te doen toenemen.

33. De bahá’í-wereldgemeenschap zal haar inspanningen op het gebied van zowel de sociaal-economische ontwikkeling als de externe betrekkingen uitbreiden en zo doorgaan direct samen te werken met de krachten die leiden tot de vestiging van orde in de wereld. Het Bureau van Sociaal-Economische Ontwikkeling zal, door zijn coördinerend vermogen te verbeteren en voor zover de middelen en mogelijkheden dat toestaan, helpen bij het voortbouwen op de vooruitgang die reeds is geboekt door honderden ontwikkelingsprojecten over de hele wereld. Op het terrein van de externe betrekkingen zullen de inspanningen gericht zijn op de benvloeding van de processen in de richting van wereldvrede, in het bijzonder door de betrokkenheid van de gemeenschap bij de bevordering van de mensenrechten, de status van vrouwen, wereldomvattende welvaart en morele ontwikkeling. Bij het uitvoeren van deze thema’s zal het Bureau Verenigde Naties van de Bahá’í International Community wegen zoeken om de banden tussen de bahá’ís en de Verenigde Naties aan te halen. Evenzo zal het Bureau Voorlichting de bahá’í-instellingen bijstaan bij het benutten van deze thema’s bij een grotere proclamatie van het Geloof. De verdediging van de rechten van de bahá’ís in Irán en toegenomen inspanningen voor de emancipatie van het Geloof in dat land en andere landen waar het verboden is, zullen een wezenlijk onderdeel uitmaken van de relaties met regeringen en non-gouvernementele organisaties. In al deze zaken worden de bahá’í-vrienden en instellingen dringend verzocht alert te zijn op het belang van activiteiten op het gebied van externe betrekkingen en om hier hernieuwde aandacht aan te schenken.

34. De vorming van twee Nationale Geestelijke Raden met deze Ridván verleent een gunstig begin aan het Vierjarenplan. Tot ons grote genoegen kunnen wij aankondigen dat onze twee vertegenwoordigers bij de inaugurele Nationale Conventies van Moldavië en van Sao Tome en Principe respectievelijk de Hand van de Zaak van God Amatu’l-Bahá Ruhiyyih Khanum en de heer Fred Schechter, Raadgever-lid van het Internationaal Onderrichtscentrum, zullen zijn. Helaas kunnen de Nationale Geestelijke Raden van Burundi en Rwanda, als het gevolg van omstandigheden volledig buiten hun invloed om, dit jaar niet herkozen worden. Het aantal van deze instellingen wereldwijd blijft dan ook 174.

35. Ridván 2000, het tijdstip waarop het Vierjarenplan afgesloten zal worden, komt vele maanden voor het eind van de twintigste eeuw. Op dit tijdsgewricht zal de bahá’í-wereld met waardering terugkijken op de buitengewone ontwikkelingen en verbijsterende verworvenheden die de annalen van de Zaak van Bahá’u’lláh gedurende die veelbewogen periode zullen hebben onderscheiden, een periode die ‘Abdu’l-Bahá de “eeuw van licht” heeft genoemd. Van de dan te erkennen successen zal de voltooiing van de huidige projecten op de berg Karmel niet het geringste zijn, die, samen met de andere bouwwerken op die heilige berg, als een monument zal gelden voor de vooruitgang die het bestuursstelsel tegen die tijd in het Formatieve Tijdperk zal hebben geboekt. Het hoogtepunt van zo’n waardering zal, zo God het wil, het houden van een groot evenement op het Wereldcentrum zijn, om de voltooiing van de gebouwen van de Arc en de openstelling van de Terrassen van het Mausoleum van de Báb voor het publiek, luister bij te zetten.

36. Geliefde vrienden, we gaan dit Plan binnen temidden van de beroering van een periode van een steeds snellere overgang. De twee processen die in gang zijn gezet door de invloed van de Openbaring van Bahá’u’lláh, zijn hard aan het werk en winnen aan stootkracht waardoor, in de woorden van Shoghi Effendi, “de krachten die het aangezicht van onze planeet transformeren, tot een climax gebracht zullen worden”. Het ene is een opbouwend proces; het andere is afbrekend. Uit de door deze processen voortgebrachte “universele gisting” zal vrede stap voor stap te voorschijn komen, waardoor de verenigende effecten van een groeiend bewustzijn van wereldburgerschap aan het licht zal treden.

37. Recente ontwikkelingen in de wereld in die richting zijn, paradoxaal genoeg, zowel schokkend als geruststellend. Aan de ene kant brengt de wanorde in de menselijke aangelegenheden een dagelijkse kost aan verschrikkingen voort die de zintuigen afstompt; aan de andere kant ondernemen wereldleiders vaak gemeenschappelijke acties die, voor een bahá’í-waarnemer, betekenen dat er bij landen een tendens bestaat in de richting van een gezamenlijke aanpak bij het oplossen van wereldproblematiek. Kijk bijvoorbeeld naar de ongewone frequentie van de gebeurtenissen op wereldniveau waarbij deze leiders bijeengekomen zijn sinds het Heilige Jaar vier jaar geleden, zoals die voor de viering van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties, waarbij de aanwezige staatshoofden en regeringsleiders getuigden van hun toewijding aan wereldvrede. Opmerkenswaardig zijn ook de promptheid en spontaniteit waarmee deze regeringsleiders samen hebben gehandeld bij het reageren op een verscheidenheid aan crises in verschillende delen van de wereld. Zulke trends vallen samen met de toenemende roep vanuit verlichte kringen om aandacht voor de haalbaarheid van een of andere vorm van wereldbestuur. Kunnen we in deze zich snel ontwikkelende gebeurtenissen niet de werking van de Hand van de Voorzienigheid waarnemen of zelfs de voorbode zien van de in onze Geschriften voorspelde monumentale gebeurtenis?

38. Zelfs al is de vestiging van de Kleine Vrede niet afhankelijk van welk bahá’í-plan of -actie dan ook, en hoewel deze niet het uiteindelijke doel vertegenwoordigt dat de mensheid voorbestemd is om in het Gouden Tijdperk te bereiken, toch heeft onze gemeenschap een verantwoordelijkheid tot het verlenen van een geestelijke impuls aan de processen in de richting van die vrede. Wat op nu juist dit tijdstip nodig is, is het zodanig vergroten van onze inspanningen in het opbouwen van het bahá’í-stelsel, dat we de bekrachtigingen van Bahá’u’lláh zullen aantrekken en zo een geestelijke atmosfeer zullen oproepen die zal bijdragen aan de versnelling van deze processen. Twee belangrijke uitdagingen staan ons te wachten: de ene is het opstarten van een onderrichtscampagne waaraan een groot deel van de leden van onze gemeenschap enthousiast, systematisch en persoonlijk deelneemt, en waarbij de in gang zetting van een uitgebreid trainingsprogramma de ontwikkeling van een grote hoeveelheid aan menselijke hulpbronnen zal verzekeren; de andere is de voltooiing van de bouwprojecten op de berg Karmel waarvoor, om te voorzien in een gulle uitstorting van materiële middelen, alle mogelijke offers moeten worden gebracht. Deze bij elkaar horende aandachtspunten zullen, wanneer zij resoluut worden uitgevoerd, voorwaarden bevorderen voor de vrijlating van opgekropte krachten die een verandering van richting in de menselijke aangelegenheden over de hele wereld zullen bewerkstelligen.

39. Hoe kort het pad tot vrede ook moge zijn, het zal vol kronkels zitten, hoe veelbelovend de verwachte gebeurtenis die de richting ervan zal bepalen ook moge zijn, deze moet gedurende een lange periode van evolutie rijpen, met de bijbehorende beproevingen, tegenslagen en conflicten, tot het moment waarop het, onder de directe invloed van Gods Geloof, tevoorschijn zal zijn gekomen als de Allergrootste Vrede. Intussen zullen mensen overal regelmatig met wanhoop en verbijstering geconfronteerd worden voor zij de overgang die zich aan het voltrekken is naar waarde schatten. Wij, die verlicht zijn door de nieuwe Openbaring, hebben het heilige Woord om ons zekerheid te bieden, een Goddelijk Plan om ons te leiden, een geschiedenis van dapperheid om ons te bemoedigen. Laat ons daarom niet alleen uit het Woord dat wij koesteren, moed putten, maar ook uit de daden van heldenmoed en opoffering, die zelfs heden ten dagen nog helder schijnen in het land waar ons Geloof werd geboren.

40. Gedurende een zeventiental jaar hebben onze vervolgde broeders in Irán een standvastigheid van geloof en moed aan de dag gelegd, die een grote proclamatie van het Geloof teweeg heeft gebracht, waardoor het uit de onbekendheid te voorschijn is gedreven. Hier is dan in onze eigen tijd het levende bewijs van de mogelijkheden van crisis en overwinning. Moge het God behagen dat het niet te lang meer zal duren voor onze broeders in Irán bevrijd mogen worden van het juk dat zij dragen en binnen geleid mogen worden in de heerlijkheden en wonderen van een overwinning die alleen de Gezegende Schoonheid kan verlenen. Hun ervaring is een teken en voorbeeld voor ons allen, waar wij ook mogen wonen; want uiteindelijk zal, zoals de Meester ons heeft verteld, verzet op alle continent de kop opsteken. Hoewel het van plaats tot plaats van karakter kan verschillen, zal het zonder twijfel intensief zijn. Maar, dankzij de sterkende genade van Bahá’u’lláh en het bewijs van standvastigheid van deze nobele vrienden, zullen we weten hoe we de pijlen van de vijand zonder angst tegemoet moeten treden. Waarlijk, de Heer der Heerscharen heeft beloofd Zijn volk een overweldigende en beslissende triomf te schenken.

41. Laat ons ons hoofd en hart richten op de goddelijke taken die ons zijn gesteld, terwijl de mensheid beroerd en geplaagd wordt door de teisteringen, toegebracht door een op hol geslagen beschaving. Want temidden van deze verwarring zal het wemelen van de mogelijkheden die uitgebuit moeten worden “met als doel het wijd en zijd verspreiden van de kennis van de verlossende kracht van het Geloof van Bahá’u’lláh en het inlijven van nieuwe rekruten in het immer aanzwellende leger van Zijn volgelingen.” Dit Plan, waarop wij ons nu vastgelegd hebben, is gesteld in een van de meest kritieke tijden in het leven van de planeet. Het is bedoeld om onze gemeenschap er op voor te bereiden het hoofd te bieden aan de steeds sneller toenemende veranderingen die in de wereld om ons heen optreden, en om de gemeenschap in een positie te plaatsen waar zij zowel het gewicht van de bijbehorende beproevingen en uitdagingen kan dragen, als een patroon van functioneren waartoe de wereld zich kan wenden voor hulp en een voorbeeld in het spoor van een stormachtige overgang, zichtbaarder kan maken. Zo verwerft dit Plan zich een speciale plaats in het plan van de bahá’í- en wereldgeschiedenis. Diegenen onder ons die ontvankelijk zijn voor de visie van het Geloof zijn bijzonder bevoorrecht als ze zich bewust inspannen zulke processen te stimuleren en uiteindelijk te versterken.

42. Moogt u allen opstaan om de taken van dit cruciale moment op u te nemen. Mag ieder zijn of haar eigen stempel drukken op een korte tijdspanne, zo geladen met mogelijkheden en hoop voor de gehele mensheid. Draag altijd het advies van onze onfeilbare gids, Shoghi Effendi, in gedachten, zodat u niet afgeleid of in beslag genomen wordt door de drastische gebeurtenissen in dit tijdperk van overgang: ‘Het is niet aan ons, armzalige stervelingen die wij zijn, om te pogen, in zo’n kritieke fase in de lange en veelbewogen geschiedenis van de mensheid, te komen tot een precies en bevredigend begrip van de stappen die een bloedende mensheid, die ellendigerwijs geen acht slaat op zijn God en onachtzaam is ten op zichte van Bahá’u’lláh, van zijn kruisweg successievelijk zullen leiden tot zijn uiteindelijke wederopstanding… Aan ons is eerder de plicht om, hoe verward het tafereel, hoe somber de huidige vooruitzichten, en hoe beperkt de middelen waar we de beschikking over hebben, ook zijn, sereen, vol vertrouwen en onafgebroken ons aandeel in de hulp te bieden, op welke manier de omstandigheden ons dat dan ook mogen toestaan, aan de werking van de krachten die, bijeengeroepen en geleid door Bahá’u’lláh, de mensheid leiden uit de vallei van ellende en schande naar de hoogste toppen van macht en glorie.”

Op deze Feestdagen der feestdagen begroeten wij u, intens verheugd over de toegenomen activiteit van de gehele Bahá'í gemeenschap gedurende het afgelopen jaar, en met hooggespannen verwachtingen voor wat er in het laatste jaar van het Driejarenplan bereikt kan en moet worden. De wanhoop die leiders van naties en volkeren bevangt in hun streven naar oplossingen voor dringende maatschappelijke problemen vervult ons met zowel zorg als hoop. In wezen komt deze wanhoop neer op een wereldwijde roep om de leringen van Bahá'u'lláh, waarlijk een uitdaging en een belofte die door geen enkele consciëntieuze Bahá'í instelling of Bahá'í genegeerd kan worden.

2. De gebeurtenis die deze sombere kijk het treffendst heeft weerspiegeld was de recente wereldtop over maatschappelijke ontwikkeling, de jongste in een reeks internationale door de Verenigde Naties bijeengeroepen vergaderingen van wereldleiders. Maar hoe klein de direkte invloed van dergelijke evenementen op het beleid van regeringen ook is, hoeveel onverschilligheid en onwetendheid er ook over heerst onder de overgrote meerderheid van de wereldbevolking, het achter elkaar zien plaatsvinden ervan duidt voor iedere Bahá'í die dit beziet op een geleidelijke ontwikkeling in de richting van de uiteindelijke vervulling van Bahá'u'lláhs wil, dat de regeerders van naties bij elkaar komen om te beraadslagen en te beslissen over de actuele problemen waarvoor een samenleving die steeds meer wereldwijd wordt zich gesteld ziet.

3. Die gedenkwaardige gebeurtenis in Kopenhagen bood een goede gelegenheid voor een indrukwekkende Bahá'í inspanning waarbij circa 250 vrienden uit meer dan 40 landen betrokken waren, om de deelnemers aan de topconferentie en het bijbehorende NGO forum bekend te maken met de geneesmiddelen die de Goddelijke Geneesheer heeft voorgeschreven. Deze inspanning werd ook na de topconferentie voortgezet en duurt nu nog voort op vele plaatsen over de hele wereld. Dankbaar juichen wij de Bahá'í instellingen, bureaus en individuen die deze vloedgolf van activiteiten vóór, tijdens en na de topconferentie hebben voortgebracht van harte toe, want zij heeft geresulteerd in zowel de verdere vooruitgang van onze wereldgemeenschap bij het beïnvloeden van de processen die tot de Kleine Vrede leiden, als een verveelvoudiging van mogelijkheden om de hervormende Boodschap van Bahá'u'lláh verder te verspreiden. Naarmate dergelijke wereldgebeurtenissen met steeds grotere regelmaat plaatsvinden en de Bahá'í gemeenschap haar doelen met toegenomen intensiteit nastreeft, kunnen wij duidelijker zien hoe de parallelle processen waarover Shoghi Effendi enkele tientallen jaren geleden schreef elkaar steeds dichter naderen; het ene proces leidt tot de politieke eenheid der naties, het andere tot de uiteindelijke vereniging van de harten in één gemeenschappelijk geloof.

4. Wij maken deze constateringen tegen een bemoedigende achtergrond van ontwikkeling in de Bahá'í gemeenschap gedurende het tweede jaar van het Driejarenplan. Nog aangrijpender dan de sprong in extern gerichte activiteiten op plaatselijk en nationaal niveau zijn de bewijzen van een kwalitatieve verandering in de respons van gelovigen overal op de oproep om te onderrichten. Deze toename van onderrichtsactiviteit duidt op een dieper begrip van deze onontkoombare persoonlijke plicht, een bemoedigende situatie, die het resultaat is van verschillende stimulerende factoren, die alle tezamen veel goeds voorspellen voor de langverwachte toevloed van groepen nieuwe gelovigen. Onder deze factoren zijn de aandacht die de compilatie over toetreding in groepen, die in steeds meer talen verschijnt, krijgt, de invloed van het feit dat Internationale en Continentale Raadgevers zich over de hele wereld begeven, de evolutie in het functioneren van de Hulpraadsleden en hun assistenten, het effect van de nadruk die de opvoeding van kinderen krijgt, en het elan waarmee de jongeren onderrichtsprojecten op gang brengen en deelnemen aan een scala van andere Bahá'í activiteiten.

5. Een bijdrage aan dit positieve beeld wordt geleverd door de steeds toenemende kracht van de Geestelijke Raden, die te kampen hebben met veelvuldige uitdagingen, terwijl ze in de eerste plaats pogen zich te richten op de behoeften van het onderrichtswerk. Wij denken vooral aan de lasten die de Nationale Geestelijke Raden dragen nu de gemeenschappen in hun gezagsgebied steeds diverser van samenstelling worden, en er steeds complexere eisen worden gesteld aan hun leiding en bijstand.

6. De gezamenlijke indruk die de verschillende ontwikkelingsstadia waarin de gemeenschap is beland maken wijst erop dat er veel aandacht wordt besteed aan het drievoudige thema van het Plan: het versterken van de levenskracht van het geloof van de individuele Bahá'ís, het sterk ontwikkelen van de menselijke hulpbronnen van de Zaak en het bevorderen van het functioneren van de plaatselijke en nationale Bahá'í instituten. Maar aangezien er op deze gebieden nog veel te doen is, wordt er een krachtiger respons vereist van individuen en instituten, wil onze gemeenschap de verwoestende uitwerking van een algemeen heersend moreel verval bestrijden, een massaal leger van toegewijde zielen op de been brengen om te voldoen aan de eisen die worden gesteld door het onderricht en door het bestuurlijke werk van het Geloof, en onze instituten in gereedheid brengen voor de taken die een explosieve groei van de gemeenschap zeker zal stellen.

7. Essentieel voor een doelmatige respons op de uitdagingen waar de gemeenschap nu voor staat zijn de volgende vereisten die in het bijzonder zijn gericht aan het individu en de Plaatselijke Geestelijke Raad: Aan de ene kant is er de plicht en het voorrecht van het initiatief dat iedere individuele gelovige moet nemen bij het onderrichten van de Zaak en het verkrijgen van een dieper begrip van het doel en de eisen van het Geloof. Parallel aan de uitoefening van dit initiatief loopt de noodzaak dat de individuele gelovige deelneemt aan collectieve inspanningen als bijeenkomsten en projecten van de gemeenschap. Aan de andere kant is er de rol van de Plaatselijke Geestelijke Raad om de initiatieven van individuele gelovigen zo veel mogelijk toe te juichen en aan te moedigen, en er zo goed mogelijk ruimte voor te scheppen; bovendien is er de verantwoordelijkheid van de Raad om plannen te ontwikkelen of te bevorderen waarin gebruik wordt gemaakt van de talenten en mogelijkheden van de individuele gemeenschapsleden, en waarin individuen bij collectieve acties worden betrokken, zoals onderrichts- en ontwikkelingsprojecten, instituten en andere groepsactiviteiten. Serieuze pogingen om deze onafscheidbare vereisten te verwezenlijken zullen resulteren in groei en consolidatie van de gemeenschap en het bevorderen van een klimaat van verenigde daadkracht.

8. Gedurende het laatste jaar was er een scherpe stijging in het aantal bezoeken aan het Wereldcentrum door hoge regeringsambtenaren, andere hoogwaardigheidsbekleders en mediavertegenwoordigers, waaruit blijkt dat het belang van het geestelijke en bestuurlijke centrum van het Geloof in de ogen van de wereld toeneemt. Dit lijkt een tendens te bevestigen in de richting van grotere bekendheid bij de nationale regeringen met het zich ontwikkelende centrum van een wereldgeloof. Als we deze tendens waarnemen vanaf de Berg Gods, de plaats van de huidige bouwprojecten, en haar in samenhang met de ontwikkelingen in plaatselijke en nationale Bahá'í gemeenschappen beschouwen, groeit ons besef van de zich ontvouwende werkelijkheid van de visie die Shoghi Effendi toonde toen hij uitlegde wat het betekent om gebouwen op te trekken die de wereldwijde bestuurlijke zetel van het Geloof van Bahá'u'lláh vormen. "Dit geweldige en onweerstaanbare proces," zij hij, "zal synchroon lopen met twee net zo belangrijke ontwikkelingen: de vestiging van de Kleine Vrede en de evolutie van de nationale en plaatselijke Bahá'í-instituten." Het is een visie waardoor, gegeven de toestand van de wereld, het op schema voltooien van de Carmelprojecten dringend noodzakelijk wordt.

9. Deze projecten maken opmerkelijk snel voortgang; de omvang en ontluikende pracht ervan doen pelgrims, toeristen en de plaatselijke bewoners versteld staan. Er wordt aan alle bouwwerken tegelijk gewerkt. Het werk aan zeven van de terrassen onder en vijf boven de graftombe van de Báb is in volle gang. Dit jaar zijn er meer bouwcontracten getekend dan in enig voorgaand jaar, waaronder het contract dat werd toegekend aan een Italiaanse firma voor de levering van het marmer voor de gebouwen aan de Ark. Het werk heeft duidelijk een vaart gekregen die geen oponthoud meer kan lijden. Een daarmee overeenstemmende vaart in de stroom van bijdragen is daarom noodzakelijk, wil de overgebleven veertig miljoen dollar die benodigd is voor het doel van het Driejarenplan, vierenzeventig miljoen dollar, voor Ridván 1996 bijeengebracht worden.

10. Het nieuwe jaar begint veelbelovend met de vorming van vijf Nationale Geestelijke Raden deze Ridván. Wij worden op de vijf inaugurele nationale conventies vertegenwoordigd door Hand van de Zaak van God Amatu'l-Bahá Ruhíyyih Khanum in Armenië en Georgië, Hand van de Zaak `Ali-Muhammad Varqá in Wit-Rusland en op Sicilië, Raadgever Hushang Ahdieh in Eritrea. Bovendien zullen in deze periode de gemeenschappen van Bophuthatswana, Ciskei, Zuid-Afrika en Transkei samengaan onder de jurisdictie van één Nationale Geestelijke Raad van Zuid-Afrika, om de recente politieke hereniging van dit gebied te weerspiegelen. Als gevolg hiervan zal het aantal Nationale Geestelijke Raden over de hele wereld stijgen van 172 tot 174.

11. Geliefde medewerkers: nog meer dan door de noodzaak om onze doelen te behalen, worden we door de huidige benarde toestand van de mensheid gesommeert onze daadkracht te verdubbelen. De stormwolk van wanhoop die boven het lot van een geesteszieke wereld hangt is in werkelijkheid het voorteken van de lenteregen die de geestelijke en materiële dorst van ieder volk kan lessen. Hij hoeft alleen maar door aanhouden en overtuigd onderrichten te worden bestrooid. Hoewel het volbrengen van dit onderricht voor bekrachtiging afhankelijk is van het werk van Bahá'í instituten, rust het in de eerste en laatste plaats op de schouders van individuele Bahá'ís.

12. Laat u niet hinderen of bang maken door overmatige zelfkritiek of gevoelens van onvolkomenheid, onkunde of onervarenheid. Begraaft uw angsten in de beloftes van Bahá'u'lláh. Heeft Hij niet verzekerd dat op een ieder die Zijn Naam noemt de "heerscharen van goddelijke inspiratie" zullen neerdalen en dat op zo iemand de "Schare uit den hoge zal neerdalen waarbij elkeen een kelk uit zuiver licht omhoog houdt"? Komt dan naar voren in de arena waar al Zijn geliefden even dringend worden uitgenodigd, even grote uitdagingen krijgen en overvloedig gezegend worden. Want onderrichten, bevestigd Bahá'u'lláh zelf, is de "verdienstelijkste aller daden". En op dit uitzonderlijke tijdstip in de geschiedenis van de planeet, is niets van crucialer belang dan het uitnodigen van mensen van alle typen en alle talenten tot het feestmaal van de Heer der Heerscharen.

13. Bij het verzenden van deze brief staat ons een duidelijke visie voor ogen van onnoemelijke overwinningen die klaar staan om geoogst te worden. Wij zijn er zeker van dat u een aaneenschakeling hiervan kunt behalen in de resterende tijd van het Driejarenplan. Naar juist dit resultaat moet serieus gestreefd worden, om de weg te bereiden voor de volgende wereldwijde onderneming die Ridván 1996 van start gaat. Dan zal er een wereldomvattende campagne worden gemobiliseerd om een passend crescendo te bewerkstelligen voor wat er is volbracht in een eeuw die door niemand minder dan `Abdu'l-Bahá zelf werd beschouwd als een periode die "eeuwigdurende sporen zal achterlaten."

Met liefdevolle Bahá'í groeten,

Eén jaar van het Driejarenplan ligt nu achter ons, een jaar waarin het tumult van de wereld zowel hoop als vrees deed ontstaan in de harten en zielen, zowel optimisme als wanhoop, zowel bewondering voor 's mensen moed als schaamte over de wreedheden waartoe de mensheid zich kan verlagen. Temidden van deze beproevingen rukken de volgelingen van Bahá'u'lláh op, vol vertrouwen en met een heldere visie, en richten zij de structuur van Gods koninkrijk op, impregneren zij de samenleving met een nieuwe geest, en tonen zij alle mensen de levengevende uitwerking van de goddelijke leringen.

2. Op het Wereldcentrum betekende de 23e mei het begin van een nieuwe periode van vijf jaar voor het lidmaatschap van het Internationaal Onderrichtscentrum. Tijdens onze eerste gezamenlijke vergadering juichten wij de vele initiatieven toe die het gedurende de voorliggende periode had ontplooid, en drongen wij erop aan dat deze verder ontwikkeld zouden worden. Opmerkelijk onder deze initiatieven waren de richtlijnen die de Continentale Raadgevers hadden gekregen om consultatie te bevorderen op plaatselijk en nationaal niveau tussen instituten en gelovigen, waardoor groeiprocessen in de Bahá'í gemeenschap ontstonden en in stand gehouden werden. Opmerkelijk was ook het toenemend verduidelijken van verschillende benaderingen van het onderrichtswerk. Naarmate het jaar verstreek hebben deze activiteiten de impuls versterkt die door de Raadgevers, de hulpraadsleden en hun assistenten aan de ontwikkeling van het Geloof en zijn instituten wordt gegeven, waarmee zij het inzicht en de bemoediging die zij de Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden en gelovigen schenken versterken.

3. De groeiende reputatie van het Geloof in de ogen der wereld, en de aandacht die dit vestigt op het Wereldcentrum, onderstrepen het belang van het voltooien van de Terrassen van de Graftombe van de Báb en de gebouwen voor het Wereldbestuurscentrum van de Zaak van Bahá'u'lláh. Na het speciale verzoek dat uitging naar de Bahá'í wereld om in de loop van het Driejarenplan vierenzeventig miljoen dollar voor dit project op te brengen was de respons hartverwarmend, en wij hopen vurig dat de voortzetting van deze geest van opoffering zal resulteren in het spoedig bereiken van dat doel, en de ononderbroken voortgang van het werk zal garanderen, waardoor Gods Heilige Berg bewonderende blikken van zowel bezoekers als bewoners zal oogsten.

4. Door het bestuderen van de Kitáb-i-Aqdas wordt het leven van de gewone gelovigen verhelderd. Het bewustzijn van het belang van het hooghouden van de beginselen van het Geloof en het gehoorzamen aan de wetten ervan stijgt. Het algemeen geldig verklaren van de wet van Huqúqu'llah heeft een enthousiaste reactie teweeggebracht. Het bewustzijn van de vrienden dat zij de persoonlijke verplichting hebben het Geloof te onderrichten neemt toe. Nu zij zich van hun geestelijke verantwoordelijkheden kwijten en leren meer op de bevestigingen van Bahá'u'lláh te vertrouwen, vinden zij nieuwe levenskracht in hun geloof, en nieuw vertrouwen in hun hart. Dit zijn allemaal terreinen waarop het individu met het ondernemen van actie niet hoeft te wachten op aansporingen of hulp. Iedere gelovige staat voor de uitdaging om zelf, slechts met behulp van de kracht van de Almachtige, deze geestelijke krachten te ontwikkelen die onmetelijk zullen bijdragen aan de ontplooiing van de gemeenschap.

5. De menselijke hulpbronnen van de Zaak worden op twee manieren vermeerderd. Bekwame mensen worden ertoe bewogen om het Geloof te aanvaarden, waarmee de gelederen van diegenen die al dienstbaar zijn worden versterkt. Deze laatsten hebben op hun beurt hun ervaring verrijkt en meer bekwaamheden verworven door de Geschriften diepgaander te bestuderen en door ze in hun daden tot uitdrukking te laten komen. Doordat de vrienden inzagen dat zij hun begrip van de leringen en de toepassing ervan op de maatschappij systematischer moesten verdiepen, zijn zij steeds meer gebruik gaan maken van workshops en instituten, met merkbaar succes. In de komende jaren moeten deze twee processen - het aantrekken van bekwame mensen en het doen toenemen van onze eigen mogelijkheden - verder bevorderd worden, waarbij persoonlijke actie en de harmonieuze ontwikkeling van een breed scala aan activiteiten voor de bevordering van het Geloof gestimuleerd worden.

6. Naarmate de mogelijkheden van de gelovigen persoonlijk zich ontvouwen, worden ook de plaatselijke en nationale Bahá'í instituten beter in staat gesteld de kwaliteit van het leven in hun gemeenschap te bevorderen en fantasierijke programma's te bedenken en uit te voeren. In veel gebieden hebben Plaatselijke Geestelijke Raden samengewerkt aan het onderrichten van het Geloof in een streek. Evenzo hebben Nationale Geestelijke Raden vernieuwende projecten uitgedacht om de kansen aan te grijpen die zich door ontwikkelingen buiten de Zaak voordoen. Enkele voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn, op heel verschillende terreinen, het Open-Briefproject in Albanië, de respons op de buitengewone ontvankelijkheid van de autoriteiten en de algemene bevolking van de Siberische republieken Sacha en Boerjat, en het verdrag dat werd ondertekend door de Nationale Geestelijke Raad van de Marshall eilanden en het plaatselijk bestuur van het atol Majuro als gevolg van het verzoek van de overheid aan de Bahá'ís om de verantwoordelijkheid voor het runnen van vijf openbare basisscholen op zich te nemen.

7. Door de ontwikkeling van plaatselijke en nationale Bahá'í instellingen is een grotere mate van decentralisatie van het bestuurlijke werk mogelijk geworden. Voor de uitbreiding van dit gunstig uitwerkende proces is het echter in de meeste landen absoluut noodzakelijk om het functioneren van de Plaatselijke Geestelijke Raden snel te verbeteren. Dit moet de serieuze aandacht van iedere gelovige krijgen. Deze plaatselijke Bahá'í Instituten, die in de Kitáb-i-Aqdas zelf verordend zijn, vormen een reservoir van kracht en leiding, waardoor de doelmatigheid van het werk van het Geloof versterkt zal worden naarmate zij volwassener worden.

8. Wij leven temidden van bevolkingsgroepen die dringend behoefte hebben aan de boodschap van Bahá'u'lláh. Het is onze plicht om deze helder en overtuigend op zoveel mogelijk zielen over te brengen. Het duister en het lijden dat ons omringt zijn niet alleen tekenen van die behoefte, maar bieden ons ook een kans die wij niet moeten laten liggen. Het overbrengen van de boodschap is pas de eerste stap. Vervolgens moeten we ervoor zorgen dat deze wordt begrepen en toegepast, want, zoals we kunnen lezen in een van de brieven die namens Shoghi Effendi werden geschreven: "Pas als het publiek in de Bahá'í gemeenschap een toonbeeld in werking ziet van iets beters dan wat er al is, zal het in grote getale gehoor geven aan het Geloof". Als mensen de Zaak aanvaarden, dan moeten ze, met behulp van de leringen, hun betrekkingen met elkaar en met hun medeburgers ontwikkelen zodat er geleidelijk een werkelijke Bahá'í gemeenschap tot stand komt, een licht en een toevluchtsoord voor hen die radeloos zijn.

9. Na de glorierijke gebeurtenissen van het heroïsche tijdperk van het Geloof vond toetreding in groepen van de volkeren der wereld tot de Zaak van God voor het eerst plaats in Afrika gedurende het beleid van Shoghi Effendi, waarna het zich naar andere gebieden verspreidde. Geleidelijk leren de Bahá'í gemeenschappen van deze gebieden door ervaring, en ontwikkelen zij methodes en programma's die tot doel hebben deze grote getalen gelovigen bij elkaar te brengen in functionerende gemeenschappen en een sterke basis te leggen voor aanhoudende groei. Om hen te helpen bij hun streven, om de Bahá'ís in andere landen te helpen dit proces in werking te stellen en in stand te houden, en om de misvattingen die een zo prikkelend idee onvermijdelijk omringen weg te nemen is de compilatie over "Het bevorderen van toetreding in groepen" uitgegeven. Het bestuderen en toepassen van de beginselen en benaderingen die daarin beschreven worden, zal iedere onderrichter van het Geloof en iedere Bahá'í gemeenschap ongetwijfeld helpen, of dat nu is in een gebied waar toetreding in groepen al vele jaren aan de gang is, of ergens waar er nog nog niets van te zien is. Wat dit laatste betreft, het zal de gelovigen helpen overtuigd te raken van de werkelijkheid en geldigheid van dit proces, en de Bahá'í gemeenschap in staat stellen om zich geestelijk en materieel voor te bereiden op deze sprong voorwaarts, om deze gebeurtenis enthousiast te verwachten, die stappen te ondernemen die het begin ervan zullen bevorderen, en maatregelen te treffen die de groei ervan zullen bestendigen.

10. Door de opmerkelijke stijging in internationale samenwerking in het afgelopen jaar, het vestigen van pioniers en de stroom van reizende leraren, is het netwerk van de Bahá'í gemeenschap steeds hechter geworden. Hierbij vooropgaand heeft Amatu'l-Bahá Rúhíyyih Khánum, ter bemoediging van de vrienden en voor de verkondiging van het Geloof, een inspannende reis gemaakt door Rusland en andere landen die voormalig deel van de Sovjetunie waren, van de Baltische staten in het Westen tot Siberië in het Oosten, van de Centraal-Aziatische republieken tot aan St. Petersburg en Jakoetsk in het Noorden.

11. Deze Ridván worden er zeven inaugurele nationale conventies gehouden. Onze vertegenwoordigers bij deze historische gebeurtenissen zullen zijn: Hand van de Zaak Amatu'l-Bahá Rúhíyyih Khánum bij de verkiezing van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Cambodja in Phnom Penh, en bij die van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Mongolië in Ulaan Baatar, Hand van de Zaak `Alí-Muhammad Varqa bij de verkiezing van de Regionale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Slovenië en Kroatië in Ljubljana, raadgever Lauretta King bij de verkiezing van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Kazachstan in Alma Ata, en bij die van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Kirgizië in Bisjkek en raadgever Shapoor Monadjem bij de verkiezing van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Tadzjikistan in Doesjanbe, en bij die van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Oezbekistan in Tasjkent. De huidige Regionale Geestelijke Raad van Centraal Azië, gevestigd in Asjchabad, zal dan de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Toerkmenistan worden.

12. Het einde van de eeuw nadert snel. Er is zo weinig tijd en zoveel te doen. Wij doen een beroep op iedere volgeling van Bahá'u'lláh om zijn uiterste inspanning te wijden aan de twee hoofdtaken van het onderrichten van het Geloof aan iedere dorstende ziel en het voorzien in de materiële middelen voor het voltooien van de monumentale projecten op de berg Karmel. Wat ook de uiterlijke toestand van de mensheid in het komende jaar moge zijn, de Bahá'í gemeenschap moet sterker worden, duidelijker tonen hoe haar levenswijze zich onderscheidt van andere, vol vertrouwen naar voren treden om haar boodschap te verkondigen en te onderrichten, en in steeds grotere hoeveelheden de bevestigende hulp van de legers van de hoogste Heerscharen aantrekken. Bij ieder aspect van dit werk ligt de sleutel tot de overwinning bij de individuele Bahá'í.

Wij hebben de koning der feesten bereikt in de niet afgenomen gloed van de geweldige zegeningen van het Heilig Jaar dat we zojuist hebben meegemaakt, bevestigd en met hernieuwde energie voor onze heilige taak. Want het was een tijd waarin de Abhá Schoonheid het licht van Zijn genade zo overvloedig over Zijn wereldwijde gemeenschap liet schijnen, dat de inspanningen van Zijn volgelingen om twee zo belangrijke gebeurtenissen als Zijn hemelvaart en de aanvang van Zijn Verbond na honderd jaar te herdenken met verbazingwekkend succes bekroond werden. Deze herdenkingspauze leverde een verkondiging van de Grootste Naam op zoals die nooit tevoren over de hele wereld te horen was; maar wat zo duidelijk een uiterlijk verschijnsel was, was een opmerkelijke weerspiegeling van het innerlijk bereiken van een dieper begrip van onze relatie tot Bahá'u'lláh. Ons eigen groeiende besef van hoe universeel de gemeenschap is, en hoe zij het eerste en overkoepelende beginsel van Zijn geloof belichaamt, heeft een nieuwe en onweerstaanbare indruk op ons hart achtergelaten; het gevolg van dat besef was markant zichtbaar bij de herdenking in het heilige land in mei, en op nog grotere schaal op het wereldcongres in november, als om onze zekerheid in deze wanhopig moeilijke tijden te bevestigen dat de mensheid onverbiddelijk op weg is naar de haar nu nog steeds ontglippende bestemming van eenheid en vrede. Tijdens het heilig jaar zijn wij op geestelijke vleugels naar een bergtop gebracht waarvandaan wij de snel naderende glorie hebben gezien van de onsterfelijke belofte van de Heer dat de gehele mensheid op een dag verenigd zal zijn.

2. Het zou te ver voeren om de boeiende details van alle gebeurtenissen van dit jaar hier te beschrijven, want de werking van de Heilige Geest was overal voelbaar, waardoor de activiteiten van de vrienden doortrokken waren van een geheimzinnige kracht. Laten wij volstaan met het noemen van hoogtepunten zoals, in mei, het bijeenkomen van het grootste aantal Bahá'ís ooit in het heilige land; de processie rond de graftombe van Bahá'u'lláh door vertegenwoordigers van vrijwel ieder land; de aanwezigheid van bijna alle nog in leven zijnde Ridders van Bahá'u'lláh bij het plaatsen van de ererol bij de toegangsdeur van de allerheiligste graftombe; het ongeëvenaarde aantal en de enorme diversiteit van de deelnemers aan het wereldcongres, waaronder heel veel jongeren die hun eigen programma hadden; de processie van de vertegenwoordigers van de rassen en naties der wereld bij die spectaculaire gelegenheid; de satelliet-uitzending die het congres en het wereldcentrum met alle continenten verbond. Dit waren ervaringen van zeldzame klasse, waardoor de roem van de honderdjarige herdenkingen onsterfelijk is geworden.

3. Door de ontelbare, inventieve inspanningen die de vrienden zich hebben getroost om deze belangrijke gebeurtenissen over de hele wereld te herdenken, van afgelegen dorpjes tot grote steden, werd opnieuw aangetoond hoe hecht het geloof van Bahá'u'lláh is gevestigd, en ontstond er op vele gebieden onderrichtswerk, met ongewone en verrassende resultaten. De ongekende publiciteit die het doel en de activiteiten van het Heilig Jaar via de massamedia gekregen hebben, in kleinere en grotere landen, de aandacht die door overheden en regeringsfunctionarissen besteed is aan de honderdjarige herdenking, de tekenen van erkenning en waardering voor het geloof van overheidsorganen, de betrokkenheid van vertegenwoordigers van de Bahá'í International Community bij belangrijke mondiale gebeurtenissen, zoals de conferentie over milieu en ontwikkeling van de Verenigde Naties (UNCED) in Rio de Janeiro in juni, ter gelegenheid waarvan er een openbaar monument met een opschrift uit de geschriften van Bahá'u'lláh en een grote afbeelding van de Grootste Naam werd onthuld: ontwikkelingen als deze geven duidelijk aan dat het prestige van de gemeenschap bij het publiek gestegen is.

4. Losstaand van al deze opmerkelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, maar nog belangrijker vanwege de verreikende consequenties voor de hele mensheid, was de uitgave met Naw-Rúz van de geannoteerde Engelse vertaling van de Kitáb-i-Aqdas, het Allerheiligste Boek. Wij zijn de tijd die `Abdu'l-Bahá voor ogen stond een stap dichter genaderd: "Wanneer de wetten van het Heiligste Boek worden uitgevoerd," zegt de Meester, "[zal] wereldvrede... zijn tent opslaan in het midden der aarde, en de gezegende Boom des Levens zal zó zeer groeien en zich uitspreiden dat hij het oosten en het westen zal overschaduwen."

5. Het jaar van de herdenkingen was tevens een periode waarin de situatie in de wereld verwarder en paradoxaler werd: er waren tegelijkertijd tekenen van orde en van chaos, van belofte en frustratie. Temidden van de verwikkelingen van de huidige toestand in de wereld, maar met het gevoel van verwondering en vreugde, moed en geloof waartoe het Heilige Jaar ons gemoed heeft geïnspireerd, zijn wij met deze Ridván, in het honderdvijftigste jaar van ons geloof, begonnen aan een Driejarenplan. Dat het plan zo kort is is noodzakelijk vanwege de snel wisselende getijden in de wereld. Maar het hoofddoel ervan is van levensbelang voor de toekomst van de Zaak en van de mensheid. Het is het volgende stadium in de ontvouwing van het goddelijke onderrichtsplan dat door het Middelpunt van het Verbond is opgetekend. Het plan zal een maatstaf zijn van onze vastberadenheid om de geweldige mogelijkheden van dit cruciale moment in de maatschappelijke evolutie van de planeet aan te grijpen. Als de opzet ervan resoluut wordt nagestreefd, en als de erin gestelde doelen volledig gerealiseerd worden, aangepast aan de omstandigheden van iedere nationale gemeenschap, zal de weg worden vrijgemaakt voor een passend beeld van de rol van het geloof met betrekking tot de onontkoombare uitdagingen waar de hele mensheid voor zal komen te staan tegen het einde van de snel verstrijkende, door het noodlot beladen twintigste eeuw.

6. Er is een reusachtige uitbreiding van de Bahá'í gemeenschap nodig, die alles wat eerder bereikt is verre te boven gaat. De taak van het verspreiden van de Boodschap onder de overgrote meerderheid van de mensen in dorpen en steden moet snel worden uitgewerkt. Dit is van cruciaal belang, omdat anders de met veel moeite opgerichte organen van het bestuursstelsel niet de ruimte zullen krijgen hun inherente vermogen te ontwikkelen en te tonen, het vermogen om de schrijnende noden van de mensheid in haar uur van toenemende wanhoop te lenigen. In dit kader moet de wederkerigheid van onderricht en bestuur goed worden begrepen en benadrukt, omdat zij elkaar versterken. De problemen uit de maatschappij waar onze gemeenschap ook onder te lijden heeft, en de problemen die van nature uit de gemeenschap zelf voortkomen, sociale, geestelijke, economische en bestuursproblemen, worden opgelost wanneer ons aantal en onze mogelijkheden toenemen, en wanneer de vrienden in alle lagen van de gemeenschap het vermogen, de wil, de moed en de vastberadenheid ontwikkelen om de wetten van het geloof te gehoorzamen, de beginselen ervan toe te passen en de aangelegenheden ervan in overeenstemming met de goddelijke voorschriften te besturen.

7. Het nieuwe plan is opgebouwd rond een drievoudig thema: het stimuleren van de levenskracht van het geloof van de individuele Bahá'ís, het sterk ontwikkelen van de menselijke hulpbronnen van de Zaak en het bevorderen van het functioneren van de plaatselijke en nationale Bahá'í instituten. Hiermee wordt de aandacht gevestigd op voorwaarden voor succes bij het werken aan de vele doelen van het plan in deze turbulente tijden.

8. Naast de duidelijke tekenen van moreel verval, waardoor de fundamenten van beschaving met de dag meer worden aangetast, worden deze beeldende woorden van Bahá'u'lláh zeer urgent: "In ieder land sterft de levenskracht van 's mensen geloof in God uit. Alleen Zijn heilzaam geneesmiddel kan deze ooit herstellen. De voortwoekerende goddeloosheid vreet in de organen van de menselijke samenleving. Kan iets anders dan het Elixer van Zijn machtige Openbaring haar zuiveren en hernieuwen?" Deze woorden hebben speciale implicaties voor het handelen van iedereen die de Heer des Tijds heeft erkend. Een wezenlijk gevolg van deze erkenning is een geloof dat dwingt tot aanvaarding van Zijn geboden. Een waarborg voor intens geloof is innerlijke transformatie, die heilzame verwerving van een geestelijk en moreel karakter, die het gevolg is van gehoorzaamheid aan de goddelijke wetten en beginselen. Een geweldige stimulans hiervoor is het uitbrengen van de geannoteerde Kitáb-i-Aqdas in het Engels, en de geplande snelle publikatie ervan in andere belangrijke talen; een krachtige uitstorting van goddelijke leiding, waardoor ieders geloof de levenskracht kan krijgen die zo essentieel is voor geestelijk welzijn en geluk, en voor het verstevigen van de samenhang van de gemeenschap. Even belangrijk voor het bevorderen van deze levenskracht is het aankweken van een gevoel van geestelijkheid, dat mystieke gevoel dat de gelovige met God verenigt, en dat door meditatie en gebed wordt verkregen.

9. Vorming van de vrienden en hun streven om, door serieuze zelfstudie, kennis van het geloof te vergaren, teneinde de principes ervan toe te passen en bestuurszaken te regelen, zijn onontbeerlijk voor het ontwikkelen van de menselijke hulpbronnen die nodig zijn voor de voortgang van de Zaak. Maar kennis alleen is niet voldoende: het is essentieel dat de vorming geschiedt op een manier die tot liefde en toewijding inspireert, standvastigheid in het Verbond stimuleert en uitnodigt tot actieve deelname aan het werk voor de Zaak en tot het nemen van gezonde initiatieven om haar belangen te behartigen. Wanneer er extra moeite wordt gedaan om mensen met bijzondere capaciteiten tot het geloof aan te trekken zal ook dit bijdragen aan het leveren van de hulpbronnen die nu zo enorm nodig zijn. Bovendien zal dit de bekwaamheid van de Geestelijke Raden om hun zware verantwoordelijkheden te dragen stimuleren en doen groeien.

10. Het naar behoren functioneren van deze instituten hangt voor een groot deel af van de inspanningen van de leden om bekend te raken met hun plichten en om zich in hun persoonlijk gedrag en bij het uitvoeren van hun officiële taken strikt aan de principes te houden. Hiervoor is het ook belangrijk dat zij vastberaden zijn alle sporen van vervreemding en sekte-achtige neigingen uit hun midden te wissen, dat zij de genegenheid en de steun kunnen winnen van de vrienden onder hun hoede en dat zij zo veel mogelijk gelovigen bij het werk voor de Zaak kunnen betrekken. Doordat zij er voortdurend op gericht zijn hun prestaties te verbeteren, zullen de gemeenschappen die zij leiden een leefpatroon laten zien dat een sieraad voor het geloof zal zijn en dat, als prettige consequentie, hoop zal doen herleven bij de steeds meer gedesillusioneerd rakende leden van de maatschappij.

11. Terwijl de Nationale Geestelijke Raden, met de bereidwillige ondersteuning van de Continentale Raadgevers, de koers voor dit korte tijdsbestek uitzetten, zullen op het Wereldcentrum zeer uiteenlopende activiteiten over de hele wereld worden gecoördineerd, waarbij verder richting wordt gegeven de externe betrekkingen van het geloof, nu de Bahá'í International Community steeds meer betrokken raakt bij het oplossen van wereldproblemen. Tegelijkertijd zullen de gigantische bouwprojecten op Gods heilige berg met weloverwogen spoed worden voortgezet. Deze projecten maken deel uit van een proces dat Shoghi Effendi duidelijk synchroon zag lopen met twee net zo belangrijke ontwikkelingen: de vestiging van de Kleine Vrede en de evolutie van de nationale en plaatselijke Bahá'í-instituten. Aan het eind van het plan zullen alle nog overgebleven bouwfases van de projecten op de Karmel zijn gestart: de draagstructuur van het Internationale Onderrichtscentrum, het Centrum voor Studie van de Teksten en de uitbreiding van het Internationale Archiefgebouw zullen overeind staan, en zeven terrassen beneden de graftombe van de Báb zullen zijn voltooid.

12. De aanzienlijke uitbreiding van het werk voor de zaak in de afgelopen jaren en de verwachte ontwikkelingen tijdens dit nieuwe plan vereisen materiële middelen die al enige tijd ontoereikend waren, hoewel de bijdragen aan de Bahá'í fondsen aanmerkelijk zijn gestegen. De overal gemelde economische crises zullen waarschijnlijk nog ernstiger worden, maar zowel de economische moeilijkheden als de andere dringende problemen waar de mensheid mee kampt, zullen uiteindelijk pas worden opgelost als de zaak van Bahá'u'lláh het haar toekomende respect van de naties en volkeren krijgt, en als zij materieel voldoende wordt ondersteund door haar verklaarde aanhangers. Mogen de vrienden overal in overweging nemen, individueel en samen met hun Bahá'í instituten, niet bevreesd voor de onzekerheid, gevaren en financiële nood van de naties, wat allen nu te doen staat om deze onontkoombare, heilige verantwoordelijkheid die op hen rust na te komen.

13. Onze oproep tot onmiddellijke, verdubbelde en aanhoudende actie op alle punten van het plan is in de eerste plaats gericht tot de individuele gelovige overal, die in zichzelf de mate van initiatief bezit die het succes van iedere wereldwijde Bahá'í onderneming verzekert, en "van wie, in laatste instantie," zoals onze geliefde Behoeder duidelijk stelt, "het lot van de hele gemeenschap afhangt." De doelen van het Driejarenplan zullen niet gemakkelijk worden behaald, maar ze moeten luisterrijk worden volbracht, ongeacht de offers. Er moet daarom niet geaarzeld of gedraald worden door individuen of door Geestelijke Raden, om te voorkomen dat de problemen van de mensheid zich onbelemmerd opstapelen, of dat wij afgeremd worden door toenemende interne crises. Laat iedereen zich voortdurend realiseren dat wij onze overwinningen behalen door rampspoed en beproeving; wij zetten crisis om in vooruitgang door de gelegenheid aan te grijpen de toepasbaarheid en de overwinningskracht van onze beginselen aan te tonen. In de opmars van de zaak van God hebben crisis en overwinning elkaar immer afgewisseld, en blijken zij steeds de bron van vooruitgang te zijn. Laten wij, terwijl wij nagenieten van de overwinningen van het Heilig Jaar, de waarheid van deze steeds terugkerende ervaring niet vergeten. Laten wij ook onthouden dat onze zegeningen onze uitdagingen evenaren, zoals in ons glorieuze verleden herhaaldelijk is aangetoond.

14. Geliefde vrienden, laat u niet ontmoedigen of afschrikken. Put moed uit de beschutting van Gods wet en bepalingen. Dit zijn de donkerste uren voor het aanbreken van de dag. Er zàl, zoals beloofd, vrede zijn na de nacht. Maakt haast en gaat de dageraad tegemoet.

Triomfen van een onschatbaar voorteken voor de ontplooiing van de Zaak van God hebben het juist afgelopen jaar gekenmerkt, waarvan vele direct zijn voortgekomen uit de standvastige heldhaftigheid van de geliefde Perzen oog in oog met de wrede vervolgingen die hen worden toebedeeld. De uitwerking van deze ontwikkelingen is het aanbod van zulke gouden mogelijkheden voor onderricht en verdere proclamatie dat, indien het krachtig en met enthousiasme wordt aangegrepen, alleen maar kan leiden tot bekering op grote schaal en een toenemend aanzien.

2 Hartverwarmende vooruitgang met de bouw van de Mashriqu'l Adhkárs van India en West Samoa, het openen van het tweede Bahá'í radiostation van Latijns Amerika in Peru, de instelling van het Europese bureau van de Internationale Bahá'í Gemeenschap in Genève, gestadige vooruitgang in de tweede fase van het Zeven Jaren Plan, bemoedigende uitbreiding van de stelselmatige Bahá'í opvoeding van kinderen, opoffering en overvloedige schenkingen van fondsen door een toenemend aantal vrienden, dit alles getuigt van de rijke bekrachtiging waarmee Bahá'u'lláh de toegewijde inspanningen van Zijn geliefden over de hele wereld beloont. De wereldwijde aandacht die het Geloof in de media geschonken wordt, die de deuren voor massaproclamatie van de goddelijke Boodschap wijd geopend heeft, en de welwillende discussie ervan in de hoogste raden van de mensheid, die acties van soevereine regeringen en internationale autoriteiten tot gevolg hadden, zijn zonder voorbeeld in de Bahá'í geschiedenis.

3 Dit alles, geliefde vrienden, belooft veel voor het komende jaar dat rijk is aan Bahá'í gebeurtenissen. De vijftigste gedenkdag van het heengaan van het Grootste Heilige Blad zal herdacht worden tijdens de vijf Internationale Conferenties en met de publicatie van een boek dat samengestelde is in het Wereldcentrum en passages over haar bevat en een honderd van haar eigen brieven; de verhuizing naar de permanente Zetel van het Universele Huis van Gerechtigheid zal plaatsvinden; in november zal de vijfentwintigste herdenking van het heengaan van onze geliefde Behoeder samenvallen met het punt halverwege het Zeven Jaren Plan, en het jaar zal beëindigd worden met de vijfde Internationale Conventie als leden van de Nationale Geestelijke Raden van alom ter wereld naar Haifa zullen komen om het Universele Huis van Gerechtigheid te kiezen.

4 De onderscheiden en onschatbare activiteiten van de geliefde Handen van de Zaak zijn een bron van trots en vreugde voor de hele Bahá'í wereld. De aanvaarding van grotere verantwoordelijkheden door iedere Continentale Raad van Raadgevers bewijst een onverdeeld succes te zijn, en wij betuigen onze warme dank en bewondering aan het Internationale Centrum voor Onderricht en aan alle Raadgevers voor de grote bijdrage die zij in toenemende mate leveren aan de stabiliteit en de ontwikkeling van de embryonale wereldorde van Bahá'u'lláh.

5 Wat betreft de Bahá'í jeugd, de erfgenamen van de heldhaftige vroege gelovigen die nu op hun schouders staan, we doen een beroep op hen hun inspanningen te verdubbelen om in deze dagen van wijdverspreide belangstelling voor de Zaak van God hun leeftijdsgenoten in extase te doen geraken door deze goddelijke Boodschap en zich zo voor te bereiden op de dag dat zij ervaren gelovigen zullen zijn, bevoegd welke taken ook die hen worden opgelegd, op zich te nemen. We bieden hen deze passage van de Pen van Bahá'u'lláh aan:

"Gezegend hij die in de bloei van zijn jeugd en de beste Jaren van zijn leven zal opstaan om de Zaak van de Heer van het begin en van het einde te dienen en zijn hart zal sieren met Zijn liefde. De openbaring van zo'n genade is groter dan de schepping van de hemelen en van de aarde. Gezegend zijn de standvastigen en wel ga het hen die vastberaden zijn."

6 De opkomende zon van Bahá'u'lláh's Openbaring heeft zijn zichtbare uitwerking op de wereld en op de Bahá'í gemeenschap zelf. Mogelijkheden waarvan lang gedroomd werd voor onderricht, vergezeld van stromen bevestigingen, dagen nu in steeds toenemende aantallen iedere individuele gelovige, iedere Plaatselijke en Nationale Geestelijke Raad uit. De krachtige zaden, gezaaid door 'Abdu'l Bahá, beginnen nu te ontkiemen in de goddelijk ingestelde Orde die verklaard is en vastgelegd door de geliefde Behoeder. De mensheid is bijna op zijn knieën, geslagen, verbijsterd, en zonder herder, hongerig naar het brood van het leven. Dit is onze dag van dienstbaarheid; wij kunnen dat hemelse voedsel aanbieden. De mensen zijn ontgoocheld, met gebrekkige politieke theorieën, sociale systemen en ordeningen; zij verlangen, bewust of onbewust, naar Gods liefde en vereniging met Hem. Ons antwoord op deze groeiende uitdaging moet een machtige opleving zijn van doeltreffend onderricht, door het geven van het goddelijke vuur dat Bahá'u'lláh in onze harten heeft ontstoken, tot een brand voortkomend uit miljoenen zielen ontvlamd door Zijn liefde, er tenslotte getuigenis van zal afleggen dat de Dag waarvoor de Eerste Hemellichten van ons Geloof zo vurig gebeden hebben, tenslotte gloort.

Het doet het Universele Huis van Gerechtigheid veel genoegen zich op deze Vierde Internationale Conventie te richten tot de leden van de Nationale Geestelijke Raden, bijeengekomen in het Heilige Land, in tegenwoordigheid van de Handen van de Zaak Gods en Raadgevers uit alle werelddelen, en een ogenblik stil te staan om terug te zien op de loop en de vereisten van het Vijfjaren Plan nu wij de drempel van het laatste jaar ervan overschrijden.

2 De opening van het Plan was getuige van de geestdriftige weerklank van de vrienden, de zorgvuldige bestudering die de nationale instellingen van het Geloof maakten van de verwikkelingen en de vereisten ervan, het in werking stellen van het mechanisme en het opstellen van projecten om de doelen ervan te behalen, en de dikwijls grote krachtsinspanning teneinde het eerste van de drie voornaamste doelen - de bescherming en consolidatie van alle overwinningen uit vorige campagnes - veilig te stellen. Deze fase strekte zich in veel landen over een periode van verscheidene maanden uit en ging in andere landen door tot halverwege het Plan.

3 Het middelste jaar van het Plan zag het houden van de Internationale Conferenties en de vele regionale en nationale conferenties die aansluitend werden gehouden, en wijd en zijd de bezieling overdroegen die uit deze acht grote samenkomsten der gelovigen voortvloeide. De bijeenkomsten zetten tot een versnelling van het werk aan en hielpen de gelovigen over de gehele wereld tot een nieuwe realisatie te komen van de verantwoordelijkheid die was toevertrouwd aan de volgelingen van de Grootste Naam voor de geestelijke wedergeboorte van hun medemensen.

4 Wij bevinden ons nu in het laatste stadium van het Plan, en deze Conventie verschaft ons een welkome en gunstige tijd om onze vooruitgang naar waarde te schatten en onze gedachten te richten op het volledige behalen van de doelen ervan.

5 Van de 130 Nationale Geestelijke Raden die gedurende het laatste jaar van het Plan in werking zijn, hebben 50 hun onderrichtsdoelen bereikt of bijna bereikt. Van de overige 80 Nationale Raden maken er zo'n 40 tal vol vertrouwen vorderingen en zijn verzekerd van de overwinning als het huidige tempo in hun onderrichtswerk blijft gehandhaafd. Negen Nationale Geestelijke Raden zijn beperkt door situaties die de vervulling van hun thuisfrontdoelen afhankelijk maken van omstandigheden die buiten hun macht liggen. De resterende 30 nationale Gemeenschappen zijn helaas aanzienlijk achtergebleven, en alleen krachtige en opofferende inspanningen zullen hen in staat stellen hun doelen te behalen.

6 Het tweede van de drie voornaamste doelen van het Plan een enorme en wijd verspreide toename van de Bahá'í gemeenschap geeft een grote, maar geografisch ongelijke vooruitgang te zien. Nu zijn er meer dan 19.000 Plaatselijke Geestelijke Raden en het aantal plaatsen waar Bahá'í wonen is meer dan 83.000. Deze uitbreiding ging vergezeld van een sterk verhoogde toename van proclamatie en van een toenemend gebruik van massamedia, zoals radio en televisie.

7 Er is merkbare vooruitgang geboekt bij het verkrijgen van meer erkenning voor de Zaak Gods en bij het aankweken van goede betrekkingen met de burgerlijke autoriteiten in deze tijd een zaak van vitaal belang nu er een groeiende oppositie is tegen het Geloof van hen die opgeschrikt worden door de vooruitgang ervan, aangezien zij de ware aard en bedoeling van het Geloof verkeerd uitleggen.

8 Enkele van de belangrijkste verworvenheden van het Plan met betrekking tot het derde belangrijke doel waren de ontwikkeling en de duidelijke aard van het Bahá'í leven en de consolidatie en versterking van de structuur der Bahá'í gemeenschap. De geliefde Handen van de Zaak Gods die steeds in de voorste gelederen stonden van zovele aspecten van het werk van het Geloof, hebben op dit gebied zeer grote diensten bewezen.

9 De Plaatselijke Geestelijke Raden middelpunten voor het onderricht van het Geloof en de consolidatie van de gemeenschap krijgen meer ervaring, worden volwassener en wijzer, bewijzen dat zij krachtige werktuigen zijn om het Bahá'í leven te voeden en zij voeren in toenemend aantal de plannen uit voor de vestiging van het Geloof in gebieden buiten hun eigen rechtsgebied, onder de algemene leiding van hun Nationale Geestelijke Raden en met de bemoedigende hulp van de Hulpraden en hun assistenten. Het werk Plaatselijke Geestelijke Raden te vormen is in de nabije toekomst een taak waaraan geen einde komt. Daar de Bahá'í gemeenschap, die over de gehele wereld nog heel dun is verspreid, zich voortdurend en met toenemende snelheid naar nieuwe gebieden beweegt, zullen nieuwe Raden ontstaan die geduldige hulp en opleiding in hun heilige plichten van node hebben.

10 De toewijding en zelfopoffering van de vrienden waardoor zij aangetrokken worden tot de bekrachtiging van Bahá'u'lláh, hebben de grote vooruitgang die tot nu toe is gemaakt tot resultaat gehad. Bewijzen van deze inspanningen zijn te zien in het toenemend aantal nationale gemeenschappen die onder het wijze beheer en de moedige leiding van hun Nationale Geestelijke Raden financieel onafhankelijk worden; in het feit dat steeds meer gelovigen persoonlijk bepaalde doelen, en plannen om te dienen, voor de vooruitgang van het Geloof, op zich nemen; in de vestiging van meer dan 2000 pioniers gedurende het Plan; in de toename van reizend onderricht, individueel en in groepen; in een grotere bewustwording van de kracht van het gebed, en op veel andere manieren. Drie vitale aspecten van het Bahá'í gemeenschapsleven die een opmerkelijke vooruitgang hebben gemaakt in de afgelopen vier jaar zijn: de ontwikkeling van de diensten van de vrouw en van de jeugd, en de Bahá'í opvoeding van kinderen. De jongeren staan reeds lange tijd in de voorste gelederen van het onderrichtswerk en nu verheugt het ons te zien dat de vrouwen, in zoveel landen waar hun capaciteiten voordien grotendeels onbenut bleven, hun kundige diensten aan het leven van de Bahá’í gemeenschap wijden. De opvoeding van Bahá'í kinderen krijgt ook veel aandacht, wat veel goeds belooft voor de toekomstige generaties van Bahá'ís.

11 De ervaring heeft geleerd dat actieve en liefdevolle samenwerking tussen het Continentale College van Raadgevers en Nationale Geestelijke Raden een bijzonder bezielende en krachtgevende factor is in de vooruitgang van het Geloof in alle aspecten van het werk. De groei van de gemeenschap in overweging genomen, werd het aantal van de Continentale Raadgevers gedurende het Plan verhoogd tot 64, en het aantal leden der Hulpraden tot 675. Onder de hun gegeven machtiging hebben de leden der Hulpraden tot nu toe 3.358 assistenten benoemd die nu reeds een belangrijke rol spelen in de vorming en consolidatie van Plaatselijke Geestelijke Raden en het aankweken van de Bahá'í levenswijze in plaatselijke gemeenschappen. Met het coördineren en leiding geven aan het werk van deze Continentale Colleges vanuit het Heilige Land, is het Internationale Onderrichts Centrum nu goed ingewerkt in de uitvoering van zijn verantwoordelijkheden, de indrukwekkende rol aankondigend die het bestemd is te vervullen in het functioneren van het Bestuursstelsel van Bahá'u'lláh.

12 Het Geloof maakt zowel een tijd van reusachtige mogelijkheden en ontwikkeling door als een tijd van groeiende oppositie en toenemende ingewikkeldheid van de problemen waarvoor het komt te staan. De gelegenheden moeten worden aangegrepen en deze problemen worden overwonnen, want deze tijden zijn zò kritiek, dat de loop van de menselijke geschiedenis in de toekomst dagelijks in de weegschaal ligt. Gedurende dit jaar zal het Universele Huis van Gerechtigheid zich beraden over de aard, de duur en de doelen van de volgende fase in de uitvoering van het goddelijke Plan. De hechte basis van het behalen der doelen van het Vijfjaren Plan, van zowel de kwaliteit als de kwantiteit daarvan, is daarom de brandende noodzaak van de maanden die nu voor ons liggen. Laten wij met een geest van optimisme, met vertrouwen, moed en eenheid voorwaarts gaan. Hoe groter de liefde en de eenheid onder de vrienden, des te sneller zal het werk vorderen.

13 Moge de Almachtige de inspanningen van Zijn dienaren zegenen en hen inspireren om in Zijn Geloof op te staan met zulk een stralend ge loof en zelfopoffering dat het de hulp zal aantrekken van de over winnende legers der Allerhoogste Schare.

Verheugd begroeten wij de vorming van nog zeven Nationale Geestelijke Raden en wel die van Burundi, Mauritanië, de Bahama eilanden, Oman, Qatar, de Mariane eilanden en Cyprus; twee in Afrika, één in Amerika, twee in Azië, één in de Stille Zuidzee en één in Europa, waardoor het aantal pilaren van het Universele Huis van Gerechtigheid tot honderddertig is gestegen.

2 Uw Nationale Geestelijke Raad zal de boodschap gericht aan de Internationale Bahá'í Conventie en het nieuws over de vooruitgang van het Vijfjaren Plan, dat bij die gelegenheid werd vrijgegeven, met u delen. Zoals u zult zien, hebben veel nationale gemeenschappen de doelen van het Vijfjaren Plan reeds of praktisch behaald. Deze gemeenschappen moeten zich er nu van verzekeren dat het tempo van uitbreiding en consolidatie dat hun de overwinning bracht, wordt gehandhaafd zodat zij krachtig door zullen gaan met het volgende plan. Met pionieren en reizend onderricht kunnen zij ook hun zustergemeenschappen te hulp komen die, om hun doelen te behalen, nog maanden van intensief werk voor zich hebben. Wij doen vooral op deze laatste gemeenschappen een beroep om hun verdubbelde, vereende en zelfopofferende krachten in te zetten.

3 Wij smeken vurig aan de Heilige Drempel dat de volgelingen van de Gezegende Schoonheid met geestdrift, vertrouwen en toewijding zullen opstaan om te waarborgen dat ieder doel wordt behaald.

(Ter) GELEGENHEID GROOTSTE FEESTDAG BESCHOUWEN WE MET DANKBAAR HART RESULTAAT EERSTE JAAR VIJFJARENPLAN(:) (de) VERKIEZING DEZE RIDVÁN (van) VIJF NIEUWE NATIONALE GEESTELIJKE RADEN(,) VIER IN AFRIKA(,) ÉÉN IN AZIË. ONDANKS VERSLECHTERENDE TOESTAND (van) ZIELTOGENDE BESCHAVING (en) BEWIJZEN (van) ZICH SAMENPAKKENDE WOLKEN (van) WIJDVERBREIDE TEGENSTAND (tegen) GODDELIJKE BOODSCHAP MAKEN (de) GELOVIGEN HELE WERELD VORDERINGEN (met het) BEREIKEN DOELEN. DRIEHONDERDZESENTACHTIG PIONIERS AL GEVESTIGD(,) HONDERDTWEEËNVIJFTIG BEREIDEN ZICH VOOR NAAR POSTEN TE GAAN. NIEUW WERELDWIJD REIS EN ONDERRICHT PROGRAMMA ONTWORPEN DOOR INTERNATIONAAL 0NDERRICHTSCENTRUM NU GELANCEERD DOOR NATIONALE GEESTELIJKE RADEN IN OVERLEG (met) RAADGEVERS. GELIEFDE HANDEN ZAAK VERLENEN (in de) OPRUKKENDE VOORHOEDE (van het) LEGER (van) LICHT VOORTDURENDE LIEFDEVOLLE LEIDING, AANMOEDIGING (en) BESCHERMING VRIENDEN (die) ARBEIDEN (in de) GODDELIJKE WIJNGAARD. WERELDCENTRUM GELOOF RIJKELIJK GEZEGEND DOOR VERWERVING HEILIG HUIS MEESTER(,) GEBOORTEPLAATS SHOGHI EFFENDI BINNEN MUREN 'AKKÁ(;) ZAL SPOEDIG GETUIGE ZIJN (van) BEGIN UITGRAVING (voor) FUNDERINGEN (van de) PERMANENTE ZETEL UNIVERSELE HUIS VAN GERECHTIGHEID IN HEILIGE BODEM (van de) HELLINGEN BERG KARMEL EN IN ITALIË (van de) ONDERTEKENING CONTRACT (voor) MARMER NODIG (voor) MAJESTUEUS BOUWWERK. OP DIT KRITIEKE OGENBLIK MENSELIJKE GESCHIEDENIS LEVEREN (de) DRIE HOOFDDOELEN (van het) PLAN EN ZIJN SPECIALE DOELEN AANHOUDENDE UITDAGING OP VOOR IEDERE INDIVIDUELE BAHÁ'Í(,) VOLWASSENE(,) JONGERE(,) KIND(,) VOOR IEDERE BAHÁ'Í FAMILIE(,) VOOR IEDERE PLAATSELIJKE GEMEENSCHAP EN BOVEN ALLES VOOR IEDERE PLAATSELIJKE GEESTELIJKE RAAD(,) WAARVAN (de) ONTWIKKELING (van) LEVENSBELANG IS (voor het) SUCCES VIJFJAREN PLAN EN VOORTGAANDE ONTPLOOIING (van de) DOOR GOD INGESTELDE BAHÁ'Í SAMENLEVING. MOGEN (de) RESTERENDE DRIEHONDERDVIJFENNEGENTIG PIONIERS SPOEDIG OPSTAAN EN (een) LEGER (van) VRIJWILLIGERS REAGEREN (op) PAS GELANCEERDE REIS EN ONDERRICHT PROGRAMMA. NATIONALE GEESTELIJKE RADEN(,) PLAATSELIJKE GEESTELIJKE RADEN (en) INDIVIDUELE GELOVIGEN (worden) AANGESPOORD KWISTIG BIJDRAGEN (te) GEVEN IN TIJD (en) INSPANNING (voor een) STROOM (van) MATERIËLE HULPMIDDELEN (en) STEUN (aan) IEDERE FASE (van de) UITVOERING (van het) PLAN (in het) KOMEND JAAR. DRINGEND VERZOEK (aan) GELOVIGEN IEDER LAND (zich) MET ONS (te) VERENIGEN (in) GEBEDEN (en) SMEKING (tot de) GEZEGENDE SCHOONHEID ZIJN VERKNOCHTE VOLGELINGEN (te) LEIDEN(,) ONDERSTEUNEN EN BESCHERMEN IN HUN TOEGEWIJDE POGINGEN HUN ZIEL (te) REINIGEN(,) ZIJN BANIER (te) VERHEFFEN (en) ZIJN ZAAK (te) DIENEN.

Met vreugdevol en dankbaar hart brengen wij u de tijding dat het wereldomvattende Negenjaren Plan in een overweldigende overwinning is geëindigd. Het Leger van Licht heeft zijn tweede wereldcampagne gewonnen; het heeft de doelen die het voor de verbreiding heeft gesteld overtroffen, en heeft een waarlijk indrukwekkende mate van universele deelneming te zien gegeven, de tweed doelstellingen van het Plan. Met diepgevoelde dankbaarheid maken wij gewag van de onophoudelijke stromen van kracht die Bahá'u'lláh over Zijn dienaren heeft uitgestort, waardoor het een ieder van ons mogelijk is geworden Hem een klein deel van het werk, de toewijding, de opoffering en de deemoed aan te bieden die Hij zo overvloedig heeft beloond. Ter gelegenheid van het eeuwfeest van de openbaring van het Heiligste Boek legt de Gemeenschap van de Grootste Naam haar bijdrage in de overwinning aan Zijn voeten, daarmede erkennende dat Hij ons die heeft geschonken.

2 Aan het einde van het Negenjaren Plan is de Zaak van God enorm veel meer verspreid en hechter gefundeerd, en zijn de eigen internationale banden sterker aangehaald dan toen het Plan in 1964 werd gelanceerd. Er zijn 95 nieuwe gebieden voor het Geloof opengelegd; de 69 Nationale Geestelijke Raden die de taak van de wereldgemeenschap op zich hadden genomen, zijn nu 113 in getal geworden, 5 meer dan was vereist. Deze embryonale secundaire Huizen van Gerechtigheid worden gesteund door meer dan 17.000 Plaatselijke Geestelijke Raden, 3.000 meer dan voor het doel benodigd waren en 12.000 meer dan bij het begin van het Plan. Er wonen Bahá'ís op 69.500 plaatsen, 15.000 meer dan was vereist, en 54.000 meer dan in 1964. Er is Bahá'í literatuur vertaald in 225 nieuwe talen, waardoor dit aantal nu komt op een totaal van 571. Er zijn 63 tempellanden, 56 nationale Hazíratu'l-Quds’s en 62 nationale bezittingen aan onroerend goed aangekocht, waardoor het totale aantal is gekomen op resp. 98, 112, en 104; 50 onderrichtsinstellingen en zomer- en winterscholen spelen hun rol bij de Bahá'í opvoeding en 15 uitgevers stichtingen verzorgen Bahá'í literatuur in de belangrijkste talen van de wereld. De Moedertempel van Midden- en Zuid-Amerika is gebouwd en ingewijd. Enkele doelen buiten onze invloedsfeer zijn bereikt louter en alleen door gunstige omstandigheden, zoals het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid van raden en de erkenning van Bahá'í heilige dagen. Het stemt tot dankbaarheid te kunnen melden dat 90 Nationale Geestelijke Raden en 1556 Plaatselijke Geestelijke Raden –181 meer dan het vereiste totale aantal- rechtspersoonlijkheid hebben gekregen en dat in 64 landen de Bahá'í heilige dagen zijn erkend en in 40 het Bahá'í huwelijk rechtsgeldigheid heeft.

3 Deze grote verbreiding van het Geloof vereiste een leger van pioniers uit alle delen van de wereld. Twee keer werd er een grote oproep gedaan, voor resp. 461 en 733 mensen die samen met anderen die voor speciale posten waren gevraagd, een totaal vormden van 1344. De Gemeenschap van de Grootste Naam beantwoordde de oproep met 3553 mensen die daadwerkelijk hun woonplaatsen verlieten, waarvan er 2265 nog steeds op hun post zijn.

4 In het Wereldcentrum van het Geloof is men in steeds toenemende mate voortgegaan met de collationering en classificatie van de Bahá'í heilige Boeken en de geschriften van Shoghi Effendi, welke taak wordt gesteund en verrijkt met de vele arbeid van een speciaal comité dat is aangesteld door de Perzische Nationale Geestelijke Raad. Het aanwezige materiaal in het Wereldcentrum omvat ongeveer 2600 oorspronkelijke Tafelen van Bahá'u'lláh, 6000 van 'Abdu'l-Bahá, en 2300 brieven van Shoghi Effendi. Daarenboven zijn er nog ongeveer 18.000 geautentiseerde afschriften van dergelijke Tafelen en brieven. Deze zijn allemaal bestudeerd, er zijn belangrijke passages uit overgenomen en geclassificeerd en dit alles is gerangschikt onder 400 hoofdrubrieken.

5 Een Synopsis en Codificatie van de Wetten en Verordeningen uit de Kitáb-i-Aqdas –waarmee de geliefde Behoeder al zo ver was gevorderd en welk werk nu is voltooid- zal worden uitgegeven bij het eeuwfeest van de openbaring van dat Heiligste Boek; die herdenking zal, zoals is aangekondigd, zowel in het Heilige Land als in de gehele Bahá'í wereld met Ridván worden gevierd.

6 De Constitutie van het Universele Huis van Gerechtigheid, die door Shoghi Effendi is aangemerkt als Grootste Wet van het Geloof van Bahá'u'lláh, heeft zijn vorm gekregen en is uitgegeven.

7 De tuinen in Bahjí en op de berg Carmel zijn aanzienlijk uitgebreid, en er zijn plannen goedgekeurd voor een passende verzorging en verfraaiing van alle Bahá'í bezittingen rondom de heilige graftomben in Bahjí en Haifa.

8 De wereldomvattende verkondiging van het Geloof, een intensief en langdurig proces, werd in de derde fase van het Plan ingeluid en begon in oktober 1967 met de feestelijke viering van het eeuwfeest van Bahá'u'lláh’s Verkondiging aan de koningen en heersers, die zijn hoogtepunt vond in Zijn openbaring van de Súriy-i-Mulúk in Adrianopel. Deze historische gebeurtenis werd herdacht tijdens zes Intercontinentale Conferenties die gelijktijdig over de gehele wereld werden gehouden. Negen andere Oceanische en Continentale Conferenties gedurende het Plan droegen veel bij tot dit proclamatie-programma. De vijftien Conferenties werden door bijna 17.000 gelovigen bijgewoond, trokken veel publiciteit in pers en radio en werden aangegrepen als gelegenheid om hoogwaardigheidsbekleders en vooraanstaande personen met de goddelijke Boodschap bekend te maken. Uit naam van het Universele Huis van Gerechtigheid werd een speciaal voor dit doel uitgegeven boek aan 142 staatshoofden aangeboden, een boek dat de Engelse vertaling gaf van de Tafels en passages uit de geschriften van Bahá'u'lláh, waarin Hij, nu ongeveer 100 jaar geleden, Zijn machtige verkondiging aan de mensheid had neergelegd; deze geste was het begin van een campagne die zal voortgaan lang nadat het Negenjaren Plan is afgesloten.

9 De belangrijkste ontwikkeling in de verhouding van de Internationale Bahá'í Gemeenschap tot de Verenigde Naties was de accreditering van die gemeenschap als een non-gouvernementele organisatie met consultatieve status bij de Economische en Sociale Raad van de Verengde Naties. De Internationale Bahá'í Gemeenschap heeft nu een permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties, en heeft een kantoor in New York.

10 De geliefde en vereerde Handen van de Zaak hebben gedurende het Negenjaren Plan onschatbare en voortreffelijke diensten bewezen. In alle delen van de wereld hebben zij de breinden geïnspireerd, de Nationale Geestelijke Raden bijgestaan, het onderrichtwerk bevorderd en een onmisbaar aandeel geleverd aan het succes van het Plan. Een bezoek van een Hand van de Zaak heeft bij meer dan één achter opgeraakte nationale gemeenschap het tij doen keren; door de inspirerende invloed van de Hand werd snel en doeltreffend actie genomen, gevolgd door verbazingwekkende resultaten die de vooruitzichten van die gemeenschap in gunstige zin veranderden. Zij hebben voortreffelijke werken geschreven als bijdrage tot de literatuur van het Geloof.

11 Het doel van het Plan om de “Instelling van de Handen van de Zaak van God” uit te breiden “in overleg met de gehele groep van Handen van de Zaak met het oog op de toekomstige uitbreiding van hun voorgeschreven functies van bescherming en verbreiding” werd in fasen bereikt en leidde tot de vestiging [? MB] van elf Continentale Colleges van Raadgevers, waarvan de leden werden benoemd door het Universele Huis van Gerechtigheid, en die de verantwoordelijkheid op zich namen voor de Hulpraden voor de bescherming en verbreiding. De geliefde Handen waren niet langer persoonlijk gebonden aan een bepaald werelddeel –behalve wanneer zij er hun woonplaats hadden- maar breidden hun activiteiten uit over de gehele wereld. De Continentale Colleges van Raadgevers hebben reeds met de hulp en onder de leiding van, en ook in nauwe samenwerking met de Handen van de Zaak van God in de korte tijd van hun bestaan uitzonderlijke en waardevolle diensten bewezen.

12 Er zijn drie hoogstbelangrijke ontwikkelingen gedurende dit Negenjaren Plan naar voren gekomen, nl. dat de jeugd in het kader van het onderrichtwerk naar de voorste gelederen is doorgestoten, dat de financiële middelen van het Geloof een opgaande lijn vertonen, en dat er een verbazingwekkende uitbreiding is gekomen van hulpprojecten tussen Nationale Geestelijke Raden onderling.

13 De eerste ontwikkeling, de hartverwarmende opkomst van Bahá'í jeugd, heeft het beeld van het onderrichtwerk geheel gewijzigd; er zijn onneembare barrières genomen of overschreden door enthousiaste groepen jonge Bahá'ís die met grote toewijding en bezieling de goddelijke Boodschap hebben gebracht op een manier die aanvaardbaar bleek voor leden van hun eigen generatie, waardoor die is verspreid en nog wordt verspreid door alle geledingen van de maatschappij. De gehele Bahá'í wereld is blij verrast met deze ontwikkeling. De Bahá'í jeugd heeft de waarden en de maatstaven van de oude wereld overboord gegooid en is bezig de maatstaven van Bahá'u'lláh te leren en zich die eigen te maken om op die manier het goddelijke Programma aan te bieden en daarmee het gat op te vullen dat is ontstaan door het tenietgaan van de oude orde.

14 De enorme aanwas van de geldmiddelen van het Geloof kwam na een oproep daartoe tijdens het Plan, waarop de gehele Bahá'í gemeenschap hartverwarmend heeft gereageerd. Niet alleen het Internationale Bahá'í Fonds, maar ook de plaatselijke, nationale en de continentale fondsen van het Geloof zijn met grote offervaardigheid gesteund. Dit praktische bewijs van de liefde die de vrienden voor het Geloof voelen, heeft gemaakt dat het werk kon worden voortgezet -de hulp aan pioniers en reizende leraren, de oprichting van Mashriqu'l-Adhkárs en de aanwinst van Bahá'í bezit, de aankoop van heilige plaatsen in de bakermat van het Geloof en in het Wereldcentrum, de opbouw van onderwijsinstellingen en al die andere veelsoortige activiteiten van een krachtig voortschrijdende, opbouwende wereldgemeenschap. Het is interessant te weten dat 60% van de internationale fondsen van het Geloof is aangewend om het werk van Nationale Geestelijke Raden te steunen, het onderrichtwerk te bevorderen en de Zaak te beschermen tegen aanvallen in vele delen van de wereld. Zonder die hulp van de Bahá'í wereldgemeenschap zouden vele Nationale Geestelijke Raden niet in staat zijn geweest hun plannen voor verbreiding en verdieping te verwezenlijken. Het beheer van Huqúqu'lláh is versterkt ter voorbereiding op de verspreiding ervan naar andere delen van de wereld. In het Wereldcentrum werd een Internationaal Ondersteunings Fonds opgericht om hulp te bieden aan pioniers en reizende leraren die bereid waren hun diensten in te zetten, maar financieel daartoe niet in staat waren; dit fonds werd later uitgebreid voor de steun aan projecten op de nationale thuisfronten. Bijdragen aan het fonds is een dienst die altijd voor alle gelovigen van kracht zal blijven; de groei van het Geloof en de opkomst van het Bestuurstelsel vereisen van ons een steeds toenemende geldelijke bijdrage, in hoe geringe mate ook evenredig aan de genade en overvloed van de naar ons toestromende kracht van Bahá'u'lláh.

15 Toen het Plan werd gelanceerd, werden er 219 hulpprojecten ingesteld, waarbij nationale gemeenschappen hulp op financieel gebied en in de vorm van pioniers- en onderrichtswerk moesten verlenen aan andere gemeenschappen die over het algemeen geografisch op grote afstand lagen. De bedoeling hiervan was om de eenheid te versterken tussen ver uiteenliggende delen van de Bahá'í wereld met verschillende sociale, culturele en historische achtergronden. Aan het eind van het Plan waren meer dan 600 van dit soort projecten ten uitvoer gebracht. Samenwerking tussen de gemeenschappen onderling is verder ontwikkeld op het gebied van het uitgeven van Bahá'í literatuur, in het bijzonder in het Spaans, het Frans en Afrikaanse talen. In verband hiermee ligt een groot terrein braak om pogingen te ondernemen die vrucht zullen dragen.

16 In enkele landen is het tengevolge van gebrek aan vrijheid, feitelijke onderdrukking of wettelijke en materiele belemmeringen niet gelukt bepaalde doelen te verwezenlijken, zoals bv. het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid of erkenning. Daar het Universele Huis van Gerechtigheid dit had voorzien, heeft het een beroep gedaan op nationale gemeenschappen in landen waar vrijheid heerst het Geloof te belijden en te verbreiden, om hun eigen doelen te overschrijden en op die manier ertoe bij te dragen dat het totale aantal doelen wel zou worden vervuld. Het is nog steeds onmogelijk gebleken te beginnen aan de bouw van de Mashriqu'l-Adhkár in Teheran, maar er zijn wel contracten getekend voor het uitwerken van gedetailleerde tekeningen, er zijn geologische metingen gedaan en alles is in gereedheid gebracht om onmiddellijk tot actie over te gaan zodra de toestand in Perzië dat toelaat.

17 In de periode van het Negenjaren Plan hebben enkele belangrijke gebeurtenissen plaats gehad die er niet direct betrekking op hadden. Allereerst had, in de omgeving van de Qiblih van de Bahá'í wereld, de herdenking plaats van het feit dat de Beloofde aller tijden honderd jaar tevoren voet aan wal had gezet in de gevangenisstad Akko, zoals in alle voorgaande heilige Boeken was voorzegd.

18 Men heeft eindelijk de Villa in Mazra’ih, die de geliefde Behoeder vele malen heeft genoemd als één van de “twee verblijven” waar de Gezegende Schoonheid na negen jaar opsluiting in de gevangenisstad Akko woonde, en die de gelovigen zeer dierbaar is vanwege haar associatie met hun Heer, kunnen aankopen, alsmede 24.000 m2 land dat zich aan de oostzijde ervan in de vlakte uitstrekt.

19 Met de oprichting van de obelisk die de plek aangeeft waar de toekomstige Mashriqu'l-Adhkár op de berg Carmel zal worden gebouwd, is een project voltooid dat door de geliefde Behoeder was aangevangen.

20 Er is een beslissing genomen over het gebouw dat als Zetel van het Universele Huis van Gerechtigheid zal dienen; deze beslissing is aan de Bahá'í wereld bekend gemaakt, en de eerste voorbereidingen voor de bouw ervan op de berg Carmel zijn getroffen op een terrein dat door Shoghi Effendi als de BOOG werd bestempeld.

21 De Zaak van God gaat op het ogenblik met rasse schreden voorwaarts en wij mogen met vertrouwen de dag tegemoet zien waarop deze gemeenschap, met Gods welbehagen, de stadia zal hebben doorlopen die haar Behoeder heeft voorzegd en waarop zij op deze gekwelde planeet de fraaie woningen van Gods eigen Koninkrijk zal hebben opgericht, waarin de mensheid een eind kan maken aan de verwarring, de chaos en vernietiging die zij zelf heeft veroorzaakt en de haat en het geweld van deze tijd zullen zijn omgezet in blijvende gevoelens van wereldbroederschap en vrede. Dit alles zal tot stand worden gebracht binnen het Verbond van de eeuwige Vader, het Verbond van Bahá’u’lláh.

Aan het begin van het laatste jaar van het Negen Jaren Plan bevindt de Bahá'í wereldgemeenschap zich aan de drempel van een overweldigende overwinning. Met een dankbaar hart betuigen wij onze erkentelijkheid voor het voortdurend welslagen van alle krachtsinspanningen, alsmede voor de goddelijke gunsten die bij voortduring neerdaalden over deze gezegende en steeds groeiende embryonale wereldorde.

2 De Mashriqu'l-Adhkár in Panama, de Moeder Tempel van Midden en Zuid Amerika, zal dit jaar met Ridván worden ingewijd. Drie geliefde Handen van de Zaak zullen deze historische gebeurtenis bijwonen, en wel: Amatu'l-Bahá Rúhiyyih Khánum als vertegenwoordigster van het Universele Huis van Gerechtigheid, Ugo Giachery en Dhikru'lláh Kháden. Het van fantasie en bezieling getuigende ontwerp van de architect Peter Tillotson is op schitterende wijze tot werkelijkheid gebracht, en uit naam van de gehele Bahá'í wereld bieden wij de Nationale Geestelijke Raad van Panama onze welgemeende Gelukwensen aan voor dit bereikte resultaat.

3 Ofschoon van het Geloof in 'Iráq helaas tot gevolg hebben gehad dat de Nationale Geestelijke Raad van dat land moest worden ontbonden, zullen toch de dertien nieuwe Nationale Geestelijke Raden die dit jaar met Ridván zullen worden gevormd, het totale aantal pijlers van het Universele Huis van Gerechtigheid brengen op 113.

4 De doelen die gesteld zijn voor de aankoop van grondbezittingen en de vestiging van onderricht instellingen staan er goed voor, en in de landen waar geen wettelijke belemmeringen in de weg staan, worden met het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid van Raden en het erkennen van het Bahá'í huwelijk en heilige Dagen goede vorderingen gemaakt.

5 Vooral aan de doelen op het gebied van het onderricht moeten wij onze aandacht en inspanningen wijden. Ofschoon in meer dan 260 gebieden het vereiste doel van plaatsen waar Bahá'ís woonachtig zijn, is bereikt en in enkele gevallen dat aantal reeds is overschreden waardoor de Bahá'í wereldgemeenschap verheugd kan zijn, het totale aantal plaatsen dat over de gehele wereld in het Plan was opgenomen, te hebben overtroffen, zijn er toch nog 60 gebieden waar dit doel alsnog behaald moet worden; en daaraan moet tussen nu en Ridván 1973 absolute prioriteit gegeven worden. Er wordt verwacht dat er met Ridván een groot aantal nieuwe Plaatselijke Geestelijke Raden zal zijn gevestigd; zo gauw men zeker is van de stand van zaken, zal er een gedetailleerde opgave van al die gebieden ter wereld die hun doel als plaatsen en als Plaatselijke Geestelijke Raden nog niet verwezenlijkt hebben, aan alle Nationale Geestelijke Raden worden gezonden voor onmiddellijke bekendmaking aan de vrienden.

6 De verwachting is, dat gedurende het laatste jaar van het Plan het beginsel van samenwerking tussen de Nationale Geestelijke Raden nog veel verder zal worden uitgebreid, en niet alleen beperkt zal blijven tot de speciale opdrachten van het Negenjaren Plan. De gemeenschappen die reeds doel hebben bereikt of daar zeer na aan toe zijn, moeten het beeld dat de wereld aan de hand van bovengenoemde opgave biedt, in ogenschouw nemen en, zonder hun eigen kans op succes in gevaar te brengen, alles doen om hun mede-gemeenschappen met pioniers en reizende leraren, of op welke andere manier dan ook bij te staan. Een dergelijke gang van zaken zal de eenheid en saamhorigheid van de Bahá'í wereldgemeenschap bijzonder ten goede komen.

7 Intussen doen wij een beroep op alle gelovigen, waar ook ter wereld, om met volle overgave hun persoonlijke omstandigheden onder de loep te nemen en zich, nu er nog tijd is, aan te melden om de internationale pioniersposten van het Plan te vervullen. Er is nog dringende behoefte aan 267 pioniers 75 in Afrika, 57 in Noord Midden en Zuid Amerika, 40 in Azië, 30 in Australië en Nieuw Zeeland, en 65 in Europa.

8 De zeer grote vooruitgang, geboekt sinds Ridván 1964, het jaar waarin het Negenjaren Plan een aanvang nam, en waarmee het georganiseerde en zinvolle proces van onderricht op wereldniveau, dat onze geliefde Behoeder met de lancering van de Tienjaren Kruistocht in werking zette, dwingt ons onze aandacht gericht te houden op de nieuwe behoeften van deze steeds groeiende wereldorde, zowel wat betreft haar eigen organische leven als haar relatie tot de op instorten staande maatschappelijke wereld waarin zij is geplaatst. De kloof tussen de opvattingen van de wereld en die van de Zaak van God wordt met de dag wijder. En toch moeten die twee elkaar op den duur vinden. De Bahá'í gemeenschap moet in steeds toenemende mate haar vermogen tonen de bandeloosheid, het gebrek aan samenhang, de vrije moraal en de goddeloosheid van de huidige samenleving te keren; de wetten, de godsdienstige verplichtingen, het nakomen van het Bahá'í leven, de zedelijke beginselen en maatstaven van waardigheid, welgevoeglijkheid en eerbied in Bahá'í zin, moeten diep in het Bahá'í bewustzijn worden ingeprent en deze gemeenschap daar steeds meer van doordringen en eraan kenbaar doen zijn. Zo'n proces zal een grote ontwikkeling vereisen van de rijpheid en doeltreffendheid van de Plaatselijke Geestelijke Raden. De zin en het gehalte van de Zaak moeten steeds beter begrepen en dapper in stand gehouden worden. De invloed van het Continentale College van Raadgevers en het werk van hun Hulpraden moeten groeien en in de gehele structuur van de Bahá'í gemeenschap merkbaar worden. Er moet een veelomvattend en samenhangend programma op gang worden gebracht voor de produktie van Bahá'í literatuur.

9 Onze directe en onontkoombare taak is echter om er zeker van te zijn dat ieder te bereiken doel van het Negenjaren Plan ook inderdaad bereikt wordt. Dit moet ten koste van alles gebeuren. Men moet geen opoffering, of het opgeven van teder gekoesterde plannen uit de weg gaan teneinde zich van deze "belangrijkste" van de vele "belangrijke" plichten die voor ons liggen, te kwijten. Wie mag er aan twijfelen dat één laatste, ontzaglijke krachtsinspanning met het beoogde succes beloond zal worden? Zelfs nu staan de Fiji eilanden, de nationale gemeenschap die de eerste lauweren heeft geoogst in verband met het feit dat zij alle opgedragen taken heeft vervuld, aan de spits van de schare zich verheugende en zegevierende gemeenschappen van het Leger van Licht. We doen er goed aan te trachten de bahá’í-jeugd te evenaren van wie de recente opkomst naar de voorhoede van proclamatie en onderricht één van de bemoedigendste en belangrijkste ontwikkelingen in het Geloof is, en die door voortdurend, voorafgaand en ononderbroken gebed de poorten des hemels bestormen voor steun bij hun ondernemingen. Wij zijn allemaal in staat Bahá’u’lláh te verzoeken om Zijn Goddelijke almachtige bijstand en Hij zal ons zeker helpen. Want Hij is de Verhoorder van gebeden, de Beantwoorder.

Op 28 november 1971 zal de Bahá'í wereld voor de vijftigste maal het Verscheiden van 'Abdu'l-Bahá, het Middelpunt van het Verbond, het Teken van de Eenheid der Mensheid, het Geheim van God, herdenken, een Gebeurtenis die tegelijk het einde van het Heroïsche Tijdperk van ons Geloof betekende, de aanvang van het Vormende Tijdperk en de geboorte van de Bestuursorde, de kern en het patroon van de Wereldorde van Bahá'u'lláh. Wanneer we de vruchten beschouwen van de Dienstperiode van de Meester, geoogst in de eerste vijftig jaar van het Vormende Tijdperk, een periode die beheerst werd door de dynamische en geliefde figuur van Shoghi Effendi, wiens leven gewijd was aan de systematische uitvoering van de voorzieningen van de Wil en het Testament van 'Abdu'l-Bahá en van de Tafels van het Goddelijk Plan - de twee handvesten door de Meester voorgeschreven voor het bestuur en het onderricht van de Zaak van God - (dan) zullen we zeker een gevoel van ontzag ervaren bij het vooruitzicht van de volgende vijftig jaar. Die eerste halve eeuw van het Vormende Tijdperk zag de Bahá'í Gemeenschap groeien van een paar honderd plaatsen in 35 landen in 1921 tot meer dan 46.000 plaatsen in 135 onafhankelijke staten en 182 belangrijke gebieden en eilanden vandaag de dag, werd gekenmerkt door het oprichten van het kader van het Bestuursstelsel over de hele wereld, wat op zijn beurt erkenning van het Geloof heeft gebracht door vele regeringen en burgerlijke autoriteiten, en de officiële erkenning in de consultatieve status bij de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties; en was getuige van de uitbreiding van naar vele delen van de wereld van die "intocht bij massa's" die beloofd was door de Meester en zo vurig verwacht door de vrienden.

2 Een nieuwe horizon is nu te onderscheiden, helder door de tekenen van opwindende ontwikkelingen in het zich ontplooiende leven van de Zaak van God. Daar dichterbij komen gaat via een volledige overwinning in het Negen Jaren Plan. Want we moeten nooit vergeten dat de Tien Jaren Kruistocht van de geliefde Behoeder, het huidige Negen jaren Plan, andere nog volgende plannen gedurende opeenvolgende perioden van het Vormende Tijdperk van het Geloof allemaal fasen zijn in de uitvoering van het Goddelijke Plan van 'Abdu'l-Bahá, uiteengezet in tien van Zijn Tafels aan Noord Amerika.

3 Het Negen Jaren Plan is flink gevorderd en deze Ridván zal getuige zijn van de instelling van nog zeven Geestelijke Raden: vijf in Afrika, één in Zuid Amerika en één in het gebied van de Stille Zuidzee, waarmee het totale aantal van deze verheven lichamen op 101 wordt gebracht. Volgende Ridván zullen de negen die zijn aangekondigd, worden gevormd, samen met nog vier, één elk in Afghanistan, Arabië, de Bovenwindse eilanden en Puerto Rico, waarmee het totaal op 114 komt, zes meer dan vereist in het Negen Jaren Plan. De leden alle Nationale Geestelijke Raden die met Ridván 1972 gekozen worden, zullen deelnemen aan de verkiezing van het Universele Huis van Gerechtigheid met Ridván 1973 wanneer een internationale conventie gehouden zal worden in het Wereldcentrum.

4 De Moedertempel van Latijns Amerika, de Mashriqu'l-Adhkár van Panama moet volgens de plannen tegen december 1971 klaar zijn en de inwijding ervan zal de volgende Ridván plaatsvinden.

5 De wonderbaarlijke bezieling die vrijkwam bij de vier Oceanische en Intercontinentale Conferenties, samen met de praktische voordelen die de Zaak daardoor ten goede kwamen, versterken onze hoge verwachtingen dat de vier dit jaar te houden Conferenties klinkende successen zullen zijn en meer pioniers tot resultaat zullen hebben, meer reizende leraren, grotere proclamatie van de Boodschap en een verhoging van de geestkracht en toewijding van de vrienden.

6 Ons beroep op de vrienden in december 1970 om steun aan het Internationale Bahá'í Fonds, dat in een ernstige toestand was geraakt tengevolge van verschillende onvoorzien omstandigheden, heeft een schitterende reactie opgeleverd uit vele landen van de wereldwijde Bahá'í Gemeenschap, en wij zijn bemoedigd in het geloof dat deze uiting van toewijding en opoffering, als zij voortduurt en zich wijder verspreidt, de toestand zal opheffen die het behalen van de gekoesterde doelen van het Negen Jaren Plan ongunstig dreigde te beïnvloeden.

7 De reizen en andere diensten van de Handen van de Zaak van God wekken voortdurend onze dankbaarheid en vreugde, zelfs verwondering en verbazing. Hun daden doen de handelingen van apostelen van voorheen verbleken en verlenen eeuwige glans aan deze periode van het Vormende Tijdperk. Uit naam van alle vrienden van overal bieden wij hen onze eerbiedige liefde en dankbaarheid aan. Passend is hier de vermelding van het verscheiden, na zeventig jaren voorbeeldige dienst aan het Geloof, van Hand van de Zaak Agnes Alexander, wier vroege diensten in Hawaii door de Meester groter werden genoemd dan indien ze een koninkrijk zou hebben gesticht.

8 Beperkende maatregelen, gericht tegen het Geloof en in strengheid wisselend van openlijke onderdrukking tot het opleggen van belemmeringen, maken het bereiken van de doelen van het Negen Jaren Plan vrijwel onmogelijk in een aantal landen, vooral in het Midden Oosten, in Noordwest Afrika, aan de rand van Oost Afrika en bepaalde gebieden van Zuidoost Azië. Het is te hopen dat die Bahá'í gemeenschappen die de vrijheid genieten om hun Geloof te kunnen onderrichten zozeer hun eigen doelen zullen overtreffen, dat zij in ruime mate zullen opwegen tegen de belemmeringen waaronder hun minder gelukkige broeders lijden. Het leger van reizende leraren moet worden versterkt en de vrienden, vooral de Bahá'í jongeren worden opgeroepen ernstig na te gaan hoeveel tijd zij kunnen Geven aan het Geloof gedurende de overblijvende twee jaren van het Negen Jaren Plan. Onderrichtsbezoeken van korte of lange duur, afvaardiging van anderen, het op zich nemen van taken waardoor andere vrienden tijd krijgen voor onderrichtswerk, zijn allemaal middelen voor het in harmonie opbouwen van die laatste vloedgolf die het Plan naar de overwinning zal dragen.

9 Twee hoofdoogmerken van het Plan zijn de vorming van nieuwe Plaatselijke Geestelijke Raden en het openstellen van nieuwe plaatsen. 13.996 Plaatselijke Geestelijke Raden worden vereist; 10.360 bestaan nu. 54.503 plaatsen moeten aanspraak maken op een Bahá'í bewoner; in 46.334 is dat nu het geval. Het einddoel is in zicht, de tijd kort. Maar de groei die wordt weergegeven in de bovenvermelde statistieken hoeft niet op alle niveau's en in alle gebieden plaatsgevonden. Want terwijl een aantal nationale gemeenschappen de aan hen toegewezen doelen al voltooid of zelfs overtroffen hebben, staan velen tegenover de grootste moeilijkheden bij het bereiken van de hunne. Met wederzijdse hulp en een toename van de al opgewekte stuwkracht kan er geen twijfel aan bestaan dat de Gemeenschap van de Allergrootste Naam in staat is naar een totale overwinning voort te stuwen, waarbij zij een beeld zal krijgen van die betoverende vergezichten die nu nog voorbij horizon liggen.

10 Het tweeledige proces dat zo duidelijk beschreven is door de Geliefde Behoeder in zijn korte studie "De Ontplooiing van een Wereldbeschaving de gestage vooruitgang en versterking van de Zaak van God aan de ene kant en de toenemende desintegratie van een zieltogende wereld aan de andere kant zal ons ongetwijfeld nieuwe taken opleggen: de verplichting om nieuwe benaderingswijzen voor het onderricht te ontwikkelen, om een gedesillusioneerde wereld duidelijker de Bahá'í manier van leven te tonen, en om, de bestuursinstellingen van het Geloof doeltreffender te maken. Het gezag en de invloed van Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden zullen versterkt moeten worden om hen in staat te stellen met grotere Bahá'í gemeenschappen om te gaan; het internationale karakter van de Zaak moet ontwikkeld worden, terwijl het internationale bureau voor onderricht van het Wereldcentrum, dat in vorige algemene brieven al vermeld is, ingesteld zal worden.

11 Hoe boeiend zulke overwegingen ook zijn, die in de nabije toekomst zich waarschijnlijk van onze aandacht meester zullen maken, zij moeten toch onze en wilskracht niet afleiden van de onmiddellijke taak - de doelstellingen van het Negen Jaren Plan. Het bereiken daarvan is de beste voorbereiding voor de toekomst en het middel voor de ontwikkeling van nieuwe krachten en capaciteiten in de Bahá'í gemeenschap. Wij zijn vol vertrouwen, dat het Leger van Licht, groeiend in kracht en eenheid, tegen 1973, het jaar van het eeuwfeest van de openbaring van Kitáb i Aqdas, de hoogten van weer een nieuwe top beklommen zal hebben op het pad dat uiteindelijk naar de brede hooglanden zal leiden van de Allergrootste Vrede.

De Bahá'í Wereldgemeenschap die het zevende jaar van het Negen Jaren Plan ingaat, heeft ruimschoots aangetoond dat zij met de hoogst mogelijke toewijding en offervaardigheid verbazingwekkende overwinningen heeft kunnen behalen voor het wereldverlossende, wereldgenezende en wereldverenigende Geloof.

2 Deze Ridván heten wij elf nieuwe Nationale Geestelijke Raden van harte welkom: in Afrika worden er nu zeven gevormd, in Azië twee, en in Australazië twee, waarmee het aantal steunpilaren van het Universele Huis van Gerechtigheid tot vierennegentig is gestegen.

3 In bewogenheid zwaaien wij de Handen van de Zaak Gods onze warme lof toe voor hun voortreffelijke diensten: vol vuur baanden zij over de gehele wereld nieuwe onderrichtwegen en in alle werelddelen stonden zij zowel de Raden als de vrienden persoonlijk met raad en daad bij.

4 Teneinde het prachtige werk van de bekwame en toegewijde Continentale Colleges van Raadgevers en hun Hulpraden daadwerkelijk te versterken en, gezien de behoeften van een zich ontplooiende wereldgemeenschap, kondigen wij de uitbreiding aan van deze levenskrachtige Instelling door de benoeming van nog eens drie Raadgevers, en wel: Iray Ayman voor West-Azië, Annelies Bopp en Betty Reed voor Europa. Tevens verlenen wij machtiging tot de aanstelling van vijfenveertig extra Hulpraden, en wel: negen voor Afrika, zestien voor Azië, twee voor Australazië en achttien voor het westelijk halfrond.

5 Wij roepen op tot de vorming van vier nieuwe Nationale Geestelijke Raden met Ridván 1971, en wel: Lesotho, met als zetel Maseru; Mali en Opper Volta (Ivoorkust) met als zetel: Abidjan; Trinidad en Tobago met als zetel Port of Spain; de Solomon eilanden met als zetel Honiara.

6 Het Negen Jaren Plan onderscheidde zich reeds door grote successen op pionier- en proclamatiegebied, erkenning van het Geloof, het geleidelijk toestromen van jongeren, het verkrijgen van grond e.a. eigendommen, een aanvang met de bouw van de Panama Tempel en uitbreiding van het Wereldcentrum.

7 Het is echter van groot belang zich nu allereerst te concentreren op de dringende noodzaak van een toename van het aantal plaatsen waar Bahá'ís wonen en van het aantal Plaatselijke Geestelijke Raden, evenals het innemen van nog openstaande pioniersposten. Vorig jaar Ridván werd een oproep gedaan voor op zijn minst zevenhonderddrieendertig pioniers. Er zijn nog vierhonderdzevenennegentig aangewezen posten onbezet. Voor een volledige zege zijn méér pioniers, méér fondsen en méér nieuwe gelovigen nodig.

8 Aan de Handen van de Zaak, de Raadgevers, de Leden van de Hulpraden, de Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden en aan iedere individuele volgeling van Bahá'u'lláh wordt gevraagd zich tot het uiterste in te spannen in de resterende jaren van het Negen Jaren Plan. Het bereiken van deze fase in het goddelijk Plan van de Meester zal onze gemeenschap in staat stellen om, middels haar bestuursorganen, aan de volgende fase te beginnen ter beantwoording aan het verheven doel van Bahá'u'lláh's Openbaring: "de eenwording van de mensheid en de vestiging van het lang beloofde Koninkrijk Gods op deze aarde".

Weest verzekerd van onze vurige gebeden aan de Heilige Graftomben.

De voortdurende vooruitgang van de Zaak van God staat in levendige tegenstelling tot de chronische onrust die de menselijke samenleving teistert - een tegenstelling die door de gebeurtenissen van het afgelopen jaar, zowel binnen als buiten het Geloof, alleen maar vergroot is. Temidden van het uiteenvallen van de oude orde vervolgde de Zaak van God haar verheven weg, waarbij de omvang van haar activiteiten en haar invloed zich uitbreidde en een verdere ontwikkeling van haar bestuurssysteem werd bereikt.

2 Het jaar, begonnen met de bijeenkomst van de Tweede Internationale Conventie voor de verkiezing van het Universele Huis van Gerechtigheid, in het Heilige Land, is getuige geweest van een opmerkelijke activiteit in de Zaak. De meest betekenisvolle en verreikende ontwikkeling was ongetwijfeld de benoeming van de 11 Continentale Colleges van Raadgevers, waarmee de doelstelling van het Negen Jaren Plan werd uitgevoerd voor de ontwikkeling van de Instelling van de Handen van de Zaak van God, net het oog op de uitbreiding in de toekomst van de haar toegewezen functies van bescherming en verspreiding.

3 Deze stap die genomen werd na volledige consultatie met de Handen van de Zaak, heeft tegelijkertijd de activiteiten van die Instelling krachtig versterkt én het voor de Handen zelf mogelijk gemaakt de reikwijdte van hun persoonlijke dienstbaarheid tot buiten het continentale terrein uit te breiden, waardoor de liefde, de wijsheid en de geest van toewijding die hen door de Behoeder zijn aangewezen bezielt, universeel beschikbaar zijn geworden voor de vrienden. Wij willen hier hulde brengen aan de voorbeeldige manier waarop de Raadgevers onder de leiding van de Handen hun hoge taak zijn aangevangen.

4 In augustus herdacht de eerste Oceanische Bahá'í Conferentie, gehouden in Palermo, de reis van Bahá'u'lláh over de Middellandse Zee op weg naar de Grootste Gevangenis. Deelnemers aan deze Conferentie kwamen onmiddellijk erna naar de Qiblih van hun Geloof om hulde te betuigen bij het graf van zijn Stichter, en de lang voorspelde aankomst van de Heer der Heerscharen aan de kusten van het Heilige Land te herdenken, met diep besef van de geestelijke betekenis daarvan. Deze bijeenkomst van meer dan 2.000 gelovigen vormde een onuitsprekelijk treffend contrast met de feitelijke aankomst van Bahá'u'lláh honderd jaar eerder, verworpen door de heersers van deze aarde en bespot door de plaatselijke bevolking. Dit is de overwinnende kracht van Zijn Boodschap, dit is de onweerstaanbare macht van de Koning der Koningen.

5 Deze zelfde Boodschap wordt nu verkondigd door Zijn volgelingen tot de uithoeken der aarde. Reeds aan 122 staatshoofden is een speciale uitgave van "De Proclamatie van Bahá'u'lláh" aangeboden en copieën ervan zijn ontvangen door nog eens duizenden ambtenaren en leiders.

6 Bahá'í gemeenschappen over de gehele wereld hebben de bestemming van 1968 als het Jaar van de Rechten van de Mens door de Verenigde Naties ten volle benut door niet alleen de banden tussen de Internationale Bahá'í Gemeenschap en de Verenigde Naties te versterken, maar tegelijkertijd het Geloof en Zijn genezende Boodschap bekend te maken. In land na land is de Zaak voor het eerst onder de aandacht gebracht via de moderne massacommunicatie media. De omvang van deze oproep aan de volkeren der wereld neemt van dag tot dag toe, en dit moet zo doorgaan om iedere laag van de samenleving te bereiken, tot de voltooiing van het Plan, en verder nog.

7 Als stimulans en hulp voor dit noodzakelijke werk zowel als voor de bevordering van alle doelstellingen van het Plan kondigen we het plaatsvinden van een serie van 8 Oceanische en Continentale Conferenties aan tussen augustus 1970 en september 1971, als volgt; La Paz, Bolivia en Rose Hill, Mauritius, in augustus 1970; Monrovia, Liberia en Djakarta, Indonesië, in januari 1971; Siwa, Fiji en Kingston, Jamaïca in mei 1971; Sapporo, Japan en Reykjavik, IJsland, in september 1971.

8 Een overzicht van de voortgang van het Negen Jaren Plan laat zien dat grote vorderingen zijn gemaakt in het verkrijgen van Hazíratu'l-Quds. Tempelgronden en Onderrichtinstellingen, in het vertalen van Bahá'í literatuur in meer talen en in het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid voor Plaatselijke en Nationale Geestelijke Raden. De plaats van de Panama Tempel is gereed gemaakt voor de bouw, waarmee begonnen zal worden zo gauw de uiteindelijke plannen en bijzonderheden en het sluiten van het contract goedgekeurd zijn.

9 Als resultaat van het versnelde tempo van uitbreiding en versterking dat is ingezet en dat, indien gekoesterd en gevoed, tot een vloed van overwinningssuccessen zal worden, kondigen we met vreugde de vorming aan, van nog 12 Nationale Geestelijke Raden, 2 tijdens Ridván 1969: de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Burundi en Rwanda, gezeteld in Bujumbura, en de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Papoea en Nieuw Guinea, gezeteld in Lae - en 10 tijdens Ridván 1970: 6 in Afrika, de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van de Republiek Kongo (Kinshasa); van Ghana; van Dahomey, Togo en Niger; van Malawi; van Beetsjoeana; en van Gambia, Senegal, Portugees Guinee en de Kaap Verdische Eilanden; 1 op het Amerikaanse continent, de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van de Guiana's; 1 in Azië, de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van het Nabije Oosten; en 2 in Australazië, de Nationale Geestelijke Raden van de Bahá'ís van Tonga en de Cook Eilanden; en van Samoa. Zo zal met Ridván 1970 het aantal Nationale Geestelijke Raden gestegen zijn tot 93.

10 In overeenstemming met de wereldwijde groei van de Zaak ontwikkelt ook het Wereld Centrum van het Geloof zich snel. "De pelgrims", heeft de geliefde Behoeder gezegd, "zijn het levensbloed van dit Wereld Centrum", en lange tijd hebben we de hoop en het verlangen gekoesterd in staat te zijn de milddadigheid van een pelgrimstocht naar het Heilige Land aan allen die er gebruik van kunnen maken, aan te bieden. Tot onze grote vreugde hebben we nu de mogelijkheid gevonden om de deur van de pelgrimstocht voor een veel groter aantal gelovigen te openen.

11 Te beginnen met oktober van dit jaar zal de omvang van iedere groep vrienden die uitgenodigd worden, vier maal zo groot zijn, en het aantal groepen per jaar zal worden vermeerderd, zodat bijna zes maal het tegenwoordige aantal pelgrims ieder jaar de gelegenheid zal hebben te bidden bij de Graven van de Centrale Personen van hun Geloof, de plaatsen te bezoeken die geheiligd zijn door de voetstappen, het lijden en de triomfen van Bahá'u'lláh en 'Abdu'l-Bahá, en te mediteren in de stilte van deze heilige oorden, die met zoveel liefhebbende zorg verfraaid zijn door onze geliefde Behoeder.

12 Deze toegenomen stroom pelgrims zal de geestelijke ontwikkeling van de Bahá'í Wereld Gemeenschap ten zeerste versterken nu ze, na vijf jaar harde arbeid en omkranst met de lauweren van uitnemende overwinningen, aan de vierde fase van het Negen Jaren Plan begint.

13 De grote, de meest dringende noodzaak in dit stadium van het Plan is een snelle vermeerdering van het aantal gelovigen, en een grotere vooruitgang in het openleggen van de toegevoegde plaatsen zowel als in de vorming van de hechte Plaatselijke Geestelijke Raden waarom in het Plan gevraagd wordt.

14 Deze wereldomvattende activiteit, het kenmerk van de vierde fase van het Plan en het antwoord op de geweldige mogelijkheden die geboden worden door de huidige toestand der mensheid, zal krachtig versterkt worden door het voortduren van de proclamatie, is de wezenlijke grondslag voor de oprichting van de ontbrekende Nationale Geestelijke Raden, en zal in toenemende mate getuigenis afleggen van de voordelen van het internationale reizend onderricht en van samenwerking tussen Raden. Boven alles vereist deze activiteit een offervaardige storting van bijdragen door de vrienden tot ondersteuning van de Fondsen, en het opstaan van een machtig leger van pioniers.

15 Tijdens het tweede jaar van het Plan heeft de Bahá'í wereld haar grootste prestatie van georganiseerd pionieren geleverd toen een totaal van 505 gelovigen opstonden om zich te vestigen in de ongeopende en zwak bezette gebieden van de aarde. Dit prachtige succes moet nu overtroffen worden. De oproep wordt gedaan tot 733 gelovigen om hun huizen te verlaten en zich te vestigen in gebieden van de aardbol die een ernstige behoefte hebben aan steun van pioniers, of nog niet zijn opengelegd voor het Geloof. Deze toegewijde gelovigen, die zonder uitstel zouden moeten opstaan, zijn in 184 bepaalde gebieden van de aardbol nodig voor vestiging gedurende de vierde fase van het Plan: 48 in Afrika, 40 in het Amerikaanse continent, 40 in Azië, 18 in Australazië en 38 in Europa.

16 Hoewel de primaire verantwoordelijkheid hiervoor gegeven is aan die nationale Bahá'í gemeenschappen die het best in staat zijn pioniers te verschaffen, zouden allen in hun hart moeten overwegen of ook zij geen gehoor kunnen geven aan deze oproep, hetzij door zelf te gaan, hetzij door het afvaardigen in antwoord op de aansporing van Bahá'u'lláh, van degenen die in hun plaats kunnen gaan.

17 Uitgebreide inlichtingen worden gestuurd aan de Nationale Geestelijke Raden om te verzekeren dat deze vitale mobilisatie van Bahá'í strijders zo snel mogelijk volbracht wordt.

18 Geliefde Vrienden, het Negen Jaren Plan is vergevorderd, ons werk is gezegend door de nimmer-eindigende bekrachtiging van Bahá'u'lláh, en de gehele Bahá'í Wereld Gemeenschap is op weg naar een volledige overwinning. Die verblijdende voltooiing, nu vaag zichtbaar aan de verre horizon, zal tot stand koren door hard werk, realistische planning, offervaardige daden, versterking van het onderrichtswerk en - boven alles - door de voortdurende inspanning van iedere Bahá'í afzonderlijk om zijn innerlijk leven in overeenstemming te brengen met dat glorieuze ideaal dat Bahá'u'lláh de mensheid gesteld heeft, en waarvan 'Abdu'l-Bahá het voorbeeld is. Als we het goddelijk voorbeeld van de Meester overwegen, mogen we wel bedenken dat Zijn leven en daden niet gericht waren op een patroon van tijdelijke geschiktheid, naar de onvermijdelijke en spontane uitdrukking vormden van Zijn innerlijk zelf. Wij zullen ook pas handelen volgens Zijn voorbeeld als ons innerlijk wezen, groeiend en rijpend door middel van de discipline van gebod en het toepassen van de Leringen, de bron wordt voor al onze houdingen en handelingen.

19 Dit zal de volbrenging van Gods plan bevorderen; dit zal de zegetocht van Zijn Geloof verzekeren en ons in staat stellen de huidige beweging van de Zaak om te zetten in een geweldige stuwkracht die de gemeenschap van de Grootste Naam naar een glorieuze overwinning zal voeren in 1973 - en verder naar de nu nog onbegrepen vergezichten van de Allergrootste Vrede.

Bij de afsluiting van het derde jaar van het Negen Jaren Plan erkennen wij met een hart vol dank de blijken van Goddelijke gunst, waarmee Bahá'u'lláh onverflauwd de toegewijde inspanningen van Zijn dienaren overal ter wereld ondersteunt en bevestigt, en zonder aarzelen spreken wij het vertrouwen uit dat de gemeenschap van de Grootste Naam door haar vastberadenheid en offervaardige inspanningen, de volledige overwinning kan en zal behalen.

2 Verleden jaar werd een oproep gedaan tot de vorming in 1967 van elf nieuwe Nationale Geestelijke Raden. Alle zullen tijdens de periode van Ridván worden gekozen. Wij verwelkomen met grote vreugde de Nationale Geestelijke Raden van de Bahá'ís van Algerië en Tunesië met als zetel Algiers; de Republiek Kameroen met als zetel Victoria; Swaziland, Lesotho en Mozambique met als zetel Mbabane; Zambia met als zetel Lusaka; Belize met als zetel Belize; de Benedenwindse, Bovenwindse en Virgin eilanden met als zetel Charlotte Amalie; Oost en Zuid-Arabië met als zetel Bahrayn; Laos met als zetel Vientiane; Sikkim met als zetel Gangtok; Taiwan met als zetel Taipeh; de Gilbert en Ellice eilanden met als zetel Tarawa.

3 Op elke Nationale Conventie zal het Wereldcentrum van het Geloof worden vertegenwoordigd door een Hand van de Zaak van God, die een boodschap van het Universele Huis van Gerechtigheid zal aanbieden ter verwelkoming van de nieuwe nationale Gemeenschap, en die tevens haar aandeel in de doelstellingen van het Negen Jaren Plan zal bekendmaken.

4 Deze Ridván zullen eenentachtig van de 108 Nationale Geestelijke Raden en meer dan zesduizend van de 13.737 Plaatselijke Geestelijke Raden, tegen 1973 vereist, zijn gevormd; 28.217 van de vereiste 54.102 plaatsen, waar Bahá'ís verblijf houden, zijn bezet; voor vijftien van de vijfenzestig Nationale Raden is rechtsgeldigheid verkregen; verworven zijn: zeventien van de 52 Nationale Hazíratu'l Quds, zeven van de 62 Tempelgronden, dertien van de 54 Nationale grondbezittingen, veertien van de 32 Onderrichtinstellingen; wat wettelijke erkenning betreft zijn 123 van de 973 Plaatselijke Raden, voorzien in het Plan, daarin geslaagd; verkregen Plaatselijke Hazíratu'l Quds: 24 in India, 17 in Kenya, 9 in Uganda, 2 in Zuid Afrika, 2 in Turkije en een aantal in Kongo (Kinshasa), terwijl er land is verkregen voor nog eens 8 Hazíratu'l Quds in Kenya, voor 4 in Kameroen, 2 in Pakistan en 1 in Mauritius; in acht landen zijn Plaatselijke bezittingen verkregen naast die, voorzien in het Plan.

5 IJsland, Korea, Liberia, Luxemburg en Rhodesië erkennen nu het Bahá'í huwelijkscontract; de Dominicaanse Republiek, Guyana, Hawaï, IJsland, Italië, Kenya en Luxemburg erkennen de Bahá'í Heilige Dagen. Een Zomerschool is ingesteld in Liberia, en één, die niet in het Plan was opgenomen, in Canada, terwijl voor dit doel land is aangekocht in Argentinië, Ethiopië en Samoa. Vijfentwintig nieuwe talen zijn toegevoegd aan de lijst van talen waarin Bahá'í boeken verkrijgbaar zijn, wat het totale aantal brengt op 397. Het aantal gebieden, dat geopend is voor het Geloof is gestegen tot 311, daarbij inbegrepen de tot voor kort onbetreden gebieden van de Chilcé archipel, Bonaire, de Phoenix eilanden en St. Maarten, en twee gebieden meer dan in het Plan genoemd worden, nl. het eiland Melville in Australazië en Montserrat in de Bovenwindse eilanden.

6 Na langdurige tegenwerking heeft de Nationale Geestelijke Raad van Perzië tenslotte het historische fort Chihríq in haar bezit weten te krijgen, de sombere en afgelegen citadel die de laatste aardse verblijfplaats was van de gezegende Báb, van waaruit Hij naar Zijn martelaarschap in Tabríz werd gevoerd.

7 Een prachtige overwinning betekent de verwezenlijking van de lang nagestreefde erkenning van het Geloof in Italië, die niet alleen de wettelijke erkenning van de Nationale Geestelijke Raad tot gevolg heeft gehad, maar ook die van alle Plaatselijke Geestelijke Raden in Italië, en de bevoegdheid tot het oprichten van een Publikatie Stichting van de Nationale Raad. In IJsland is het Geloof officieel erkend als één der godsdiensten van het eiland. Dit betekent niet alleen de erkenning als rechtspersoon van de Plaatselijke Geestelijke Raad van Reykjavik, maar geeft tevens de voorzitter van die Raad het recht Bahá'í huwelijken te sluiten en Bahá'í begrafenissen te leiden, ontheft het Geloof van bepaalde belastingen, staat de inachtneming van Bahá'í Heilige Dagen toe en maakt de weg vrij voor de erkenning als rechtspersoon van de Nationale Geestelijke Raad van dat land, zodra die gevormd zal worden.

8 Het volledige aantal Plaatselijke Geestelijke Raden, Groepen en Plaatsen, voorzien in het Plan, is bereikt in 53 gebiedsdelen en eilanden onder de leiding van zesentwintig Nationale Geestelijke Raden; vijf gebieden hebben het vereiste aantal Plaatselijke Geestelijke Raden gevormd en zeven hebben het vereiste aantal vestigingsplaatsen.

9 Sinds de oproep van een jaar geleden is de instelling van internationale reizende onderrichters, die zich over de vijf continenten uitstrekt en bijna alle nationale gemeenschappen omvat, ter hand genomen. In Europa zijn 78 projecten voltooid, in Amerika 43, in Azië 27, in Australazië 25, wat opgeteld bij die in Afrika het totale aantal op ongeveer 200 brengt. Wij hopen zeer dat deze stimulerende aktiviteit, die de geliefde Meester zo na aan het hart lag, voortdurend zal worden uitgebreid.

10 Al deze zichtbare resultaten worden gedragen door een voortdurende werkzaamheid in de gebieden van onderricht en bestuur een ononderbroken beweging, als, de eindeloze deining van de zee, binnen de Bahá'í gemeenschap, welke de werkelijke oorzaak is van de groei. Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden die tegenover moeilijke problemen staan, nieuwe plannen ontwerpen, en de verantwoordelijkheid op zich nemen voor een gemeenschap groeiend in aantal en bewustzijn; Comité's die zich inspannen gestelde doelen te verwerkelijken; Bahá'í Jongeren in hun enthousiaste en toegewijde werkzaamheid, individuele Bahá'ís en families die zich voor het Geloof inzetten door het uitdragen van de Verkondiging, door het houden van firesides, al deze trouwe diensten trekken de bekrachtiging van Bahá'u'lláh aan.

11 Hoe meer zij worden ondersteund door gebeden en diepe toewijding en hoe omvangrijker zij worden, des te meer maken zij in de wereld een geestelijke kracht vrij, waar geen "aardse macht zich tegen verzetten kan en die uiteindelijk de volledige triomf van de Zaak teweeg zal brengen. Het is deze organische levenskracht van het Geloof, zo duidelijk voelbaar in het Wereldcentrum, en waarvan we iedere gelovige de uitbundige blijdschap willen laten meevoelen.

12 In het Wereldcentrum van het Geloof wordt verder gewerkt aan de codificatie van de Kitáb i Aqdas en aan de collationering (vergelijken van afschriften met de oorspronkelijke tekst) van andere belangrijke Teksten. Het werk met betrekking tot de hoogst belangrijke taak van het opstellen der Grondwet van het Universele Huis van Gerechtigheid bevindt zich in een vergevorderd stadium. De aanleg en uitbreiding van de tuinen rondom de heilige Graftomben in Haifa en Bahjí wordt voortgezet. De publicatie van "The Bahá'í World", deel XIII is ter hand genomen; dit boek omvat negen jaren, van 1954 tot 1963, bijna de gehele periode van de Tien Jaren Kruistocht, en bevat tevens een uitgebreid artikel over de geliefde Behoeder door Amatu'l Bahá Rúhíyyih Khánum. Een planmatige ontwikkeling van de betrekkingen met de Verenigde Naties wordt metterdaad nagestreefd. Een belangrijk aanvullend resultaat betekent de oprichting van een Internationaal Bahá'í Audio visueel Centrum, dat tot taak heeft alle Nationale Geestelijke Raden te voorzien van hulpmiddelen op het gebied van onderricht en verdieping, en dat bovendien audio visueel documentatiemateriaal verzamelt en registreert.

13 Het gehele jaar door heeft de dienstbaarheid van de geliefde Handen van de Zaak met een nimmer falend licht gestraald. Hun voortdurend bemoedigen van Nationale Geestelijke Raden en van gelovigen waar ook ter wereld om de doelstellingen van het Plan na te streven en een dieper inzicht te krijgen in de ware betekenis van Bahá'u'lláh's Openbaring, draagt in niet geringe mate bij tot de vorderingen van dit Plan en zal voorzeker een blijvende uitwerking hebben op de ontwikkeling van de Bahá'í gemeenschap. Deze enkele dappere en toegewijde gelovigen, wier plaats in de geschiedenis krachtens hun benoeming tot deze hoge post voor altijd is verzekerd, vormen inderdaad een kostbare erfenis ons door de geliefde Behoeder nagelaten. Met het verstrijken der jaren zijn de eerbied en het respect hun verschuldigd op grond van hun verheven rang, groter geworden, door de liefde en bewondering die hun trouwe diensten bij de vrienden hebben opgewekt.

14 Ter voorziening in speciale behoeften zijn in het afgelopen jaar twee Handen overgeplaatst: Hand van de Zaak John Robarts keerde met een speciale opdracht naar zijn geboorteland Canada in het Westelijk halfrond terug, en Hand van de Zaak William Sears ging terug naar Afrika. Verder zijn wij verheugd te kunnen meedelen dat Hand van de Zaak Tarazu'lláh Samandarí, wiens ogen werden gezegend door het aanschouwen van Bahá'u'lláh, het Universele Huis van Gerechtigheid op de Inter-Continentale Conferentie in Chicago zal vertegenwoordigen, ter vervanging van wijlen Hand van de Zaak Leroy Ioas.

15 Op internationaal gebied is een begin gemaakt met het grote bouwproject van de Panama Tempel door de keuze van een ontwerp van de hand van de heer Peter Tillotson, een Engels architect. De heer Robert McLaughlin, voormalig lid van de Nationale Geestelijke Raad van de Verenigde Staten en rustend Dean van de bouwkundige faculteit van de Princeton Universiteit, destijds lid van de Technische Adviesraad voor de constructie van het interieur van de Moeder Tempel van het Westen in Wilmette, is nu benoemd tot bouwkundig adviseur van het Universele Huis van Gerechtigheid voor de bouw van de Tempel. Hij en de heer Tillotson hebben gezamenlijk het bouwterrein bezocht en werken nauw samen.

16 Binnenkort zullen afbeeldingen en tekeningen van de nieuwe Tempel worden gepubliceerd, en de vrienden zullen op de hoogte worden gehouden van de vorderingen van de bouw van dit Huis van Aanbidding "gelegen tussen de twee grote oceanen", een ligging waarvan 'Abdu'l Bahá aangaf dat zij zeer belangrijk zou worden in de toekomst, en van waaruit de Leringen, eenmaal gevestigd, "Oost en West, Noord en Zuid zullen verenigen."

17 De schitterende pioniersprestatie van het tweede jaar van het Plan begint heilzame resultaten op te leveren, maar nog bestaat er in alle delen van de wereld dringend behoefte aan pioniers voor de consolidatie en de ontwikkeling van het Geloof, zowel in de nieuwgewonnen gebieden als in de gebieden die hersteld moesten worden tijdens de eerste jaren van het Plan. In zevenentachtig gebieden, genoemd op bijgevoegde lijst, is een directe behoefte aan 209 pioniers, en een dringende oproep wordt nu gedaan voor een spoedige verwezenlijking van deze taak. De weg is open voor iedere gelovige zich in te zetten op dit hoogst verdienstelijk terrein, en al degenen die zich geroepen voelen gehoor te geven aan deze speciale oproep, wordt verzocht de genoemde lijst te raadplegen en hun aanbod te doen aan de eigen Nationale Geestelijke Raad. Aan de betreffende Nationale Geestelijke Raden en Comité's voor Pioniers zijn volledige bijzonderheden gezonden over de vereisten voor ieder afzonderlijk gebied.

18 De voortdurende behoefte aan pioniers, evenals de naderende wereldomvattende proclamatie maken het noodzakelijk op ieder continent speciale aandacht te schenken aan de thuisfronten, want die vormen de bronnen van mankracht en bestuurservaring, de hechte grondslagen waarop alle uitbreiding, zowel thuis als ver weg, moet rusten. De thuisfronten moeten zorgen voor de grootst mogelijke toename van het aantal Plaatselijke Geestelijke Raden, Groepen en individuele gelovigen, en deze taken moeten krachtig ter hand worden genomen. Enkele Nationale Geestelijke Raden hebben deze belangrijke doelstellingen ingedeeld in jaarlijks te verwezenlijken taken, om zo een systematische en soepele benadering van het vereiste aantal te waarborgen. Een dergelijke stelselmatige en vastberaden uitvoering van de doelstellingen van het thuisfront wordt ten zeerste aanbevolen.

19 De dringende en steeds groeiende noden van het Bahá'í Fonds worden onder de aandacht van alle gelovigen gebracht. Grote projecten zijn al in uitvoering of liggen voor de boeg, en voor hun verwezenlijking is zeer veel geld nodig. De Panama Tempel pas de eerste van de twee waarin het Negen Jaren Plan voorziet de verfraaiing en uitbreiding van het Wereld Centrum zelf, waaronder begrepen is een noodzakelijke en onvermijdelijke uitbreiding van faciliteiten ter voorziening in de groeiende behoeften van het Geloof; ondersteuning van het vitale onderrichtprogramma in vele delen van de wereld; oprichting en ontwikkeling van nieuwe Nationale Geestelijke Raden dit alles heeft dringend de steun nodig van alle vrienden door middel van voortdurende en opofferende geldelijke bijdragen.

20 Naarmate de inflatie zich over de hele wereld uitbreidt worden de daaruit voortkomende hogere kosten van levensonderhoud in evenwicht gebracht tenminste in de rijkere landen door een overeenkomstige toename van het persoonlijk inkomen. De uitgaven van het Bahá'í Fonds worden onvermijdelijk en op ernstige wijze aangetast door deze inflatoire toestand, die alleen kan worden verlicht door financiële bijdragen in grotere hoeveelheden en van een groter aantal contribuanten beide. Het Huis van Gerechtigheid meent dat aan de financiële noden van het Geloof zou moeten worden tegemoetgekomen door een alomvattende deelneming aan bijdragen, en zij dringt er bij de Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden op aan dit doel met kracht en verbeeldingsvermogen na te streven, waarbij zij de vrienden het pleidooi van de geliefde Behoeder tot iedere gelovige in herinnering moeten brengen: "om zonder aarzelen, overeenkomstig ieders omstandigheden, zijn deel op het altaar van Bahá'í opoffering neer te leggen." Het feit dat alleen wij, de Bahá'í's, financieel kunnen bijdragen aan het Geloof is voor ons zowel een eerbewijs als een uitdaging.

21 Bij het naderen van de derde fase van het Negen Jaren Plan openen zich voor onze blik zulke boeiende vooruitzichten en mogelijkheden dat het hart van iedere vurige volgeling van Bahá'u'lláh van vreugde trilt. Meer dan een eeuw hebben wij gezwoegd om het Geloof te onderrichten; werden heroïsche offers gebracht en ontzaglijk grote inspanningen verricht om de voorposten van het Geloof te kunnen vestigen in de voornaamste landen, gebiedsdelen en eilanden der aarde, en het Bestuurstelsel over de gehele planeet te kunnen opbouwen. Maar het Geloof van Bahá'u'lláh is tot nu toe bij de meerderheid der mensen onbekend gebleven. Nu wordt eindelijk en ten lange leste op de wereldomvattende gemeenschap van de Grootste Naam een beroep gedaan om, op wereldniveau en in iedere laag van de samenleving, een aanhoudende en intensieve verkondiging te brengen van de heilzame boodschap van de komst van de Beloofde en van het doel van Zijn Openbaring: de eenheid en het welzijn van het menselijk ras.

22 Deze lang aanhoudende campagne, die oktober aanstaande een aanvang neemt met de honderdjarige herdenking van het klinken van de "openingstonen" van Bahá'u'lláh's eigen verkondiging, en die gedurende het verloop van de rest van het Negen Jaren Plan met volle kracht wordt voortgezet, kan zeer wel de eerste stoot geven, gevolgd door een onafgebroken reeks andere plannen totdat de mensheid haar Verlosser en haar Heer heeft erkend en dankbaar begroet.

23 Honderd jaar geleden heeft Bahá'u'lláh Zelf zich tot de koningen, heersers, godsdienstige leiders en volkeren der aarde gericht. Het Universele Huis van Gerechtigheid meent dat het tot haar dure plicht behoort die Boodschap onder de aandacht van de huidige leiders van de wereld te brengen. Het zal hen derhalve in boekvorm de essentie van Bahá'u'lláh's verkondiging aanbieden. Onder de titel "De Verkondiging van Bahá'u'lláh" zal tijdens de inleiding van de proclamatieperiode een speciale druk worden aangeboden aan de staatshoofden, en een algemene uitgave in het Engels, Frans, Duits, Italiaans en Spaans voor vrienden beschikbaar zijn.

24 De Handen van de Zaak van God, Amatu'l Bahá Rúhíyyih Khánum, Ugo Giachery, Tarazu'lláh Samandarí, 'Ali Akbar Furútan, Paul Haney, Abú'l-Qásim Faizí, die het Universele Huis van Gerechtigheid zullen vertegenwoordigen bij de Intercontinentale Conferenties, te houden in oktober in respectievelijk Panama, Sidney, Chicago, Kampala, Frankfurt en New Delhi, zullen in september, enkele dagen voor het Feest van Wil in het Wereldcentrum samenkomen. De leden van het Huis van Gerechtigheid zullen samen met genoemde Handen de zegen afsmeken bij de Graftombe van Bahá'u'lláh in Bahjí, en met hen gezamenlijk beraadslagen in de Villa. Vanuit deze Heilige Plaats zullen de genoemde Handen van de Zaak ten behoeve van de gehele Bahá'í Wereld een speciale pelgrimstocht maken naar Adrianopel, waar de Súriy i Mulúk werd geopenbaard. Op 27 september, honderd jaar na de historische gebeurtenis die zij herdenken, zullen zij samenkomen in het Huis van Bahá'u'lláh om te bidden en te mediteren, terwijl de leden van het Universele Huis van Gerechtigheid tezelfdertijd in de Heiligste Graftombe te Bahjí deze herdenking zullen houden en zullen bidden voor het welslagen van de Conferenties en het Proclamatie programma. Vanaf de Conferenties tot Ridván 1968 zal de gehele Bahá'í Wereld de honderdjarige herdenking vieren van het begin van die schitterende periode in de Geschiedenis der mensheid toen de wolken van milddadigheid hun schatten overvloedig op de mensen deden neerregenen en de poorten van het Koninkrijk wijd werden geopend om voor allen die ogen hadden om te zien een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te onthullen, en het nieuwe Jeruzalem nederdalende van God.

25 Onmiddellijk na het Feest van Wil zullen de Handen van de Zaak vanuit Adrianopel naar hun Conferenties reizen. Elk van hen brengt een kostbaar pand mee, in de vorm van een foto van de Gezegende Schoonheid. Degenen die de Conferenties bijwonen zullen het voorrecht hebben deze foto te zien. Ieder van deze onderscheiden Handen zal uit eigen naam de Conferentie die hij bijwoont, toespreken en tevens voor iedere Conferentie een boodschap meebrengen als vertegenwoordiger van het Universele Huis van Gerechtigheid.

26 Deze zes Conferenties, bijeengeroepen om het begin van Bahá'u'lláh's eigen Proclamatie te herdenken en een proclamatie periode van Zijn boodschap door de gehele gemeenschap van Zijn volgelingen in te luiden, zullen ongetwijfeld wederom de geest van vreugde ademen, die dergelijke bijeenkomsten kenmerkt, en de vrienden versterken in hun vastbeslotenheid om alle mogelijke middelen en gelegenheden aan te grijpen ter verkondiging van de Goddelijke roep. Vereerd met de aanwezigheid van de Handen van de Zaak, zullen deze Conferenties, brandpunten van de liefde en de gebeden van de vrienden van overal en magneten voor het aantrekken van de geestelijke krachten, die als enigen in staat zijn hun uitwerking te verzekeren, naar wij vol vertrouwen hopen, krachtige bronnen zijn van eenheid, geestelijk enthousiasme en realistische planning. Op de Nationale Geestelijke Raden is een beroep gedaan hun vertegenwoordiging op de Conferentie in eigen werelddeel te waarborgen, zodat zij hun plannen voor de proclamatie kunnen uitwisselen met de andere Nationale Geestelijke Raden, en de resterende doelstellingen van het Negen Jaren Plan met hen kunnen bespreken.

27 Wij zenden een speciale boodschap van liefde en bemoediging naar alle vrienden in de vele landen, die in wisselende mate hebben te lijden onder beperkingen en onderdrukking, die hen geheel en al of gedeeltelijk beletten openbare herdenkingen en daarop aansluitende proclamatie programma's te organiseren. Hun brengen wij de liefde en bewondering over van hun medegelovigen, die, dankbaar voor hun grotere vrijheid, vastbesloten zijn om de verkondiging van de Goddelijke Boodschap op dusdanige wijze wereldkundig te maken, dat dit weleens de weg zou kunnen bereiden voor de uiteindelijke algehele vrijmaking van het Geloof.

28 Wereldomvattende verkondiging de onbekende zee waarop wij weldra moeten zeilen zal aan ons werk een nieuwe dimensie toevoegen, een dimensie die, naarmate zij zich uitbreidt, het tweevoudige proces van ontplooiing en consolidatie zal aanvullen en versterken. Dit samenstel van onderrichtwerkzaamheden, dat zich zo snel na de voltooiing van de opbouw van het Bestuurstelsel aftekent, kan een goed middel zijn om het vitale consolidatiewerk te bevorderen en de kennis omtrent onderricht vergaard in honderd jaar, doeltreffender toe te passen, des te meer sinds de geliefde Behoeder ons opriep tot een systematischer en georganiseerde werkwijze.

29 Daarom moet deze werkwijze in die landen waar vrijheid van godsdienst is, een onderdeel van het regelmatige werk worden, opgenomen in de begrotingen, aan Nationale en Plaatselijke Comité's voorgelegd ter bestudering en uitvoering en bovenal gecoördineerd worden met de lopende programma's voor de verwerkelijking van de doelstellingen van het Negen Jaren Plan. Iedere proclamatie activiteit moet worden ondersteund door onderricht, vooral op plaatselijk niveau, waar openbare aankondigingen samen moeten gaan met een dergelijke activiteit. Deze coördinatie is essentieel, want niets zou ontmoedigender zijn dan dat duizenden van het Geloof zouden horen en zich nergens om verdere inlichtingen zouden kunnen wenden.

30 De geliefde Behoeder schreef: "Het streven naar een doeltreffender begrip van de betekenis van Bahá'u'lláh's verwonderlijke Openbaring moet naar mijn vaste overtuiging de voornaamste plicht blijven vormen van elk van haar trouwe aanhangers, en het doelwit van hun voortdurende inspanning"; een verklaring die iedere gelovige de plicht tot verdieping in het Geloof met kracht oplegt. Daarom willen wij liever de aard van het verdiepen toelichten, dan de wenselijkheid ervan.

31 Een uitgebreide en nauwkeurige kennis van de huidige structuur van het Bahá'í Bestuur, of van de Bijwetten van Nationale en Plaatselijke Geestelijke Raden, of van de vele en afwisselende toepassingen van de Bahá'í Wetgeving onder de verschillende omstandigheden, die in de wereld bestaan, kunnen, hoewel waardevol op zichzelf, niet worden gerekend tot het soort kennis, dat in de eerste plaats met verdiepen wordt bedoeld. Veeleer wordt een duidelijker begrip gevraagd van het doel van God met de mens, en in het bijzonder Zijn onmiddellijk doel, zoals dat door Bahá'u'lláh is geopenbaard en aangegeven een doel dat zo ver als maar mogelijk is verwijderd ligt van de gangbare opvattingen omtrent het menselijk welzijn en geluk.

32 Wij moeten voortdurend op onze hoede zijn dat de oogverblindende schone schijn van een welvarende samenleving ons niet tot de gedachte brengt, dat zulke oppervlakkige aanpassingen aan de moderne wereld, zoals die door humanistische bewegingen worden gezien of openlijk worden verkondigd als beleid van een verlicht staatsmanschap zoals uitbreiding van de voordelen van een hoge levensstandaard, opvoeding, medische zorg en technische kennis onder alle leden van het menselijk ras op zichzelf de glorierijke zending van Bahá'u'lláh in vervulling zullen doen gaan. Verre van dat.

33 Dit zijn de dingen, die ons bovendien geschonken zullen worden als wij eerst het Koninkrijk van God zoeken, en vormen niet op zich de doeleinden waarvoor de Báb Zijn leven gaf, waarvoor Bahá'u'lláh zulk een lijdensweg had te gaan als geen mens vóór Hem, en waarvoor de Meester en na Hem de Behoeder hun beproevingen en bezoekingen met bovenmenselijke kracht droegen. Hun inzicht, dat doordrong tot de werkelijke bedoeling van het menselijke leven, ging oneindig veel dieper. In dit verband kunnen wij niet beter doen dan bepaalde onderwerpen, die Shoghi Effendi behandelt in zijn scherpzinnige uiteenzetting "Het Doel van een Nieuwe Wereldorde" onder de aandacht van de vrienden te brengen.

34 "Het principe van de eenheid der mensheid", schrijft hij, "houdt een organische verandering in van de samenstelling van de huidige maatschappij, een verandering zoals de wereld nog niet ondergaan heeft." Verwijzend de naar de " ... baanbrekende veranderingen, die de grootste mijlpalen zijn in de geschiedenis van de menselijke beschaving", verklaart hij dat "... zij alleen dan vanuit hun juiste perspectief gezien kunnen worden, wanneer zij beschouwd worden als aanpassingen van ondergeschikt belang, die de gedaanteverwisseling van ongeëvenaarde majesteit en omvang aankondigen, die de mensheid in dit tijdperk zal moeten ondergaan." In een later geschrift zinspeelt hij op de door Bahá'u'lláh te vestigen beschaving als "... van een levensvolheid, zoals de wereld nooit heeft gezien, en die zij zich vooralsnog niet kan voorstellen."

35 Zeer geliefde Vrienden. Dit is de grondgedachte die wij moeten volgen in onze pogingen tot verdieping van ons Geloof. Wat is Bahá'u'lláh's bedoeling met het menselijk ras? Met welk oogmerk onderwierp Hij Zich aan de ontzettende wreedheden en beledigingen, waarmee Hij werd overladen? Wat bedoelt Hij met "een nieuw mensenras"? Wat zijn de diepgaande veranderingen die Hij teweeg zal brengen? De antwoorden zijn te vinden in de Heilige Geschriften van ons Geloof en in de uitleg ervan door 'Abdu'l-Bahá en onze geliefde Behoeder. Laten de vrienden zich onderdompelen in deze oceaan, laten zij regelmatig studieklassen organiseren voor de aanhoudende beschouwing ervan, en laten zij, ter versterking van hun inspanning, gewetensvol denken aan de verplichting van het dagelijks gebed en het dagelijks lezen van het Woord van God, die Bahá'u'lláh aan alle Bahá'í's heeft voorgeschreven.

36 Een dergelijk toegewijd streven van de zijde van alle vrienden om zich te verdiepen in de Zaak wordt een noodzaak bij de afkondiging van het proclamatie programma. Naarmate dit resultaten gaat afwerpen zal steeds meer aandacht worden geschonken aan de aanspraken van Bahá'u'lláh en moet op tegenstand worden gerekend. "Hoe groot, hoe enorm groot is de Zaak!" schreef de Meester. "Hoe heftig de aanvallen van al de volken en geslachten der aarde. Eerlang zal het getier van de massa in Afrika, in Amerika, het geschreeuw van de Europeaan en de Turk, het gekreun van India en China van heinde en ver worden gehoord. Allen tezamen zullen zij opstaan om zich met al hun macht tegen Zijn Zaak te verzetten. Dan zullen de strijders van de Heer, bijgestaan door Zijn gunst uit den hoge, gesterkt door geloof, geholpen door de kracht van het verstand, en gesteund door de legioenen van het Verbond, opstaan en de waarheid van het vers: "Aanschouw de verwarring die de stammen der verslagenen getroffen heeft!"

37 Gedachtig aan de talloze blijken van Goddelijke liefde, die in onze Geschriften worden gevonden, en in het bewustzijn van de bijzondere aard van de crisis waar de mensheid voor komt te staan, roepen wij de vrienden op tot een hernieuwd besef van de zeer grote dingen, die van ons worden verwacht in deze Dag. Wij brengen ter herinnering dat de Gezegende Schoonheid, Bahá'u'lláh, evenals Zijn "Meest Geliefde" voor Hem en 'Abdu'l-Bahá na Hem Hun lijden in deze wereld hebben gedragen opdat de mensheid zou worden bevrijd van de ketenen der materie en "tot ware vrijheid komen", "voorspoedig zou gedijen", "blijvende vreugde en zou smaken en met blijdschap worden vervuld". Wij bidden dat de inspanningen van de vrienden het middel moge zijn voor de spoedige komst van deze glorie en dit hemelse geluk.

[w.g.] Het Universele Huis van Gerechtigheid.

Lijst van 87 gebieden waarvoor 209 pioniers nodig zijn:

N.B. : In deze lijst zijn niet opgenomen de 29 gebieden, waar vestiging afhangt van gunstige omstandigheden, en het getal van 209 pioniers houdt 25 projecten in, die hun voltooiing al naderen.

AFRIKA (35)

Beetsjoeana-Land

Kameroen

Kaap Verdische Eilanden

Centraal Afrikaanse Republiek

Chagos Eilanden

Comoro Eilanden

Kongo (Brazzaville)

Kongo (Kinshasa)

Corisco Eilanden

Dahomey

Fernando Po Eilanden

Frans Somali Land

Gambia

Ghana

Guinea

Ivoorkust

Lesotho

Libië

Malagasie Republiek

Malawi

Nigerië

Réunion

Rhodesië

S. Thomé en Principe

Seychelles

Somalië

Zuid Afrika

Spaanse Sahara

Soedan

Swaziland

Tanzania (vasteland)

Oeganda

Opper Volta

Zambia

Zanzibar

AMERIKA (23)

Anticosti Eilanden

Argentinië

Barbuda

Belize

Bolivië

Brazilië

Breton Eilanden

Dominicaanse Republiek

Equador

Franklin

Guatemala

Honduras

Magdalen Eilanden

Martinique

Mexico

Mocha Eilanden

Panama

Paraguay

Peru

St. Laurence Eilanden

St. Pierre & Miquelon Eilanden

Seri Reservaat (Tiburon)

Venezuela

AUSTRALAZIË (11)

Amerikaans Samoa

Bathurst Eilanden

Caroline Eilanden

Cocos Eilanden

Fiji

Marquesas Eilanden

Nieuw Caledonië

Nieuwe Hebriden

Tuamotu Eilanden

Tonga Eilanden

West Samoa

AZIË (31)

Afghanistan

Ahsa

Al-Masirah

Cambodja

Ceylon

Imroz Eilanden

Indonesië

Kuria Muria Eilanden

Laos

Maldiven

Marmara.

Filippijnen

Thailand

EUROPA (5)

Oostenrijk

Griekenland

Binnen Hebriden

Luxemburg

Spitsbergen

Vijftig jaar na de bekendmaking van de eerste Tafelen van het Goddelijk Plan door 'Abdu'l-Bahá in maart en april 1916, zijn wij getuige van de afsluiting van pioniersprestaties, die ongeëvenaard zijn in de Geschiedenis van het Geloof. Een jaar geleden werden 461 pioniers opgeroepen hun woonsteden binnen 12 maanden te verlaten en zich over de gehele planeet te verspreiden, teneinde het fundament van de wereld gemeenschap van Bahá'u'lláh te verbreden en te verstevigen. Er is goede hoop dat, met uitzondering van 34 posten, wier bezetting afhankelijk is van gunstige omstandigheden, alle pionierdoelen met Ridván zullen zijn bereikt of althans zeker gesteld door definitieve toezeggingen.

2 De dankbaarheid en bewondering van de gehele Bahá'í wereld gaat uit naar deze edele schare van toegewijde gelovigen, die deze oproep zo schitterend hebben beantwoord. De pioniers, die zijn opgestaan voor de bepaalde doelen, zijn weer versterkt met 45 andere gelovigen, die zich in de deelgebieden hebben gevestigd, terwijl nog eens 69 gelovigen hun woonsteden hebben verlaten om zich te vestigen in de 26 landen, die reeds voor het Geloof zijn ontsloten.

3 Al met al zijn in de loop van het jaar 505 Bahá'ís opgestaan om buiten hun vaderland te gaan pionieren. Dit is het grootste aantal in de gehele geschiedenis van het Geloof, dat zich ooit in één jaar heeft opgegeven.

4 Dit is een eclatante overwinning en in het licht van de verklaring van de Meester in de eerste Tafel van het Goddelijk Plan, "Het is vaak gebeurd dat één gezegende ziel de bron van leiding van een geheel volk is geworden", van een wonderbaarlijk teken voor de toekomst. De directe resultaten hiervan zijn het openleggen van 24 nieuwe gebiedsdelen voor het Geloof, het weer bezetten van 4 andere en de consolidatie van nog eens 93. De nieuw opengelegde gebieden zijn: Chad en Niger in Afrika; Alaskan Peninsula, Barbuda, Cayman Eilanden, Chiloé Eiland, Providencia Eiland, Quintana Roo Territory, Saba, St. Andrés Eiland, St. Eustatius, St. Kitts Nevis, St. Lawrence Eiland, Tierra del Fuego en Turks en Caicos Eilanden; Laccadive Eilanden en Marmara Eiland in Azië; Niue Eiland in Australazië en Bornholm, Capri, Elba, Gotland, Inner Hebrides en Ischia in Europa.

5 Opnieuw bezette gebieden zijn: het eiland Corisco en Spaans Guinea in Afrika en de Maldive en Nicobar eilanden in Azië.

6 Zoals vorig Ridván bekend is gemaakt, zal de eerste Conventie van de Bahá'ís van Brunei dit jaar gehouden worden tijdens het 2e weekend van de Ridván periode, waarbij de eerste Nationaal Geestelijke Raad van Brunei gekozen zal worden. Hand van de Zaak Collis Featherstone zal bij deze historische gebeurtenis aanwezig zijn namens het Wereld Centrum van het Geloof.

7 Een ander resultaat van de bekeringen, die de beloning zijn van de ongelooflijke onderrichtsinspanningen der laatste 2 jaren is de oproep, die nu door het Universele Huis van Gerechtigheid is gedaan voor de samenstelling met Ridván 1967 - van de volgende 9 Nationale Geestelijke Raden: in Afrika de Nationale Geestelijke Raad van Algerië en Tunesië, met als zetel Algiers; de Nationale Geestelijke Raad van de Republiek Cameroun, met als zetel Victoria, terwijl Spaans Guinea en de eilanden Fernando Po, Corisco, Sao Tomé en Prícipe onder haar jurisdictie vallen; de Nationale Geestelijke Raad van Swaziland, Mozambique en Basutoland met als zetel Mbabane; de Nationale Geestelijke Raad van Zambia met als zetel Lusaka. De Nationale Geestelijke Raad van de eilanden Leeward, Windward en Virgin met als zetel Charlotte Amalie. In Azië - de Nationale Geestelijke Raad van Cambodia met als zetel Phnom Penh; de Nationale Geestelijke Raad van Oostelijk en Zuidelijk Arabië met als zetel Bahrayn; de Nationale Geestelijke Raad van Taiwan met als zetel Taipei. In Australazië de Nationale Geestelijke Raad van de eilanden Gilbert en Ellice met als zetel Tarawa. Deze 9 nieuwe Nationale Geestelijke Raden die tezamen met de nieuwe Nationale Geestelijke Raad van Brunei tien extra pilaren van het Universeel Huis van Gerechtigheid uitmaken, zullen het aantal Nationale Geestelijke Raden dat tijdens Ridván 1968 zal deelnemen aan de 2e Internationale Conventie voor de verkiezing van die instelling, op 79 brengen.

8 Dit betekenisvolle jaar kan onmogelijk voorbijgaan zonder vermelding van de onvermoeide, toegewijde diensten van de geliefde Handen van de Zaak, de Banierdragers van het Negen Jaren Plan, evenals de bekwame steun die de Hulpraden hen hebben verleend. De speciale opdrachten waarvan zij zich uit naam van het Universele Huis van Gerechtigheid hebben gekweten. de onderrichtreizen die zij hebben gemaakt, de conferenties die zij hebben georganiseerd, hun onafgebroken werkzaamheden in het Wereld Centrum en bovenal hun nooit aflatende aanmoediging van de vrienden en hun waakzaamheid over het welzijn van de Zaak van God, hebben aan het werk van de gehele gemeenschap aanzien en doeltreffende leiding geschonken. Het smartelijke verlies dat zij hebben geleden door het heengaan van de Hand van de Zaak Leroy Ioas wordt gedeeld door de gehele Bahá'í wereld.

9 De schitterende prestaties op pionier en onderrichtgebied, samen met de enthousiaste aandacht, die wordt geschonken aan de voorbereidende plannen voor een gepaste viering van het eeuwfeest van Bahá'u'lláh's verkondiging van Zijn Boodschap aan de koningen en heersers van de wereld, hebben met succes de eerste fase van het Negen Jaren Plan afgesloten en de weg gebaand voor het tweede stadium, een stadium, waarin de Bahá'í wereld zich moet voorbereiden op en wapenen voor het derde stadium dat begint in oktober 1967, als de 6 internationale conferenties de "openingstonen" zullen doen klinken van een periode van verkondiging van de Zaak van God en die zich zal uitstrekken over de resterende jaren van het Negen Jaren Plan, tot aan het eeuwfeest van de openbaring van de Kitáb i-Aqdas in 1973. Het drievoudige doel van deze conferenties is: de herdenking van het eeuwfeest van het begin van Bahá'u'lláh's Eigen verkondiging van Zijn Zending, de verkondiging van de Goddelijke Boodschap en de beraadslaging over de taken in de resterende jaren van het Negen Jaren Plan.

10 Vijf speciale taken staat de Bahá'í wereld voor ogen bij de intrede van deze tweede fase van het Plan:

11 De eerste taak, is het voltooien van de vestiging van pioniers en uitzending op korte termijn van anderen, waar nodig.

12 De tweede is de intensieve voorbereiding voor de derde fase van het Plan door het uitwerken van nieuwe onderrichtmaatregelen en uitbreiding van de verschillende Bahá'í fondsen op internationaal, nationaal en plaatselijk niveau.

13 De derde is het bespoedigen van de voorraad Bahá'í literatuur, in het bijzonder de vertaling en publicatie ervan in díe talen, waarin tot nu toe nog niets is gepubliceerd of onvoldoende in is voorzien.

14 De vierde taak is het verwerven van de resterende Hazíratu'l Quds, Tempelgronden, nationale grondbezittingen en onderrichtsinstellingen, waarin het Plan voorziet, en wel voordat de zich ontwikkelende inflatie, die nu bijna de gehele wereld treft, de financiële lasten ter verkrijging van deze eigendommen te zeer vergroot.

15 De vijfde taak omvat de opbouw van het Panama Tempel Fonds. Het Universele Huis van Gerechtigheid opent dit Fonds met een bijdrage van $ 25.000 en doet nu een beroep op de gelovigen en de Bahá'í gemeenschappen vrijwillig en regelmatig bij te dragen totdat de fondsen voor de voltooiing van dit historische bouwwerk zijn gewaarborgd. Dergelijke bijdragen moeten rechtstreeks naar de Nationale Geestelijke Raad van Panama worden gezonden. Er zijn meer dan 50 ontwerpen ontvangen en het Huis van Gerechtigheid neemt op het moment de aanbevelingen van de Nationale Raad in overweging. De keuze zal worden bekend gemaakt en de vrienden zullen volledig op de hoogte worden gehouden van de ontwikkeling van dit hoogst belangwekkende en bezielende plan.

16 Iedere individuele gelovige van Bahá'u'lláh, evenals de instellingen van het Geloof op plaatselijk, nationaal, continentaal en wereld niveau, moeten nu de uitdaging aannemen tot het opvoeren van de onderricht intensiteit tot een nooit tevoren bereikte hoogte, teneinde de geweldige groei die het Plan zich ten doel stelt, te verwezenlijken. Deze uitdaging is met des te groter nadruk gericht op de gelovigen die wonen in landen waar zij de vrijheid bezitten om hun Geloof te onderrichten, tegenover de drukkende maatstaven die het Geloof elders zijn opgelegd. In Perzië worden de gelovigen de elementaire rechten ontzegd en is het Geloof nog grotendeels verworpen. In Iráq zijn de Nationale en één Hazíratu'l-Quds in beslag genomen en de aktiviteiten van de vrienden streng beperkt. In Egypte worden Bahá'í eigendommen nog verbeurd verklaard, kortgeleden werden verschillende gelovigen enige tijd gevangen gezet en wachten nu op een verhoor. In Indonesië, waar de Nationale Hazíratu'l-Quds in beslag genomen is en georganiseerde aktiviteiten van de gelovigen zijn verboden, leven zij opnieuw in onderdrukking. In weer andere landen zijn de gelovigen onderhevig aan beperkingenen staan zij onder controle. In alle gevallen zien de vrienden standvastig en vol vertrouwen uit naar hun vrijmaking en de uiteindelijke overwinning van het Geloof.

17 De uitdaging aan de plaatselijke en nationale bestuursinstellingen van het Geloof behelst het organiseren en bevorderen van het onderrichtwerk door middel van systematische plannen, waarbij het niet alleen om de regelmatige firesides in de woningen van de gelovigen, de openbare bijeenkomsten, ontvangsten en conferenties, de weekend-, zomer en winterscholen, de jeugdconferenties en aktiviteiten die op zich op het ogenblik zo krachtig worden gesteund, maar bovendien een voortdurende stroom van gastleraren naar alle plaatsen. De krachten die door laatstgenoemd proces vrijkomen zijn door Bahá'u'lláh in de volgende woorden met geestdrift geprezen. "Het zich begeven van plaats tot plaats op zich, wanneer terwille van God ondernomen, heeft altijd en kan ook nu, haar invloed doen gelden. In de Boeken van ouds is de rang van hen die wijd en zijd hebben gereisd teneinde de dienaren van God te leiden, vermeld en neergeschreven", terwijl 'Abdu'l-Bahá in de Tafels van het Goddelijk Plan zegt:

18 "De leraren moeten onafgebroken naar alle delen van het continent, nee, zelfs naar alle delen van de wereld reizen ..."

19 Dergelijke plannen moeten nu, gedurende deze voorbereidingsperiode worden en uitgewerkt, zodat zij volledig in werking kunnen treden bij de aanvang van de periode van verkondiging om vanaf die tijd onverzwakt te worden voortgezet tot het einde van het Plan.Het Universele Huis van Gerechtigheid hecht zó'n waarde aan dit principe van reizend onderricht, dat het heeft besloten dit op internationaal niveau uit te werken en roept nu pioniers op om hun diensten op dit terrein aan te bieden. Bij hun bezoek aan andere landen dan het eigen land, zullen deze vrienden een geweldige stimulans vormen bij het verkondigen en onderrichten van het Geloof in alle werelddelen. Wij hopen dat dergelijke projecten met eigen middelen kunnen worden bekostigd, aangezien het Internationale Hulpfonds nog nodig zal zijn voor het pionierswerk. Wanneer echter een voorstel van bijzonder nut kan worden beschouwd voor het Geloof en noch individueel, noch door de te bezoeken Nationale Raden worden gefinancierd, zal het Universele Huis van Gerechtigheid een verzoek om bijstand uit het Internationaal Ondersteuningsfonds in overweging nemen. Aanbiedingen voor welke tijdsduur ook, moeten worden gedaan aan de eigen Nationale Geestelijke Raad of aan Continentale Pionier Comités, die tot extra taak hebben gekregen de Nationale Raden te helpen bij uitvoeren en coördineren van deze nieuwe onderneming. Laten zij die opstaan gedachtig zijn aan het nadrukkelijke bevel van de Meester om, "te reizen als 'Abdu'l-Bahá ... geheiligd en vrij van iedere gehechtheid en in de uiterste afgescheidenheid."

20 Op gelijke wijze moet het consolidatiewerk hand in hand gaan met deze veelomvattende, geordende en steeds groeiende onderrichtpoging. Deze twee processen moeten in feite worden beschouwd als niet te scheiden delen bij de verbreiding van het Geloof. Alhoewel het orderrichtwerk zonder meer voorrang heeft, zou voortzetting zonder consolidatie de gemeenschap onvoorbereid laten om de massa's die vroeger of later moeten reageren op de levenschenkende boodschap van het Geloof, op te vangen. Het richtsnoer van onze geliefde Behoeder in deze vitale zaak is, zoals altijd, duidelijk en ondubbelzinnig: "Iedere uiterlijke doorbraak naar nieuwe terreinen, iedere vermeerdering van Bahá'í instellingen moet gelijke tred houden met een dieper doordringen tot de wortels die het geestelijke leven van de gemeenschap schragen en de gezonde ontwikkeling ervan waarborgen. Nooit moet de aandacht worden afgeleid van deze essentiële, altijd aanwezige behoefte en onder geen enkele omstandigheid worden verwaarloosd of ondergeschikt gemaakt aan de niet minder gebiedend noodzaak, die de uiterlijke uitbreiding van de Bahá'í bestuursinstellingen moet zekerstellen." Een juist evenwicht tussen deze twee essentiële aspecten van de ontwikkeling ervan moet, van nu af aan, nu wij het tijdperk van grootscheepse bekeringen binnentreden, door de Bahá'í Gemeenschap worden gehandhaafd.

21 Consolidatie moet niet alleen het oprichten van Bahá'í bestuursinstellingen behelzen, maar ook een waarachtige verdieping in de fundamentele waarheden en de Geestelijke beginselen van het Geloof; begrip voor de voornaamste doelstellingen bij de vestiging van de eenheid der mensheid; onderricht in de gedragsnormen aanzien van alle aspecten van het persoonlijke en openbare leven; onderricht in een nauwgezette toepassing van het Bahá'í leven in dingen als het dagelijks gebed, de opvoeding van kinderen, het naleven van de Bahá'í huwelijkswetten, het zich onthouden van politieke aktiviteiten, de verplichting tot het bijdragen aan het Fonds, het belang van het 19 Daags Feest en de gelegenheid tot het verkrijgen van een grondige kennis van de huidige praktijk van het Bahá'í bestuurstelsel.

22 De opmars van het Geloof vereist, en is in feite van, een zeer grote toename van de bijdragen aan de verschillende fondsen. Alle doelen die aan het wereld Centrum van het Geloof zijn toegewezen, en in het bijzonder die doelen, welke te maken hebben met de bebouwing en verfraaiing van de bezittingen rondom de Heilige Graftomben, evenals de uitbreiding van de tuinen op de Berg Carmel, brengen zeer hoge kosten met zich. De bouw van de 2 Tempels waarin het Plan voorziet, zal eveneens grote sommen gelds vereisen, terwijl het wereldomvattende onderricht- en consolidatiewerk, dat nu zal worden geïntensiveerd, ondersteund moet worden door een steeds toenemende en onafgebroken toevloeiing van bijdragen. Het Internationale Ondersteuningsfonds moet worden gehandhaafd en uitgebreid, niet alleen voor toekomstige pionierdoeleinden, maar eveneens ten behoeve van het nu vereiste hulpverlening en ontwikkelingsprogramma voor reizende leraren. Aangezien het alleen degenen, die hun erkenning van Bahá'u'lláh openlijk hebben bekend gemaakt, toegestaan is om financieel bij te dragen aan de vestiging van Zijn wereldorde, is het duidelijk dat er meer, veel meer wordt verlangd van de weinigen die nú zo bevoorrecht zijn. Onze verantwoordelijkheden op dit gebied zijn bijzonder groot en in werkelijkheid evenredig aan het zegenrijke voorrecht de dragers te zijn van de naam van God in deze dag.

23 De uitdaging, die aan de individuele Bahá'í gesteld wordt op ieder gebied van dienstbaarheid, maar bovenal op het gebied van het onderrichten in de Zaak van God, is oneindig. Met iedere ramp die de mensheid bezoekt, wordt onze onontkoombare plicht duidelijker, evenmin mogen wij nooit vergeten dat, wanneer wij deze plicht verzuimen, "op anderen" met de woorden van Shoghi Effendi "een beroep zal worden gedaan om onze taak als geestelijke leiders ter leniging van de schreeuwende noden van deze geteisterde wereld op zich te nemen." Het schijnt dat gelukkig nú een tijdperk binnentreden, waarin de langverbeide uitbreiding van ons Geloof kan worden tegemoet gezien. Onze kans ligt in de toenemende honger van de mensheid naar geestelijke waarheid. In ons streven naar het grijpen van deze kans zouden wij er goed aan doen de volgende woorden van Bahá'u'lláh te overdenken:

24 "Laat uw gedrag jegens uw naaste, zodanig zijn dat daaruit duidelijk de tekenen van de ene ware God spreken, want gij behoort tot de eersten onder de mensen om te worden wedergeboren door Zijn Geest, de eersten om te aanbidden en de knieën te buigen voor Hem, en tot de eersten die cirkelen rond Zijn troon van verhevenheid."

25 Naarmate de mensheid dieper wegzinkt in die toestand, waarvan Bahá'u'lláh schreef, dat "dit nu bloot te leggen niet gepast en onbetamelijk zou zijn", moeten de gelovigen steeds meer naar voren treden als zelfbewuste, gerichte en in gelukkige wezens, overeenkomstig normen, die, in directe tegenstelling met de verachtelijke en immorele opvattingen van de moderne samenleving, de bron zijn van hun rechtschapenheid, kracht en volwassenheid. Het is deze scherpe tegenstelling tussen de kracht, de eenheid en de discipline van de Bahá'í gemeenschap enerzijds en de toenemende verwarring, de wanhoop en het koortsachtige tempo van een ten ondergang gedoemde samenleving anderzijds, die, in de komende woelige jaren de ogen van de mensheid zal doen richten op de veilige schuilplaats van Bahá'u'lláh's wereldverlossende Geloof.

26 De bestendige vooruitgang van de Zaak van God is een bron van vreugde voor ons allen en een aansporing tot verder werken. Maar geen alledaagse bedrijvigheid. Nu worden er heroïsche daden vereist, gelijk alleen door van God geschraagde en onthechte zielen worden volbracht. 'Abdu'l-Bahá, de Bevelhebber van de hemelse Heirscharen, uitte in één van de Tafelen van het Goddelijk Plan de volgende hartekreet: "O kon ik maar reizen naar deze gebieden, al was het slechts te voet en in de uiterste armoede om de Goddelijke leringen uit te dragen door de roep Yá Bahá'u'l-Abhá aan te heffen in steden, dorpen, bergen, woestijnen en oceanen. Dit kan ik helaas niet doen. Hoe diep betreur ik het." En Hij eindigde met dit hartroerende beroep: "Als God wil, kunt gij het volbrengen."

Het getij der overwinning, dat de wereldgemeenschap der Bahá'ís droeg naar het meest grote Jubileum, is nog steeds aan het stijgen.

Een ononderbroken stroom van goddelijke bevestiging daalt neer op onze inspanningen; de bewijzen zijn duidelijk in de vele opmerkelijke successen van de paar korte maanden sinds een begin werd gemaakt met het Negen Jaren Plan. Het meest spectaculaire is de toename van het aantal centra, waar Bahá'ís wonen: van 15.168 op Ridván 1964 tot 21.006 op dit ogenblik, een toename van bijna 6.000 in één jaar.Niet minder opmerkelijk is de vooruitgang van het onderrichtwerk in India, waar het aantal gelovigen nu de 140.000 te boven gaat, een toename van meer dan 30.000 sinds Ridván 1964. Pioniers trekken naar de weinig overgebleven gebieden van de aarde, die nog niet zijn verhelderd door het licht van God's nieuwe Openbaring; de grote toename in de omvang van de Zaak, waarom gevraagd is bij de aanvang van het Plan, blijkt zich te ontplooien, terwijl in land na land de instellingen en bezittingen van het Geloof gestadig en stevig worden gevestigd.

Gedurende de laatste twaalf maanden zijn de doelen, die toegewezen werden aan het Wereld Centrum, daadwerkelijk nagestreefd. Fundamentele beslissingen en activiteiten om het doel "de ontwikkeling van de Instelling van de Handen van de Zaak van God met het oog op uitbreiding in de toekomst van zijn toegewezen functies voor bescherming en verkondiging" uit te voeren, zijn reeds aan de vrienden ter kennis gebracht.Volgend op hun bijeenkomst in het Heilige Land vorig jaar oktober zijn de leden van dit verheven college, zowel de Banierdragers van dit Negen Jaren Plan als van de 10 jarige Kruistocht van de geliefde Behoeder, reeds beladen met eer en verrichte diensten, met hernieuwde en weergaloze kracht opgestaan, om de geesteskracht van de vrienden op te wekken deze opperste onderricht uitdaging tegemoet te treden, hun raad en bijstand te verlenen aan de administratieve instellingen en om de goddelijke geuren en liefde van God over de hele wereld te verspreiden.De toename van het aantal leden van Hulpraden en de nieuwe uitvoerende maatregelen zullen, zoals vol vertrouwen verwacht wordt, de geliefde Handen in staat stellen hun gewichtige plichten met nog grotere doeltreffendheid te vervullen en hun meer tijd geven te reizen en te onderrichten.

Een voorlopig overzicht van de voorwaar betreffende de bouw van de eerste Mashriqu'l Adhkár in Latijns Amerika, één van de twee bouwwerken die gedurende het Plan moesten worden opgericht, is al geschied en wij nodigen thans Bahá'í zowel als niet Bahá'í architecten uit, plannen voor te leggen voor de Panama Tempel. De voorwaarden van de inschrijving en de nauwkeurige omschrijving van het gebouw kunnen verkregen worden bij de Nationale Geestelijke Raad van Panama, wiens keuze van ontwerp onderworpen zal zijn aan de uiteindelijke goedkeuring van het Universele Huis van Gerechtigheid. Wij hopen dat de bouw van dit heilig Huis van Aanbidding, op een plaats die zowel door de Meester als de Behoeder zo'n speciale betekenis is toegekend, met spoed zal worden voltooid, opdat zijn baken van geestelijk licht uit mag stralen over geheel Amerika.

Gedurende de laatste twaalf maanden zijn de volgende nieuwe gebieden voor het Geloof geopend: in het werelddeel Afrika: Gabon, Ifni, Mali, Mauritanië, het eiland Rodrigues, Boven Volta. In Amerika: Aruba, Cozumel eiland, Guadeloupe, Las Mugeres eiland, Prins van Wales eiland, en St. Vincent; in Azië de Ryukyu eilanden; in Australasia de Line eilanden; in Europa het eiland Wight, de Oost- en Westfriese eilanden. De volgende gebieden zijn heropend: in Afrika, Mafia eiland; in Amerika, Antigua, frans Guyana en Martinique, West-Irian in Azië en de Admiraliteitseilanden in Australasia.Nationale Hazíratu'l Quds zijn in negen plaatsen verworven, de zetels dus van de Nationale Geestelijke Raden, en land is verworven in twee andere, waarop deze instelling gebouwd zal worden. Zes Nationale Geestelijke Raden hebben rechtspersoonlijlheid verkregen en het Geloof is erkend geworden in Cambodja, een land bestemd om zijn eigen Nationale Geestelijke Raad te krijgen gedurende het Negen Jaren Plan.Nationale Bezittingen (aan grond) zijn verkregen in acht landen.Zes Onderricht instellingen zijn gevestigd, en land is verkregen voor zes andere.Een Bahá'í uitgeverstrust voor de voorziening van literatuur in de franse taal is in Brussel gevestigd.De heilige Bahá'í dagen zijn erkend in drie gebieden.Bahá'í literatuur is in de volgende elf nieuwe talen gepubliceerd: Ibibio Efik in Afrika, Aguacateca, Athebascan, Carina en Motilon-Yukpa in Amerika. Kenyah, Melanan en Temiar in Azië en Ghari, Marshallese en Motua in Australasia. De vorderingen van de Zaak op Borneo, maakt het mogelijk een doel te bereiken, als aanvulling van het Plan namelijk de vorming van de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís in Brunei op Ridván 1966.

Het voorbijgaan van het eerste jaar van het Plan onthult twee toestanden in de Bahá'í Wereld Gemeenschap. De eerste, binnen het Geloof zelf, is het vermogen om alles en ieder bepaald doel er aan opgedragen, te volbrengen: doelen zoals het verwerven van Hazíratu'l-Quds, Tempelgronden, grondbezit of de verkrijging van rechtspersoonlijkheid van Geestelijke Raden. Zulke afgebakende en zeer belangrijke doelstellingen als deze, waardoor de Zaak materieel, wettelijk en maatschappelijk wordt gevestigd in de wereld, worden nu met rasse schreden genomen door de Administratieve Orde. Bovendien moet opgemerkt worden, dat de voltooiing van vele doelen van dit soort onderlinge samenwerking van de Raden inhoudt, een internationale bedrijvigheid van vitaal belang voor de ontwikkeling van de wereld orde.

De tweede toestand na het afsluiten van het eerste jaar van het Plan, betreft de verhouding van de Zaak tot de mensheid. Bijna overal is een gevoel van een spoedig te verwachten doorbraak van bekeringen op grote schaal. Rapporten van de Handen van de Zaak en van leden van Hulpraden vermelden het voortdurend; vele Nationale Geestelijke Raden geloven dat ze de stranden van deze oceaan bereikt hebben. En inderdaad, toetreden tot de Zaak in grote getale is in sommige gebieden sinds een aantal jaren een feit geworden. Maar grotere dingen zijn op komst. Het onderricht van het Geloof moet een wereld omvattend vuur onsteken in het licht waarvan de Zaak en de wereld de hoofdpersonen in het grootste drama van de menselijke geschiedenis is duidelijk verlicht worden. Het lot voert ons naar dit hoogtepunt, wij moeten ons aangorden voor heldenmoed.

Vier uitdagende en direkte taken doen zich aan ons voor. De eerste is, om gedurende het komende jaar niet minder dan 460 pioniers bijeen te brengen en uit te sturen, die de vierenvijftig overgebleven nog niet ontsloten gebieden van het Plan moeten openleggen, zich in de achttien onbezette gebieden weer zullen vestigen, gebieden waar het aantal en de samenhang van de Bahá'í gemeenschappen op het ogenblik onvoldoende zijn om doeltreffende onderrichtsplannen te beginnen zullen versterken, in de gebieden van massa onderricht het werk zullen steunen en uitbreiden.

Laat elke gelovige deze uitdaging in overweging nemen: "Zij hij, in de woorden van de geliefde Behoeder, "in actieve dienst of niet, van welk van beider geslachten ook, jong of oud, rijk of arm, oudgediende of nieuw ingeschrevene."

Om de inspanningen van de pionierende vrienden en hun overbrenging naar hun posten bij te staan in de komende twaalf maanden kondigen wij de vorming aan van vijf continentale Pionier comitees aan n.l. het Pionier Comité voor Afrika, benoemd door de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van de Britse eilanden; het Pionier Comité voor de beide Amerika's benoemd door de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van de Verenigde Staten; het Pionier Comité voor Azië, benoemd door de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Perzië; het Pionier Comité voor Australasia, benoemd door de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Australië; het Pionier Comité voor Europa, benoemd door de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van Duitsland.

Deze Comitees zullen op generlei wijze inbreuk maken op de verantwoordelijkheden van andere Pionier Comitees of van Nationale Geestelijke Raden, die belast zijn met het onderricht werk en onder wier bevoegdheid ze zullen werken. Zij zijn ingesteld om het werk van deze Nationale lichamen te vergemakkelijken en te ondersteunen, door te zorgen voor doelmatige uitwisseling van belangrijke gegevens, zowel continentaal als intercontinentaal, door te helpen bij het in juiste banen leiden van aanbiedingen om te pionieren en in het overbrengen van pioniers naar hun posten.

Een zorgvuldige raming is gemaakt van de behoefte aan pioniers in ieder gebied, gedurende de komende twaalf maanden en het resultaat, daarbij inbegrepen die voor de 72 gebieden, hierboven vermeld, is een oproep voor 461 pioniers; 86 voor Afrika, 96 voor de beide Amerika's, 191 voor Azië, 29 voor Australasia en 59 voor Europa. Iedere Nationale Geestelijke Raad is geraadpleegd over zijn behoefte aan pioniers en deze zijn bekend gemaakt zowel aan alle Nationale Geestelijke Raden als aan de vijf continentale Pionier Comitees, die geregeld op de hoogte gehouden zullen worden van vorderingen door de Nationale Geestelijke Raden. Bij de vrienden wordt er daarom op aangedrongen hun Nationale Geestelijke Raad te raadplegen om inlichtingen over de behoefte aan en de verantwoordelijkheden van pioniers zowel wat betreft hun eigen gemeenschappen als in het algemeen.

Voor de eerste maal in de Bahá'í geschiedenis is een Internationaal Afvaardigings fonds in het Wereld Centrum opgericht onder beheer van het Universele Huis van Gerechtigheid. Hieruit zal een aanvullende ondersteuning gegeven worden voor speciale pionierplannen, wanneer andere fondsen niet voor handen zijn. Alle vrienden en vooral zij, die niet in staat zijn aan de oproep om pioniers gevolg te geven, worden uitgenodigd dit Fonds te steunen, gedachtig aan het uitdrukkelijke bevel van Bahá'u'lláh: "Concentreer uw krachten op de verbreiding van het Geloof van God. Hij die een dergelijke hoge roeping waardig is, laat hem opstaan en het Geloof bevorderen. Al wie hiertoe niet in staat is, diens plicht is het diegene aan te wijzen, die in zijn plaats deze Openbaring zal verkondigen, waarvan de kracht de fundamenten van de machtigste bouwwerken heeft doen schudden, iedere berg tot stof verbrijzeld en iedere ziel met stomheid heeft geslagen."

De tweede uitdaging waar we tegenover staan is om de intensiteit van het onderricht tot zulk een hoogte op te voeren als nooit te voren bereikt werd teneinde de “geweldige toename” te verwezenlijjken waartoe in dit Plan wordt opgeroepen. Met algemene deelname en voortdurende actie zal dit doel bereikt worden. Iedere gelovige moet daar een rol in spelen en is in staat dat te doen, want iedere ziel ontmoet anderen en, zoals door Bahá’u’lláh beloofd is: “Al wie opstaat om onze Zaak te helpen, hem zal God tot de overwinning voeren.” De verwarring in de wereld vermindert niet, maar neemt eerder dag aan dag toe, en mannen en vrouwen verliezen hun geloof in menselijke oplossingen. Eindelijk begint het besef te dagen, dat “er [...] geen vluchtplaats [is]” buiten God. Nu is de gouden kans, mensen zijn bereid, in vele plaatsen vol verlangen, om naar het goddelijk geneesmiddel te luisteren.

De derde uitdaging is, om zo spoedig als mogelijk is, al de overblijvende Nationale Hazíratu'l Quds, Tempelgronden, Nationale bezittingen (aan grond) en onderrichtinstellingen, genoemd in het Plan, te verkrijgen. De spoedige tot standkoming van deze plannen zal enorme uitgaven later besparen en zal het Geloof bezittingen schenken die steeds waardevoller worden. Deze fundamentele bezittingen zijn het embryo van machtige instellingen in de toekomst, maar het is deze generatie, die voor zijn eigen bescherming en als zijn bijdrage aan het nageslacht, ze verkrijgen moet. Wij doen een beroep op de Nationale Geestelijke Raden, belast met de verantwoordelijkheid op dit gebied, dit een besliste voorrang te geven. Een andere, maar even belangrijke overweging is, dat de voltooiing van dit doel in de eerste jaren van het Plan, de krachten en hulpbronnen van de groeiende wereldgemeenschap vrij zal moeten maken voor een geconcentreerd vastberaden en onverminderd streven in de latere jaren naar grote overwinningen, waarvoor de grondslagen nu worden gelegd.

De vierde uitdaging is, om nationale en plaatselijke plannen voor te bereiden voor een passende viering van het eeuwfeest van Bahá'u'lláh's verkondiging van zijn Boodschap in september/oktober 1867 aan de koningen en heersers van de wereld, vieringen, die gedurende de verdere tijd van het Negen Jaren Plan, gevolgd moeten worden door een aanhoudend en goed ontworpen programma van verkondiging van dezelfde Boodschap aan de gehele mensheid.

Een overzicht van de historische verkondiging door Bahá'u'lláh, zoals door Shoghi Effendi is beschreven in "God Passes By", onthult dat de openingstonen weerklonken gedurende de latere tijd van Bahá'u'lláh's verbanning naar Adrianopel en dat zes jaar later gedurende de eerste jaren van Zijn opsluiting in het gevangenisfort van 'Akká beëindigd werd. Deze "openingstonen" waren de machtige en ontzagafdwingende woorden door Hem gericht aan de koningen en heersers tezamen in de Súriy-i-Mulúk, de meest belangrijke Tafel geopenbaard door Bahá'u'lláh. Het werd geschreven op een tijdstip in de maanden september en oktober 1867 en werd gevolgd door "ontelbare Tafelen in welke de gevolgtrekkingen van Zijn nieuw verkondigde aanspraken ten volle worden uiteengezet". "Koningen en keizers, afzonderlijk en gezamenlijk; de voornaamste magistraten van de Republieken van het Amerikaanse werelddeel; ministers en ambassadeurs; de souvereine Paus zelf; de Vicaris van de Profeet van de Islam; de koninklijke Beheerder van het Koninkrijk van de Verborgen Imam; de vorsten der Christenheid, Zijn Patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen, priesters en monniken; de erkende leiders van zowel de Surmi als de Sli'ik priesterklassen; de hoge priesters van de Zoroastische religie; de wijsgeren, de geestelijke leiders, de wijzen en de bewoners van Constantinopel, die trotse zetel zowel van het sultanaat als het kalifaat; de gehele schare van de verklaarde aanhangers van Zoroaster, de Joodse, Christelijke en Mohammedaanse Geloven; het volk van de Bayán; de wijzen der wereld, de schrijvers, de dichters, de mystici, de handelslieden, de gekozen vertegenwoordigers der volken, Zijn eigen landgenoten", zij allen worden "rechtstreeks onder het bereik gebracht van de vermaningen, de waarschuwingen, de smeekbeden, de verklaringen en de voorspellingen, die het thema vormen van Zijn gewichtige oproep tot de leiders der mensheid." "Uniek en overweldigend als Zijn Proclamatie was, was het slechts een voorspel tot een nog machtiger Openbaring van de scheppende kracht van de schrijver en tot wat mag gelden als de meest opmerkelijke daad van Zijn taakvervulling de openbaarmaking van de Kitáb i Aqdas. In dit, het allerheiligste boek, geopenbaard in 1873 kondigt Bahá'u'lláh niet alleen nog eens de koningen der aarde gezamenlijk aan, dat "Hij die de Koning der Koningen is, verschenen is" maar richt zich tot de regerende vorsten afzonderlijk bij hun naam en verkondigt aan de "regeerders van Amerika en de presidenten van de Republieken in dit werelddeel gelegen" dat "de Beloofde is gekomen". Zó was de proclamatie van Bahá'u'lláh aan de Mensheid. Zoals Hij zelf getuigde: "Nooit sinds het begin van de wereld is de Boodschap zo openlijk bekend gemaakt".

De viering van deze door het lot geladen honderd jaren zal geopend worden met een bezoek in september 1967 op het feest van Mashíyyat (van de Wil) door enige daartoe aangewezen vertegenwoordigers uit de Bahá'í wereld aan het terrein van het huis in Adrianopel, waar de historische Súriy-i-Mulúk werd geopenbaard.

Direkt volgend op deze blijde en vrome daad, zullen zes intercontinentale conferenties gelijktijdig gehouden worden gedurende de maand oktober in de stad Panama, Wilmette, Sydney, Kampala, Frankfort en Nieuw Delhi. De gastheer en voorbereider van iedere Conferentie zal de Nationale Geestelijke Raad zijn in wiens gebied de Conferentie plaats vindt. De volgende Handen van de Zaak Gods zullen het Universele Huis van Gerechtigheid op deze Conferentie vertegenwoordigen: de stad Panama Amatu'l-Bahá Rúhíyyih Khánum, die bij deze gelegenheid de eerste steen zal leggen van de Tempel; Wilmette, Leroy Ioas; Sydney, Ugo Giachery; Kampala, 'Alí-Akbar Furútan; Frankfort, Paul Haney; Nieuw Delhi, Abdu'l-Qasím Faizí.

Alle Nationale Geestelijke Raden worden opgeroepen om gepaste vieringen te houden, op nationale en plaatselijke schaal, van de opening van het eeuwfeest gedurende september/oktober 1967 en tussen bovenvermelde Conferenties en Ridván 1968, op welk tijdstip de tweede Internationale Conventie voor de verkiezing van het Universele Huis van Gerechtigheid gehouden zal worden in het Wereld Centrum.

De geslaagde uitvoering van al deze plannen zullen een gepaste herdenking vormen van de heilige gebeurtenis, die ze weer voor de geest roe en, en wel overeenkomstig de middelen van de Bahá'í Wereld Gemeenschap.

Deze zes Conferenties, gelijk de buitengewoon gewichtige gebeurtenis waarvan zij het eeuwfeest herdenken, zullen de "openingstonen" doen klinken van een tijdperk van verkondiging van de Zaak Gods, zich uitbreidend over de resterende jaren van het Negen Jaren Plan tot het eeuwfeest in 1973 van de Openbaring van de Kitáb i Aqdas, een bedrijvigheid die om de volijverige en van verbeeldingskracht getuigende studie van alle Nationale en Plaatselijke Geestelijke Paden vraagt over de gehele wereld.

Het internationaal toneel zal getuige zijn van het houden van Oceanische Conferenties, voorzegd door Shoghi Effendi. De eerste zal gehouden worden in augustus 1968 op een eiland in de Middellandse Zee, om Bahá'u'lláh's reis te herdenken op die zee honderd jaar geleden van Gallipoli in Turkije naar de grootste gevangenis in 'Akká. In de volgende jaren van het Negen Jaren Plan zullen anderen gehouden worden op de Atlantische Oceaan, in de Caribische Zee, de Stille Oceaan en de Indische Oceaan.

Door een beroep te doen op alle Nationale Geestelijke Raden om reeds nu de benoeming te overwegen van Nationale Proclamatie Comitees, belast met het maken van uitvoerbare en doeltreffende plannen voor de verkondiging van het Geloof over het gehele tijdvak van de herdenking van het eeuwfeest, kunnen we niet beter doen dan op de volgende passage uit een brief, geschreven door onze geliefde Behoeder in verband met de viering van het eeuwfeest van de geboorte van het Bahá'í Tijdperk, de aandacht te vestigen.

"Een ongekende, een zorgvuldig voorbereide en doeltreffend gecoördineerde Nationale campagne, ten doel hebbend de verkondiging van de Boodschap van Bahá'u'lláh, door middel van toespraken, artikelen in de pers en radio-uitzendingen, moet terstond ter hand genomen worden en met kracht doorgevoerd. De universaliteit van het Geloof, zijn doelstellingen en plannen, episoden uit zijn dramatische geschiedenis, getuigenissen van zijn omvormende kracht en de aard en de kenmerkende trekken van zijn Wereld Orde, moeten beklemtoond en aan het grote publiek uitgelegd worden en in het bijzonder aan hoogstaande vrienden en leiders , die welwillend tegenover de Zaak staan; zij moeten benaderd worden en uitgenodigd deel te nemen aan de vieringen, voordrachten, conferenties, banketten. Speciale publicaties moeten voor zover uitvoerbaar en overeenkomstig de middelen, die ter beschikking staan van de gelovigen, het karakter van dit blijde Feest verkondigen".

Deze majestueuse werkwijze, door onze geliefde Behoeder in 1953 begonnen, toen hij de wijd verspreide, onbekende Bahá'í Wereldgemeenschap opriep, zich te werpen op deze eerste glorieuze wereldomvattende kruistocht, wint vaart en het nageslacht mag zeker met ontzag opkijken naar de ontwikkeling van het patroon en de kracht van de wereldorde door zo'n klein deel van het menselijk ras, in een wereld verward in verzet, vijandschap en verdeeldheid. Deze goddelijke voortgestuwde en lang beloofde ontwikkeling moet zijn historisch verloop voortzetten tot aan de uiteindelijke vervulling in de glorie en pracht van de Wereld Orde van Bahá'u'lláh, het Koninkrijk God's op aarde.

Het goddelijk voortgestuwde proces, in zulke ontzagwekkende woorden beschreven door onze geliefde Behoeder, hetwelk zes duizend jaar geleden begon bij het gloren van de cyclus van Adam en hetwelk bestemd is om het toppunt te bereiken in "het tijdperk, waarin het licht van Gods zegevierend Geloof, in al zijn kracht en heerlijkheid schijnende, de gehele planeet zal hebben overstroomd en omvat", treedt nu de tiende en laatste fase binnen.

2 De Tien Jaren Kruistocht, eerst kortgeleden in een gloedvolle sfeer van overwinning en vreugde voltooid, vormde het gehele negende deel van dit proces. Gedurende deze periode sprong de Zaak van God in een ontzaglijke 10 jaren durende krachtsinspanning voorwaarts tot het punt, waarop de fundamenten van het Bahá'í Bestuursstelsel in de gehele wereld gelegd waren, waardoor de weg voorbereid was voor het ontwaken van de massa's, hetgeen het voornaamste kenmerk moet zijn van de toekomstige voortgang van het Geloof.

3 Vanaf het eerste begin van deze Beschikking is de dringendste oproep van God's Woord, zoals achtereenvolgens door de Báb en Bahá'u'lláh vertolkt, geweest de Zaak te onderrichten. 'Abdu'l-Bahá in zijn eigen woorden, "bracht zijn dagen en nachten door met de bevordering van de belangen van de Zaak en met het aansporen van de volken tot dienstbetoon". Shoghi Effendi, de heilige opdracht die hem verstrekt was vervullende, stelde het Bestuursstelsel van het Geloof, dat reeds deel uitmaakte van de Heilige Geschriften, in werking en smeedde het tot een leerinstrument, dat door middel van opeenvolging van plannen op nationaal , internationaal en wereldniveau het gehele Goddelijke Plan van 'Abdu'l-Bahá moet voltooien. Shoghi Effendi voorzag duidelijk in het "reusachtig lange" tiende deel van het reeds aangeduide proces, een serie plannen, die gelanceerd zouden worden door het Universele Huis van Gerechtigheid en die zich zouden uitstrekken over "opeenvolgende periodes van zowel het Vormende als het Gouden Tijdperk van het Geloof".

4 Het eerste van deze plannen ligt nu voor ons. Beginnende Ridván 1964, moet het, terwijl de herinneringen aan het glorierijke Jubileum van 1963 nog steeds in onze harten opwellen, gedurende een tijdsverloop van negen jaren getuigen van een geweldige verbreiding van de Zaak van God en de algehele deelname door alle gelovigen aan het leven van die Zaak.

5 In het Wereldcentrum van het Geloof omvatten de taken van het Plan: Bekendmaking van een overzicht en de samenstelling tot een Wetboek van de Kitáb i Aqdas, het allerheiligste Boek; formulering van de Grondwet van het Universele Huis van Gerechtigheid; ontplooiing van de Instelling van de Handen van de Zaak van God, in overleg met het lichaam van de Handen van de Zaak, met het oog op de uitbreiding in de toekomst van de aangewezen taken: Bescherming en Verspreiding; voortgezette samenbrenging en indeling van de Heilige Bahá'í Geschriften en van de geschriften van Shoghi Effendi; voortgezette inspanningen gericht op de vrijmaking van het Geloof van de ketenen van godsdienstige rechtzinnigheid en de erkenning van het Geloof als een onafhankelijke Godsdienst; de voorbereiding van een plan voor een passende uitbreiding en verfraaiing van het gehele gebied rond de Heilige Plaatsen, dat Bahá'í eigendom is; uitbreiding van de bestaande tuinen op de Berg Karmel; tot verdere ontwikkeling brengen van de betrekkingen tussen de Bahá'í Gemeenschap en de Verenigde Naties; het houden van oceanische en intercontinentale Conferenties; de bundeling van wereldomvattende plannen om in 1967/68 het feit te herdenken, dat het honderd jaar geleden zal zijn, dat Bahá'u'lláh Zijn Proclamatie tot de koningen en heersers richtte; deze Proclamatie had betrekking op Zijn Openbaring van de Súriy i Mulúk in Adrianopel.

6 In de wereldgemeenschap sluit het Plan in de opening van 70 nieuwe gebieden en het zich opnieuw vestigen in 24 oude, de vermeerdering van het aantal Nationale Geestelijke Raden, de steunpilaren van het Universele Huis van Gerechtigheid, tot één honderd en acht, negen keer het getal waarmede de eerste historische Wereld Kruistocht in 1953 zee koos; vergroting van het aantal Plaatselijke Geestelijke Raden tot meer dan dertig duizend zeven honderd, verspreid over alle gebieden en eilanden van de wereld; ten minste één duizend zeven honderd van deze Raden zullen een erkenning als rechtspersoon moeten verkrijgen; de vermeerdering van het aantal plaatsen waar Bahá'ís wonen tot meer dan vier en vijftig duizend; de constructie van twee andere Mashriqu'l Adhkárs, één in Azië en één in Latijns Amerika; de verwerving van twee en dertig Onderwijsinstellingen, twee en vijftig nationale Hazíratu'l Quds, vier en vijftig nationale Grondstukken, en land voor twee en zestig toekomstige Tempels; ruime uitbreiding van de erkenning van de Bahá'í Heilige Dagen en het Bahá'í Huwelijk door burgerlijke autoriteiten; de vertaling van literatuur in één honderd en drie en dertig andere talen en de verrijking van de literatuur in de hoofdtalen, waarin reeds vertalingen gemaakt zijn; de oprichting van vier nieuwe Bahá'í Uitgeversondernemingen en een zeer grote vermeerdering van de financiële hulpbronnen van het Geloof.

7 De gezonde ontwikkeling van de Zaak vereist, dat deze grote uitbreiding vergezeld gaat van de toegewijde inspanning van iedere gelovige het Geloof te onderwijzen, het Bahá'í leven te leven, bij te dragen aan het Fonds en in het bijzonder om met volharding steeds meer de betekenis van Bahá'u'lláhs Openbaring te begrijpen. In de woorden van onze geliefde Behoeder, "Eén ding en slechts één ding zal wis en zeker de ontwijfelbare zege van deze heilige Zaak verzekeren, namelijk, de mate waarin ons eigen innerlijke leven en persoonlijk karakter de pracht van de eeuwige beginselen, verkondigd door Bahá'u'lláh weerspiegelen in hun veelvuldige aspecten."

8 Verbreiding en algehele deelname (door alle gelovigen aan het leven van de Zaak) zijn de twee doeleinden van deze eerste fase van het tweede tijdperk van het Goddelijk Plan en alle taken toegewezen aan de negen en zestig Nationale Gemeenschappen zijn hieraan gewijd. Het proces van samenwerking tussen Nationale Geestelijke Raden, die reeds door de geliefde Behoeder ingesteld waren, zal tijdens de duur van dit Plan zich uitstrekken over meer dan twee honderd bijzondere plannen; het zal dit proces, dat zeer wel van belang kan worden in toekomstige stadia van het Vormende Tijdperk, verder versterken.

9 Wij herhalen, beste vrienden, wij treden het strijdperk binnen, maar met een onvergelijkelijk grotere strijdmacht dan die zich klaar maakte toen de Wereldkruistocht begon in 1953. Bij die kleine groep van twaalf Nationale Gemeenschappen, nu beproefde veteranen, zijn gevoegd zeven en vijftig nieuwe legioenen, elk onder de leiding van een Nationale Geestelijke Raad, elk voorbestemd om zelf een veteraan te worden van deze en toekomstige campagnes. Die eerste Kruistocht begon met iets meer dan zeshonderd Plaatselijke Geestelijke Raden, waarvan het merendeel in Perzië, Noord Amerika en Europa lag; de thuisfronten omvatten nu bijna vier duizend zes honderd Plaatselijke Geestelijke Raden verspreid over de continenten en eilanden van de wereld. We beginnen dit Plan met een geweldige stuwkracht, waarvan als voorbeelden dienen de vermeerdering sinds de vorige Ridván, met meer dan vier duizend nieuwe centra en dertien Nationale Geestelijke Raden en het begin, in verscheidene landen, van de intocht van troepen in de Zaak van God, zoals voorspeld door 'Abdu'l-Bahá en zo verlangend door hem tegemoet gezien.

10 De Banierdragers van dit Negen Jaren Plan zijn dezelfde goddelijk benoemde, beproefde en zegevierende zielen, die de banier droegen van de Wereldkruistocht, de Handen van de Zaak van God. De beraadslagingen met hen en de van hun ontvangen adviezen zijn van onschatbare waarde geweest bij het uitwerken van dit Negen Jaren Plan. Bijgestaan door hun "plaatsvervangers, helpers en raadslieden", de Leden van de Hulpraden, zullen zij het leger van God bezielen en beschermen en het tot het uiterste van de beschikbare middelen leiden door iedere bres. Zij zullen gemeenschappen, die met moeilijkheden te kampen hebben op niet te bewerken of steenharde grond, staande houden, zodat in 1973 de feestelijke vieringen ter gelegenheid van het feit dat het honderd jaar geleden zal zijn, dat het Heiligste Boek geopenbaard werd, plaats zullen kunnen vinden in een zegevierende, hecht gegrondveste, organisch verenigde wereldgemeenschap, welke is toegewijd een het dienen van God en de uiteindelijke zege van Zijn Zaak.

11 Laat daarom iedere van de negen en zestig gemeenschappen haar taken aanvatten, onmiddellijk overwegen hoe ze deze het beste binnen de toegestane spanne tijds kunnen volbrengen, haar pioniers doen opstaan, zich wijden aan onverdroten arbeid en gaan beginnen aan hun opdracht. Nú is de gouden gelegenheid. Want welke beroeringen de eigenzinnigheid van een goddeloze en materialistische eeuw ook in deze wereld moge werpen, hoe smartelijk de gevolgen van het oprollen van de huidige orde op de plannen en de inspanningen van de Gemeenschap van de Allergrootste Naam ook moge zijn, we moeten de gunstige gelegenheden van het ogenblik aangrijpen en voorwaarts gaan in het vertrouwen, dat alle dingen in Zijn machtig bereik zijn en dat, als we slechts ons deel vervullen, de gehele onvoorwaardelijke overwinning onvermijdelijk de onze zal zijn.

Het lanceren van het Zesjarenplan tijdens Ridván 1986 viel samen met de opening van een nieuw tijdvak - het vierde - in de organische ontplooiing van het Vormende Tijdperk van ons Geloof. De bestuursinstellingen van deze groeiende Zaak van Còd toonden reeds tekenen van een toenemende vol-wassenheid, terwijl ze tegelijkertijd vanuit de beschermende onbekendheid van haar begindagen in de grote arena van de publieke belangstelling tevoorschijn kwamen. Deze beide processen werden gemarkeerd door een ontwikkeling die verreikende gevolgen voor het interne leven van de Baháti gemeenschap heeft en door een naar buiten gerichte activiteit van een in haar gehele geschiedenis ongekend,e omvang.

Het eerste was de overdracht van verantwoordelijkheid, zodat alle nationale gemeenschappen, d.oor middel van hun Nationale Geestelijke Raad, in consultatie met Raadgevers, Plaatsefijke Geestelijke Raden en het merendeel van de gelovigen, verzocht werden om voor het eerst hun eigen doelen te formuleren, dj-e tijdens het nieuwe Plan moeten worden bereikt. Aan d,eze verwachte volwassenheid, een uitdaging voor de nationale gemeenschappen, werd voldaan door de formulering van hun nationale plannen die ter coðrdinatie in het wereldomvattende Zesjarenplan aan het Wereldcentrum werden voorgelegd. Het laatste was een eensgezind opstaan van de gehele Bahá'Í wereld.gemeenschap om de in oktober 1985 uitgegeven verklaring "De Belofte van V'lereldvrede" onder de volkeren van de wereld te verspreiden. Staatshoofden, zeer veel Ieden van nationale regeringen, diplomaten, leraren, vakbondsleden, relj-gieuze leiders, vooraanstaande leden van de rechterlijke macht, van de politie, van juridische, medischc en andere beroepen, Ieden van plaatselijke gezagsorganen, clubs en verenigingen, en duizenden personen is de verklaring aangeboden. Naar schatting zijn tot nu toe meer dan een miljoen exemplaren, in zotn zeventig talen,verspreid. Deze twee activiteiten all-een al hebben de groeiende kracht en volwassenhej-d van de Bahá'Í wereldgemeenschap aanzienlijk verstevigd en hebben haar een duidelijker omlijnd en voor het pirÌ.rliek gemakkelijker herkenhaar gezicht gegeven.

Andere factoren hebben er zeer veel toe bijgedragen d.at het Geloof snel zrn intrede doet op het wereldtoneel. Het tijkt er inderdaad op dat elke activiteit van het wijdverspreide Leger van Leven nu wordt opgemerkt en becommentarieerd door een of ander deel van het publiek, van de Alqemene Vergadering van de Verenigde Naties tot kleine en zelfs afgelegen plaatselijke gemeenschappen. De standvastigheid van de zwaarbeproefde Perzische gelovigen blijft de krachtbron van deze wereldomvattende aandacht die in toenemende mate op het Geloof wordt gericht. Hoewel- de onmenselijke executies van heldhaftige martelaren nu minder vaak voorkomen, duren de kwellingen en ontberingen, de lastering en plund.ering van de langvervolgde gemeenschap voort - meer dan 200 zitten nog steeds in de gevangenis - en geven de vertegenwoordi-gers van de Internationale Bahári Gemeenschap bij de Verenigde Naties gegronde aanleiding tot krachtige en volhardende oproepen, die de bezorgdheid van dç Algemene Vergaderinq zel-f hebben gewekt en resulteerden in protesten bij de Iraanse regering namens de weerloze BahátÍs door de Commissie voor de Mensenrechten en door vele machtige naties, waaronder de verschillende regeringen die de Europese Gemeenschap vormen.

De succesvolle lancering van het Zevenjarenplan en de vorderingen die in het eerste jaar van zijn openingsfase gemaakt zijn, verzachten in enige mate de rampen en het onheil die het afgelopen jaar het zwoegende Geloof van God hebben geteisterd. De jongste golf van vervolgingen die in de Bakermat van ons Geloof tegen ons is ontketend heeft de hele Bahá’í wereldgemeenschap door goddelijke bestiering getroffen. Op het hoogtepunt van hun schitterende dienstbaarheid aan het Geloof van God, en binnen de korte tijdspanne van twintig weken werden drie Hoofd-Beheerders van Bahá’u’lláh’s embryonale Wereldorde, de Handen van de Zaak van God Enoch Olinga, Rahmatu’lláh Muhajir en Hasan Balyúzí opgeroepen tot het Abhá Koninkrijk, de rest van ons beroofd achterlatend en geschokt door de immensheid van ons verlies en de tragische wreedheid van de omstandigheden rond de moord op de geliefde Enoch Olinga en leden van zijn gezin.

2 In Iran opende de verwarring die het hele land in haar greep heeft de weg voor de meedogenloze en verstokte vijanden van het Geloof hun fanatieke haat uit te leven, onbeteugeld door welk doelmatig gezag ook. Het Heilige Huis van de Báb is verwoest en er zijn voorstellen gedaan zelfs de oorspronkelijke standplaats teniet te doen. De Siyáh-Chál en Bahá’u’lláh’s Huis in Teherán zijn in beslag genomen samen met alle andere Heilige Plaatsen en bezittingen. Eén lid van de Nationale Geestelijke Raad en twee van de Plaatselijke Geestelijke Raad van Teherán zijn ontvoerd en de verblijfplaats van twee hunner is nog altijd onbekend, terwijl de derde in de gevangenis zit. Ook een Raadgever en enkele vrienden die verbonden zijn aan het Nationaal Kantoor of leden zijn van de Plaatselijke Geestelijke Raad van Teherán zijn gevangen gezet. Bahá’ís zijn zwaar onder druk gezet hun geloof te herroepen en in één geval betrad een gelovige die dit weigerde te doen het roemrijke pad van de martelaren en werd terechtgesteld. Behalve dit alles is een campagne van smaad en valse beschuldigingen tegen de vrienden gevoerd in een poging hen tot de zondebok van onbeteugelde menigten te maken.

3 En toch, zoals altijd in de Zaak van God, is de weldadige werking van de dialectiek van rampspoed en triomf duidelijk zichtbaar. Het onwrikbare geloof van de innig geliefde, zwaar beproefde en immer standvastige Perzische Bahá’í gemeenschap, geleid door het heroïsche standhouden en voorbeeld van haar Nationale Geestelijke Raad, ondersteund en geïnspireerd door de Raadgevers en hun Hulpraadsleden, heeft een geestelijke herleving van de geliefde vrienden teweeggebracht. Zij hebben zich als één man verenigd om een front van stralende geestelijke geaardheid en zelfvertrouwen te vormen en lijken, zoals een waarnemer bericht, op een verblindende gemeenschap van geestdriftige, opgetogen en stralende nieuwe gelovigen.

Met de komst van de Koning der Feesten is de periode van voorbereiding op het volgende wereldomvattende Plan voorbij: wij roepen de vrienden van God nu op tot een nieuwe vijf jaar durende inzet van moed, vastberadenheid en middelen.

De schare van de getrouwen van Bahá’u’lláh staat klaar. Institutionele bijeenkomsten die in de afgelopen maanden overal ter wereld zijn samengekomen hebben opeenvolgende geestdriftige signalen afgegeven om met deze machtige onderneming te beginnen. De opdrachten in de boodschap gericht aan de Conferentie van de Raadgevers worden nu al omgezet in doorslaggevende actieplannen. Tientallen jaren vol heldhaftige inspanningen hebben de gemeenschap gevormd en haar een mate van bewezen bekwaamheid om groei te bevorderen geschonken, die haar staalde voor dit moment. Vooral in de afgelopen twee decennia is deze zo vurig verlangde toename in bekwaamheid aanzienlijk versneld.

Gedurende deze periode heeft de toepassing van een zich ontvouwend kader voor actie de vrienden in staat gesteld om stap voor stap essentiële vaardigheden te ontwikkelen en te verfijnen door eerst eenvoudige daden van dienstbaarheid te stellen, wat leidde tot uitgebreidere actiepatronen die, op hun beurt, het ontwikkelen van nog complexere capaciteiten vereisten. Op deze wijze is er in duizenden clusters een systematisch proces van ontwikkeling van menselijke hulpbronnen op gang gekomen, en in vele daarvan is dit ver gevorderd. De focus lag niet uitsluitend op de individuele gelovige, of op de gemeenschap, of op de instellingen van het Geloof; al deze drie niet te scheiden deelnemers in de evolutie van de nieuwe Wereldorde worden gestimuleerd door de geestelijke krachten die vrijkomen door de ontvouwing van het Goddelijk Plan. De tekenen van hun vooruitgang zijn steeds duidelijker te zien: in het vertrouwen dat talloze gelovigen hebben verworven om verhalen over het leven van Bahá’u’lláh te vertellen en de implicaties van Zijn Openbaring en weergaloze Verbond te bespreken; in de toenemende contingenten van zielen die daardoor werden aangetrokken tot Zijn Zaak en een bijdrage leveren aan het volbrengen van Zijn verenigende visie; in de vaardigheid van bahá’ís en hun vrienden om, juist aan de basis van de gemeenschap, welsprekend te beschrijven hoe zij een proces dat het karakter kan transformeren en het maatschappelijk bestaan vorm kan geven ervaren; in de aanmerkelijk grotere aantallen van hen die inheems zijn en die, als leden van bahá’í-instellingen nu de zaken van hun gemeenschappen aansturen; in de betrouwbare, vrijgevige en opofferingsgezinde schenkingen aan het Fonds, van zo wezenlijk belang om de vooruitgang van het Geloof te steunen; in de ongekende bloei van persoonlijk initiatief en gezamenlijke actie ter ondersteuning van gemeenschapsopbouwende activiteiten; in het enthousiasme van zo vele onzelfzuchtige zielen in de bloei van hun jeugd die dit werk een geweldige vitaliteit verlenen, in het bijzonder gericht op de geestelijke opvoeding van jongere generaties; in het verhogen van het devotionele karakter van de gemeenschap door regelmatige bijeenkomsten voor aanbidding; in de toenemende capaciteit op alle niveaus van bahá’í-bestuur; in de bereidheid van instellingen en personen om te denken in procestermen, door hun directe werkelijkheid te lezen en hun hulpbronnen in de plaatsen waar zij wonen in te schatten en op basis daarvan plannen te maken; in de inmiddels ingeburgerde dynamiek van studie, consultatie, actie en reflectie die een instinctmatige lerende houding heeft gecultiveerd; in het toenemende begrip van wat het betekent om uitvoering te geven aan de Leringen door middel van maatschappelijke actie; in de steeds vaker voorkomende gelegenheden die worden gezocht en aangegrepen om bij de heersende discoursen in de samenleving een bahá’í-perspectief naar voren te brengen; in dat een wereldwijde gemeenschap beseft dat zij, door de maatschappij-opbouwende kracht die inherent is aan de Zaak, met al haar inspanningen de opkomst van goddelijke beschaving bespoedigt; in het groeiende bewustzijn van de vrienden dat hun inspanningen om innerlijke transformatie te voeden, om de kring van eenheid wijder te maken, om samen te werken met anderen in het veld van dienstbaarheid, om bevolkingsgroepen te helpen de leiding te nemen over hun eigen geestelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling – en om met al deze inspanningen de verbetering van de wereld te bewerkstelligen – daadwerkelijk uitdrukking geven aan het eigenlijke doel van religie zelf.

Hoewel er geen maat te geven is voor de totaliteit van de vooruitgang van de Bahá’í-gemeenschap, kan er veel worden opgemaakt uit het aantal clusters wereldwijd waar een groeiprogramma is gevestigd waarvan wij, in dankbaarheid voor de zegeningen verleend door de Abhá-Schoonheid, kunnen bevestigen het boven de 5000 ligt. Een zo breed fundament was een vereiste om de taak waar de bahá’í-wereld nu voor staat aan te gaan: het versterken van het groeiproces in elk cluster waar het is begonnen, en het verder uitbreiden van een verrijkend patroon van gemeenschapsleven. De langdurige inspanning die vereist is zal moeizaam zijn. De uitkomst is echter potentieel van diepe betekenis, en kan zelfs tijdvak-bepalend zijn. Kleine stappen leiden als ze regelmatig en snel zijn, samen tot een zeer grote afgelegde afstand. Als de vrienden zich toeleggen op de vooruitgang die in een eerste periode in een cluster geboekt moet worden – bijvoorbeeld in de resterende zes cycli die voorafgaan aan de eerste van de tweehonderdste gedenkdagen – dragen zij in hoge mate bij aan het binnen bereik brengen van hun doel voor de hele vijf jaar. Elke cyclus is begiftigd met kortstondige gelegenheden voor een flinke stap voorwaarts, kostbare kansen die niet zullen terugkeren.

In de samenleving om ons heen nemen de symptomen van een steeds heftiger malaise van de ziel helaas toe in omvang en ernst. Hoe opmerkelijk is het dat u, terwijl de volkeren van de wereld lijden bij gebrek aan de ware remedie en zich ongedurig van de ene naar de andere valse hoop wenden, rustig en beheerst een instrument aan het verfijnen bent dat de harten verbindt met het Woord van de eeuwige God. Hoe opmerkelijk is het dat u, te midden van de kakofonie van gevestigde opinies en tegengestelde belangen die overal steeds heftiger wordt, erop gericht bent mensen samen te brengen om gemeenschappen op te bouwen die een toevluchtsoord van eenheid zijn. Laat de wereldse vooroordelen en vijandigheden, in plaats van u te ontmoedigen, u eraan herinneren hoe dringend zielen overal om u heen de helende balsem nodig hebben die alleen u hen kunt verstrekken.

Dit is de laatste van een reeks opeenvolgende Vijfjarenplannen. Bij het einde ervan begint er een nieuwe fase in de evolutie van het Goddelijk Plan, bedoeld om de gemeenschap van Bahá’u’lláh voort te stuwen naar de derde eeuw van het bahá’í-tijdperk. Mogen de vrienden van God in ieder land de belofte beseffen van deze enkele jaren die voor ons liggen, die een rigoureuze voorbereiding zullen zijn voor de zelfs nog indrukwekkender taken die nog moeten komen. De brede omvang van het huidige Plan stelt ieder individu in staat om dit werk te steunen, hoe bescheiden iemands bijdrage ook moge zijn. Wij vragen u, dierbare medewerkers, aanbidders van Hem die de Meestgeliefde der werelden is, om geen enkele inspanning te sparen om al wat u geleerd hebt, en alle door God gegeven mogelijkheden en vaardigheden die u bezit te benutten om het Goddelijk Plan vooruit te brengen naar het volgende essentiële stadium. Bij uw eigen vurige smeekbeden om hemelse steun voegen wij de onze, opgedragen in de Heilige Graftomben, uit naam van allen die werken voor deze alomvattende Zaak.

Zie hoe de gemeenschap van de Grootste Naam verrijst! Nu er slechts een jaar verstreken is sinds het begin van het nieuwe Plan, getuigen rapportages van de omvang van wat er ondernomen wordt en bereikt begint te worden. Het intensiveren van 5000 groeiprogramma’s vergt een inspanningsniveau als nooit tevoren. Grote aantallen vrienden laten zich, nu zij een goed begrip hebben van de grondslagen van het Plan, leiden door de vereisten ervan, en tonen strikte toepassing en opoffering in hun respons. Zoals voorzien, zijn enkele al lang lopende intensieve groeiprogramma’s reservoirs van kennis en middelen aan het worden, die omliggende clusters ondersteunen en de snelle verspreiding van ervaring en inzicht mogelijk maken. Centra van intensieve activiteit – die buurten en dorpen waar het meest gericht aan gemeenschapsopbouw wordt gewerkt – blijken een vruchtbare bodem te zijn voor collectieve transformatie. Het uitgebreide en versterkte legioen van hulpraadsleden en hun assistenten moedigt de inspanningen van de gelovigen aan, helpt hen een beeld te krijgen van hoe het groeiproces onder verschillende omstandigheden bevorderd kan worden en geeft benaderingen aan die passen bij de omstandigheden binnen elk cluster. Regional Bahá’í Councils* zijn, met steun van hun respectieve Nationale Geestelijke Raden, aan het leren hoe de stuwkracht van het Plan in een hele reeks clusters tegelijkertijd kan worden opgebouwd, terwijl nieuwe instellingen op nationaal niveau hetzelfde beginnen te doen in sommige kleinere landen zonder Councils. Hoewel de snelle vooruitgang die op sommige plaatsen te zien is op andere plaatsen nog moet verschijnen, zoals ook wel te verwachten valt bij een organisch proces, begint het totale aantal intensieve groeiprogramma’s wereldwijd reeds te stijgen. Verder zijn wij verheugd te zien dat de deelname aan de activiteiten van het Plan gedurende de eerste vier cycli ervan aanmerkelijk is gestegen.

De voortekenen van wat het komende jaar gaat brengen zijn dan ook uiterst veelbelovend. En wat is er toepasselijker om de Gezegende Schoonheid aan te bieden ter gelegenheid van het feit dat het tweehonderd jaar geleden is dat Hij werd geboren dan het oprechte streven van Zijn geliefden om het bereik van Zijn Geloof te vergroten? De eerste van de twee tweehonderdjarige herdenkingen die de bahá’í-wereld zal vieren is daarom een gelegenheid met grootse vooruitzichten. Welbeschouwd biedt dit jaar wereldwijd de allergrootste kans die er ooit geweest is om harten aan Bahá’u’lláh te verbinden. Laat allen in de maanden die voor ons liggen deze kostbare mogelijkheid indachtig zijn, en attent zijn op de mogelijkheden die zich op elke plek voordoen om anderen bekend te maken met Zijn leven en verheven missie. Om de onderrichtskansen die de bahá’í-wereld nu heeft volledig te benutten, moet er creatief nagedacht worden over de gesprekken die zich zouden kunnen ontvouwen met allerlei soorten mensen. Tijdens dergelijke betekenisvolle gesprekken wordt het inzicht verruimd en gaat het hart open – soms al meteen. Bij dit eerzame werk vindt ieder zijn roeping, en niemand mag zichzelf de vreugde ontzeggen die betrokkenheid bij dit werk met zich meebrengt. Wij smeken de Eniggeliefde dat dit gehele tweehonderdjarige herdenkingsjaar vervuld mag zijn van die allerzuiverste en zoete vreugde: een ander mens vertellen van het aanbreken van de Dag van God.

De verplichtingen waar de schare van gelovigen aan moet voldoen zijn des te dringender geworden door de verwarring, het wantrouwen en het duister in de wereld. De vrienden moeten daarom iedere gelegenheid aangrijpen om een licht te laten schijnen dat het pad kan verlichten en de bezorgden geruststelt en de hopelozen hoop biedt. Het doet ons denken aan het advies dat de Behoeder aan een bahá’í-gemeenschap gaf in bewoordingen die voor deze tijd bedoeld lijken: “Nu de structuur van de hedendaagse samenleving beeft en schudt onder de ontwrichtende invloed van onheilspellende gebeurtenissen en rampen, nu de kloven zich verbreden die de breuk benadrukken die naties, rassen en gezindten van elkaar scheidt, moeten de uitvoerders van het Plan een nog grotere samenhang tonen in hun geestelijk leven en bestuurlijke activiteiten, en een hogere standaard aan de dag leggen van eensgezinde inspanning, van wederzijdse steun, en van een harmonieuze ontwikkeling bij hun gezamenlijke ondernemingen.” Shoghi Effendi, die altijd de nadruk legde op het geestelijke belang van het werk van het Geloof en op de doelbewuste vastberadenheid waarmee de gelovigen zich van hun heilige plicht moeten kwijten, waarschuwde eveneens voor ook maar enige inmenging in politieke controverse, verwikkelingen en gekibbel. “Laat hen boven alle partijdigheid en particularisme staan,” bepleitte hij elders, “boven de nutteloze twisten, kleingeestige beramingen en voorbijgaande hartstochten die het aanzien van een veranderende wereld schokken en haar aandacht opeisen.” Dit zijn de onvermijdelijke schuimvlokken en spetters die aan land geworpen worden terwijl een turbulente en verdeelde samenleving door golf op golf in heftige beroering wordt gebracht. Er staat te veel op het spel om door dergelijke zaken te worden afgeleid. Zoals iedere volgeling van Bahá’u’lláh uitstekend weet, hangt het uiteindelijke welzijn van de mensheid af van het overstijgen van de onderlinge verschillen en het hecht vestigen van eenheid. Iedere bijdrage die de bahá’ís leveren aan het maatschappelijk leven is gericht op het cultiveren van eenheid, en ieder streven tot gemeenschapsopbouw heeft hetzelfde doel. Voor hen die de strijd moe zijn, bieden de gemeenschappen die groeien onder de beschutting van de Grootste Naam een krachtig voorbeeld van wat eenheid vermag

Wij betuigen de Heer der Heren lof bij het aanschouwen van zovelen van Zijn geliefden, die er op zoveel manieren alles voor geven opdat het banier van het één-zijn van de mensheid hoog geheven mag worden. Dierbare vrienden: Zou niet ieder van ons, nu wij aan het begin staan van een jaar dat zoveel goeds voorspelt, moeten overwegen welke hemelse daden wij bij Zijn gratie kunnen stellen?

1. We groeten u in de nog immer aanwezige naglans van de gedenkwaardige gebeurtenissen die de tweehonderdste Geboortedag van de Gezegende Schoonheid hebben gemarkeerd. Als wij overdenken wat er toen en sindsdien duidelijk geworden is, merken wij dat de wereldwijde bahá’í-gemeenschap van nu niet meer dezelfde is als toen zij van start ging met de eerste zes cycli van het huidige Plan. Zij is zich meer dan ooit bewust van haar zending. Zij heeft een niet eerder vertoonde toename doorgemaakt in haar vermogen om vrienden en bekenden in contact te brengen met haar gemeenschapsleven, om wijken en dorpen tot eensgezinde inspanningen te inspireren, om duidelijk onder woorden te brengen hoe geestelijke waarheden kunnen worden omgezet in duurzame, concrete actie, en bovenal, om niet alleen gesprekken te voeren over de leringen die de wereld opnieuw zullen vormgeven, maar ook over Degeen die ze bracht: Bahá’u’lláh. Menig hart is geraakt door de verhalen over Zijn leven en Zijn lijden die in talloze talen zijn verteld door volwassenen, jongeren en kinderen. Sommige mensen bleken bereid om Zijn Zaak verder te onderzoeken. Anderen zegden hun medewerking toe. En menig ontvankelijke ziel beleed zijn geloof.

2. De talloze plaatsen waar het duidelijk werd dat het Geloof op nationaal niveau de onbekendheid was ontstegen vormden een duidelijke indicatie van vooruitgang.

Regeringsleiders en opinieleiders verklaarden publiekelijk – en benadrukten soms privé – dat de wereld Bahá’u’lláh’s visie hard nodig heeft, en dat de inspanningen van de bahá’ís bewonderenswaardig zijn en moeten worden uitgebreid. Het deed ons veel genoegen om te zien dat het niet alleen bahá’ís waren die Bahá’u’lláh en Zijn leven wilden eren en vieren; er werden ook speciale bijeenkomsten georganiseerd door mensen van buiten de bahá’ígemeenschap. In gebieden waar men het Geloof vijandig gezind is, lieten de vrienden zich niet ontmoedigen; met wonderbaarlijke veerkracht spoorden zij hun landgenoten aan tot zelfstandig onderzoek naar de waarheid, en velen namen vreugdevol deel aan de festiviteiten. De tweehonderdste herdenking heeft ook geleid tot een schier eindeloze opbloei van kunstuitingen, een prachtig getuigenis van de bron van liefde waar deze uit voortkwam. De algehele wijze waarop de bahá’í-gemeenschap deze gelegenheid benaderd heeft, benadrukte hoeveel er is geleerd in de meer dan twintig jaar sinds de aanvang van de huidige reeks wereldomvattende Plannen. Het individu nam initiatief, de gemeenschap verrees met collectieve inspanning, en de vrienden lieten hun creatieve vermogen leiden door de plannen die door de instituten waren opgesteld. Een belangrijke gedenkdag, die het verstrijken van twee eeuwen markeerde, heeft een krachtige stimulans betekend voor het gemeenschapsopbouwende werk voor de komende eeuw. Moge ieder zaadje dat zo liefdevol gezaaid is tijdens de eerste tweehonderdste herdenking geduldig tot wasdom worden gebracht in aanloop naar de tweede.

3. Hoewel de vooruitgang natuurlijk van land tot land verschilt, is het aantal intensieve groeiprogramma’s in de wereld in de eerste twee jaar van het onderhavige Plan gestegen tot bijna de helft van de vijfduizend die voor de huidige wereldomvattende inspanning voorzien waren, en de snelheid waarmee dit aantal stijgt neemt gestaag toe. Nader beschouwd zijn er veelbelovende tekenen van hoe de krachten en mogelijkheden van individuen, gemeenschappen en instituten vorm krijgen. Door de ervaringen met de vieringen rond de tweehonderdste herdenking hebben de gelovigen overal ingezien dat veel van hun dagelijkse interactie met de mensen om hen heen bezield kan worden met de geest van onderricht. En nu het werk in duizenden dorpen en wijken vaart krijgt, ontstaat er een krachtig gemeenschapsleven in elk daarvan. Er is een aanzienlijke groei geweest in het aantal clusters waar het systeem voor uitbreiding van dit activiteitenpatroon naar steeds meer locaties goed ingeburgerd raakt, waardoor de vrienden de derde mijlpaal van een ontwikkelingscontinuüm voorbij kunnen gaan. Juist daar, aan de frontlinie van het leren van de bahá’í-wereld, in het bijzonder waar de bevolking zich richting Bahá’u’lláh’s visie begeeft, vallen er niet alleen grote aantallen mensen binnen de breder wordende omarming van de bahá’í-activiteiten, maar merken de vrienden nu ook dat omvangrijke groepen mensen zich zijn gaan identificeren met de gemeenschap van de Grootste Naam. Wij zien in dergelijke plaatsen dat de

onderwijsinspanningen van het Geloof formeler van aard worden als kinderen de leergangen jaar na jaar aaneengesloten doorlopen, en dat het ene niveau van het geestelijke bekrachtigingsprogramma voor de jeugd het andere steevast opvolgt. Het trainingsinstituut leert er in deze plaatsen voor te zorgen dat er voldoende mankracht opstaat om te voorzien in de geestelijke en morele vorming van steeds groeiende aantallen kinderen en jeugdigen. Deelname aan deze opbouwactiviteiten raakt nu zo verweven met het plaatselijke levenspatroon dat het beschouwd wordt als een onmisbaar aspect van het gemeenschapsleven. Er ontstaat vernieuwde levenskracht als een volk haar eigen ontwikkeling ter hand neemt, en het raakt immuun voor die maatschappelijke krachten die resulteren in lijdzaamheid. Er ontstaan mogelijkheden voor materiële en geestelijke vooruitgang. De maatschappelijke werkelijkheid begint nieuwe vorm aan te nemen.

4. Dierbare vrienden, dit is werkelijk een moment om de Meestgeliefde dank te betonen. Er is zeer veel reden om bemoedigd te zijn. Wij zijn ons echter maar al te zeer bewust van de omvang van de taak die rest. In wezen moet er, zoals wij al eerder aangaven, in vele honderden clusters een groeiende groep gelovigen verrijzen die met de mensen rondom hen blijvend gericht kunnen zijn op het bevorderen van groei en capaciteitsopbouw, en zich onderscheiden door hun vaardigheid en discipline in het overdenken van actie en het leren van ervaring. Het doen opstaan en vergezellen van een groeiende kern van mensen in iedere plaats – niet slechts op het niveau van het cluster maar ook in wijken en dorpen – vormt tegelijkertijd een ontzagwekkende uitdaging én pure noodzaak. Maar waar dit gebeurt spreken de resultaten voor zich.

5. Wij zien met vertrouwen dat de instellingen van het Geloof deze uiterste noodzaak goed voor ogen hebben, en dat zij doeltreffende werkwijzen bedenken waarmee de inzichten vanuit de voortgang breed toegepast kunnen worden. Tegelijkertijd worden zowel nationale, regionale als plaatselijke lichamen door de toegenomen ervaring verrijkt met een weidsere blik. Zij raken betrokken bij alle facetten van de ontwikkeling van de gemeenschap en zijn begaan met het welzijn van mensen die er formeel geen lid van zijn. Zij zijn zich voortdurend bewust van de verstrekkende implicaties die het instituutsproces heeft voor de vooruitgang van de volkeren, en besteden daarom specifiek aandacht aan hoe het trainingsinstituut versterkt kan worden. Zij houden de noodzaak om de aandacht van de gemeenschap te richten op de vereisten van het Plan in gedachten, en roepen de immer groeiende groep vrienden op tot een steeds hoger niveau van eenheid. Zij houden zich trouw aan hun verantwoordelijkheid om hun bestuurlijke en financiële systemen te verfijnen om het uitbreidings- en consolidatiewerk voldoende te kunnen ondersteunen. Met dit alles zijn zij in essentie bezig met het in de gemeenschap bevorderen van omstandigheden die bijdragen aan het vrijkomen van sterke geestelijke krachten.

6. Naarmate het werken aan gemeenschapsopbouw intensiever wordt, gebruiken de vrienden de nieuwe vaardigheden die zij hebben ontwikkeld om de omstandigheden in de hun omringende samenleving te verbeteren, nu hun enthousiasme is aangewakkerd door het bestuderen van de goddelijke leringen. Het aantal korte-termijnprojecten is enorm gestegen, de reikwijdte van de officiële programma’s is uitgebreid, en er zijn nu meer bahá’í-geïnspireerde ontwikkelingsorganisaties die zich inzetten voor scholing, gezondheid, akkerbouw en andere terreinen. In de resulterende transformatie die te zien is in het persoonlijk en gemeenschappelijk leven van mensen kan men de onmiskenbare eerste roerselen van de maatschappij-opbouwende kracht van de Zaak van Bahá’u’lláh ontwaren. Het is dan ook geen wonder dat men op de kantoren van de Bahá’í International Community in toenemende mate geïnspireerd raakt door juist dergelijke voorbeelden van maatschappelijke actie – eenvoudig of complex, van een bepaalde duur of langlopend – bij hun inspanningen deel te nemen aan het heersende maatschappelijk discours. Dit is nog een ander belangrijk werkterrein van het Geloof dat goed vordert. Op nationaal niveau wordt er met toenemend vertrouwen, kundigheid en inzicht bijgedragen aan het discours over zaken die in de betreffende samenleving van belang worden geacht – onder andere de gelijkwaardigheid van man en vrouw, migratie en integratie, de rol van jongeren bij maatschappelijke transformatie, en het vreedzaam naast elkaar bestaan van verschillende religies. En gelovigen van allerlei leeftijden en achtergronden dragen, waar zij ook wonen, werken of studeren, op een waardevolle manier bij aan bepaalde discussies, waarbij ze de mensen om hen heen een perspectief bieden dat is gebaseerd op de beginselen van de enorme Openbaring van Bahá’u’lláh.

7. Het aanzien van het Geloof op de diverse podia waar het discours gevormd wordt, is sterk gestegen doordat het officieel op het wereldwijde web is verschenen, een aanwezigheid die nog aanzienlijk is uitgebreid nu er talloze nationale bahá’í-websites actief zijn, en de sites die onder bahai.org vallen verder ontwikkeld worden. Dit is van enorme waarde voor zowel de verbreiding als de bescherming van de Zaak. Er werd in slechts enkele dagen een groot wereldwijd publiek bereikt met zorgvuldig opgestelde informatie over het Geloof die op de website van de tweehonderdste herdenking werd gepresenteerd en gelijktijdig in negen talen verscheen, inmiddels nog verrijkt met nationale pagina’s die de verscheidenheid illustreren van de vieringen die hebben plaatsgevonden. Er zijn al vergevorderde plannen om het technisch mogelijk te maken dat nog niet eerder vertaalde en gepubliceerde passages en Tafelen uit de Heilige Geschriften te zijner tijd online kunnen worden uitgegeven op de site van de Bahá’í Reference Library. Daarbij verschijnen er de komende jaren nog nieuwe boeken van de Geschriften van Bahá’u’lláh en ‘Abdu’l-Bahá in Engelse vertaling.

8. De Huizen van Aanbidding die pas onlangs zijn ingewijd, in Santiago in Chili en Battambang in Cambodja, beginnen bekend te raken als aantrekkingspunten, bakens voor de maatschappij aldaar van al waar het Geloof voor staat. En hun aantal gaat nog stijgen. Tot ons genoegen kondigen wij aan dat de inwijdingsceremonie van de Tempel in Norte del Cauca in Colombia

in juli zal plaatsvinden. Bovendien gloort de bouw van meer Huizen van Aanbidding al aan de horizon. Er wordt nu aan een vergunning gewerkt voor de start van de bouw in Vanuatu. In India en de Democratische Republiek Congo heeft een uiterst complex en moeizaam proces uiteindelijk geresulteerd in de succesvolle aankoop van land. De vreugde bij de onthulling van het ontwerp van de eerste nationale Mashriqu’l-Adhkár in Papoea-Nieuw-Guinea met NawRúz was nog nauwelijks voorbij of ook het ontwerp van het plaatselijke Huis van Aanbidding in Kenia werd bekendgemaakt. Intussen verwachten wij ten volle dat het begrip van de vrienden van het belang van aanbidding in het gemeenschapsleven verder zal worden verdiept door de recent verschenen verklaring en compilatie over het instituut van de Mashriqu’lAdhkár, opgesteld door onze Afdeling Onderzoek. Want de bahá’ís leggen met hun dienstbaarheid, in het bijzonder met hun regelmatige meditatieve bijeenkomsten, overal het geestelijk fundament voor toekomstige Huizen van Aanbidding.

9. Er rest nog slechts drie jaar van een inspanning van een kwart eeuw die in 1996 begonnen is met één enkel doel: een aanzienlijke vooruitgang in het proces van toetreding in troepen. Met Riḍván 2021 zullen de volgelingen van Bahá’u’lláh starten met een Plan dat één enkel jaar zal duren. Met deze eenjarige onderneming, kort maar vol van betekenis, gaat een nieuwe golf van Plannen van start die de ark van de Zaak de derde eeuw van het bahá’í-tijdperk zal binnenvoeren. In de loop van die veelbelovende periode van twaalf maanden zal er een bijzondere bijeenkomst in het bahá’í-wereldcentrum worden gehouden waarvoor vertegenwoordigers van alle Nationale Geestelijke Raden en alle Regional Bahá’í Councils worden uitgenodigd, als onderdeel van de herdenking in de bahá’í-wereld dat er een eeuw verstreken is sinds het Heengaan van ‘Abdu’l-Bahá. Dit is echter nog maar het eerste evenement in een reeks die de gelovigen zal voorbereiden op de vereisten van de volgende decennia. In januari van het jaar daarop zal er ter gelegenheid van het verstrijken van honderd jaar sinds de eerste publiekelijke voorlezing van het Testament van de Meester een conferentie in het Heilige Land worden gehouden waar alle Continentale Colleges van Raadgevers en alle leden van de Hulpraden voor Bescherming en Verbreiding zullen samenkomen. De geestelijke energie die bij deze twee historische bijeenkomsten vrijkomt moet vervolgens naar alle vrienden van God, overal waar zij wonen, worden gebracht. Daartoe wordt er in de maanden die daarop volgen wereldwijd een reeks conferenties belegd, als katalysator voor de meerjarige onderneming die op het aanstaande Eénjarige Plan volgt.

10. Aldus nadert er een nieuwe fase in de ontvouwing van het Goddelijke Plan van de Meester. Maar nog dichterbij ligt een spannend vooruitzicht. De tweehonderdste Geboortedag van de Báb ligt nog maar anderhalf jaar voor ons. Dit is een periode om ons het buitengewone heldendom van de Martelaar-Heraut van het Geloof in herinnering te roepen, Wiens veelbewogen beleidsperiode de mensheid naar een nieuw tijdperk van de geschiedenis heeft gebracht. Hoewel er twee eeuwen tussen die tijd en de onze liggen, lijkt de maatschappij waarin de Báb verscheen op de hedendaagse wereld in het gevoel van onderdrukking en het verlangen van zovelen naar antwoorden die de dorst van de ziel naar kennis zullen lessen. Als wij overdenken hoe deze tweehonderdjarige herdenking op passende wijze aandacht kan krijgen, erkennen wij dat deze festiviteiten een heel eigen karakter zullen hebben. Niettemin verwachten wij een opbloei van activiteiten die minstens zo groots en alomvattend zullen zijn als die van de tweehonderdste herdenking die zojuist voorbij is. Het is een gelegenheid waar iedere gemeenschap, ieder huishouden, ieder hart ongetwijfeld vol verwachting naar zal uitzien.

11. De maanden die voor ons liggen vormen ook een periode om terug te denken aan het leven van de onverschrokken volgelingen van de Báb – heldinnen en helden die hun geloof uitdrukten in een weergaloze offerbereidheid die de annalen van de Zaak voor eeuwig zal sieren. Hun eigenschappen van onverschrokkenheid, toewijding, en onthechting van alles buiten God maken een blijvende indruk op eenieder die van hun waagstukken verneemt. Hoe opmerkelijk is ook de jonge leeftijd waarop zo velen van deze heldhaftigen hun stempel onuitwisbaar op de geschiedenis hebben gedrukt. Moge hun voorbeeld de komende periode bemoediging schenken aan de gehele schare van getrouwen – vooral ook aan de jongeren, die wederom tot de voorhoede worden geroepen van een beweging die niets anders voorheeft dan de transformatie van de wereld.

12. Dit is onze vurige, vurige hoop. Moge diezelfde allesverterende en alles te boven gaande liefde die de discipelen van de Báb aanspoorde tot het verspreiden van het goddelijke licht u in de zes cycli tussen deze Riḍván en de volgende tweehonderdste herdenking – ja, gedurende de drie resterende jaren van het huidige Plan – tot grote daden inspireren. Aan de Heilige Drempel smeken wij dat u hemelse bijstand moogt ontvangen.

Bij het naderen van het Allergrootste Feest zijn wij in vervoering door gevoelens van dankbaarheid en hoopvolle verwachting. Dankbaarheid voor de wonderen waartoe Bahá’u’lláh Zijn volgelingen in staat heeft gesteld, in hoopvolle verwachting voor wat de directe toekomst zal brengen.

De stuwkracht die door de wereldwijde vieringen van de tweehonderdste Geboortedag van Bahá’u’lláh teweeg is gebracht is sindsdien alleen maar gegroeid. De toegenomen snelheid van de ontwikkeling van de bahá’í-gemeenschap, haar toenemende capaciteiten en haar groeiende vermogen om uit meer van haar leden energie te putten blijkt levendig uit de opsomming van haar recente wereldwijde verworvenheden. Zeer opvallend in deze prestaties is een toename van gemeenschapsopbouwende activiteiten. Het huidige Vijfjarenplan bouwt voort op de twintig jaar durende inspanning van de bahá’í-wereld om deze activiteiten systematisch te verfijnen en te vermenigvuldigen, maar opmerkelijk is, dat in de eerste twee en een half jaar van het Plan het aantal kernactiviteiten met meer dan de helft is toegenomen. De wereldwijde gemeenschap heeft de capaciteit getoond om op elk willekeurig moment meer dan een miljoen mensen bij dergelijke activiteiten te betrekken en hen te helpen spirituele werkelijkheden te verkennen en hieraan gehoor te geven. In dezelfde korte periode verdubbelde bijna het aantal gebedsbijeenkomsten – een noodzakelijke reactie op de groeiende vervreemding van de mensheid van de Bron van hoop en milddadigheid. Deze ontwikkeling houdt een speciale belofte in, omdat gebedsbijeenkomsten een nieuwe geest blazen in het leven van een gemeenschap. Verweven met educatieve inspanningen voor alle leeftijden versterken ze het verheven doel van die inspanningen: het bevorderen van gemeenschappen die zich onderscheiden door hun aanbidding van God en hun dienstbaarheid aan de mensheid. Nergens is dit duidelijker dan in die clusters waar deelname aan bahá’í-activiteiten door grote aantallen wordt volgehouden en de vrienden de derde mijlpaal in de ontwikkeling van hun gemeenschap zijn gepasseerd. Wij zijn verheugd dat het aantal clusters waar het groeiproces tot hier is gevorderd al meer dan verdubbeld is en nu rond de vijfhonderd ligt.

Deze korte samenvatting kan geen recht doen aan de omvang van de transformatie welke gaande is. De vooruitzichten voor de resterende twee jaar van het Plan zijn veelbelovend. Er is het afgelopen jaar veel bereikt door het breed toepassen van de lessen die zijn geleerd uit clusters met sterkere groeiprogramma’s die, zoals we hoopten, reservoirs van kennis en hulpbronnen zijn geworden. Het Internationaal Onderrichtscentrum, de Raadgevers en hun onvermoeibare hulpraadsleden hebben zich door niets laten weerhouden om te verzekeren dat de vrienden in alle delen van de wereld profijt hebben van deze versnelling in het leren en de inzichten die worden opgedaan toepassen op hun eigen realiteit. Wij verheugen ons om te zien dat in een groeiend aantal clusters, en in hun buurten en dorpen, kernen van vrienden ontstaan die door actie en reflectie ontdekken wat er op een bepaald moment nodig is om het groeiproces in hun omgeving te bevorderen. Deze vrienden putten uit het krachtige instrument van het instituut, waardoor het vermogen om bij te dragen aan het spirituele en materiële welzijn van de gemeenschap wordt vergroot en, terwijl ze handelen, neemt het aantal mensen dat zich bij hen aansluit toe. Uiteraard variëren de omstandigheden sterk van plaats tot plaats, evenals de kenmerken van groei. Maar door systematische inspanning kan iedereen een betere en effectievere bijdrage leveren aan het werk dat op handen is. Pure vreugde ontstaat in elke omgeving waar andere zielen worden betrokken in betekenisvolle en opbouwende gesprekken die, snel of geleidelijk, leiden tot het opwekken van spirituele ontvankelijkheid. Hoe helderder de vlam is ontstoken in het hart van de gelovige, hoe groter de aantrekkingskracht zal zijn op degenen die worden blootgesteld aan zijn warmte. Een hart dat wordt verteerd door liefde voor Bahá’u’lláh kan zich geen passender bezigheid voorstellen dan gelijkgestemden op te zoeken, hen aan te moedigen wanneer zij het pad van dienstbaarheid betreden, hen te vergezellen als ze ervaring opdoen en – misschien wel de grootste vreugde van alles – zielen bevestigd te zien worden in hun geloof, onafhankelijk te zien opstaan en anderen op diezelfde reis te ondersteunen. Dit zijn enkele van de meest waardevolle ervaringen die dit voorbijgaande leven kan bieden.

De vooruitzichten voor het bevorderen van deze spirituele onderneming worden des te indrukwekkender door de komst van de tweehonderdste Geboortedag van de Báb. Net als de tweehonderdste Geboortedag die eraan voorafging, is deze Geboortedag een moment van onschatbare waarde. Hij voorziet alle bahá’ís van prachtige mogelijkheden om hun naasten te doen ontwaken voor de grote Dag van God en de buitengewone uitstorting van hemelse genade, die is aangekondigd door de verschijning van twee Manifestaties van het Goddelijk Wezen, opeenvolgende Hemellichamen die de horizon van de wereld hebben verlicht. De mate van wat mogelijk is in de komende twee cycli is nu bij allen bekend na het ervaren van de tweehonderdjarige viering twee jaar geleden. Alles wat bij die gelegenheid werd geleerd moet dit jaar gekanaliseerd worden in de plannen voor de Heilige Tweelinggeboortedagen.

Naarmate het tweehonderdjarig jubileum dichterbij komt, zullen wij regelmatig namens u in de Heilige Graftomben bidden, opdat uw pogingen om de Báb passend te eren zullen slagen in het bevorderen van de Zaak die Hij heeft voorzegd.

Het einde van de eerste eeuw van het Vormende Tijdperk is slechts tweeëneenhalf jaar verwijderd. Het zal honderd jaar toegewijde inspanning bezegelen om het fundament te consolideren en uit te breiden dat met zoveel opoffering werd gelegd tijdens het Heroïsche Tijdperk van het Geloof. De bahá’í-gemeenschap zal in diezelfde periode ook de honderdjarige hemelvaart van ‘Abdu’l-Bahá herdenken, dat moment dat de geliefde Meester werd bevrijd uit de ketenen van deze wereld om zich te herenigen met Zijn Vader in de rustoorden van hemelse heerlijkheid. Zijn begrafenis, die de volgende dag plaatsvond, was een gebeurtenis “zoals Palestina nog nooit eerder had aanschouwd”. Zijn stoffelijke resten zijn na afloop in een grafkamer van het mausoleum van de Báb geplaatst. Het was echter door Shoghi Effendi voorzien dat dit een tijdelijke regeling zou betreffen. Op het juiste tijdstip moest een graftombe gebouwd worden die past bij de unieke rang van ‘Abdu’l-Bahá.

Dat moment is nu gekomen. De bahá’í-wereld wordt opgeroepen om het bouwwerk te bouwen dat voor altijd die heilige overblijfselen zal omhullen. Het zal worden gebouwd in de nabijheid van de tuin van Riḍván, op de grond die geheiligd is door de voetstappen van de Gezegende Schoonheid; aldus zal de Graftombe van ‘Abdu’l-Bahá liggen op de halvemaanvormige lijn

Aan de bahá’ís van de wereld 3 Riḍván 2019

tussen de Heilige Graftomben van ‘Akká en Haifa. Het werk aan de architectuurplannen vordert en meer informatie zal in de komende maanden worden gedeeld.

Gevoelens van overtreffende vreugde wellen nu in ons op als we nadenken over het komende jaar en alles wat het belooft. We kijken naar eenieder van u – degenen die bezig zijn met het verlenen van dienstbaarheid aan Bahá’u’lláh, werkzaam in elk land voor de zaak van vrede - om uw hoge roeping te vervullen.

1. Twee opkomende realiteiten hebben ons ertoe bewogen om deze woorden tot u te richten. De eerste realiteit is het groeiende bewustzijn over de hele wereld van de dreigende en ontstellende gevaren die de coronaviruspandemie met zich meebrengt. In veel landen is de situatie al ernstig, ondanks dappere en vastberaden collectieve inspanningen om een ramp af te wenden, waardoor er voor gezinnen en individuen tragedies ontstaan, en hele samenlevingen in een crisis worden gestort. Golven van lijden en verdriet overspoelen de ene plaats na de andere en zullen verschillende landen op verschillende momenten en op verschillende manieren verzwakken.

2. De tweede realiteit, een die dagelijks duidelijker wordt, is de veerkracht en de onverminderde vitaliteit van de bahá’í-wereld in het licht van een uitdaging die zonder weerga is in de recente geschiedenis. Uw reactie is bijzonder. Toen wij u een maand geleden met Naw-Rúz schreven, wilden we de indrukwekkende kwaliteiten benadrukken die werden getoond door gemeenschappen waarvan het normale activiteitenpatroon was verstoord. Alles wat zich in de tussenliggende weken, waarin vele vrienden zich aan steeds strengere beperkingen hebben moeten houden, heeft afgespeeld, heeft onze gevoelens van bewondering alleen maar versterkt. Door te leren van de ervaring die in andere delen van de wereld is opgedaan, hebben een aantal gemeenschappen veilige en creatieve manieren gevonden om de bevolking bewust te maken van de vereisten op het gebied van de volksgezondheid. Er wordt speciale aandacht besteed aan degenen die het grootste risico lopen door het virus en door de economische problemen die het gevolg zijn van de verspreiding ervan; de initiatieven die in dit verband op de Bahá'í World News Service staan, zijn slechts enkele voorbeelden van de talloze lopende initiatieven. Deze worden aangevuld met inspanningen om de geestelijke kwaliteiten die op dit moment het meest nodig zijn te onderzoeken, te bevorderen en te cultiveren. Veel van deze inspanningen vinden noodzakelijkerwijs plaats in gezinnen of in afzondering, maar waar de omstandigheden het toelaten of de communicatiemiddelen het mogelijk maken, wordt een gevoel van buitengewone saamhorigheid tussen zielen die vergelijkbare omstandigheden delen actief gevoed. De dynamiek van het gemeenschapsleven, zo belangrijk voor collectieve vooruitgang, is niet te beteugelen.

3. Onze geest is opgetild bij het zien hoe bekwaam Nationale Geestelijke Raden, de onverzettelijke generaals van het Leger van het Licht, hun gemeenschappen leiden en vorm geven aan hun reactie op de crisis. Zij worden krachtig ondersteund door de Raadgevers en hun Hulpraadsleden die, zoals altijd, op heldhaftige wijze de standaard van liefdevolle dienstbaarheid hooghouden. Terwijl ze zich goed op de hoogte houden van de vaak snel veranderende omstandigheden in hun land, treffen de Raden de nodige regelingen voor het besturen van de Zaak, in het bijzonder voor het houden van verkiezingen waar deze nog steeds haalbaar zijn. Door middel van regelmatige communicatie bieden de instellingen wijze raad,

geruststelling en voortdurende bemoediging. In veel gevallen zijn zij ook begonnen met het identificeren van constructieve thema’s die voortkomen uit de discoursen die in hun samenleving ontstaan. De verwachting die wij in onze Naw-Rúzboodschap hebben uitgesproken dat deze test van het uithoudingsvermogen van de mensheid haar meer inzicht zou geven, is reeds bewaarheid. Leiders, prominente denkers en commentatoren zijn begonnen met het verkennen van fundamentele concepten en gewaagde idealen die de laatste tijd grotendeels ontbraken in het publieke discours. Op dit moment zijn dit slechts de eerste tekenen, maar toch houden ze wellicht de mogelijkheid in dat er een moment van collectief bewustzijn in zicht komt.

4. De troost die wij vinden bij het zien van de veerkracht van de bahá’í-wereld, die zich in actie manifesteert, wordt getemperd door ons verdriet over de gevolgen van de pandemie voor de mensheid. Wij zijn ons ervan bewust dat helaas ook de gelovigen en hun metgezellen in dit lijden delen. De afstand tot vrienden en verwanten, die vanwege de eisen van openbare veiligheid nu door zoveel mensen in de wereld worden nageleefd, zal voor sommigen plaats maken voor een permanente scheiding. Bij elke dageraad lijkt het zeker dat er nog meer kwellingen zullen worden verdragen voordat de zon weer ondergaat. Moge de belofte van de hereniging in de eeuwige rijken troost bieden aan hen die dierbaren verliezen. Wij bidden voor de verlichting van hun hart en voor de genade van God om hen te omringen, wier opleiding, levensonderhoud, huizen of zelfs de middelen van bestaan in gevaar zijn. Voor u, en voor hen die u dierbaar zijn, en voor al uw landgenoten, smeken wij Bahá’u’lláh om Zijn zegeningen en gunst.

5. Hoe lang en moeizaam de weg die moet worden afgelegd ook is, wij hebben het volste vertrouwen in uw standvastigheid en uw vastberadenheid om de reis te volbrengen. U put uit een overvloed aan hoop, geloof en grootmoedigheid, waarbij u de behoeften van anderen boven die van uzelf stelt, zodat degenen die behoeftig zijn geestelijk gevoed worden, degenen die steeds meer dorsten naar antwoorden tevreden gesteld worden, en degenen die ernaar verlangen om te werken aan de verbetering van de wereld de middelen daarvoor aangeboden krijgen. Hoe kunnen wij van de toegewijde volgelingen van de Gezegende Volmaaktheid minder verwachten?

1. De laatste woorden van een gedenkwaardig hoofdstuk in de geschiedenis van de Zaak zijn nu geschreven, en de bladzijde slaat om. Deze Riḍván markeert de afsluiting van een buitengewoon jaar, van een Vijfjarenplan, en van een hele reeks Plannen die in 1996 begon. Een nieuwe reeks Plannen wenkt, met wat belooft gedenkwaardige twaalf maanden te worden die dienen als opmaat voor een negenjarige inspanning die volgende Riḍván zal beginnen. Wij zien een gemeenschap voor ons die snel aan kracht heeft gewonnen en klaar staat om grote stappen voorwaarts te zetten. Maar laat er geen misverstand zijn over hoeveel inspanning er nodig was om dit punt te bereiken en hoe zwaarbevochten de inzichten waren die onderweg werden verworven: de lessen die werden geleerd zullen de toekomst van de gemeenschap vorm geven, en het verhaal van hoe ze werden geleerd werpt licht op wat komen gaat.

2. De decennia die aan 1996 voorafgingen, rijk aan eigen vorderingen en inzichten, hadden er geen twijfel over laten bestaan dat grote aantallen mensen in vele samenlevingen bereid zijn zich onder de banier van het Geloof te scharen. Maar hoe bemoedigend voorbeelden van grootschalige inschrijvingen ook waren, ze stonden niet gelijk aan een duurzaam groeiproces dat in een verscheidenheid aan settings kon worden gecultiveerd. De gemeenschap stond voor diepgaande vragen, en zij had op dat moment nog niet voldoende ervaring om daar een afdoend antwoord op te geven. Hoe konden de inspanningen voor uitbreiding hand in hand gaan met het consolidatieproces en een antwoord bieden op de reeds lang bestaande, schijnbaar hardnekkige uitdaging van duurzame groei? Hoe konden individuen, instellingen en gemeenschappen worden gevormd die in staat zijn de leringen van Bahá’u’lláh in actie om te zetten? En hoe zouden degenen die zich tot de leringen aangetrokken voelden voorvechters kunnen worden in een wereldwijde geestelijke onderneming?

3. Zo kwam het dat, een kwart eeuw geleden, een bahá’í-gemeenschap die nog drie Handen van de Zaak van God in haar voorste gelederen kon tellen, aan een Vierjarenplan begon dat zich onderscheidde van de plannen die eraan voorafgingen doordat het zich op één enkel doel richtte: een aanzienlijke vooruitgang in het proces van toetreding in troepen. Dit doel werd bepalend voor de reeks Plannen die volgden. De gemeenschap was reeds tot het inzicht gekomen dat dit proces niet alleen maar de toetreding van grote groepen in het Geloof betekende, en ook niet spontaan zou ontstaan; het impliceerde een doelbewuste, systematische, versnelde uitbreiding en consolidatie. Dit werk zou de bewuste deelname van een groot aantal zielen vereisen, en in 1996 werd de bahá’í-wereld opgeroepen om de enorme educatieve uitdaging aan te gaan die dit met zich meebracht. Zij werd opgeroepen om een netwerk van trainingsinstituten op te zetten, gericht op het genereren van een groeiende stroom van individuen die begiftigd zijn met de noodzakelijke capaciteiten om het groeiproces gaande te houden.

4. De vrienden begonnen aan deze taak in het besef dat zij, ondanks hun eerdere overwinningen in het onderrichtsveld, duidelijk nog veel moesten leren over welke capaciteiten er verworven moesten worden en, van cruciaal belang, hoe deze te verwerven. In veel opzichten zou de gemeenschap leren door te doen, en de lessen die zij leerde werden, wanneer zij eenmaal gedistilleerd en verfijnd waren door in de loop van de tijd in verschillende omgevingen te worden toegepast, uiteindelijk opgenomen in educatief materiaal. Er werd erkend dat bepaalde activiteiten een natuurlijk antwoord waren op de geestelijke behoeften van een bevolking. Leerkringen, kinderklassen, devotionele bijeenkomsten en later jeugdgroepen bleken in dit opzicht van centraal belang te zijn, en wanneer zij werden verweven met verwante activiteiten, kon door de ontstane dynamiek een levendig patroon van gemeenschapsleven ontstaan. En met het toenemen van het aantal deelnemers aan deze kernactiviteiten werd aan hun oorspronkelijke doel een nieuwe dimensie toegevoegd. Ze gingen dienen als portalen waardoor jongeren, volwassenen en hele gezinnen uit de bredere samenleving in aanraking konden komen met de Openbaring van Bahá’u’lláh. Het werd ook duidelijk hoe praktisch het was om strategieën te bedenken voor het werk van gemeenschapsopbouw binnen de context van het “cluster”: een geografisch gebied van beheersbare omvang met duidelijke sociale en economische kenmerken. De capaciteit om eenvoudige plannen op het niveau van het cluster op te stellen begon vorm te krijgen, en uit zulke plannen ontstonden programma’s voor de groei van het Geloof, georganiseerd in wat driemaandelijkse activiteitencycli zouden worden. Al snel kwam een belangrijk punt helder naar voren: het doorlopen van een reeks opeenvolgende cursussen door individuen geeft een impuls aan, en wordt bestendigd door, de beweging van clusters langs een continuüm van ontwikkeling. Deze complementaire relatie hielp de vrienden overal om de dynamiek van groei in hun eigen omgeving te beoordelen en een pad uit te stippelen naar meer kracht. Naarmate de tijd verstreek bleek het zinvol om te bekijken wat zich in een cluster afspeelde, zowel vanuit het perspectief van drie educatieve opdrachten – ten behoeve van kinderen, jeugd, en jongeren plus volwassenen – als vanuit het perspectief van de activiteitencycli die essentieel zijn voor het ritme van groei. Al in de loop van de vijfentwintig jaar durende inspanning raakten veel van de meest herkenbare kenmerken van het nu zichtbare groeiproces goed verankerd.

5. Naarmate de inspanningen van de vrienden intensiever werden, begonnen verschillende uitgangspunten, concepten en strategieën die van algemeen belang waren voor het groeiproces, zich uit te kristalliseren tot een raamwerk van actie dat zich kon ontwikkelen om nieuwe elementen op te nemen. Dit raamwerk bleek van fundamenteel belang voor het vrijkomen van een enorme vitaliteit. Het hielp de vrienden om hun energie te kanaliseren op manieren die, zo had de ervaring geleerd, bevorderlijk waren voor de groei van gezonde gemeenschappen. Maar een raamwerk is geen formule. Door rekening te houden met de verschillende elementen van het raamwerk bij het beoordelen van de realiteit van een cluster, een plaats, of gewoon een buurt, kon een activiteitenpatroon worden ontwikkeld dat voortbouwde op wat de rest van de bahá’í-wereld leerde en toch een antwoord was op de bijzonderheden van die plaats. De tweedeling van starre vereisten aan de ene kant en grenzeloze persoonlijke voorkeuren aan de andere kant maakte plaats voor een genuanceerder begrip van de verscheidenheid aan middelen waarmee individuen een proces konden ondersteunen dat in de kern samenhangend was en voortdurend werd verfijnd naarmate ervaring werd opgebouwd. Laat er geen twijfel bestaan over de vooruitgang die de opkomst van dit raamwerk betekende: de implicaties waren van groot belang voor het harmoniseren en verenigen van de inspanningen van de gehele bahá’íwereld en voor het voortstuwen van haar opmars.

6. Terwijl het ene plan het andere opvolgde en de gemeenschapsopbouw een bredere basis kreeg, werd vooruitgang op het niveau van cultuur uitgesprokener. Zo werd het belang van educatie voor de jongere generaties steeds meer erkend, evenals het buitengewone potentieel van met name de jeugd. Zielen die elkaar bijstaan en vergezellen op een gemeenschappelijk pad en daarbij voortdurend de kring van wederzijdse steun vergroten, werd het patroon waarop alle inspanningen, gericht op het ontwikkelen van capaciteit voor dienstbaarheid, gericht waren. Zelfs de interacties van de vrienden onderling en met de mensen om hen heen ondergingen een verandering, omdat men zich bewust werd van de kracht van betekenisvolle gesprekken om geestelijke ontvankelijkheid te ontsteken en aan te wakkeren. En heel belangrijk: bahá’ígemeenschappen namen een steeds meer naar buiten gerichte oriëntatie aan. Iedere ziel die ontvankelijk was voor de visie van het Geloof kon een actieve deelnemer worden – zelfs een promotor en begeleider – van educatieve activiteiten, bijeenkomsten voor aanbidding en andere onderdelen van het gemeenschapsopbouwende werk; onder zulke zielen verklaarden ook velen hun geloof in Bahá’u’lláh. Zo ontstond een begrip van het proces van toetreding in troepen die minder berustte op theorieën en veronderstellingen en meer op feitelijke ervaring van hoe grote aantallen mensen het Geloof kunnen vinden, ermee vertrouwd raken, zich identificeren met zijn doelen, zich aansluiten bij zijn activiteiten en beraadslagingen, en het in veel gevallen omarmen. Naarmate het instituutsproces in het ene na het andere gebied werd versterkt nam het aantal mensen die deelnamen aan het werk van het Plan, zelfs zij die pas met het geloof kennis hadden gemaakt, met sprongen toe. Maar dit werd niet gedreven door een gerichtheid op aantallen. Een visie van gelijktijdig plaatsvindende persoonlijke en collectieve transformatie, gebaseerd op de studie van het Woord van God en een waardering van ieders vermogen om een voorvechter te worden in een aangrijpend geestelijk schouwspel, had een gevoel van gemeenschappelijk streven doen ontstaan.

7. Een van de meest opvallende en inspirerende kenmerken van deze vijfentwintigjarige periode is de dienstbaarheid geweest van bahá’í-jongeren, die met moed en vertrouwen hun rechtmatige plaats hebben ingenomen in de voorhoede van de inspanningen van de gemeenschap. Als onderrichters van de Zaak en begeleiders van jeugd en kinderen, als reizende leerkringbegeleiders en thuisfrontpioniers, als clustercoördinatoren en leden van bahá´í-instellingen, zijn jongeren op vijf continenten opgestaan om hun gemeenschappen met toewijding en opoffering te dienen. De volwassenheid die zij aan de dag hebben gelegd bij het vervullen van taken waarvan de voortgang van het Goddelijke Plan afhangt, is een uitdrukking van hun geestelijke vitaliteit en hun inzet om de toekomst van de mensheid te waarborgen. Als erkenning van deze steeds duidelijker wordende volwassenheid hebben wij besloten dat onmiddellijk na deze Riḍván, terwijl de leeftijd waarop een gelovige in aanmerking komt om te dienen in een Geestelijke Raad eenentwintig zal blijven, de leeftijd waarop een gelovige mag stemmen in bahá’í-verkiezingen zal worden verlaagd tot achttien. Wij twijfelen er niet aan dat overal bahá´í-jongeren die meerderjarig zijn ons vertrouwen zullen rechtvaardigen in hun vermogen om “gewetensvol en ijverig” de “heilige plicht” te vervullen waartoe iedere bahá´íkiezer wordt geroepen.

*

8. Wij zijn ons ervan bewust dat de realiteit van gemeenschappen natuurlijk sterk varieert. Verschillende nationale gemeenschappen, en verschillende plaatsen binnen die gemeenschappen, begonnen deze reeks Plannen in verschillende stadia van ontwikkeling; sindsdien hebben zij zich ook in verschillend tempo ontwikkeld en hebben zij verschillende niveaus van vooruitgang bereikt. Dit is op zich niet nieuw. Het is altijd zo geweest dat omstandigheden verschillen tussen plaatsen, evenals de mate van ontvankelijkheid die men daar aantreft. Maar we zien ook een aanzwellend getij, waarbij de capaciteit, het vertrouwen en de opgebouwde ervaring van de meeste gemeenschappen toenemen, gesteund door het succes van hun zustergemeenschappen dichtbij en ver weg. Een voorbeeld: terwijl het de zielen die in 1996 een nieuwe plaats openden niet ontbrak aan moed, vertrouwen en toewijding, combineren hun tegenhangers vandaag overal dezelfde kwaliteiten met kennis, inzichten en vaardigheden die de optelsom zijn van vijfentwintig jaar inspanning van de hele bahá’í-wereld om het werk van uitbreiding en consolidatie te systematiseren en te verfijnen.

9. Ongeacht het vertrekpunt van een gemeenschap heeft zij het groeiproces vooruitgebracht wanneer zij kwaliteiten als vertrouwen, volharding en betrokkenheid heeft gecombineerd met de bereidheid om te leren. In feite is een gekoesterde nalatenschap van deze reeks Plannen de wijdverbreide erkenning dat elke inspanning om vooruit te komen begint met een gerichtheid op leren. De eenvoud van dit principe logenstraft het belang van de implicaties die eruit voortvloeien. Wij twijfelen er niet aan dat ieder cluster na verloop van tijd vooruitgang zal boeken langs het continuüm van ontwikkeling; de gemeenschappen die het snelst vooruitgang hebben geboekt, in vergelijking met die waarvan de omstandigheden en mogelijkheden vergelijkbaar waren, hebben laten zien dat zij in staat zijn eenheid van denken te bevorderen en te leren over effectieve actie. En zij deden dit zonder te aarzelen om tot actie over te gaan.

10. De wil om te leren betekende ook bereid te zijn om fouten te maken – en natuurlijk brachten fouten soms ongemak met zich mee. Het wekt geen verbazing dat nieuwe methoden en benaderingen in het begin ondeskundig werden gehanteerd door een gebrek aan ervaring; soms ging een bepaalde nieuw verworven capaciteit verloren omdat een gemeenschap opging in de ontwikkeling van een andere capaciteit. Het hebben van de beste bedoelingen is geen garantie tegen het maken van misstappen, en deze achter je laten vraagt zowel nederigheid als onthechting. Wanneer een gemeenschap vastbesloten is om verdraagzaamheid te tonen en te leren van fouten die zich voordoen, is vooruitgang nooit buiten bereik.

11. In de loop van de reeks Plannen begon de betrokkenheid van de gemeenschap bij het leven van de samenleving gerichter aandacht te krijgen. De gelovigen werden aangemoedigd om dit te zien in termen van twee onderling verbonden gebieden van inspanning – maatschappelijke actie en deelname aan de heersende discoursen van de samenleving. Dit waren natuurlijk geen alternatieven voor het werk van uitbreiding en consolidatie, en al helemaal geen afleiding daarvan: zij waren er inherent aan. Hoe groter de menselijke hulpbronnen waarop een gemeenschap een beroep kon doen, des te groter werd haar vermogen om de wijsheid, vervat in Bahá’u’lláh’s Openbaring, toe te passen op de uitdagingen van het moment – om Zijn leringen te vertalen naar de werkelijkheid. En de onrustige toestand van de mensheid in deze periode scheen te benadrukken hoe wanhopig haar behoefte was aan de remedie voorgeschreven door de Goddelijke Geneesheer. Dit alles impliceerde een opvatting van religie die sterk afwijkt van die welke in de wereld in het algemeen heerst: een opvatting die religie ziet als de machtige kracht die een immer voortschrijdende beschaving voortstuwt. Men begreep dat zo’n beschaving ook niet spontaan, uit zichzelf zou verschijnen – het was de missie van Bahá’u’lláh’s volgelingen om zich in te zetten voor het ontstaan ervan. Een dergelijke missie vereiste de toepassing van hetzelfde proces van systematisch leren op het werk van maatschappelijke actie en betrokkenheid bij het publieke discours.

12. Gezien vanuit het perspectief van de laatste twee en een halve decennia is de capaciteit voor maatschappelijke actie aanzienlijk toegenomen, wat heeft geleid tot een buitengewone bloei van activiteit. Vergeleken met 1996, toen van jaar tot jaar zo’n 250 sociale en economische ontwikkelingsprojecten werden onderhouden, zijn het er nu 1.500, en het aantal bahá’ígeïnspireerde organisaties is verviervoudigd tot meer dan 160. Elk jaar worden aan de basis meer dan 70.000 initiatieven van korte duur voor maatschappelijke actie ondernomen, een vijftig-voudige toename. Wij zien uit naar een voortdurende toename van al deze inspanningen als gevolg van de toegewijde steun en stimulans die de Internationale Bahá’íontwikkelingsorganisatie nu biedt. Intussen is ook bahá’í-deelname aan de heersende discoursen van de samenleving enorm gegroeid. Naast de vele gelegenheden waarbij de vrienden merken dat zij een bahá’í-perspectief kunnen bieden in gesprekken die plaatsvinden in een werk-gerelateerde of persoonlijke context, is de meer formele deelname aan discoursen aanzienlijk vooruitgegaan. We denken hierbij niet alleen aan de sterk uitgebreide inspanningen en steeds geavanceerdere bijdragen van de Bahá’í International Community – die in deze periode nieuwe bureaus in Afrika, Azië en Europa opende – maar ook aan het werk van een enorm vergroot en versterkt netwerk van nationale bureaus voor externe betrekkingen, voor wie dit werkterrein het voornaamste aandachtspunt werd; daarnaast waren er doordachte en opmerkelijke bijdragen van individuele gelovigen aan specifieke gebieden. Dit alles verklaart voor een deel de achting, waardering en bewondering die vooraanstaande personen uit alle geledingen van de samenleving telkens weer hebben uitgesproken voor het Geloof, zijn volgelingen en zijn activiteiten.

13. Bij het overzien van de gehele periode van vijfentwintig jaar zijn wij diep onder de indruk van de vele soorten vooruitgang die de bahá´í-wereld tegelijkertijd heeft geboekt. Haar intellectuele leven is opgebloeid, zoals niet alleen blijkt uit de vooruitgang op alle reeds besproken gebieden, maar ook uit de hoeveelheid literatuur van hoge kwaliteit die door bahá’íauteurs is gepubliceerd, uit de ontwikkeling van gelegenheden voor de verkenning van bepaalde disciplines in het licht van de leringen, en uit de impact van de seminars voor studenten en afgestudeerden die systematisch worden aangeboden door het Institute for Studies in Global Prosperity, dat, in samenwerking met de instellingen van de Zaak, nu bahá’íjongeren uit meer dan 100 landen bedient. De inspanningen om Huizen van Aanbidding op te richten zijn heel zichtbaar versneld. De laatste moedertempel werd opgericht in Santiago, Chili, en projecten voor de bouw van twee nationale en vijf plaatselijke Mashriqu’l-Adhkárs werden opgestart; de Huizen van Aanbidding in Battambang, Cambodja, en Norte del Cauca, Colombia, hebben reeds hun deuren geopend. Bahá’í-tempels, of zij nu pas zijn ingewijd of reeds lang bestaan, nemen steeds meer een plaats in het hart van het gemeenschapsleven in. De materiële steun uit alle gelederen van de gelovigen aan de talloze ondernemingen van de vrienden van God is onverdroten. De vrijgevigheid en opoffering waarmee in een tijd van aanzienlijke economische beroering de cruciale stroom naar de fondsen is gehandhaafd, ja zelfs versterkt, is zeer veelzeggend, wanneer we die bezien als een maat van collectieve geestelijke vitaliteit. Op het gebied van bahá’í-bestuur is de capaciteit van Nationale Geestelijke Raden om de zaken van hun gemeenschappen in al hun groeiende complexiteit te beheren, aanzienlijk vergroot. Zij hebben in het bijzonder geprofiteerd van een nieuw niveau van samenwerking met de Raadgevers, die een belangrijke rol hebben gespeeld in het systematiseren van het verzamelen van inzichten vanuit de basis over de hele wereld en ervoor hebben gezorgd dat deze op grote schaal werden verspreid. Dit was ook de periode waarin de Regional Bahá’í Council zich ontwikkelde als een volwaardige instelling van de Zaak, en nu hebben in 230 regio’s Councils en de trainingsinstituten waarop zij toezien bewezen onmisbaar

te zijn voor het bevorderen van het groeiproces. Om de functies van de Hoofdgevolmachtigde van Ḥuqúqu’lláh, Hand van de Zaak van God ‘Alí-Muḥammad Varqá, uit te breiden naar de toekomst, werd in 2005 het Internationaal College van Gevolmachtigden van Ḥuqúqu’lláh opgericht; momenteel coördineert dit college de inspanningen van niet minder dan 33

Nationale en Regionale Colleges van Gevolmachtigden die nu de hele wereld bestrijken, en die op hun beurt het werk van meer dan 1.000 Vertegenwoordigers in hun werk begeleiden. De ontwikkelingen in het Bahá’í-wereldcentrum in diezelfde periode zijn talrijk: getuige de voltooiing van de Terrassen van de Graftombe van de Báb en twee gebouwen op de Arc, en het begin van de bouw van de Graftombe van ‘Abdu’l-Bahá, en niet te vergeten een groot aantal projecten om de kostbare Heilige Plaatsen van het Geloof te versterken en in stand te houden. De Graftombe van Bahá’u’lláh en de Graftombe van de Báb werden erkend als Werelderfgoed, plaatsen van onschatbare betekenis voor de mensheid. Het publiek stroomde met honderdduizenden naar deze heilige plaatsen toe, in sommige jaren bijna anderhalf miljoen, en het Wereldcentrum ontving regelmatig honderden pelgrims tegelijk, soms meer dan 5.000 in een jaar, naast een vergelijkbaar aantal bahá’í-bezoekers; wij zijn evenzeer verheugd over de toegenomen aantallen als over de tientallen verschillende volkeren en naties die vertegenwoordigd zijn onder degenen die deelhebben aan de zegen van pelgrimage. De vertaling, publicatie en verspreiding van de Heilige Teksten is ook sterk versneld, parallel aan de ontwikkeling van de Bahá’í Reference Library, een van de meest opmerkelijke leden van de groeiende familie van websites geassocieerd met Bahai.org, die zelf nu in tien talen beschikbaar is. Er zijn diverse bureaus en instellingen opgericht, gevestigd in het

Wereldcentrum en elders, belast met het ondersteunen van het leerproces dat zich op meerdere gebieden in de hele bahá´í-wereld ontvouwt. Zusters en broeders in geloof, dit alles is slechts een fractie van het verhaal dat wij zouden kunnen vertellen van wat uw toewijding aan Hem die de Verguisde van de Wereld was, heeft voortgebracht. Wij kunnen slechts de aangrijpende woorden herhalen die eens door de geliefde Meester werden uitgesproken toen Hij, overmand door emotie, uitriep: “O Bahá’u’lláh! Wat hebt Gij gedaan?”

*

14. Vanuit het panorama van een doorslaggevende kwart eeuw richten wij onze aandacht nu op het meest recente Vijfjarenplan, een Plan dat in verschillende opzichten anders is dan alle voorgaande. In dit Plan riepen wij de bahá’ís van de wereld op om alles wat zij in de voorgaande twintig jaar hadden geleerd aan te wenden en ten volle in te zetten. Wij zijn zeer verheugd dat onze hoop in dit opzicht meer dan vervuld werd, en hoewel wij natuurlijk grote dingen verwachten van de volgelingen van de Gezegende Schoonheid, was de aard van wat door hun herculische inspanningen werd bereikt werkelijk adembenemend. Het was de bekroning van een vijfentwintig jaar lange prestatie.

15. Het Plan was vooral gedenkwaardig omdat het in drieën werd gedeeld door twee heilige tweehonderdjarige vieringen, die allebei plaatselijke gemeenschappen over de hele wereld hebben versterkt. Het gezelschap van gelovigen demonstreerde, op een nooit eerder vertoonde schaal en met relatief gemak, de capaciteit om mensen uit alle lagen van de samenleving te betrekken bij het eren van het leven van een Manifestatie van God. Het was een krachtige indicator van iets groters: het vermogen om het vrijkomen van enorme geestelijke energie te richten op de vooruitgang van de Zaak. De respons was zo grandioos dat op veel plaatsen het Geloof op nationaal niveau uit de onbekendheid trad. In onverwachte en misschien zelfs onvoorziene settings bleek een duidelijke ontvankelijkheid voor het Geloof te bestaan.

Duizenden en nog eens duizenden werden gegrepen door hun ontmoeting met een geest van aanbidding die nu kenmerkend is voor bahá’í-gemeenschappen overal. De visie van wat mogelijk wordt gemaakt door het vieren van een Bahá’í-Heilige Dag werd onmetelijk verruimd.

16. De resultaten van het Plan overtreffen, alleen al in numerieke termen, al snel die van alle Plannen die sinds 1996 eraan vooraf zijn gegaan. Bij de start van dit Plan was de capaciteit aanwezig om iets meer dan 100.000 kernactiviteiten tegelijk uit te voeren, een capaciteit die de vrucht was van twintig jaar gezamenlijke inspanning. Nu worden er 300.000 kernactiviteiten tegelijk gehouden. De deelname aan deze activiteiten is gestegen tot meer dan twee miljoen, wat eveneens bijna een verdrievoudiging betekent. Er zijn 329 nationale en regionale trainingsinstituten werkzaam, en hun capaciteit blijkt uit het feit dat driekwart miljoen mensen in staat zijn gesteld ten minste één boek van de reeks te voltooien; in totaal bedraagt het aantal cursussen dat door individuen is voltooid nu ook twee miljoen, een stijging met ruim een derde in vijf jaar.

17. De toegenomen intensiteit waarmee over de hele wereld aan groeiprogramma’s wordt gewerkt, vertelt een eigen indrukwekkend verhaal. Voor deze periode van vijf jaar hadden wij opgeroepen de groei te versnellen in elk van de 5.000 clusters waar deze was begonnen. Deze opdracht werd de drijfveer voor serieuze inspanningen over de hele wereld. Als gevolg daarvan is het aantal intensieve groeiprogramma’s meer dan verdubbeld en bedraagt het nu ongeveer 4.000. Moeilijkheden bij het openen van nieuwe dorpen en wijken voor het Geloof te midden van een wereldwijde gezondheidscrisis, of het uitbreiden van activiteiten die nog in een vroeg stadium verkeerden toen de pandemie uitbrak, hebben verhinderd dat in het laatste jaar van het plan een nog hoger totaal werd bereikt. Er is echter meer te vertellen. Aan het begin van het Plan hadden wij de hoop uitgesproken dat het aantal clusters waar de vrienden de derde mijlpaal op een continuüm van groei hadden gepasseerd, als gevolg van het leren over het verwelkomen van grote aantallen mensen in de omarming van hun activiteiten, met nog eens honderden zou groeien. Dat totaal stond toen op ongeveer 200, verspreid over zo’n 40 landen. Vijf jaar later is dit aantal gestegen tot een verbazingwekkende 1.000 in bijna 100 landen – een kwart van alle intensieve groeiprogramma’s in de wereld en een prestatie die onze verwachtingen ver overtreft. En toch laten zelfs deze cijfers niet de grootste hoogten zien waartoe de gemeenschap is gestegen. Er zijn meer dan 30 clusters waar het aantal kernactiviteiten meer dan 1.000 telt; in sommigen zijn het er enkele duizenden, waarbij in een cluster meer dan 20.000 mensen participeren. Een groeiend aantal Plaatselijke Geestelijke Raden ziet nu toe op de ontplooiing van educatieve programma’s die zich richten op praktisch alle kinderen en jeugd in een dorp; dezelfde werkelijkheid begint zich af te tekenen in enkele stadswijken. De betrokkenheid bij de Openbaring van Bahá’u’lláh heeft in bijzondere gevallen individuen, gezinnen en uitgebreide familiekringen overstegen – wat zichtbaar wordt is de beweging van bevolkingsgroepen naar een gemeenschappelijk middelpunt. Er zijn gevallen waar eeuwenoude vijandigheden tussen tegenover elkaar staande groepen worden losgelaten, en bepaalde sociale structuren en dynamieken worden getransformeerd in het licht van de goddelijke leringen.

18. We kunnen niet anders dan ons te verheugen over zo’n indrukwekkende vooruitgang. De maatschappij-opbouwende kracht van het Geloof van Bahá’u’lláh wordt steeds duidelijker, en dit is een stevig fundament waarop het komende Negenjarenplan zal voortbouwen. Clusters van uitgesproken kracht zijn, zoals gehoopt, reservoirs van kennis en hulpbronnen gebleken

voor hun buren. En regio’s waar meer dan één van zulke clusters bestaan, hebben gemakkelijker de middelen ontwikkeld om de groei in cluster na cluster te versnellen. Wij zien ons echter genoodzaakt nogmaals te benadrukken dat er bijna overal vooruitgang is geboekt; het verschil in vooruitgang tussen de ene plaats en de andere is gradueel. Het collectieve inzicht van de gemeenschap in het proces van toetreding in troepen en haar vertrouwen in het vermogen om dit proces onder alle omstandigheden te stimuleren, zijn gestegen tot een niveau dat in de afgelopen decennia ondenkbaar was. De diepgaande vragen die zich al zo lang aftekenden en die in 1996 scherp in beeld werden gebracht, zijn door de bahá´í-wereld overtuigend beantwoord. Er is een generatie van gelovigen wier hele leven het stempel draagt van de vooruitgang van de gemeenschap. Maar alleen al de schaal van wat zich heeft voorgedaan in die vele clusters waar de grenzen van het leren worden verlegd, heeft van een belangrijke stap voorwaarts in het proces van toetreding in troepen een gedenkwaardige stap van historische proporties gemaakt.

19. Velen zullen bekend zijn met hoe de Behoeder de Tijdperken van het Geloof in opeenvolgende tijdvakken verdeelde; het vijfde tijdvak van het Vormende Tijdperk begon in 2001. Minder bekend is dat de Behoeder ook specifiek verwees naar het bestaan van tijdvakken van het

Goddelijke Plan, en stadia binnen die tijdvakken. Het door ‘Abdu’l-Bahá ontworpen Goddelijke Plan, dat twee decennia lang werd opgeschort terwijl plaatselijke en nationale organen van het Bestuursstelsel werden opgericht en versterkt, werd in 1937 formeel ingehuldigd met de aanvang van de eerste fase van zijn eerste tijdvak: het Zevenjarenplan, dat door de Behoeder aan de Noord-Amerikaanse bahá’í-gemeenschap was toegewezen. Dit eerste tijdvak werd afgesloten na de voltooiing van de Tienjarenkruistocht in 1963, die ertoe had geleid dat de banier van het Geloof over de hele wereld was geplant. De openingsfase van het tweede tijdvak was het eerste Negenjarenplan, en in het kielzog daarvan zijn niet minder dan tien plannen gevolgd, plannen die in duur varieerden van twaalf maanden tot zeven jaar. Bij het aanbreken van dit tweede tijdvak was de bahá’í-wereld reeds getuige van het prille begin van die toetreding van troepen in het Geloof die was voorzien door de Auteur van het Goddelijke Plan; in de daaropvolgende decennia hebben generaties van toegewijde gelovigen binnen de gemeenschap van de Grootste Naam in de Goddelijke Wijngaard gewerkt om de voorwaarden te cultiveren die nodig zijn voor aanhoudende, grootschalige groei. En hoe overvloedig zijn de vruchten van die arbeid in dit glorieuze seizoen van Riḍván! Het fenomeen van grote aantallen die de activiteiten van de gemeenschap doen aanzwellen, de vonk van het geloof opvangen en snel opstaan om aan de voorhoede van het Plan te dienen, is veranderd van een door geloof ingegeven verwachting tot een terugkerende realiteit. Zo’n uitgesproken en aantoonbare vooruitgang vraagt om een markering in de annalen van de Zaak. Met opgetogen harten kondigen wij aan dat het derde tijdvak van het Goddelijke Plan van de Meester is begonnen. Fase na fase, tijdvak na tijdvak zal Zijn Plan zich ontvouwen, totdat het licht van het Koninkrijk ieder hart verlicht.

*

20. Geliefde vrienden, geen terugblik op de vijfjarige onderneming die het tweede tijdvak van het Goddelijke Plan afsloot zou volledig zijn zonder speciaal te verwijzen naar de opschudding die het laatste jaar ervan vergezelde en die nog steeds voortduurt. De beperkingen van persoonlijke contact, die in de meeste landen in deze periode sterk wisselden, hadden de collectieve inspanningen van de gemeenschap een zware slag kunnen toebrengen, waarvan het herstel jaren had kunnen duren, maar er zijn twee redenen waarom dit niet is gebeurd. De ene was het wijdverbreide bewustzijn van de plicht van bahá’ís om de mensheid te dienen, met name in tijden van gevaar en tegenspoed. De andere was de buitengewoon toegenomen capaciteit in de bahá’í-wereld om uitdrukking te geven aan dat bewustzijn. Met een jarenlange ervaring met een systematisch actiepatroon brachten de vrienden hun creativiteit en doelgerichtheid in stelling in een onvoorziene crisis, ervoor zorgend dat de nieuwe benaderingen die zij ontwikkelden coherent waren met het raamwerk dat zij in opeenvolgende Plannen trachtten te vervolmaken. Hiermee sluiten we niet de ogen voor de zware beproevingen die bahá’ís doorstaan, net als hun landgenoten in alle landen; maar ondanks de ernstige moeilijkheden hebben de gelovigen hun focus behouden. Middelen zijn ter beschikking gesteld aan gemeenschappen in nood, verkiezingen zijn doorgegaan waar mogelijk, en onder alle omstandigheden zijn de instellingen van de Zaak hun taken blijven vervullen. Er zijn zelfs moedige stappen voorwaarts gezet. De Nationale Geestelijke Raad van São Tomé en Príncipe zal deze Riḍván opnieuw worden gevestigd, en twee nieuwe pijlers van het Universele Huis van Gerechtigheid zullen worden opgericht: de Nationale Geestelijke Raad van Kroatië met zijn zetel in Zagreb, en de Nationale Geestelijke Raad van Timor-Leste met zijn zetel in Dili.

21. En zo begint het Eénjarige Plan. Het doel en de vereisten ervan zijn reeds uiteengezet in onze boodschap verzonden op de Dag van het Verbond; dit Plan, hoewel kort, zal volstaan om de bahá’í-wereld voor te bereiden op het Negenjarenplan dat zal volgen. Een periode van bijzondere kracht, die honderd jaar na de openbaring van de Tafelen van het Goddelijk Plan is begonnen, zal spoedig worden afgesloten met de honderdste herdenking van de Hemelvaart van ‘Abdu’l-Bahá, waarmee de eerste eeuw van het Vormende Tijdperk wordt afgesloten en de tweede begint. Het gezelschap van de gelovigen treedt dit nieuwe Plan binnen in een tijd waarin de mensheid, gekastijd door de onthulling van haar kwetsbaarheid, zich meer bewust lijkt van de noodzaak van samenwerking om wereldwijde uitdagingen aan te gaan. Toch blijven hardnekkige gewoonten van wedijver, eigenbelang, vooroordeel en bekrompenheid de beweging naar eenheid belemmeren, ondanks groeiende aantallen in de samenleving die in woord en daad laten zien dat ook zij verlangen naar een grotere aanvaarding van het inherente een-zijn van de mensheid. Wij bidden dat de familie van naties erin mag slagen haar verschillen opzij te zetten in het belang van het algemeen welzijn. Ondanks de onzekerheden die de komende maanden omhullen, smeken wij Bahá’u’lláh om de bekrachtigingen die Zijn volgelingen zo lang hebben geschraagd nog overvloediger te maken, opdat u verder mag gaan in uw missie, uw kalmte onverstoord door de turbulentie van een wereld wiens nood aan Zijn genezende boodschap steeds acuter wordt.

22. Het Goddelijke Plan gaat een nieuw tijdvak en een nieuwe fase in. De bladzijde is omgeslagen.

1. Een jaar van voorbereiding en bezinning, en ook van grote inzet, is afgesloten, een jaar dat zich onderscheidt door de wereldwijde inspanningen van de vrienden om de honderdjarige Hemelvaart van ‘Abdu’l-Bahá te herdenken, mede door het zenden van vertegenwoordigers om deel te nemen aan een speciale bijeenkomst ter ere van Hem in het Heilige Land. Door deze inspanningen is de inspiratie die het leven van ‘Abdu’l-Bahá heeft geschonken, door talloze zielen gevoeld en niet alleen door bahá’ís. Zijn zorg voor ieder lid van de menselijke familie, Zijn onderrichtswerk, Zijn bevordering van ondernemingen voor educatie en sociaal welzijn, Zijn diepgaande bijdragen aan discoursen in zowel het Oosten als in het Westen, Zijn hartgrondige aanmoediging van projecten om Huizen van Aanbidding te bouwen, Zijn vormgeving van vroege vormen van bahá’í-bestuur, Zijn cultivering van uiteenlopende aspecten van het gemeenschapsleven – al deze elkaar aanvullende facetten van Zijn leven waren een weerspiegeling van Zijn voortdurende en volledige toewijding aan het dienen van God en het dienen van de mensheid. Meer nog dan dat ‘Abdu’l-Bahá een persoon was met ongeëvenaard moreel gezag en een buitengewoon geestelijk inzicht, was Hij ook een zuiver kanaal waardoor de krachten, vrijgekomen door de Openbaring van Bahá’u’lláh, op de wereld konden inwerken. Om de maatschappijopbouwende kracht die het Geloof bezit te begrijpen, hoeft men niet verder te kijken dan naar hetgeen ‘Abdu’l-Bahá bereikt heeft tijdens Zijn beleidsperiode en de transformerende gevolgen van de leiding die onophoudelijk uit Zijn pen vloeide. Zoveel van de wonderbaarlijke vooruitgang die de huidige bahá’í-gemeenschap heeft geboekt – en die in onze boodschap aan u van afgelopen Riḍván werd geschetst – vindt zijn oorsprong in de daden, besluiten en aanwijzingen van ‘Abdu’l-Bahá.

2. Hoe passend is het dan dat het collectieve eerbetoon van de bahá’í-gemeenschap aan haar volmaakte Voorbeeld de opmaat vormt voor de aanvang van een enorme onderneming die erop gericht is de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof in steeds grotere mate vrij te maken. De werkterreinen die binnen de reikwijdte van het Negenjarenplan en van de huidige reeks plannen vallen, zijn gericht op de verwezenlijking van dit overkoepelende doel. Het is ook de focus van de meer dan 10.000 conferenties die over de hele wereld worden gehouden om de lancering van deze grote geestelijke onderneming te markeren. Deze conferenties, die naar verwachting een nog niet eerder vertoond aantal deelnemers zullen verwelkomen, brengen niet alleen bahá’ís bijeen, maar ook vele andere die de mensheid een warm hart toedragen en die met hen het verlangen delen om eenheid te bevorderen en de wereld te verbeteren. Hun vastberadenheid en sterke doelgerichtheid zijn zichtbaar in de geest die is gegenereerd op de bijeenkomsten die reeds hebben plaatsgevonden. De deelnemers werden daar in beweging gebracht, zowel door de dynamische consultaties waaraan zij hebben bijgedragen als door de gemeenschappelijke visie die tijdens deze vreugdevolle bijeenkomsten is verkend. Wij kijken met hoopvolle verwachting uit naar wat de komende maanden en jaren zullen brengen.

3. Sinds wij onze boodschap van 30 december 2021 aan de Conferentie van Raadgevers hebben gericht, onderzoeken Nationale Geestelijke Raden en Regional Bahá’í Councils aandachtig de mogelijkheden om het groeiproces in de clusters binnen hun rechtsgebied gedurende het Negenjarenplan te intensiveren. Wij denken dat het voor het meten van de vooruitgang in de loop van de tijd zinvol is om het Plan te zien als zich ontvouwend in twee fasen, van vier en vijf jaar, en de Nationale Raden waren gevraagd om na te denken over de vooruitgang die zij verwachten te zien in hun gemeenschappen tegen Riḍván 2026 en vervolgens tegen Riḍván 2031. Deze beoordeling omvatte ook een her-evaluatie van de clustergrenzen, en het resultaat van deze aanpassingen is dat het totale aantal clusters in de wereld met een kwart is gestegen en nu meer dan 22.000 bedraagt. Te oordelen naar de ontvangen prognoses wordt geschat dat er tegen het einde van het Plan in ongeveer 14.000 van deze clusters een groeiprogramma op enig niveau van ontwikkeling zal bestaan. Het aantal van deze clusters waar het groeiprogramma als intensief kan worden beschouwd, zal in dezelfde periode naar verwachting stijgen tot 11.000. En daarvan zal het aantal clusters waar de derde mijlpaal is gepasseerd, tegen 2031 naar verwachting boven de 5.000 uitkomen. Het lijdt geen twijfel dat het realiseren van een dergelijke vooruitgang een kolossale inspanning zal vergen gedurende de gehele looptijd van het Plan. Toch vinden wij het een waardig streven, want het is een ambitieuze maar serieuze inschatting van wat binnen bereik ligt.

4. Dit is veelzeggend. Dergelijke doelstellingen zouden niet realistisch kunnen worden overwogen als de bestuurlijke instituten en instellingen zich niet sterk hadden ontwikkeld, waardoor zij aanzienlijk beter in staat zijn om de zaken te beheren van een gemeenschap waarvan de activiteiten zich zo snel hebben vermenigvuldigd en die een groot en groeiend aantal verwante zielen omarmen. Een dergelijke groei zou niet kunnen worden nagestreefd indien niet op alle niveaus, tot aan de basis van de gemeenschap, het verlangen om te leren – om te handelen, te reflecteren, inzichten te verwerven en de elders opgedane inzichten mee te nemen – zou zijn gecultiveerd. En de inspanning die dergelijke prognoses met zich meebrengen zou nauwelijks haalbaar zijn als in de bahá’í-wereld een systematische benadering van het onderrichtswerk en van de ontwikkeling van het menselijk potentieel niet steeds krachtiger was geworden. Dit alles heeft ertoe geleid dat de bahá’í-gemeenschap zich meer bewust is geworden van haar eigen identiteit en doel. De vastbeslotenheid om naar buiten gericht te zijn in het proces van gemeenschapsopbouw is al op vele, vele plaatsen een vast aspect van de cultuur geworden; het is nu in een toenemend aantal gemeenschappen tot bloei gekomen in een besef van ware verantwoordelijkheid voor de geestelijke en materiële vooruitgang van steeds grotere groepen binnen de samenleving, ver voorbij het lidmaatschap van de Bahá’í-gemeenschap zelf. De inspanningen van de vrienden om gemeenschappen te bouwen, maatschappelijke actie te ontplooien en bij te dragen aan de heersende discoursen in de samenleving zijn samengesmolten tot één wereldwijde onderneming, met elkaar verbonden door een gemeenschappelijk actiekader, gericht op het helpen van de mensheid om haar aangelegenheden te vestigen op een fundament van geestelijke principes. De betekenis van de beschreven ontwikkelingen, die honderd jaar na de instelling van het Bestuursstelsel dit punt hebben bereikt, mag niet vergeten worden. In de buitengewone toename van capaciteit die zich in de laatste twee decennia heeft voorgedaan – en die het voor de bahá’í-wereld mogelijk heeft gemaakt haar inspanningen te zien in termen van het vrijmaken van de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof – zien wij het onweerlegbare bewijs dat de Zaak van God het zesde tijdvak van haar Vormende Tijdperk is binnengegaan. Vorige Riḍván kondigden wij aan dat het wijdverspreide fenomeen van grote aantallen mensen die deelnemen aan bahá’í-activiteiten, die aangestoken door geloof de vaardigheden en bekwaamheden verwerven om hun gemeenschappen te dienen, aangaf dat het derde tijdvak van het Goddelijke Plan van de Meester was aangebroken; aldus markeert het Eenjarige Plan, bij zijn aanvang toen en bij zijn afsluiting nu, een reeks historische vorderingen die door het gezelschap van de getrouwen zijn gemaakt. En op de drempel van een nieuwe, machtige onderneming staat dit verenigde lichaam van gelovigen klaar om de mogelijkheden aan te grijpen die wijd voor hem open liggen.

5. Een belangrijk kenmerk van het tijdvak dat nu eindigt, was de oprichting van de laatste van de continentale Huizen van Aanbidding en het initiëren van projecten om Huizen van Aanbidding op te richten op nationaal en lokaal niveau. Bahá’ís over de hele wereld hebben veel geleerd over het concept van de Mashriqu’l-Adhkár en het samengaan van aanbidding en dienstbaarheid dat het belichaamt. Gedurende het zesde tijdvak van het Vormende Tijdperk zal er nog veel meer geleerd worden over het pad dat leidt van de ontwikkeling binnen een gemeenschap van een bloeiend devotioneel leven – en de dienstbaarheid die het inspireert – tot de verschijning van een Mashriqu’l-Adhkár. Consultaties met verscheidene Nationale Geestelijke Raden zijn begonnen, en naarmate deze vorderen, zullen wij periodiek plaatsen aankondigen waar in de komende jaren een Bahá’í-huis van Aanbidding zal worden opgericht.

6. Onze vreugde over het steeds krachtiger worden van de gemeenschap van de Grootste Naam wordt getemperd door onze diepe bedroefdheid bij het zien van de aanhoudende omstandigheden en conflicten in de wereld die ellende en wanhopig lijden veroorzaken – in het bijzonder bij het waarnemen van de heropleving van destructieve krachten die internationale betrekkingen hebben verstoord en verschrikkingen onder bevolkingen hebben gebracht. Wij weten goed en zijn verzekerd dat, zoals bahá’í-gemeenschappen herhaaldelijk in vele verschillende contexten hebben laten zien, de volgelingen van Bahá’u’lláh zich inzetten om hulp en steun te bieden aan de mensen om hen heen, hoe benard hun eigen omstandigheden ook zijn. Maar totdat de mensheid als geheel zich verplicht zijn aangelegenheden te vestigen op fundamenten van gerechtigheid en waarheid, is hij helaas gedoemd van de ene crisis naar de andere te strompelen. Als het recente uitbreken van de oorlog in Europa enige lering voor de toekomst zal opleveren, bidden wij dat deze zal dienen als een dringende herinnering aan de koers die de wereld moet volgen, wil hij een waarachtige en duurzame vrede bereiken. De principes die Bahá’u’lláh aan de vorsten en presidenten van Zijn tijd heeft verkondigd, en de zwaarwegende verantwoordelijkheden waarmee Hij heersers van toen en nu belastte, zijn vandaag de dag wellicht nog relevanter en noodzakelijker dan toen zij voor het eerst door Zijn pen werden opgetekend. Voor de bahá’ís is de onverbiddelijke voortgang van het Grote Plan van God – dat beproevingen en beroeringen met zich meebrengt, maar de mensheid uiteindelijk naar rechtvaardigheid, vrede en eenheid drijft – de context waarbinnen het Kleine Plan van God, waarmee de gelovigen zich voornamelijk bezighouden, zich ontvouwt. Het disfunctioneren van de huidige samenleving maakt de noodzaak van het vrijmaken van de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof overduidelijk en dringend. We kunnen niet anders dan verwachten dat de wereld voorlopig nog zal worden geteisterd door stuiptrekkingen en beroeringen; u zult dan ook ongetwijfeld begrijpen waarom elke vurige smeekbede die wij offeren om alle kinderen van God te verlossen van verbijstering en bittere ontberingen, gepaard gaat met een even innig gebed voor het welslagen van de zo noodzakelijke dienst die u bewijst voor de Zaak van de Vredevorst.

7. In elk cluster waar de activiteiten van het Plan aan kracht winnen, zien wij de ontwikkeling van gemeenschappen met de nobele kenmerken die we beschreven in de boodschap van 30 december 2021. Naarmate samenlevingen spanningen van uiteenlopende aard ondergaan, moeten de volgelingen van de Abhá-schoonheid zich meer en meer onderscheiden door hun kwaliteiten van veerkracht en rationaliteit, door hun voorbeeldig gedrag en hun vasthouden aan principes, en door het mededogen, de onthechting en de verdraagzaamheid waarvan zij blijk geven in hun streven naar eenheid. Keer op keer hebben de onderscheidende eigenschappen en houdingen die de gelovigen in perioden van acute moeilijkheden hebben getoond, mensen ertoe gebracht zich tot bahá’ís te wenden voor uitleg, advies en steun, vooral wanneer het leven van een samenleving wordt verstoord door gevaar en onvoorziene ontwrichtingen. Wij zijn er ons bij het delen van deze observaties van bewust dat de bahá’í-gemeenschap zelf ook de gevolgen ondervindt van de krachten van desintegratie die in de wereld werkzaam zijn. Bovendien zijn wij ons ervan bewust dat hoe groter de inspanningen van de vrienden zijn om het Woord van God te bevorderen, des te sterker de tegenkrachten zullen zijn die zij, vroeg of laat, van verschillende kanten zullen ontmoeten. Zij moeten hun verstand en geest sterken tegen de beproevingen die zeker zullen komen, opdat deze de zuiverheid van hun inspanningen niet aantasten. Maar de gelovigen weten dat, welke stormen er ook komen, de ark van de Zaak tegen alle bestand is. In de opeenvolgende fasen van zijn reis heeft hij de elementen doorstaan en op de golven voortbewogen. Nu is hij op weg naar een nieuwe horizon. De bekrachtigingen van de Almachtige zijn de windvlagen die zijn zeilen vullen en hem voortstuwen naar zijn bestemming. En het Verbond is het baken, dat het heilige schip op zijn vaste koers houdt. Mogen de hemelse scharen zegeningen zenden over allen die er op varen.

1. Wij richten ons met enorme vreugde tot een gemeenschap wier geestdrift en vastberadenheid passen bij haar hoge roeping. Hoe groot, hoe enorm groot is onze liefde voor u, en hoe wieken onze zielen omhoog als we uw oprechte en toegewijde streven zien om een leven te leiden dat is gevormd door de Leringen van Bahá’u’lláh en om de levengevende wateren van Zijn Openbaring aan te bieden aan een wereld die hevig dorst. Uw krachtige doelgerichtheid is duidelijk waarneembaar. Uitbreiding en consolidatie, maatschappelijke actie en deelname aan het maatschappelijk discours vorderen gestaag, en de natuurlijke samenhang van deze ondernemingen op het niveau van het cluster wordt steeds meer zichtbaar. Nergens is dit duidelijker dan op plaatsen waar steeds meer mensen betrokken raken bij een reeks inspanningen, elk een middel voor het vrijmaken van de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof.

2. In de twaalf maanden die zijn verstreken sinds het begin van het Negenjarenplan, waren wij verheugd te zien hoe deze wereldwijde, geestelijke onderneming de vrienden heeft geïnspireerd en bezield, en een impuls heeft gegeven aan specifieke actielijnen. Een direct aandachtspunt was het uitvoeren van plannen die ervoor zorgen dat er in elk land en elke regio ten minste één cluster ontstaat waar de derde mijlpaal is gepasseerd: een plaats waar grote aantallen mensen samenwerken en bijdragen aan het leven van een bruisende gemeenschap. In het bewustzijn echter dat het doel van deze periode van vijfentwintig jaar is om in elk cluster ter wereld een intensief groeiprogramma op te zetten, zijn de gelovigen ook begonnen met het openen van nieuwe clusters voor het Geloof en met het intensiveren van hun inspanningen op plaatsen waar al een groeiprogramma bestaat. Er is een verhoogd bewustzijn van de mogelijkheid voor pioniers om op te staan in alle delen van de wereld; vele toegewijde zielen overwegen hoe zij op deze mogelijkheid kunnen reageren en vele anderen hebben al posten ingenomen, met name op het thuisfront, maar ook in toenemende mate op het internationale vlak. Dit is één van de vele manieren waarop, zoals wij hadden gehoopt, een geest van wederzijdse steun door de vrienden overal tot uitdrukking wordt gebracht. Gemeenschappen waar kracht is opgebouwd hebben zich verbonden aan het ondersteunen van vooruitgang op een andere plaats – in een andere cluster, regio, land of zelfs continent – en er zijn creatieve middelen gevonden om op afstand bemoediging te bieden en het mogelijk te maken ervaringen rechtstreeks te delen. Ondertussen wordt de basisaanpak van het vastleggen wat er in een cluster wordt geleerd op grote schaal toegepast, zodat dit inzichten kan leveren voor plannen die lokaal en elders worden gemaakt. Het verheugt ons dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de vraag hoe de kwaliteit van de door het instituut geboden educatieve ervaring kan worden verbeterd. Wanneer het instituutsproces in een gemeenschap wortelt zijn de effecten ervan indrukwekkend. Getuige bijvoorbeeld die centra van intense activiteit waar de bewoners het trainingsinstituut zijn gaan beschouwen als een krachtig instrument dat van henzelf is: voor de gezonde ontwikkeling van dat instrument hebben zij de eerste verantwoordelijkheid op zich genomen. In de wetenschap dat de deuren van het Geloof altijd wijd open staan leren de gelovigen hoe zij degenen die er klaar voor zijn om toe te treden kunnen bemoedigen. Het is een voorrecht en een bijzondere vreugde om met deze zielen samen op te trekken en hen over de drempel te helpen; in elke culturele context valt er veel te leren over de dynamiek van dit resonerende moment van erkenning en verbinding. En dat is nog niet alles. Terwijl in veel clusters de inspanningen om bij te dragen aan sociale transformatie nog in hun vroegste stadium verkeren, trachten Nationale Geestelijke Raden, zoals altijd bekwaam bijgestaan door de Raadgevers, actief meer te leren over hoe deze inspanningen voortkomen uit het proces van gemeenschapsopbouw. Gesprekken over het sociale en materiële welzijn van een bevolking worden gecultiveerd binnen groepen families en in gemeenschappen, terwijl de vrienden ook manieren vinden om deel te nemen aan betekenisvolle discoursen die zich in hun directe omgeving ontvouwen.

3. Te midden van alles wat we hebben beschreven schitteren de acties van de jongeren glansrijk. Verre van louter passief invloeden in zich op te nemen, of die invloeden nu gunstig zijn of niet, hebben zij bewezen moedige en scherpzinnige voorvechters van het Plan te zijn. Waar een gemeenschap hen in dit licht heeft gezien en voorwaarden heeft geschapen voor hun vooruitgang, hebben de jongeren het in hen gestelde vertrouwen meer dan waargemaakt. Zij onderrichten het Geloof aan hun vrienden en maken dienstbaarheid de basis van meer betekenisvolle vriendschappen. Vaak neemt deze dienstbaarheid de vorm aan van educatie aan degenen die jonger zijn dan zijzelf; zij bieden hun niet alleen morele en geestelijke opvoeding, maar vaak ook hulp bij hun scholing. Toegerust met een heilige verantwoordelijkheid om het instituutsproces te versterken, vervullen bahá’í-jongeren onze gekoesterde hoop.

4. Het decor voor al deze inspanningen is een zeer verward tijdperk. In brede kring wordt erkend dat de huidige maatschappelijke structuren slecht zijn toegerust voor de noden van de mensheid in haar huidige toestand van beproevingen. Veel van wat algemeen werd aangenomen als zeker en onwrikbaar wordt in twijfel getrokken en de resulterende beroering veroorzaakt een verlangen naar een verenigende visie. Het koor van stemmen dat roept om eenheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid laat zien hoe velen deze verlangens voor hun samenlevingen delen. Natuurlijk is het voor een volgeling van de Gezegende Schoonheid niet verwonderlijk dat de harten moeten verlangen naar de geestelijke idealen die Hij heeft verkondigd. Maar we vinden het niettemin opvallend dat, in een jaar waarin de vooruitzichten voor de collectieve vooruitgang van de mensheid zelden somberder leken, het licht van het Geloof met verbazingwekkende schittering scheen in meer dan tienduizend conferenties, bijgewoond door bijna anderhalf miljoen mensen, gericht op de middelen om diezelfde idealen te bevorderen. Bahá’u’lláh’s visie en Zijn aansporing aan de mensheid om in eenheid te werken aan de verbetering van de wereld was het middelpunt waaromheen diverse elementen van de samenleving zich gretig verzamelden; en geen wonder, want zoals ‘Abdu’l-Bahá heeft uitgelegd: “Elke gemeenschap in de wereld vindt in deze Goddelijke Leringen de verwezenlijking van haar hoogste verlangens.” Sommige van hen die de mensheid een warm hart toedragen worden misschien in eerste instantie aangetrokken tot de bahá’í-gemeenschap als een toevluchtsoord, een schuilplaats voor een gepolariseerde en verlamde wereld. Maar meer nog dan een schuilplaats vinden zij gelijkgestemde zielen die samen werken aan een nieuwe wereld.

5. Er zou veel geschreven kunnen worden over de geografische spreiding van de conferenties, de buitengewone impuls die zij gaven aan het nieuwe Plan, of de oprechte uitingen van vreugde en enthousiasme die zij opriepen bij degenen die eraan deelnamen. Maar in deze paar regels willen we de aandacht vestigen op wat ze betekenden voor de ontwikkeling van de Zaak. Ze waren een weerspiegeling van een bahá’í-gemeenschap die verwantschap ziet, geen onderscheid. Deze zienswijze maakte het vanzelfsprekend om tijdens de bijeenkomsten waar iedereen welkom was het Negenjarenplan te verkennen. De vrienden bespraken de implicaties van het Plan voor hun samenleving, niet alleen samen met individuen en gezinnen, maar ook met plaatselijke leiders en gezagsdragers. Door zoveel mensen op één plaats samen te brengen werden de voorwaarden geschapen voor een transformerend gesprek over geestelijke en sociale vooruitgang, een gesprek dat zich over de hele wereld ontplooit. De bijzondere bijdrage die dergelijke bijeenkomsten – tegelijk open, verheffend en doelgericht – kunnen leveren aan een groeiend patroon van gemeenschapsopbouw in een cluster is een waardevolle les voor bahá’í-instellingen om voor de toekomst in gedachten te houden.

6. En zo betreedt het gezelschap van gelovigen het tweede jaar van het Plan met een nieuw perspectief en een diepgaand inzicht in de betekenis van wat zij willen bereiken. Hoe anders zien acties eruit wanneer ze worden gezien in het licht van de maatschappijopbouwende kracht die ze vrijmaken! Door dit groots vergezicht kan een doorgaande activiteit worden gezien als veel meer dan een geïsoleerde daad van dienstbaarheid of slechts een beoordelingsmoment. In plaats na plaats laten de nagestreefde initiatieven een bevolking zien die steeds meer verantwoordelijkheid leert nemen voor haar eigen ontwikkeling. De daaruit voortvloeiende geestelijke en sociale transformatie manifesteert zich op verschillende manieren in het leven van een bevolking. In de vorige reeks Plannen kwam dit het duidelijkst tot uiting in de bevordering van geestelijke educatie en collectieve aanbidding. In deze nieuwe reeks Plannen moet steeds meer aandacht worden geschonken aan andere processen die gericht zijn op het verbeteren van het leven van een gemeenschap, bijvoorbeeld door verbetering van de volksgezondheid, bescherming van het milieu of door een doeltreffender gebruik van de kracht van kunst. Wat nodig is om al deze complementaire aspecten van het welzijn van een gemeenschap te bevorderen, is natuurlijk de capaciteit om systematisch te leren op al deze gebieden, een capaciteit die gebruik maakt van inzichten die voortkomen uit de Leringen en de verzamelde voorraad menselijke kennis die door wetenschappelijk onderzoek is gegenereerd. Naarmate deze capaciteit groeit, zal er de komende decennia veel worden bereikt.

7. Deze verruimde, maatschappijopbouwende visie heeft verstrekkende gevolgen. Elke gemeenschap bevindt zich op haar eigen pad naar de verwezenlijking ervan. Maar vooruitgang op de ene plaats deelt vaak kenmerken met vooruitgang op een andere plaats. Eén kenmerk is dat, naarmate capaciteiten toenemen en de kracht van een plaatselijke of nationale gemeenschap zich vermenigvuldigt, uiteindelijk zal worden voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van een Mashriqu’l-Adhkár, uiteengezet in onze Riḍvánboodschap van 2012. Zoals wij in onze boodschap van afgelopen Riḍván aan u hebben aangegeven, zullen wij periodiek plaatsen aanwijzen waar een bahá’í-tempel moet worden opgericht. Wij zijn verheugd om op dit moment op te roepen tot de oprichting van plaatselijke Huizen van Aanbidding in Kanchanpur, Nepal, en Mwinilunga, Zambia. Daarnaast roepen wij op tot het oprichten van een nationaal Huis van Aanbidding in Canada, in de buurt van de reeds lang bestaande nationale Ḥaẓíratu’l-Quds in Toronto. Deze projecten en andere die in de toekomst zullen worden gelanceerd, kunnen rekenen op de steun die het Tempelfonds krijgt van de vrienden in alle landen.

8. Overvloedig zijn de zegeningen die een liefdadige Heer verkoos te schenken aan Zijn geliefden. Verheven is de roep, prachtig het vooruitzicht. Dringend is de tijd waarin wij allen

zijn opgeroepen te dienen. Hartstochtelijk zijn dan ook de gebeden waarmee wij, namens u en voor uw onvermoeibare inspanningen, bidden aan de Drempel van Bahá’u’lláh.

Twee jaar van een ontzagwekkende, negenjarige onderneming zijn voorbij gevlogen. De vrienden van God hebben de doelstellingen ervan ter harte genomen. In de hele bahá’í-wereld is er een toegenomen begrip van wat er nodig is om het proces van gemeenschapsopbouw verder uit te breiden en diepgaande sociale transformatie te bewerkstelligen. Maar met elke dag die voorbijgaat zien wij ook de toestand van de wereld wanhopiger worden en de verdeeldheid heviger. De escalerende spanningen binnen samenlevingen en tussen naties treffen mensen en plaatsen op talloze manieren.

Dit vraagt van elke gewetensvolle ziel een antwoord. Wij zijn ons er maar al te goed van bewust dat de gemeenschap van de Grootste Naam niet kan verwachten onaangetast te blijven door de beproevingen van de samenleving. Maar hoewel ze door deze beproevingen wordt geraakt, is ze er niet door in verwarring gebracht; ze is bedroefd door het lijden van de mensheid, maar er niet door verlamd. Liefdevolle bezorgdheid moet leiden tot aanhoudende inspanningen om gemeenschappen op te bouwen die hoop bieden in plaats van wanhoop, eenheid in plaats van conflict.

Shoghi Effendi heeft duidelijk beschreven hoe een proces van “toenemende verslechtering in menselijke aangelegenheden” parallel plaatsvindt met een ander proces, een proces van integratie, waardoor de “Ark van menselijke verlossing”, het “ultieme toevluchtsoord” van de samenleving, wordt opgebouwd. We verheugen ons om in elk land en in elke regio ware beoefenaars van vrede te zien die bezig zijn met het bouwen van dit toevluchtsoord. We zien het in ieder verhaal van een hart dat wordt aangestoken door de liefde van God, een gezin dat zijn huis openstelt voor nieuwe vrienden, medewerkers die de leringen van Bahá’u’lláh gebruiken om een maatschappelijk probleem aan de orde te stellen, een gemeenschap die een cultuur van wederzijdse steun versterkt, een buurt of dorp dat leert om de acties die nodig zijn voor zijn eigen geestelijke en materiële vooruitgang in gang te zetten en vol te houden, een plaats die gezegend wordt met de totstandkoming van een nieuwe Geestelijke Raad.

De methoden en instrumenten van het Plan stellen iedere ziel in staat om een deel bij te dragen aan wat de mensheid in deze tijd nodig heeft. Verre van een tijdelijke balsem te bieden voor de kwalen van het moment, is de voortzetting van het Plan het middel waarmee opbouwende processen op lange termijn, zich over generaties ontvouwend, in elke samenleving in beweging worden gezet. Dit alles wijst op een dringende, onontkoombare conclusie: Er moet een aanhoudende, snelle toename zijn van het aantal mensen die hun tijd, energie en concentratie inzetten voor het welslagen van dit werk.

Waar anders dan in Bahá’u’lláh’s principe van het een-zijn van de mensheid kan de wereld een visie vinden die breed genoeg is om al haar verschillende elementen te verenigen? Hoe anders dan door het vertalen van die visie in een orde die gebaseerd is op eenheid in verscheidenheid kan de wereld de maatschappelijke breuken helen die haar verdelen? Wie anders kan het zuurdesem zijn waardoor de volkeren van de wereld een nieuwe manier van leven kunnen ontdekken, een weg naar blijvende vrede? Reik dan iedereen de hand van vriendschap, van gemeenschappelijk streven, van gedeelde dienstbaarheid, van collectief leren, en ga als één lichaam vooruit.

We zijn ons ervan bewust hoeveel levendigheid en kracht er in elke samenleving ontstaat als de jongeren de visie van Bahá’u’lláh beseffen en voorvechters worden van het Plan. En dus, met wat voor immense vriendelijkheid, moed en volledig vertrouwen in God moeten bahá’íjongeren besluiten om hun leeftijdgenoten de hand te reiken en hen bij dit werk te betrekken! Iedereen moet in beweging komen, maar de jongeren moeten omhoog wieken.

De drang die van het huidige uur uitgaat mag de speciale vreugde die van dienstbaarheid uitgaat niet verduisteren. De oproep tot dienstbaarheid is een verheffende, allesomvattende oproep. Het trekt elke gelovige ziel aan, zelfs degenen die gebukt gaan onder zorgen en verplichtingen. Want in alle manieren waarop die trouwe ziel bezig is, kan een diepgewortelde toewijding en een levenslange zorg voor het welzijn van anderen ontdekt worden. Zulke kwaliteiten geven samenhang aan een leven vol veelvuldige eisen. En de allerzoetste momenten voor elk aangestoken hart zijn die welke worden doorgebracht met geestelijke zusters en broeders, zorgend voor een samenleving die geestelijke voeding nodig heeft.

In de Heilige Graftomben, met overvloeiende harten, danken wij Bahá’u’lláh dat Hij u heeft grootgebracht en u in Zijn wegen heeft opgeleid, en wij smeken Hem om u Zijn zegen te zenden.

1. Met nog maar een jaar te gaan voordat de eerste fase van het Negenjarenplan wordt afgesloten, willen we heel graag verslag uitbrengen over de voortgang ervan; hoe, door schitterende voorbeelden van nobele inzet, de visie die het Geloof biedt steeds meer harten met hoop vervult.

2. Het groeiproces gaat onverminderd voort. Opmerkelijke doorbraken hebben plaatsgevonden in uiteenlopende culturele gebieden, waar voorheen geen noemenswaardige vooruitgang was waargenomen, doordat het zaad van het Geloof nieuwe groene uitlopers heeft voortgebracht en de capaciteit om met veel zielen tegelijkertijd te werken begint te ontstaan. Deze vorderingen zijn vaak mogelijk gemaakt door toegewijde pioniers die, met een hart vervuld van liefde voor hun Heer, zich in indrukwekkende aantallen naar plaatsen in het thuisfront en in het buitenland hebben gehaast. In clusters waar al een groeiprogramma was begonnen, wordt hernieuwde aandacht gegeven aan het creatief en vindingrijk toepassen van die beproefde strategieën en actielijnen die de vrienden in staat zullen stellen om de tweede en derde mijlpaal te passeren. En in clusters met bewezen kracht worden de eerste tekenen van de maatschappijopbouwende kracht van het Geloof zichtbaarder, nu er door een groeiend gezelschap van bevlogen zielen een levendig en transformerend patroon van bahá’í-leven wordt omarmd.

3. Inmiddels heeft de betrokkenheid met de samenleving vanuit de grassroots opmerkelijke vooruitgang geboekt. Initiatieven voor maatschappelijke actie vanuit de gemeenschap die gericht zijn op educatie zijn het snelst in aantal toegenomen, maar ook op andere gebieden is vooruitgang geboekt, zoals landbouw, gezondheidszorg, milieu, de empowerment van vrouwen, en de kunsten. Dergelijke vooruitgang is het duidelijkst waarneembaar in de sterkste clusters, waar veel dorpen of buurten – of zelfs één straat of flatgebouw – een thuis bieden aan een groep bewoners die de verheffing ervaart die voortkomt uit het omzetten van de principes van het Geloof in tastbare werkelijkheid. In sommige plaatsen wenden civiele gezagsdragers en personen met verantwoordelijkheid voor onderwijs aan kinderen of maatschappelijke ontwikkeling op lokaal niveau zich niet slechts tot de bahá’ís voor inzichten, maar zoeken ze samenwerking bij het zoeken naar praktische oplossingen. Bovendien zijn wij verheugd om te zien dat op nationaal en internationaal niveau de bahá’í-benadering van bepaalde belangrijke discoursen steeds meer aandacht en waardering krijgt.

4. Het Negenjarenplan is gebaseerd op een groots, wereldwijd leerproces dat even doeltreffend is in de hooglanden van Bolivia als in de buitenwijken van Sydney. Dit leerproces heeft geleid tot strategieën en acties die aan elke situatie kunnen worden aangepast. Het is systematisch, het is organisch, het is allesomvattend. Het schept verbindingen die tot bloei komen in dynamische relaties tussen gezinnen, tussen buren, tussen jongeren en tussen allen die bereid zijn om hoofdrolspelers te zijn in deze glorieuze onderneming. Het schept gemeenschappen vol van potentie. Het maakt de vervulling van hoge idealen mogelijk, die worden gedeeld door mensen die voorheen gescheiden waren door geografische factoren, taal, cultuur of vorming, maar die nu de universele oproep van Bahá’u’lláh hebben gehoord en beantwoord om “onophoudelijk te streven naar de verbetering van het elkaars leven”. En het is volledig afhankelijk van de bezielende kracht van het Woord van God – die “verenigende kracht”, “de drijfveer van zielen en de verbinder en richtinggever in de wereld van de mensheid” – en van de aanhoudende actie die het inspireert.

5. Hoe helder is het licht dat straalt van uw toegewijde inspanningen tegen de duisternis van een stormachtige hemel! Terwijl de storm in de wereld woedt, worden in landen, regio’s en clusters toevluchtsoorden gebouwd die de mensheid zullen beschutten. Maar er is nog veel te doen. Iedere nationale gemeenschap heeft haar eigen verwachtingen voor de vooruitgang die in deze openingsfase van het Plan moet worden geboekt. De tijd verstrijkt. Geliefde vrienden, en verkondigers van de goddelijke leringen, en kampioenen van de Gezegende Schoonheid, uw inspanningen zijn nu nodig. Elke vooruitgang die wordt geboekt in de voorbijsnellende maanden vóór de volgende Riḍván zal de gemeenschap van de Grootste Naam beter toerusten voor wat zij in de tweede fase van het Plan moet volbrengen. Moge u succes verleend worden. Hiervoor smeken wij de soevereine Heer; hiervoor doen wij een dringend beroep op Zijn onfeilbare bijstand; hiervoor verzoeken wij Hem om Zijn gezegende engelen uit te zenden om ieder van u bij te staan.